XLII.

XLII.O wild, heerlijk dronken!Als gij uw deuren oopentrapt en den dolle speelt in ’t oopenbaar,Als ge uw buidel in éénen nacht leedigt en omzichtigheid voor den neus knipt,Als ge op zeldzame paden gaat en speelt met nuttelooze dingen,Maat noch reede telt,Als ge met volle zeilen in den storm het roer in tweeën breekt,dan doe ik mee, kameraad, en wil dronken zijn en naar de haayen gaan.Ik heb mijn dagen en nachten verspild in gezelschap van wijze, deegelijke buuren.Veel kennis heeft mijn haren vergraauwd, en veel opletten maakte mijn blik troebel.Jaren lang heb ik stukjes en beetjes van dingen verzameld en opgehoopt.Sla ze stuk en dans erop, en verstrooi ze in den wind.Want ik weet het is hoogste wijsheid, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.Laat alle kronkelige bedenkingen varen, laat mij hoopeloos verdwalen.Laat een vlaag van volle duizeling koomen en mij van mijn ankers slaan.De waereld is bevolkt met deftigen, en met werkers, nuttig en knap.Er zijn menschen die gemakkelijk vooraan gaan, en menschen die netjes achteraan koomen.Laat hen gelukkig en voorspoedig zijn, en laat mij een dwaas zijn, die niet meetelt.Want ik weet, het is ’t eind van alle werk, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.Ik zweer alle aanspraak op den rang van de fatsoenlijken, in dit oogenblik te verzaken.Ik laat mijn geleerden-trots varen en mijn oordeel van goed of kwaad.Ik vergruizel het vat der herinnering, en verspil den laatsten traandrop.Met het schuim van de bes-roode wijn zal ik mijn lachen baden en klaren.Voor deeze enkele maal scheur ik aan flarden het ordeteeken der bezadigden en welleevenden.En ik leg de heilige gelofte af, nietswaardig te zijn, en dronken, en naar de haayen te gaan.

XLII.O wild, heerlijk dronken!Als gij uw deuren oopentrapt en den dolle speelt in ’t oopenbaar,Als ge uw buidel in éénen nacht leedigt en omzichtigheid voor den neus knipt,Als ge op zeldzame paden gaat en speelt met nuttelooze dingen,Maat noch reede telt,Als ge met volle zeilen in den storm het roer in tweeën breekt,dan doe ik mee, kameraad, en wil dronken zijn en naar de haayen gaan.Ik heb mijn dagen en nachten verspild in gezelschap van wijze, deegelijke buuren.Veel kennis heeft mijn haren vergraauwd, en veel opletten maakte mijn blik troebel.Jaren lang heb ik stukjes en beetjes van dingen verzameld en opgehoopt.Sla ze stuk en dans erop, en verstrooi ze in den wind.Want ik weet het is hoogste wijsheid, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.Laat alle kronkelige bedenkingen varen, laat mij hoopeloos verdwalen.Laat een vlaag van volle duizeling koomen en mij van mijn ankers slaan.De waereld is bevolkt met deftigen, en met werkers, nuttig en knap.Er zijn menschen die gemakkelijk vooraan gaan, en menschen die netjes achteraan koomen.Laat hen gelukkig en voorspoedig zijn, en laat mij een dwaas zijn, die niet meetelt.Want ik weet, het is ’t eind van alle werk, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.Ik zweer alle aanspraak op den rang van de fatsoenlijken, in dit oogenblik te verzaken.Ik laat mijn geleerden-trots varen en mijn oordeel van goed of kwaad.Ik vergruizel het vat der herinnering, en verspil den laatsten traandrop.Met het schuim van de bes-roode wijn zal ik mijn lachen baden en klaren.Voor deeze enkele maal scheur ik aan flarden het ordeteeken der bezadigden en welleevenden.En ik leg de heilige gelofte af, nietswaardig te zijn, en dronken, en naar de haayen te gaan.

XLII.

