LXIII.Reiziger, moet gij vertrekken?De nacht is stil en de duisternis zijgt op het woud.Op ons balkon zijn de lampen helder, de bloemen allen frisch en de jeugdige oogen nog wakker.Is de tijd voor het afscheid gekoomen?Reiziger, moet gij vertrekken?We hebben uw voeten niet met onze smeekende armen gebonden.De deuren zijn voor u oopen. Uw paard staat gezadeld aan de poort.Alleen met onze gezangen hebben wij getracht uw heengaan te verhinderen.Als wij getracht hebben u terug te houden, was het alleen met onze oogen.Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden. Wij hebben niet dan onze tranen.Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?Welke rustelooze koorts woelt in uw bloed?Welke roep uit het duister dwingt u?Welke vreesselijke bezweering hebt gij in de sterren geleezen, dat de nacht uw hart binnendrong met geheime verzeegelde boodschap, zwijgend en vreemd.Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt, als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen we onze lampen dooven en onze harpen doen verstommen.We zullen stil in ’t donker zitten bij het geruisch der bladeren, en de vermoeide maan zal bleeke stralen op uw venster werpen.O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het hart van den middernacht heeft u aangeraakt?
LXIII.Reiziger, moet gij vertrekken?De nacht is stil en de duisternis zijgt op het woud.Op ons balkon zijn de lampen helder, de bloemen allen frisch en de jeugdige oogen nog wakker.Is de tijd voor het afscheid gekoomen?Reiziger, moet gij vertrekken?We hebben uw voeten niet met onze smeekende armen gebonden.De deuren zijn voor u oopen. Uw paard staat gezadeld aan de poort.Alleen met onze gezangen hebben wij getracht uw heengaan te verhinderen.Als wij getracht hebben u terug te houden, was het alleen met onze oogen.Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden. Wij hebben niet dan onze tranen.Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?Welke rustelooze koorts woelt in uw bloed?Welke roep uit het duister dwingt u?Welke vreesselijke bezweering hebt gij in de sterren geleezen, dat de nacht uw hart binnendrong met geheime verzeegelde boodschap, zwijgend en vreemd.Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt, als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen we onze lampen dooven en onze harpen doen verstommen.We zullen stil in ’t donker zitten bij het geruisch der bladeren, en de vermoeide maan zal bleeke stralen op uw venster werpen.O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het hart van den middernacht heeft u aangeraakt?
LXIII.
Reiziger, moet gij vertrekken?De nacht is stil en de duisternis zijgt op het woud.Op ons balkon zijn de lampen helder, de bloemen allen frisch en de jeugdige oogen nog wakker.Is de tijd voor het afscheid gekoomen?Reiziger, moet gij vertrekken?We hebben uw voeten niet met onze smeekende armen gebonden.De deuren zijn voor u oopen. Uw paard staat gezadeld aan de poort.Alleen met onze gezangen hebben wij getracht uw heengaan te verhinderen.Als wij getracht hebben u terug te houden, was het alleen met onze oogen.Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden. Wij hebben niet dan onze tranen.Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?Welke rustelooze koorts woelt in uw bloed?Welke roep uit het duister dwingt u?Welke vreesselijke bezweering hebt gij in de sterren geleezen, dat de nacht uw hart binnendrong met geheime verzeegelde boodschap, zwijgend en vreemd.Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt, als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen we onze lampen dooven en onze harpen doen verstommen.We zullen stil in ’t donker zitten bij het geruisch der bladeren, en de vermoeide maan zal bleeke stralen op uw venster werpen.O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het hart van den middernacht heeft u aangeraakt?
Reiziger, moet gij vertrekken?
De nacht is stil en de duisternis zijgt op het woud.
Op ons balkon zijn de lampen helder, de bloemen allen frisch en de jeugdige oogen nog wakker.
Is de tijd voor het afscheid gekoomen?
Reiziger, moet gij vertrekken?
We hebben uw voeten niet met onze smeekende armen gebonden.
De deuren zijn voor u oopen. Uw paard staat gezadeld aan de poort.
Alleen met onze gezangen hebben wij getracht uw heengaan te verhinderen.
Als wij getracht hebben u terug te houden, was het alleen met onze oogen.
Reiziger, wij zijn onmachtig u te houden. Wij hebben niet dan onze tranen.
Welk ondoofbaar vuur gloeit in uw oogen?
Welke rustelooze koorts woelt in uw bloed?
Welke roep uit het duister dwingt u?
Welke vreesselijke bezweering hebt gij in de sterren geleezen, dat de nacht uw hart binnendrong met geheime verzeegelde boodschap, zwijgend en vreemd.
Als ge niet van vroolijk gezelschap houdt, als ge vreede verlangt, moe hart, dan zullen we onze lampen dooven en onze harpen doen verstommen.
We zullen stil in ’t donker zitten bij het geruisch der bladeren, en de vermoeide maan zal bleeke stralen op uw venster werpen.
O reiziger, welke sluimerlooze geest uit het hart van den middernacht heeft u aangeraakt?