LXIV.Ik verbracht mijn dag op het blakend heete stof van den weg.Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur van de herberg. Ze is verlaten en in puin gevallen.Een grimmigeasjatboom spreidt zijn hongerig grijpende wortels door de gapende muurspleeten.Er waren dagen dat voetgangers hier hun moede voeten kwamen wasschen.Zij spreidden hun matten in den voorhof, bij het matte licht van de vroege maan, en zaten en praatten oover vreemde landen.Zij ontwaakten verkwikt in den morgen, als voogels hen verblijdden en vriendelijke bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten aan den kant van den weg.Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen brandende lamp.Zwarte roetvlekken, achtergelaten door veele vergeeten avondlampen, staren van den muur, als blinde oogen.Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen werpen hun schaduw op het begraasde pad.Ik ben niemands gast aan het einde van mijn dag.Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.
LXIV.Ik verbracht mijn dag op het blakend heete stof van den weg.Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur van de herberg. Ze is verlaten en in puin gevallen.Een grimmigeasjatboom spreidt zijn hongerig grijpende wortels door de gapende muurspleeten.Er waren dagen dat voetgangers hier hun moede voeten kwamen wasschen.Zij spreidden hun matten in den voorhof, bij het matte licht van de vroege maan, en zaten en praatten oover vreemde landen.Zij ontwaakten verkwikt in den morgen, als voogels hen verblijdden en vriendelijke bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten aan den kant van den weg.Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen brandende lamp.Zwarte roetvlekken, achtergelaten door veele vergeeten avondlampen, staren van den muur, als blinde oogen.Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen werpen hun schaduw op het begraasde pad.Ik ben niemands gast aan het einde van mijn dag.Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.
LXIV.
Ik verbracht mijn dag op het blakend heete stof van den weg.Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur van de herberg. Ze is verlaten en in puin gevallen.Een grimmigeasjatboom spreidt zijn hongerig grijpende wortels door de gapende muurspleeten.Er waren dagen dat voetgangers hier hun moede voeten kwamen wasschen.Zij spreidden hun matten in den voorhof, bij het matte licht van de vroege maan, en zaten en praatten oover vreemde landen.Zij ontwaakten verkwikt in den morgen, als voogels hen verblijdden en vriendelijke bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten aan den kant van den weg.Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen brandende lamp.Zwarte roetvlekken, achtergelaten door veele vergeeten avondlampen, staren van den muur, als blinde oogen.Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen werpen hun schaduw op het begraasde pad.Ik ben niemands gast aan het einde van mijn dag.Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.
Ik verbracht mijn dag op het blakend heete stof van den weg.
Nu, in de avondkoelte, klop ik aan de deur van de herberg. Ze is verlaten en in puin gevallen.
Een grimmigeasjatboom spreidt zijn hongerig grijpende wortels door de gapende muurspleeten.
Er waren dagen dat voetgangers hier hun moede voeten kwamen wasschen.
Zij spreidden hun matten in den voorhof, bij het matte licht van de vroege maan, en zaten en praatten oover vreemde landen.
Zij ontwaakten verkwikt in den morgen, als voogels hen verblijdden en vriendelijke bloemen met hun hoofdjes hun toeknikten aan den kant van den weg.
Maar toen ik hier kwam wachtte mij geen brandende lamp.
Zwarte roetvlekken, achtergelaten door veele vergeeten avondlampen, staren van den muur, als blinde oogen.
Vuur-vliegen zweeven in het struweel bij den verdroogden vijver, en bamboe-twijgen werpen hun schaduw op het begraasde pad.
Ik ben niemands gast aan het einde van mijn dag.
Vóór mij is de lange nacht en ik ben moede.