XXXV.Je speelt met me, opdat ik je niet te gemakkelijk zou kennen.Je verblindt me met flikkering van gelach, om je tranen te verbergen.Ik ken je, ik ken je kunst.—Het woord dat je zou willen zeggen, dat zeg je niet.Je ontwijkt me op duizenderlei wijzen, opdat ik je op prijs zou stellen.Je gaat terzijde staan, opdat ik je niet onder de meenigte zou reekenen.Ik ken je, ik ken je kunst.—Het pad dat je zou willen gaan, dat ga je niet.Je eischt meer dan anderen, daarom zwijg je.Met speelsche onachtsaamheid vermijd je mijn gaven.Ik ken je, ik ken je kunst.—Wat je zou willen neemen, dat neem je niet.
XXXV.Je speelt met me, opdat ik je niet te gemakkelijk zou kennen.Je verblindt me met flikkering van gelach, om je tranen te verbergen.Ik ken je, ik ken je kunst.—Het woord dat je zou willen zeggen, dat zeg je niet.Je ontwijkt me op duizenderlei wijzen, opdat ik je op prijs zou stellen.Je gaat terzijde staan, opdat ik je niet onder de meenigte zou reekenen.Ik ken je, ik ken je kunst.—Het pad dat je zou willen gaan, dat ga je niet.Je eischt meer dan anderen, daarom zwijg je.Met speelsche onachtsaamheid vermijd je mijn gaven.Ik ken je, ik ken je kunst.—Wat je zou willen neemen, dat neem je niet.
XXXV.
Je speelt met me, opdat ik je niet te gemakkelijk zou kennen.Je verblindt me met flikkering van gelach, om je tranen te verbergen.Ik ken je, ik ken je kunst.—Het woord dat je zou willen zeggen, dat zeg je niet.Je ontwijkt me op duizenderlei wijzen, opdat ik je op prijs zou stellen.Je gaat terzijde staan, opdat ik je niet onder de meenigte zou reekenen.Ik ken je, ik ken je kunst.—Het pad dat je zou willen gaan, dat ga je niet.Je eischt meer dan anderen, daarom zwijg je.Met speelsche onachtsaamheid vermijd je mijn gaven.Ik ken je, ik ken je kunst.—Wat je zou willen neemen, dat neem je niet.
Je speelt met me, opdat ik je niet te gemakkelijk zou kennen.
Je verblindt me met flikkering van gelach, om je tranen te verbergen.
Ik ken je, ik ken je kunst.—
Het woord dat je zou willen zeggen, dat zeg je niet.
Je ontwijkt me op duizenderlei wijzen, opdat ik je op prijs zou stellen.
Je gaat terzijde staan, opdat ik je niet onder de meenigte zou reekenen.
Ik ken je, ik ken je kunst.—
Het pad dat je zou willen gaan, dat ga je niet.
Je eischt meer dan anderen, daarom zwijg je.
Met speelsche onachtsaamheid vermijd je mijn gaven.
Ik ken je, ik ken je kunst.—
Wat je zou willen neemen, dat neem je niet.