XXV.„Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar waarheid waarom er razernij is in uw oogen?”„Ik weet niet welken wijn van wilde papaver ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen.”„O, foei!”„Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er zijn oogen die glimlachen en oogen die weenen—en in mijn oogen is razernij.”„Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den schaduw van den boom?”„Mijn voeten zijn loom door de last mijns harten, en ik sta in den schaduw.”„O foei!”„Wel, er zijn er die voortstappen op hun weg en er zijn er die treuzelen, sommigen zijn vrij, anderen geboeid—en mijn voeten zijn loom door de last mijns harten.”
XXV.„Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar waarheid waarom er razernij is in uw oogen?”„Ik weet niet welken wijn van wilde papaver ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen.”„O, foei!”„Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er zijn oogen die glimlachen en oogen die weenen—en in mijn oogen is razernij.”„Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den schaduw van den boom?”„Mijn voeten zijn loom door de last mijns harten, en ik sta in den schaduw.”„O foei!”„Wel, er zijn er die voortstappen op hun weg en er zijn er die treuzelen, sommigen zijn vrij, anderen geboeid—en mijn voeten zijn loom door de last mijns harten.”
XXV.
„Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar waarheid waarom er razernij is in uw oogen?”„Ik weet niet welken wijn van wilde papaver ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen.”„O, foei!”„Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er zijn oogen die glimlachen en oogen die weenen—en in mijn oogen is razernij.”„Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den schaduw van den boom?”„Mijn voeten zijn loom door de last mijns harten, en ik sta in den schaduw.”„O foei!”„Wel, er zijn er die voortstappen op hun weg en er zijn er die treuzelen, sommigen zijn vrij, anderen geboeid—en mijn voeten zijn loom door de last mijns harten.”
„Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar waarheid waarom er razernij is in uw oogen?”
„Ik weet niet welken wijn van wilde papaver ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen.”
„O, foei!”
„Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er zijn oogen die glimlachen en oogen die weenen—en in mijn oogen is razernij.”
„Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den schaduw van den boom?”
„Mijn voeten zijn loom door de last mijns harten, en ik sta in den schaduw.”
„O foei!”
„Wel, er zijn er die voortstappen op hun weg en er zijn er die treuzelen, sommigen zijn vrij, anderen geboeid—en mijn voeten zijn loom door de last mijns harten.”