XXXI.De voogd van de wildernis, mijn hart, heeft zijn heemel gevonden in uw oogen.Zij zijn de wieg van den morgen, zij zijn het kooninkrijk van de sterren.Mijn liederen zijn verlooren in hun diepten.Laat mij opgaan in dien heemel, in zijn eenzame ontzaglijkheid.Laat mij zijn wolken klieven, en de vleugels spreiden in zijn zonneschijn.
XXXI.De voogd van de wildernis, mijn hart, heeft zijn heemel gevonden in uw oogen.Zij zijn de wieg van den morgen, zij zijn het kooninkrijk van de sterren.Mijn liederen zijn verlooren in hun diepten.Laat mij opgaan in dien heemel, in zijn eenzame ontzaglijkheid.Laat mij zijn wolken klieven, en de vleugels spreiden in zijn zonneschijn.
XXXI.
De voogd van de wildernis, mijn hart, heeft zijn heemel gevonden in uw oogen.Zij zijn de wieg van den morgen, zij zijn het kooninkrijk van de sterren.Mijn liederen zijn verlooren in hun diepten.Laat mij opgaan in dien heemel, in zijn eenzame ontzaglijkheid.Laat mij zijn wolken klieven, en de vleugels spreiden in zijn zonneschijn.
De voogd van de wildernis, mijn hart, heeft zijn heemel gevonden in uw oogen.
Zij zijn de wieg van den morgen, zij zijn het kooninkrijk van de sterren.
Mijn liederen zijn verlooren in hun diepten.
Laat mij opgaan in dien heemel, in zijn eenzame ontzaglijkheid.
Laat mij zijn wolken klieven, en de vleugels spreiden in zijn zonneschijn.