XLVIII.

XLVIII.Bevrijd mij van de banden uwer lieftalligheid, mijn Lief! Nu niet meer van deezen wijn van kussen.Deeze wolk van zware wierook benaauwt mijn hart.Oopen de deuren, laat het morgenlicht binnen.Ik ben in u verlooren, verwikkeld in de plooyen uwer liefkoozingen.Bevrijd mij van uw ban, en geef mij de mannelijkheid weer, om u mijn vrij hart te bieden.

XLVIII.Bevrijd mij van de banden uwer lieftalligheid, mijn Lief! Nu niet meer van deezen wijn van kussen.Deeze wolk van zware wierook benaauwt mijn hart.Oopen de deuren, laat het morgenlicht binnen.Ik ben in u verlooren, verwikkeld in de plooyen uwer liefkoozingen.Bevrijd mij van uw ban, en geef mij de mannelijkheid weer, om u mijn vrij hart te bieden.

XLVIII.

Bevrijd mij van de banden uwer lieftalligheid, mijn Lief! Nu niet meer van deezen wijn van kussen.Deeze wolk van zware wierook benaauwt mijn hart.Oopen de deuren, laat het morgenlicht binnen.Ik ben in u verlooren, verwikkeld in de plooyen uwer liefkoozingen.Bevrijd mij van uw ban, en geef mij de mannelijkheid weer, om u mijn vrij hart te bieden.

Bevrijd mij van de banden uwer lieftalligheid, mijn Lief! Nu niet meer van deezen wijn van kussen.

Deeze wolk van zware wierook benaauwt mijn hart.

Oopen de deuren, laat het morgenlicht binnen.

Ik ben in u verlooren, verwikkeld in de plooyen uwer liefkoozingen.

Bevrijd mij van uw ban, en geef mij de mannelijkheid weer, om u mijn vrij hart te bieden.


Back to IndexNext