XLVII.Als je het wilt, zal ik ophouden te zingen.Als het je hart verontrust, zal ik mijn blikken wegwenden van je gezicht.Als je er van opschrikt op je wandeling, zal ik op zij gaan en een anderen weg kiezen.Als het je stoort in het bloemen vlechten, zal ik je eenzamen hof vermijden.Als het ’t water woest maakt en wild, zal ik mijn boot niet langs je oever roeyen.
XLVII.Als je het wilt, zal ik ophouden te zingen.Als het je hart verontrust, zal ik mijn blikken wegwenden van je gezicht.Als je er van opschrikt op je wandeling, zal ik op zij gaan en een anderen weg kiezen.Als het je stoort in het bloemen vlechten, zal ik je eenzamen hof vermijden.Als het ’t water woest maakt en wild, zal ik mijn boot niet langs je oever roeyen.
XLVII.
Als je het wilt, zal ik ophouden te zingen.Als het je hart verontrust, zal ik mijn blikken wegwenden van je gezicht.Als je er van opschrikt op je wandeling, zal ik op zij gaan en een anderen weg kiezen.Als het je stoort in het bloemen vlechten, zal ik je eenzamen hof vermijden.Als het ’t water woest maakt en wild, zal ik mijn boot niet langs je oever roeyen.
Als je het wilt, zal ik ophouden te zingen.
Als het je hart verontrust, zal ik mijn blikken wegwenden van je gezicht.
Als je er van opschrikt op je wandeling, zal ik op zij gaan en een anderen weg kiezen.
Als het je stoort in het bloemen vlechten, zal ik je eenzamen hof vermijden.
Als het ’t water woest maakt en wild, zal ik mijn boot niet langs je oever roeyen.