XLIX.

XLIX.Ik houd haar handen omvat en druk haar aan mijn borst.Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid te vullen, haar lieve lach met kussen te rooven, haar donkere blikken met mijn oogen te drinken.Maar ach! waar is het? Wie kan het blaauw van den heemel afrukken?Ik tracht deschoonheidte grijpen; maar ze ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn handen.Moede en ontmoedigd kom ik terug.Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de geest alleen zou kunnen aanraken?

XLIX.Ik houd haar handen omvat en druk haar aan mijn borst.Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid te vullen, haar lieve lach met kussen te rooven, haar donkere blikken met mijn oogen te drinken.Maar ach! waar is het? Wie kan het blaauw van den heemel afrukken?Ik tracht deschoonheidte grijpen; maar ze ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn handen.Moede en ontmoedigd kom ik terug.Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de geest alleen zou kunnen aanraken?

XLIX.

Ik houd haar handen omvat en druk haar aan mijn borst.Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid te vullen, haar lieve lach met kussen te rooven, haar donkere blikken met mijn oogen te drinken.Maar ach! waar is het? Wie kan het blaauw van den heemel afrukken?Ik tracht deschoonheidte grijpen; maar ze ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn handen.Moede en ontmoedigd kom ik terug.Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de geest alleen zou kunnen aanraken?

Ik houd haar handen omvat en druk haar aan mijn borst.

Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid te vullen, haar lieve lach met kussen te rooven, haar donkere blikken met mijn oogen te drinken.

Maar ach! waar is het? Wie kan het blaauw van den heemel afrukken?

Ik tracht deschoonheidte grijpen; maar ze ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn handen.

Moede en ontmoedigd kom ik terug.

Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de geest alleen zou kunnen aanraken?


Back to IndexNext