LXV.Is dat uw roep weederom?De avond is gekoomen. Vermoeidheid omvangt me als de armen van smeekende liefde.Roept gij mij?Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht rooven?Ergends is een einde aan alles, en de eenzaamheid van het duister is ons eigendom.Moet uw stem daar doorhéén booren en mij slaan?Heeft de avond aan uwe poort geen sluimermuziek?Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer den heemel booven uw genadelooze tooren.Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op het stof, in zacht sterven.Moet gij mij roepen, Rustelooze?Dan moogen de droeve oogen der liefde te vergeefs wachten en weenen.De lamp mooge branden in het eenzame huis.De veerboot brenge de moede arbeiders huiswaarts.Ik laat mijn droomen achter en kom haastig op uw roep.
LXV.Is dat uw roep weederom?De avond is gekoomen. Vermoeidheid omvangt me als de armen van smeekende liefde.Roept gij mij?Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht rooven?Ergends is een einde aan alles, en de eenzaamheid van het duister is ons eigendom.Moet uw stem daar doorhéén booren en mij slaan?Heeft de avond aan uwe poort geen sluimermuziek?Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer den heemel booven uw genadelooze tooren.Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op het stof, in zacht sterven.Moet gij mij roepen, Rustelooze?Dan moogen de droeve oogen der liefde te vergeefs wachten en weenen.De lamp mooge branden in het eenzame huis.De veerboot brenge de moede arbeiders huiswaarts.Ik laat mijn droomen achter en kom haastig op uw roep.
LXV.
Is dat uw roep weederom?De avond is gekoomen. Vermoeidheid omvangt me als de armen van smeekende liefde.Roept gij mij?Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht rooven?Ergends is een einde aan alles, en de eenzaamheid van het duister is ons eigendom.Moet uw stem daar doorhéén booren en mij slaan?Heeft de avond aan uwe poort geen sluimermuziek?Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer den heemel booven uw genadelooze tooren.Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op het stof, in zacht sterven.Moet gij mij roepen, Rustelooze?Dan moogen de droeve oogen der liefde te vergeefs wachten en weenen.De lamp mooge branden in het eenzame huis.De veerboot brenge de moede arbeiders huiswaarts.Ik laat mijn droomen achter en kom haastig op uw roep.
Is dat uw roep weederom?
De avond is gekoomen. Vermoeidheid omvangt me als de armen van smeekende liefde.
Roept gij mij?
Ik gaf u mijn ganschen dag, wreede meesteres, moet ge mij nu nog mijn nacht rooven?
Ergends is een einde aan alles, en de eenzaamheid van het duister is ons eigendom.
Moet uw stem daar doorhéén booren en mij slaan?
Heeft de avond aan uwe poort geen sluimermuziek?
Bestijgen de stilgewiekte sterren nimmer den heemel booven uw genadelooze tooren.
Vallen in uw gaarde de bloemen nooit op het stof, in zacht sterven.
Moet gij mij roepen, Rustelooze?
Dan moogen de droeve oogen der liefde te vergeefs wachten en weenen.
De lamp mooge branden in het eenzame huis.
De veerboot brenge de moede arbeiders huiswaarts.
Ik laat mijn droomen achter en kom haastig op uw roep.