LXXII.Ik bouwde eenen tempel met dagen van harden arbeid. Hij had deuren noch vensters, zijn muuren waren dik gemetseld van massieven steen.Ik vergat al het andere, ik vermeed de waereld, ik staarde in verrukte aanschouwing naar het beeld, dat ik op het altaar had gezet.Binnen was het altijd nacht, verlicht door lampen met geurige olie.De gestadige walm van wierook wond mijn hart in zijn zware kronkels.Slapeloos grifte ik op de muuren fantastische figuuren in verbijsterend verwikkelde lijnen—gevleugelde paarden, bloemen met menschengelaat,—vrouwen met slangeleeden.Geen doorgang was ergens gelaten, waardoor voogelgezang, blad-geruisch, of druk dorpsgerucht zou kunnen dringen.De eenige klank, die echoode in den donkeren dom, was mijn psalm-gezang.Mijn geest werd scherp en stil als een puntige vlam, mijn zinnen zwijmden in ekstaze.Ik weet niet hoe de tijd verging, totdat de donderkeil in den tempel sloeg, en een pijn mij door het hart stak.De lamp zag bleek en beschaamd; de griftsels op de muuren zagen, als gekeetende droomen, weezenloos in het licht, alsof ze zich wel wilden verschuilen.Ik keek naar het beeld op het altaar. Ik zag dat het glimlachte, leevend door de leevendige aanraking Gods. De nacht, dien ik gekerkerd had, spreidde zijn vleugelen en verzwond.
LXXII.Ik bouwde eenen tempel met dagen van harden arbeid. Hij had deuren noch vensters, zijn muuren waren dik gemetseld van massieven steen.Ik vergat al het andere, ik vermeed de waereld, ik staarde in verrukte aanschouwing naar het beeld, dat ik op het altaar had gezet.Binnen was het altijd nacht, verlicht door lampen met geurige olie.De gestadige walm van wierook wond mijn hart in zijn zware kronkels.Slapeloos grifte ik op de muuren fantastische figuuren in verbijsterend verwikkelde lijnen—gevleugelde paarden, bloemen met menschengelaat,—vrouwen met slangeleeden.Geen doorgang was ergens gelaten, waardoor voogelgezang, blad-geruisch, of druk dorpsgerucht zou kunnen dringen.De eenige klank, die echoode in den donkeren dom, was mijn psalm-gezang.Mijn geest werd scherp en stil als een puntige vlam, mijn zinnen zwijmden in ekstaze.Ik weet niet hoe de tijd verging, totdat de donderkeil in den tempel sloeg, en een pijn mij door het hart stak.De lamp zag bleek en beschaamd; de griftsels op de muuren zagen, als gekeetende droomen, weezenloos in het licht, alsof ze zich wel wilden verschuilen.Ik keek naar het beeld op het altaar. Ik zag dat het glimlachte, leevend door de leevendige aanraking Gods. De nacht, dien ik gekerkerd had, spreidde zijn vleugelen en verzwond.
LXXII.
Ik bouwde eenen tempel met dagen van harden arbeid. Hij had deuren noch vensters, zijn muuren waren dik gemetseld van massieven steen.Ik vergat al het andere, ik vermeed de waereld, ik staarde in verrukte aanschouwing naar het beeld, dat ik op het altaar had gezet.Binnen was het altijd nacht, verlicht door lampen met geurige olie.De gestadige walm van wierook wond mijn hart in zijn zware kronkels.Slapeloos grifte ik op de muuren fantastische figuuren in verbijsterend verwikkelde lijnen—gevleugelde paarden, bloemen met menschengelaat,—vrouwen met slangeleeden.Geen doorgang was ergens gelaten, waardoor voogelgezang, blad-geruisch, of druk dorpsgerucht zou kunnen dringen.De eenige klank, die echoode in den donkeren dom, was mijn psalm-gezang.Mijn geest werd scherp en stil als een puntige vlam, mijn zinnen zwijmden in ekstaze.Ik weet niet hoe de tijd verging, totdat de donderkeil in den tempel sloeg, en een pijn mij door het hart stak.De lamp zag bleek en beschaamd; de griftsels op de muuren zagen, als gekeetende droomen, weezenloos in het licht, alsof ze zich wel wilden verschuilen.Ik keek naar het beeld op het altaar. Ik zag dat het glimlachte, leevend door de leevendige aanraking Gods. De nacht, dien ik gekerkerd had, spreidde zijn vleugelen en verzwond.
Ik bouwde eenen tempel met dagen van harden arbeid. Hij had deuren noch vensters, zijn muuren waren dik gemetseld van massieven steen.
Ik vergat al het andere, ik vermeed de waereld, ik staarde in verrukte aanschouwing naar het beeld, dat ik op het altaar had gezet.
Binnen was het altijd nacht, verlicht door lampen met geurige olie.
De gestadige walm van wierook wond mijn hart in zijn zware kronkels.
Slapeloos grifte ik op de muuren fantastische figuuren in verbijsterend verwikkelde lijnen—gevleugelde paarden, bloemen met menschengelaat,—vrouwen met slangeleeden.
Geen doorgang was ergens gelaten, waardoor voogelgezang, blad-geruisch, of druk dorpsgerucht zou kunnen dringen.
De eenige klank, die echoode in den donkeren dom, was mijn psalm-gezang.
Mijn geest werd scherp en stil als een puntige vlam, mijn zinnen zwijmden in ekstaze.
Ik weet niet hoe de tijd verging, totdat de donderkeil in den tempel sloeg, en een pijn mij door het hart stak.
De lamp zag bleek en beschaamd; de griftsels op de muuren zagen, als gekeetende droomen, weezenloos in het licht, alsof ze zich wel wilden verschuilen.
Ik keek naar het beeld op het altaar. Ik zag dat het glimlachte, leevend door de leevendige aanraking Gods. De nacht, dien ik gekerkerd had, spreidde zijn vleugelen en verzwond.