XX.Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem uit mijn haar.Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan mijn naam niet, bid ik je—want hij komt maar, en gaat weer heen.Hij zit op het stof onder den boom.Spreid hem daar een zitplaats met bloemen en bladen, mijn vriend.Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid in mijn hart.Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij komt maar, en gaat weer heen.
XX.Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem uit mijn haar.Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan mijn naam niet, bid ik je—want hij komt maar, en gaat weer heen.Hij zit op het stof onder den boom.Spreid hem daar een zitplaats met bloemen en bladen, mijn vriend.Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid in mijn hart.Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij komt maar, en gaat weer heen.
XX.
Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem uit mijn haar.Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan mijn naam niet, bid ik je—want hij komt maar, en gaat weer heen.Hij zit op het stof onder den boom.Spreid hem daar een zitplaats met bloemen en bladen, mijn vriend.Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid in mijn hart.Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij komt maar, en gaat weer heen.
Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.
Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem uit mijn haar.
Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan mijn naam niet, bid ik je—want hij komt maar, en gaat weer heen.
Hij zit op het stof onder den boom.
Spreid hem daar een zitplaats met bloemen en bladen, mijn vriend.
Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid in mijn hart.
Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij komt maar, en gaat weer heen.