XXIV.Mijn vriend, houd het geheim uws harten niet voor u.Zeg het mij, mij alleen, heimelijk.Gij, die zoo minnelijk glimlacht, fluister het zachtjens, mijn hart zal het hooren, mijn ooren niet.De nacht is diep, het is stil, de voogelnesten zijn door slaap omfloersd.Spreek tot mij, door beschroomde tranen, door weifelende glimlachjes, door zoete schaamte en smart, zeg het geheim uws harten.
XXIV.Mijn vriend, houd het geheim uws harten niet voor u.Zeg het mij, mij alleen, heimelijk.Gij, die zoo minnelijk glimlacht, fluister het zachtjens, mijn hart zal het hooren, mijn ooren niet.De nacht is diep, het is stil, de voogelnesten zijn door slaap omfloersd.Spreek tot mij, door beschroomde tranen, door weifelende glimlachjes, door zoete schaamte en smart, zeg het geheim uws harten.
XXIV.
Mijn vriend, houd het geheim uws harten niet voor u.Zeg het mij, mij alleen, heimelijk.Gij, die zoo minnelijk glimlacht, fluister het zachtjens, mijn hart zal het hooren, mijn ooren niet.De nacht is diep, het is stil, de voogelnesten zijn door slaap omfloersd.Spreek tot mij, door beschroomde tranen, door weifelende glimlachjes, door zoete schaamte en smart, zeg het geheim uws harten.
Mijn vriend, houd het geheim uws harten niet voor u.
Zeg het mij, mij alleen, heimelijk.
Gij, die zoo minnelijk glimlacht, fluister het zachtjens, mijn hart zal het hooren, mijn ooren niet.
De nacht is diep, het is stil, de voogelnesten zijn door slaap omfloersd.
Spreek tot mij, door beschroomde tranen, door weifelende glimlachjes, door zoete schaamte en smart, zeg het geheim uws harten.