LXXV.Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:„Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier zoo lang in verblinding gehouden?”God fluisterde: „Ik”, maar de ooren van den man waren verstopt.Met haar zuigeling slapend aan haar boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap aan een kant van het bed.De man zeide: „Wie zijt gij, die mij zoolang bedot hebt?”De stem zeide weer: „Zij zijn God”, maar hij hoorde niet.De zuigeling riep in zijn droom en nestelde zich digt aan de moeder.God gebood: „Houd in, dwaas, verlaat uw thuis niet” maar nog hoorde hij niet.God zuchtte en klaagde: „Waarom gaat mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken, terwijl hij mij verzaakt?”
LXXV.Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:„Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier zoo lang in verblinding gehouden?”God fluisterde: „Ik”, maar de ooren van den man waren verstopt.Met haar zuigeling slapend aan haar boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap aan een kant van het bed.De man zeide: „Wie zijt gij, die mij zoolang bedot hebt?”De stem zeide weer: „Zij zijn God”, maar hij hoorde niet.De zuigeling riep in zijn droom en nestelde zich digt aan de moeder.God gebood: „Houd in, dwaas, verlaat uw thuis niet” maar nog hoorde hij niet.God zuchtte en klaagde: „Waarom gaat mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken, terwijl hij mij verzaakt?”
LXXV.
Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:„Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier zoo lang in verblinding gehouden?”God fluisterde: „Ik”, maar de ooren van den man waren verstopt.Met haar zuigeling slapend aan haar boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap aan een kant van het bed.De man zeide: „Wie zijt gij, die mij zoolang bedot hebt?”De stem zeide weer: „Zij zijn God”, maar hij hoorde niet.De zuigeling riep in zijn droom en nestelde zich digt aan de moeder.God gebood: „Houd in, dwaas, verlaat uw thuis niet” maar nog hoorde hij niet.God zuchtte en klaagde: „Waarom gaat mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken, terwijl hij mij verzaakt?”
Een, die zich askeet waande, zei te middernacht:
„Nu is het tijd om mijn thuis te verzaken en God te zoeken. Ach, wie heeft mij hier zoo lang in verblinding gehouden?”
God fluisterde: „Ik”, maar de ooren van den man waren verstopt.
Met haar zuigeling slapend aan haar boezem, lag zijn vrouw in vreedigen slaap aan een kant van het bed.
De man zeide: „Wie zijt gij, die mij zoolang bedot hebt?”
De stem zeide weer: „Zij zijn God”, maar hij hoorde niet.
De zuigeling riep in zijn droom en nestelde zich digt aan de moeder.
God gebood: „Houd in, dwaas, verlaat uw thuis niet” maar nog hoorde hij niet.
God zuchtte en klaagde: „Waarom gaat mijn dienstknecht zwerven om mij te zoeken, terwijl hij mij verzaakt?”