XIV.

XIV.Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom, toen de middag voorbij was en bamboestengels ritselden in den wind.De liggende schaduwen omklemden met uitgestrekte armen de voeten van het vliedende licht.De „Koëls” waren zingensmoede.Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom.De hut aan de waterkant wordt beschaduwd door een ooverhangende boom.Iemand was er beezig met haar werk, en in een hoek maakten haar ringen muziek.Ik stond voor deeze hut, ik weet niet waarom.De smalle kronkelweg kruist meenig mostertveld en meenig mango-bosch.Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij de markt aan de rivier-kade.Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet waarom.Jaren geleeden was het een winderige dag in Maart, het lente-gerucht was droomerig en mango-bloesems vielen op het stof.Het kabbelend water sprong op en lekte de koperen kan die op de landings-treeden stond.Ik denk aan die winderige dag in Maart, ik weet niet waarom.De schaduwen donkeren en het vee keert naar zijn stallen.Op de eenzame weiden is het licht graauw, en de dorpelingen wachten aan den oever op de veerboot.Ik keer langsaam terug op mijn schreeden—ik weet niet waarom.

XIV.Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom, toen de middag voorbij was en bamboestengels ritselden in den wind.De liggende schaduwen omklemden met uitgestrekte armen de voeten van het vliedende licht.De „Koëls” waren zingensmoede.Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom.De hut aan de waterkant wordt beschaduwd door een ooverhangende boom.Iemand was er beezig met haar werk, en in een hoek maakten haar ringen muziek.Ik stond voor deeze hut, ik weet niet waarom.De smalle kronkelweg kruist meenig mostertveld en meenig mango-bosch.Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij de markt aan de rivier-kade.Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet waarom.Jaren geleeden was het een winderige dag in Maart, het lente-gerucht was droomerig en mango-bloesems vielen op het stof.Het kabbelend water sprong op en lekte de koperen kan die op de landings-treeden stond.Ik denk aan die winderige dag in Maart, ik weet niet waarom.De schaduwen donkeren en het vee keert naar zijn stallen.Op de eenzame weiden is het licht graauw, en de dorpelingen wachten aan den oever op de veerboot.Ik keer langsaam terug op mijn schreeden—ik weet niet waarom.

XIV.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom, toen de middag voorbij was en bamboestengels ritselden in den wind.De liggende schaduwen omklemden met uitgestrekte armen de voeten van het vliedende licht.De „Koëls” waren zingensmoede.Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom.De hut aan de waterkant wordt beschaduwd door een ooverhangende boom.Iemand was er beezig met haar werk, en in een hoek maakten haar ringen muziek.Ik stond voor deeze hut, ik weet niet waarom.De smalle kronkelweg kruist meenig mostertveld en meenig mango-bosch.Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij de markt aan de rivier-kade.Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet waarom.Jaren geleeden was het een winderige dag in Maart, het lente-gerucht was droomerig en mango-bloesems vielen op het stof.Het kabbelend water sprong op en lekte de koperen kan die op de landings-treeden stond.Ik denk aan die winderige dag in Maart, ik weet niet waarom.De schaduwen donkeren en het vee keert naar zijn stallen.Op de eenzame weiden is het licht graauw, en de dorpelingen wachten aan den oever op de veerboot.Ik keer langsaam terug op mijn schreeden—ik weet niet waarom.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom, toen de middag voorbij was en bamboestengels ritselden in den wind.

De liggende schaduwen omklemden met uitgestrekte armen de voeten van het vliedende licht.

De „Koëls” waren zingensmoede.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet waarom.

De hut aan de waterkant wordt beschaduwd door een ooverhangende boom.

Iemand was er beezig met haar werk, en in een hoek maakten haar ringen muziek.

Ik stond voor deeze hut, ik weet niet waarom.

De smalle kronkelweg kruist meenig mostertveld en meenig mango-bosch.

Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij de markt aan de rivier-kade.

Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet waarom.

Jaren geleeden was het een winderige dag in Maart, het lente-gerucht was droomerig en mango-bloesems vielen op het stof.

Het kabbelend water sprong op en lekte de koperen kan die op de landings-treeden stond.

Ik denk aan die winderige dag in Maart, ik weet niet waarom.

De schaduwen donkeren en het vee keert naar zijn stallen.

Op de eenzame weiden is het licht graauw, en de dorpelingen wachten aan den oever op de veerboot.

Ik keer langsaam terug op mijn schreeden—ik weet niet waarom.


Back to IndexNext