XIX.

XIX.Je liep langs het pad aan den rivier-oever, met de volle kruik op de heup.Waarom keerde je snel je gelaat, en zag naar mij door je wuivende sluyer?Die stralende blik uit het donker trof mij als de bries, die een huivering zendt oover het rimpelend water en wegvlucht naar den scheemerigen oever.Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die haastig door een lamplooze kamer vliegt, van ’t eene oopen venster tot het andere, om te verdwijnen in den nacht.Je bent verborgen als een ster achter de heuvelen, en ik ben een voorbijganger op den weg.Maar waarom hield je een oogenblik stil en oogde naar mijn gelaat door je sluyer, toen je langs het oeverpad liep met de volle kruik op de heup?

XIX.Je liep langs het pad aan den rivier-oever, met de volle kruik op de heup.Waarom keerde je snel je gelaat, en zag naar mij door je wuivende sluyer?Die stralende blik uit het donker trof mij als de bries, die een huivering zendt oover het rimpelend water en wegvlucht naar den scheemerigen oever.Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die haastig door een lamplooze kamer vliegt, van ’t eene oopen venster tot het andere, om te verdwijnen in den nacht.Je bent verborgen als een ster achter de heuvelen, en ik ben een voorbijganger op den weg.Maar waarom hield je een oogenblik stil en oogde naar mijn gelaat door je sluyer, toen je langs het oeverpad liep met de volle kruik op de heup?

XIX.

Je liep langs het pad aan den rivier-oever, met de volle kruik op de heup.Waarom keerde je snel je gelaat, en zag naar mij door je wuivende sluyer?Die stralende blik uit het donker trof mij als de bries, die een huivering zendt oover het rimpelend water en wegvlucht naar den scheemerigen oever.Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die haastig door een lamplooze kamer vliegt, van ’t eene oopen venster tot het andere, om te verdwijnen in den nacht.Je bent verborgen als een ster achter de heuvelen, en ik ben een voorbijganger op den weg.Maar waarom hield je een oogenblik stil en oogde naar mijn gelaat door je sluyer, toen je langs het oeverpad liep met de volle kruik op de heup?

Je liep langs het pad aan den rivier-oever, met de volle kruik op de heup.

Waarom keerde je snel je gelaat, en zag naar mij door je wuivende sluyer?

Die stralende blik uit het donker trof mij als de bries, die een huivering zendt oover het rimpelend water en wegvlucht naar den scheemerigen oever.

Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die haastig door een lamplooze kamer vliegt, van ’t eene oopen venster tot het andere, om te verdwijnen in den nacht.

Je bent verborgen als een ster achter de heuvelen, en ik ben een voorbijganger op den weg.

Maar waarom hield je een oogenblik stil en oogde naar mijn gelaat door je sluyer, toen je langs het oeverpad liep met de volle kruik op de heup?


Back to IndexNext