XXXVII.

XXXVII.Woudt gij uw krans van frissche bloemen om mijn hals doen, mijn schoone?Maar gij moet weeten, dat de eenige krans die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor hen, die maar in oogenblikken gezien worden, die in ondoorzochte landen woonen, die in dichterzangen leeven.Het is te laat om mijn hart te vragen, in ruil voor het uwe.Er was een tijd dat mijn leeven was als een knop, al zijn geur was verborgen in zijn kern.Nu is het ver en wijd verstrooid.Wie kent den toover om het weer te vergaderen en op te sluiten?Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een enkele kan geeven, het behoort den veelen.

XXXVII.Woudt gij uw krans van frissche bloemen om mijn hals doen, mijn schoone?Maar gij moet weeten, dat de eenige krans die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor hen, die maar in oogenblikken gezien worden, die in ondoorzochte landen woonen, die in dichterzangen leeven.Het is te laat om mijn hart te vragen, in ruil voor het uwe.Er was een tijd dat mijn leeven was als een knop, al zijn geur was verborgen in zijn kern.Nu is het ver en wijd verstrooid.Wie kent den toover om het weer te vergaderen en op te sluiten?Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een enkele kan geeven, het behoort den veelen.

XXXVII.

Woudt gij uw krans van frissche bloemen om mijn hals doen, mijn schoone?Maar gij moet weeten, dat de eenige krans die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor hen, die maar in oogenblikken gezien worden, die in ondoorzochte landen woonen, die in dichterzangen leeven.Het is te laat om mijn hart te vragen, in ruil voor het uwe.Er was een tijd dat mijn leeven was als een knop, al zijn geur was verborgen in zijn kern.Nu is het ver en wijd verstrooid.Wie kent den toover om het weer te vergaderen en op te sluiten?Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een enkele kan geeven, het behoort den veelen.

Woudt gij uw krans van frissche bloemen om mijn hals doen, mijn schoone?

Maar gij moet weeten, dat de eenige krans die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor hen, die maar in oogenblikken gezien worden, die in ondoorzochte landen woonen, die in dichterzangen leeven.

Het is te laat om mijn hart te vragen, in ruil voor het uwe.

Er was een tijd dat mijn leeven was als een knop, al zijn geur was verborgen in zijn kern.

Nu is het ver en wijd verstrooid.

Wie kent den toover om het weer te vergaderen en op te sluiten?

Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een enkele kan geeven, het behoort den veelen.


Back to IndexNext