XXXIV.

XXXIV.Ga niet heen, liefste, zonder mijn afscheid.Ik heb den ganschen nacht gewaakt en nu zijn mijn oogen zwaar van slaap.Ik ben bang u te verliezen terwijl ik slaap.Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.Ik schrik op en strek mijn handen uit om u aan te raken. Ik vraag mij af: is het een droom?Kon ik uw voeten maar omstrikken met mijn hart en vasthouden aan mijn borst!Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.

XXXIV.Ga niet heen, liefste, zonder mijn afscheid.Ik heb den ganschen nacht gewaakt en nu zijn mijn oogen zwaar van slaap.Ik ben bang u te verliezen terwijl ik slaap.Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.Ik schrik op en strek mijn handen uit om u aan te raken. Ik vraag mij af: is het een droom?Kon ik uw voeten maar omstrikken met mijn hart en vasthouden aan mijn borst!Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.

XXXIV.

Ga niet heen, liefste, zonder mijn afscheid.Ik heb den ganschen nacht gewaakt en nu zijn mijn oogen zwaar van slaap.Ik ben bang u te verliezen terwijl ik slaap.Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.Ik schrik op en strek mijn handen uit om u aan te raken. Ik vraag mij af: is het een droom?Kon ik uw voeten maar omstrikken met mijn hart en vasthouden aan mijn borst!Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.

Ga niet heen, liefste, zonder mijn afscheid.

Ik heb den ganschen nacht gewaakt en nu zijn mijn oogen zwaar van slaap.

Ik ben bang u te verliezen terwijl ik slaap.

Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.

Ik schrik op en strek mijn handen uit om u aan te raken. Ik vraag mij af: is het een droom?

Kon ik uw voeten maar omstrikken met mijn hart en vasthouden aan mijn borst!

Ga niet heen, mijn liefste, zonder afscheid.


Back to IndexNext