XXXIX.

XXXIX.Den ganschen morgen beproef ik een krans te vlechten, maar de bloemen glissen en vallen uit.Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit de hoeken van je spiedende oogen.Vraag die oogen, die donker op ondeugd zinnen, wiens schuld het was.Ik tracht een lied te zingen, maar te vergeefs.Een verborgen glimlach trilt op je lippen; vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.Laat je glimlachende lippen onder eede zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren ging als een dronken bij in de lotos.Het is avond, het is tijd voor de bloemen hun kelken te sluiten.Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en vraag mijn lippen het werk te doen, dat in stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig licht van de sterren.

XXXIX.Den ganschen morgen beproef ik een krans te vlechten, maar de bloemen glissen en vallen uit.Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit de hoeken van je spiedende oogen.Vraag die oogen, die donker op ondeugd zinnen, wiens schuld het was.Ik tracht een lied te zingen, maar te vergeefs.Een verborgen glimlach trilt op je lippen; vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.Laat je glimlachende lippen onder eede zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren ging als een dronken bij in de lotos.Het is avond, het is tijd voor de bloemen hun kelken te sluiten.Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en vraag mijn lippen het werk te doen, dat in stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig licht van de sterren.

XXXIX.

Den ganschen morgen beproef ik een krans te vlechten, maar de bloemen glissen en vallen uit.Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit de hoeken van je spiedende oogen.Vraag die oogen, die donker op ondeugd zinnen, wiens schuld het was.Ik tracht een lied te zingen, maar te vergeefs.Een verborgen glimlach trilt op je lippen; vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.Laat je glimlachende lippen onder eede zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren ging als een dronken bij in de lotos.Het is avond, het is tijd voor de bloemen hun kelken te sluiten.Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en vraag mijn lippen het werk te doen, dat in stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig licht van de sterren.

Den ganschen morgen beproef ik een krans te vlechten, maar de bloemen glissen en vallen uit.

Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit de hoeken van je spiedende oogen.

Vraag die oogen, die donker op ondeugd zinnen, wiens schuld het was.

Ik tracht een lied te zingen, maar te vergeefs.

Een verborgen glimlach trilt op je lippen; vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.

Laat je glimlachende lippen onder eede zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren ging als een dronken bij in de lotos.

Het is avond, het is tijd voor de bloemen hun kelken te sluiten.

Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en vraag mijn lippen het werk te doen, dat in stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig licht van de sterren.


Back to IndexNext