LXXVII.De arbeider en zijn vrouw, uit het westelijk land, zijn beezig met graven, om steenen te maken voor den ooven.Hun dochtertje gaat naar de aanleg-plaats bij de rivier; daar gaat ze potten en pannen schuuren en schrobben zonder end.Haar broertje, met geschooren hoofdje en bruine, naakte, bemodderde leeden, gaat haar na en wacht, naar haar aanwijzing, geduldig op den hoogen oever.Ze keert huiswaarts, met de volle kruik in eevenwicht op haar hoofd, het blinkende koopervat in haar linkerhand, het kind vasthoudend met haar rechter—als het dienaresje van haar moeder, ernstig door ’t gewigt van huisselijke beslommering.Eens zag ik den naakten jongen met uitgestrekte beenen neerzitten.Zijn zuster zat in het water en schuurde met een handvol aarde een drinkvat, dat ze om en om draaide.Een zachtharig lammetje stond digtbij op den oever te grazen.Hij naderde de plaats, waar de jongen zat en blaatte op eenmaal luid,hetkind verschrok en schreeuwde.Zijn zuster staakte het reinigen van haar vaatwerk en liep toe.Zij nam broertje in één arm en lammetje in den anderen, en haar liefkoozingen tusschen beiden verdeelend, verbond ze in één liefdeband het kroost van dier en mensch.
LXXVII.De arbeider en zijn vrouw, uit het westelijk land, zijn beezig met graven, om steenen te maken voor den ooven.Hun dochtertje gaat naar de aanleg-plaats bij de rivier; daar gaat ze potten en pannen schuuren en schrobben zonder end.Haar broertje, met geschooren hoofdje en bruine, naakte, bemodderde leeden, gaat haar na en wacht, naar haar aanwijzing, geduldig op den hoogen oever.Ze keert huiswaarts, met de volle kruik in eevenwicht op haar hoofd, het blinkende koopervat in haar linkerhand, het kind vasthoudend met haar rechter—als het dienaresje van haar moeder, ernstig door ’t gewigt van huisselijke beslommering.Eens zag ik den naakten jongen met uitgestrekte beenen neerzitten.Zijn zuster zat in het water en schuurde met een handvol aarde een drinkvat, dat ze om en om draaide.Een zachtharig lammetje stond digtbij op den oever te grazen.Hij naderde de plaats, waar de jongen zat en blaatte op eenmaal luid,hetkind verschrok en schreeuwde.Zijn zuster staakte het reinigen van haar vaatwerk en liep toe.Zij nam broertje in één arm en lammetje in den anderen, en haar liefkoozingen tusschen beiden verdeelend, verbond ze in één liefdeband het kroost van dier en mensch.
LXXVII.
De arbeider en zijn vrouw, uit het westelijk land, zijn beezig met graven, om steenen te maken voor den ooven.Hun dochtertje gaat naar de aanleg-plaats bij de rivier; daar gaat ze potten en pannen schuuren en schrobben zonder end.Haar broertje, met geschooren hoofdje en bruine, naakte, bemodderde leeden, gaat haar na en wacht, naar haar aanwijzing, geduldig op den hoogen oever.Ze keert huiswaarts, met de volle kruik in eevenwicht op haar hoofd, het blinkende koopervat in haar linkerhand, het kind vasthoudend met haar rechter—als het dienaresje van haar moeder, ernstig door ’t gewigt van huisselijke beslommering.Eens zag ik den naakten jongen met uitgestrekte beenen neerzitten.Zijn zuster zat in het water en schuurde met een handvol aarde een drinkvat, dat ze om en om draaide.Een zachtharig lammetje stond digtbij op den oever te grazen.Hij naderde de plaats, waar de jongen zat en blaatte op eenmaal luid,hetkind verschrok en schreeuwde.Zijn zuster staakte het reinigen van haar vaatwerk en liep toe.Zij nam broertje in één arm en lammetje in den anderen, en haar liefkoozingen tusschen beiden verdeelend, verbond ze in één liefdeband het kroost van dier en mensch.
De arbeider en zijn vrouw, uit het westelijk land, zijn beezig met graven, om steenen te maken voor den ooven.
Hun dochtertje gaat naar de aanleg-plaats bij de rivier; daar gaat ze potten en pannen schuuren en schrobben zonder end.
Haar broertje, met geschooren hoofdje en bruine, naakte, bemodderde leeden, gaat haar na en wacht, naar haar aanwijzing, geduldig op den hoogen oever.
Ze keert huiswaarts, met de volle kruik in eevenwicht op haar hoofd, het blinkende koopervat in haar linkerhand, het kind vasthoudend met haar rechter—als het dienaresje van haar moeder, ernstig door ’t gewigt van huisselijke beslommering.
Eens zag ik den naakten jongen met uitgestrekte beenen neerzitten.
Zijn zuster zat in het water en schuurde met een handvol aarde een drinkvat, dat ze om en om draaide.
Een zachtharig lammetje stond digtbij op den oever te grazen.
Hij naderde de plaats, waar de jongen zat en blaatte op eenmaal luid,hetkind verschrok en schreeuwde.
Zijn zuster staakte het reinigen van haar vaatwerk en liep toe.
Zij nam broertje in één arm en lammetje in den anderen, en haar liefkoozingen tusschen beiden verdeelend, verbond ze in één liefdeband het kroost van dier en mensch.