LXXVIII.Het was in Mei. De drukkende middag scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte van dorst in de hitte.Toen hoorde ik van den stroom-oever een stem, roepend: „Kom dan, lievert!”Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster om naar buiten te zien.Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte huid bij de rivier staan, met goedige, geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie in ’t water wadend, riep hem naar zijn bad.Ik had plezier en glimlachte en voelde iets liefelijks in mijn hart.
LXXVIII.Het was in Mei. De drukkende middag scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte van dorst in de hitte.Toen hoorde ik van den stroom-oever een stem, roepend: „Kom dan, lievert!”Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster om naar buiten te zien.Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte huid bij de rivier staan, met goedige, geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie in ’t water wadend, riep hem naar zijn bad.Ik had plezier en glimlachte en voelde iets liefelijks in mijn hart.
LXXVIII.
Het was in Mei. De drukkende middag scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte van dorst in de hitte.Toen hoorde ik van den stroom-oever een stem, roepend: „Kom dan, lievert!”Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster om naar buiten te zien.Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte huid bij de rivier staan, met goedige, geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie in ’t water wadend, riep hem naar zijn bad.Ik had plezier en glimlachte en voelde iets liefelijks in mijn hart.
Het was in Mei. De drukkende middag scheen eindeloos. De drooge aarde gaapte van dorst in de hitte.
Toen hoorde ik van den stroom-oever een stem, roepend: „Kom dan, lievert!”
Ik sloot mijn boek en oopende mijn venster om naar buiten te zien.
Ik zag een groote buffel met modder-bevlekte huid bij de rivier staan, met goedige, geduldige oogen; en een jongeling, tot de knie in ’t water wadend, riep hem naar zijn bad.
Ik had plezier en glimlachte en voelde iets liefelijks in mijn hart.