LXVI.

LXVI.Een zwervende dwaas zocht den steen der wijzen. Zijn haren waren sliertig, tanig en vol stof, zijn lijf was tot een schim vermagerd, zijn lippen waren digt-gekneepen als de geslooten deuren van zijn hart, zijn oogen gloeiden als het licht van een glimworm die zijn wijfje zoekt.Vóór hem bulderde de grenzelooze oceaan.De rumoerige golven spraken gestadig van verborgen schatten, de onweetendheid bespottend, die hun beteekenis niet kende.Misschien had hij alle hoop opgegeeven, toch wou hij niet rusten, want het zoeken was zijn leeven geworden,—Eeven als de oceaan altijd dóór zijn armen tot den heemel opheft naar het onbereikbare.—Eeven als de sterren in kringen beweegen, en toch een einddoel zoeken dat nooit bereikt kan worden.—Zoo dwaalde de dwaas met zijn tanige, stoffige haren aan het eenzame strand en zocht den steen der wijzen.Op zeekeren dag kwam een dorps-jongen tot hem en vroeg: „Zeg, hoe kom je aan die gouden ketting om je middel?”De dwaas schrok op—de ketting, die eens van ijzer was, was waarlijk van goud; het was geen droom, maar hij wist niet wanneer zij veranderd was.Woest sloeg hij zich op ’t voorhoofd—wáár, o wáár toch had hij dit succes bereikt zonder het te weeten?Het was hem een gewoonte geworden steenen op te rapen en de ketting er mee aan te raken, en ze dan weg te werpen zonder te zien of de verandering gelukt was; zoo had de dwaas den steen gevonden en weer verlooren.De zon zonk laag in ’t westen, de heemel was als goud.De dwaas keerde terug op zijn schreeden om opnieuw de verlooren schat te vinden, zijn kracht uitgeput, zijn lijf geboogen, zijn hart in ’t stof—als een ontwortelde boom.

LXVI.Een zwervende dwaas zocht den steen der wijzen. Zijn haren waren sliertig, tanig en vol stof, zijn lijf was tot een schim vermagerd, zijn lippen waren digt-gekneepen als de geslooten deuren van zijn hart, zijn oogen gloeiden als het licht van een glimworm die zijn wijfje zoekt.Vóór hem bulderde de grenzelooze oceaan.De rumoerige golven spraken gestadig van verborgen schatten, de onweetendheid bespottend, die hun beteekenis niet kende.Misschien had hij alle hoop opgegeeven, toch wou hij niet rusten, want het zoeken was zijn leeven geworden,—Eeven als de oceaan altijd dóór zijn armen tot den heemel opheft naar het onbereikbare.—Eeven als de sterren in kringen beweegen, en toch een einddoel zoeken dat nooit bereikt kan worden.—Zoo dwaalde de dwaas met zijn tanige, stoffige haren aan het eenzame strand en zocht den steen der wijzen.Op zeekeren dag kwam een dorps-jongen tot hem en vroeg: „Zeg, hoe kom je aan die gouden ketting om je middel?”De dwaas schrok op—de ketting, die eens van ijzer was, was waarlijk van goud; het was geen droom, maar hij wist niet wanneer zij veranderd was.Woest sloeg hij zich op ’t voorhoofd—wáár, o wáár toch had hij dit succes bereikt zonder het te weeten?Het was hem een gewoonte geworden steenen op te rapen en de ketting er mee aan te raken, en ze dan weg te werpen zonder te zien of de verandering gelukt was; zoo had de dwaas den steen gevonden en weer verlooren.De zon zonk laag in ’t westen, de heemel was als goud.De dwaas keerde terug op zijn schreeden om opnieuw de verlooren schat te vinden, zijn kracht uitgeput, zijn lijf geboogen, zijn hart in ’t stof—als een ontwortelde boom.

LXVI.

Een zwervende dwaas zocht den steen der wijzen. Zijn haren waren sliertig, tanig en vol stof, zijn lijf was tot een schim vermagerd, zijn lippen waren digt-gekneepen als de geslooten deuren van zijn hart, zijn oogen gloeiden als het licht van een glimworm die zijn wijfje zoekt.Vóór hem bulderde de grenzelooze oceaan.De rumoerige golven spraken gestadig van verborgen schatten, de onweetendheid bespottend, die hun beteekenis niet kende.Misschien had hij alle hoop opgegeeven, toch wou hij niet rusten, want het zoeken was zijn leeven geworden,—Eeven als de oceaan altijd dóór zijn armen tot den heemel opheft naar het onbereikbare.—Eeven als de sterren in kringen beweegen, en toch een einddoel zoeken dat nooit bereikt kan worden.—Zoo dwaalde de dwaas met zijn tanige, stoffige haren aan het eenzame strand en zocht den steen der wijzen.Op zeekeren dag kwam een dorps-jongen tot hem en vroeg: „Zeg, hoe kom je aan die gouden ketting om je middel?”De dwaas schrok op—de ketting, die eens van ijzer was, was waarlijk van goud; het was geen droom, maar hij wist niet wanneer zij veranderd was.Woest sloeg hij zich op ’t voorhoofd—wáár, o wáár toch had hij dit succes bereikt zonder het te weeten?Het was hem een gewoonte geworden steenen op te rapen en de ketting er mee aan te raken, en ze dan weg te werpen zonder te zien of de verandering gelukt was; zoo had de dwaas den steen gevonden en weer verlooren.De zon zonk laag in ’t westen, de heemel was als goud.De dwaas keerde terug op zijn schreeden om opnieuw de verlooren schat te vinden, zijn kracht uitgeput, zijn lijf geboogen, zijn hart in ’t stof—als een ontwortelde boom.

Een zwervende dwaas zocht den steen der wijzen. Zijn haren waren sliertig, tanig en vol stof, zijn lijf was tot een schim vermagerd, zijn lippen waren digt-gekneepen als de geslooten deuren van zijn hart, zijn oogen gloeiden als het licht van een glimworm die zijn wijfje zoekt.

Vóór hem bulderde de grenzelooze oceaan.

De rumoerige golven spraken gestadig van verborgen schatten, de onweetendheid bespottend, die hun beteekenis niet kende.

Misschien had hij alle hoop opgegeeven, toch wou hij niet rusten, want het zoeken was zijn leeven geworden,—

Eeven als de oceaan altijd dóór zijn armen tot den heemel opheft naar het onbereikbare.—

Eeven als de sterren in kringen beweegen, en toch een einddoel zoeken dat nooit bereikt kan worden.—

Zoo dwaalde de dwaas met zijn tanige, stoffige haren aan het eenzame strand en zocht den steen der wijzen.

Op zeekeren dag kwam een dorps-jongen tot hem en vroeg: „Zeg, hoe kom je aan die gouden ketting om je middel?”

De dwaas schrok op—de ketting, die eens van ijzer was, was waarlijk van goud; het was geen droom, maar hij wist niet wanneer zij veranderd was.

Woest sloeg hij zich op ’t voorhoofd—wáár, o wáár toch had hij dit succes bereikt zonder het te weeten?

Het was hem een gewoonte geworden steenen op te rapen en de ketting er mee aan te raken, en ze dan weg te werpen zonder te zien of de verandering gelukt was; zoo had de dwaas den steen gevonden en weer verlooren.

De zon zonk laag in ’t westen, de heemel was als goud.

De dwaas keerde terug op zijn schreeden om opnieuw de verlooren schat te vinden, zijn kracht uitgeput, zijn lijf geboogen, zijn hart in ’t stof—als een ontwortelde boom.


Back to IndexNext