O wild, heerlijk dronken!Als gij uw deuren oopentrapt en den dolle speelt in ’t oopenbaar,Als ge uw buidel in éénen nacht leedigt en omzichtigheid voor den neus knipt,Als ge op zeldzame paden gaat en speelt met nuttelooze dingen,Maat noch reede telt,Als ge met volle zeilen in den storm het roer in tweeën breekt,dan doe ik mee, kameraad, en wil dronken zijn en naar de haayen gaan.Ik heb mijn dagen en nachten verspild in gezelschap van wijze, deegelijke buuren.Veel kennis heeft mijn haren vergraauwd, en veel opletten maakte mijn blik troebel.Jaren lang heb ik stukjes en beetjes van dingen verzameld en opgehoopt.Sla ze stuk en dans erop, en verstrooi ze in den wind.Want ik weet het is hoogste wijsheid, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.Laat alle kronkelige bedenkingen varen, laat mij hoopeloos verdwalen.Laat een vlaag van volle duizeling koomen en mij van mijn ankers slaan.De waereld is bevolkt met deftigen, en met werkers, nuttig en knap.Er zijn menschen die gemakkelijk vooraan gaan, en menschen die netjes achteraan koomen.Laat hen gelukkig en voorspoedig zijn, en laat mij een dwaas zijn, die niet meetelt.Want ik weet, het is ’t eind van alle werk, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.Ik zweer alle aanspraak op den rang van de fatsoenlijken, in dit oogenblik te verzaken.Ik laat mijn geleerden-trots varen en mijn oordeel van goed of kwaad.Ik vergruizel het vat der herinnering, en verspil den laatsten traandrop.Met het schuim van de bes-roode wijn zal ik mijn lachen baden en klaren.Voor deeze enkele maal scheur ik aan flarden het ordeteeken der bezadigden en welleevenden.En ik leg de heilige gelofte af, nietswaardig te zijn, en dronken, en naar de haayen te gaan.

O wild, heerlijk dronken!

Als gij uw deuren oopentrapt en den dolle speelt in ’t oopenbaar,

Als ge uw buidel in éénen nacht leedigt en omzichtigheid voor den neus knipt,

Als ge op zeldzame paden gaat en speelt met nuttelooze dingen,

Maat noch reede telt,

Als ge met volle zeilen in den storm het roer in tweeën breekt,

dan doe ik mee, kameraad, en wil dronken zijn en naar de haayen gaan.

Ik heb mijn dagen en nachten verspild in gezelschap van wijze, deegelijke buuren.

Veel kennis heeft mijn haren vergraauwd, en veel opletten maakte mijn blik troebel.

Jaren lang heb ik stukjes en beetjes van dingen verzameld en opgehoopt.

Sla ze stuk en dans erop, en verstrooi ze in den wind.

Want ik weet het is hoogste wijsheid, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.

Laat alle kronkelige bedenkingen varen, laat mij hoopeloos verdwalen.

Laat een vlaag van volle duizeling koomen en mij van mijn ankers slaan.

De waereld is bevolkt met deftigen, en met werkers, nuttig en knap.

Er zijn menschen die gemakkelijk vooraan gaan, en menschen die netjes achteraan koomen.

Laat hen gelukkig en voorspoedig zijn, en laat mij een dwaas zijn, die niet meetelt.

Want ik weet, het is ’t eind van alle werk, dronken te zijn en naar de haayen te gaan.

Ik zweer alle aanspraak op den rang van de fatsoenlijken, in dit oogenblik te verzaken.

Ik laat mijn geleerden-trots varen en mijn oordeel van goed of kwaad.

Ik vergruizel het vat der herinnering, en verspil den laatsten traandrop.

Met het schuim van de bes-roode wijn zal ik mijn lachen baden en klaren.

Voor deeze enkele maal scheur ik aan flarden het ordeteeken der bezadigden en welleevenden.

En ik leg de heilige gelofte af, nietswaardig te zijn, en dronken, en naar de haayen te gaan.


Back to IndexNext