XXXVI.

XXXVI.Hij fluisterde: „Liefste, hef je oogen op.”Ik vermaande hem scherpelijk en zei: „Ga heen!” maar hij verroerde niet.Hij stond voor me en hield mijn beide handen. Ik zei „Verlaat me!” maar hij ging niet.Hij bracht zijn gelaat digt bij mijn oor. Ik oogde naar hem en zei „Schaam je!” maar hij bewoog niet.Zijn lippen raakten mijn wang aan. Ik beefde en zei „Je durft te veel!” maar hij had geen schaamte.Hij stak een bloem in mijn haar. Ik zei „Het geeft niet!” maar hij stond onverschrokken.Hij nam de krans van mijn hals en ging heen. Ik ween en vraag mijn hart: „Waarom komt hij niet terug?”

XXXVI.Hij fluisterde: „Liefste, hef je oogen op.”Ik vermaande hem scherpelijk en zei: „Ga heen!” maar hij verroerde niet.Hij stond voor me en hield mijn beide handen. Ik zei „Verlaat me!” maar hij ging niet.Hij bracht zijn gelaat digt bij mijn oor. Ik oogde naar hem en zei „Schaam je!” maar hij bewoog niet.Zijn lippen raakten mijn wang aan. Ik beefde en zei „Je durft te veel!” maar hij had geen schaamte.Hij stak een bloem in mijn haar. Ik zei „Het geeft niet!” maar hij stond onverschrokken.Hij nam de krans van mijn hals en ging heen. Ik ween en vraag mijn hart: „Waarom komt hij niet terug?”

XXXVI.

Hij fluisterde: „Liefste, hef je oogen op.”Ik vermaande hem scherpelijk en zei: „Ga heen!” maar hij verroerde niet.Hij stond voor me en hield mijn beide handen. Ik zei „Verlaat me!” maar hij ging niet.Hij bracht zijn gelaat digt bij mijn oor. Ik oogde naar hem en zei „Schaam je!” maar hij bewoog niet.Zijn lippen raakten mijn wang aan. Ik beefde en zei „Je durft te veel!” maar hij had geen schaamte.Hij stak een bloem in mijn haar. Ik zei „Het geeft niet!” maar hij stond onverschrokken.Hij nam de krans van mijn hals en ging heen. Ik ween en vraag mijn hart: „Waarom komt hij niet terug?”

Hij fluisterde: „Liefste, hef je oogen op.”

Ik vermaande hem scherpelijk en zei: „Ga heen!” maar hij verroerde niet.

Hij stond voor me en hield mijn beide handen. Ik zei „Verlaat me!” maar hij ging niet.

Hij bracht zijn gelaat digt bij mijn oor. Ik oogde naar hem en zei „Schaam je!” maar hij bewoog niet.

Zijn lippen raakten mijn wang aan. Ik beefde en zei „Je durft te veel!” maar hij had geen schaamte.

Hij stak een bloem in mijn haar. Ik zei „Het geeft niet!” maar hij stond onverschrokken.

Hij nam de krans van mijn hals en ging heen. Ik ween en vraag mijn hart: „Waarom komt hij niet terug?”


Back to IndexNext