LXXI.

LXXI.De dag is nog niet voorbij, het marktfeest is nog niet ten einde, het marktfeest aan den stroom-oever.Ik vreesde dat mijn tijd vermorst was en mijn laatste penning verlooren.Maar neen, mijn broeder, ik heb nog iets oover. Het lot heeft mij niet alles ontfutseld.Het koopen en verkoopen is gedaan.De schulden aan weerszijden zijn geïnd, en het is tijd voor mij naar huis te gaan.Tolwachter, eisch je je tolgeld?Vrees niet, ik heb nog iets oover. Het lot heeft me niet alles ontfutseld.Het luuwen van den wind dreigt met storm, en de in het westen dalende wolken voorspellen geen goeds.Het verstomde water wacht op den wind.Ik spoed mij om den stroom oover te steeken vóór den nacht.O veerman, verlang je je veergeld?Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.Aan den wegkant, onder den boom, zit de beedelaar. Helaas, hij ziet mij in ’t gelaat met schuchtere hoop!Hij denkt dat ik rijk ben door de winst van den dag.Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.De nacht wordt donker en eenzaam de weg. Glimwormen glanzen tusschen de bladeren.Wie zij gij, die mij volgt met sluipend stille schreeden?O, ik weet, gij wilt mij berooven van al mijn winsten. Ik zal u niet teleurstellen.Want ik heb nog iets oover, mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.Te middernacht kom ik thuis. Mijn handen zijn leeg.Gij wacht met angstige oogen aan mijn deur, zwijgend en slapeloos.Als een vreesachtige voogel vliegt ge aan mijn borst met greetige liefde.Ja, ja, mijn God, er is nog veel oover.Mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.

LXXI.De dag is nog niet voorbij, het marktfeest is nog niet ten einde, het marktfeest aan den stroom-oever.Ik vreesde dat mijn tijd vermorst was en mijn laatste penning verlooren.Maar neen, mijn broeder, ik heb nog iets oover. Het lot heeft mij niet alles ontfutseld.Het koopen en verkoopen is gedaan.De schulden aan weerszijden zijn geïnd, en het is tijd voor mij naar huis te gaan.Tolwachter, eisch je je tolgeld?Vrees niet, ik heb nog iets oover. Het lot heeft me niet alles ontfutseld.Het luuwen van den wind dreigt met storm, en de in het westen dalende wolken voorspellen geen goeds.Het verstomde water wacht op den wind.Ik spoed mij om den stroom oover te steeken vóór den nacht.O veerman, verlang je je veergeld?Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.Aan den wegkant, onder den boom, zit de beedelaar. Helaas, hij ziet mij in ’t gelaat met schuchtere hoop!Hij denkt dat ik rijk ben door de winst van den dag.Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.De nacht wordt donker en eenzaam de weg. Glimwormen glanzen tusschen de bladeren.Wie zij gij, die mij volgt met sluipend stille schreeden?O, ik weet, gij wilt mij berooven van al mijn winsten. Ik zal u niet teleurstellen.Want ik heb nog iets oover, mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.Te middernacht kom ik thuis. Mijn handen zijn leeg.Gij wacht met angstige oogen aan mijn deur, zwijgend en slapeloos.Als een vreesachtige voogel vliegt ge aan mijn borst met greetige liefde.Ja, ja, mijn God, er is nog veel oover.Mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.

LXXI.

De dag is nog niet voorbij, het marktfeest is nog niet ten einde, het marktfeest aan den stroom-oever.Ik vreesde dat mijn tijd vermorst was en mijn laatste penning verlooren.Maar neen, mijn broeder, ik heb nog iets oover. Het lot heeft mij niet alles ontfutseld.Het koopen en verkoopen is gedaan.De schulden aan weerszijden zijn geïnd, en het is tijd voor mij naar huis te gaan.Tolwachter, eisch je je tolgeld?Vrees niet, ik heb nog iets oover. Het lot heeft me niet alles ontfutseld.Het luuwen van den wind dreigt met storm, en de in het westen dalende wolken voorspellen geen goeds.Het verstomde water wacht op den wind.Ik spoed mij om den stroom oover te steeken vóór den nacht.O veerman, verlang je je veergeld?Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.Aan den wegkant, onder den boom, zit de beedelaar. Helaas, hij ziet mij in ’t gelaat met schuchtere hoop!Hij denkt dat ik rijk ben door de winst van den dag.Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.De nacht wordt donker en eenzaam de weg. Glimwormen glanzen tusschen de bladeren.Wie zij gij, die mij volgt met sluipend stille schreeden?O, ik weet, gij wilt mij berooven van al mijn winsten. Ik zal u niet teleurstellen.Want ik heb nog iets oover, mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.Te middernacht kom ik thuis. Mijn handen zijn leeg.Gij wacht met angstige oogen aan mijn deur, zwijgend en slapeloos.Als een vreesachtige voogel vliegt ge aan mijn borst met greetige liefde.Ja, ja, mijn God, er is nog veel oover.Mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.

De dag is nog niet voorbij, het marktfeest is nog niet ten einde, het marktfeest aan den stroom-oever.

Ik vreesde dat mijn tijd vermorst was en mijn laatste penning verlooren.

Maar neen, mijn broeder, ik heb nog iets oover. Het lot heeft mij niet alles ontfutseld.

Het koopen en verkoopen is gedaan.

De schulden aan weerszijden zijn geïnd, en het is tijd voor mij naar huis te gaan.

Tolwachter, eisch je je tolgeld?

Vrees niet, ik heb nog iets oover. Het lot heeft me niet alles ontfutseld.

Het luuwen van den wind dreigt met storm, en de in het westen dalende wolken voorspellen geen goeds.

Het verstomde water wacht op den wind.

Ik spoed mij om den stroom oover te steeken vóór den nacht.

O veerman, verlang je je veergeld?

Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.

Aan den wegkant, onder den boom, zit de beedelaar. Helaas, hij ziet mij in ’t gelaat met schuchtere hoop!

Hij denkt dat ik rijk ben door de winst van den dag.

Ja, broeder, ik heb nog iets oover. Mijn lot heeft me niet alles ontfutseld.

De nacht wordt donker en eenzaam de weg. Glimwormen glanzen tusschen de bladeren.

Wie zij gij, die mij volgt met sluipend stille schreeden?

O, ik weet, gij wilt mij berooven van al mijn winsten. Ik zal u niet teleurstellen.

Want ik heb nog iets oover, mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.

Te middernacht kom ik thuis. Mijn handen zijn leeg.

Gij wacht met angstige oogen aan mijn deur, zwijgend en slapeloos.

Als een vreesachtige voogel vliegt ge aan mijn borst met greetige liefde.

Ja, ja, mijn God, er is nog veel oover.

Mijn lot heeft mij niet alles ontfutseld.


Back to IndexNext