XXXII.Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn Liefste, zeg mij of het wáár is.Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan geeven de wolken in uw borst het stormend antwoord.Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn, als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige liefde?Dralen de herinneringen van vervloogen meimaanden in mijn leeden?Huivert de aarde van zangen, als een harp, bij de aanraking van mijn voeten?Is het wáár, dat de oogen van den nacht daauwdroppen storten als ik gezien word, en dat het morgenlicht blijde is als het mijn lichaam omvademt?Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam reisde door eeuwen en waerelden, om mij te zoeken?En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw eeuwen-oude begeerten volkoomen vreedevonden in mijn vriendelijke stem en mijn oogen en lippen en golvend haar?Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje geschreeven is?Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles wáár is.
XXXII.Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn Liefste, zeg mij of het wáár is.Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan geeven de wolken in uw borst het stormend antwoord.Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn, als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige liefde?Dralen de herinneringen van vervloogen meimaanden in mijn leeden?Huivert de aarde van zangen, als een harp, bij de aanraking van mijn voeten?Is het wáár, dat de oogen van den nacht daauwdroppen storten als ik gezien word, en dat het morgenlicht blijde is als het mijn lichaam omvademt?Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam reisde door eeuwen en waerelden, om mij te zoeken?En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw eeuwen-oude begeerten volkoomen vreedevonden in mijn vriendelijke stem en mijn oogen en lippen en golvend haar?Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje geschreeven is?Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles wáár is.
XXXII.
Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn Liefste, zeg mij of het wáár is.Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan geeven de wolken in uw borst het stormend antwoord.Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn, als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige liefde?Dralen de herinneringen van vervloogen meimaanden in mijn leeden?Huivert de aarde van zangen, als een harp, bij de aanraking van mijn voeten?Is het wáár, dat de oogen van den nacht daauwdroppen storten als ik gezien word, en dat het morgenlicht blijde is als het mijn lichaam omvademt?Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam reisde door eeuwen en waerelden, om mij te zoeken?En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw eeuwen-oude begeerten volkoomen vreedevonden in mijn vriendelijke stem en mijn oogen en lippen en golvend haar?Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje geschreeven is?Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles wáár is.
Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn Liefste, zeg mij of het wáár is.
Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan geeven de wolken in uw borst het stormend antwoord.
Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn, als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige liefde?
Dralen de herinneringen van vervloogen meimaanden in mijn leeden?
Huivert de aarde van zangen, als een harp, bij de aanraking van mijn voeten?
Is het wáár, dat de oogen van den nacht daauwdroppen storten als ik gezien word, en dat het morgenlicht blijde is als het mijn lichaam omvademt?
Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam reisde door eeuwen en waerelden, om mij te zoeken?
En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw eeuwen-oude begeerten volkoomen vreedevonden in mijn vriendelijke stem en mijn oogen en lippen en golvend haar?
Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje geschreeven is?
Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles wáár is.