„Au, au, smerige hond, laat los, au, au!” kermde hij, van angst en pijn in het rond springende, maarKees gaf er niets om en hield hem stevig bij zijn dijbeen vast. En toen hij eindelijk door de woeste sprongen van den vaandrig gedwongen was hem los te laten, hield hij een groote lap van diens broek in den bek. De vaandrig zette het op een loopen, in de hoop, de deur der hoeve te kunnen bereiken, voordat de hond hem ten tweeden male aangreep, natuurlijk zonder de hanen, want die had hij bij den aanval van den hond al dadelijk op den grond laten vallen. Maar dat mislukte hem. Kees liep vlugger dan hij, en beet hem met een geweldigen hap nu in zijn linkerbeen, zoodat ook daar de broek vaneengereten werd en het bloed uit des vaandrigs been te voorschijn kwam. Marten, die zich in allerijl achter eenig boerengereedschap verscholen had, zag het met het grootste genoegen aan, en hij had niet den minsten lust, Kees tot de orde te roepen.
„Au, au, vervloekte hond,—au, au!” schreeuwde de vaandrig, die alle moeite deed, om de deur te bereiken.
Op dit geschreeuw kwam weer de Hopman naar buiten, teneinde te zien, wat er aan de hand was. Ook boer Floris verscheen op het erf, maar nauwelijks zag hij, hoe Kees bezig was den vaandrig de kleeren van het lijf en de stukken uit de beenen te rukken, of hij trok zich schielijk in de hoeve terug, niet twijfelende, of met de hulp van dezen bondgenootzou hij spoedig van de ongewenschte en brutale gasten verlost zijn.
„Help, Hopman, help!—Au—au,—die rakkerd! Au, sla hem dood, Hopman!”
„Ik—ik zal hem een kogel door den kop jagen,” riep de Hopman, die vrij angstig naar den grooten, nijdigen hond keek en allerminst lust had, met diens tandenkenniste maken.
„Au,—au, neen, niet schieten!—Au—o, o, als je misschiet, krijg ik misschien den kogel, die...”
Verder kwam de vaandrig niet, want juist op dit oogenblik gelukte het hem zijn been vrij te krijgen, en ijlings koos hij het hazenpad. Nu had hij de deur bereikt,—maar zijn pogingen om haar los te krijgen, mislukten. De boer had er den grendel voor geschoven en stond nu door het raam te kijken, naar hetgeen op het erf voorviel. Vele pogingen om binnen te komen deed de vaandrig trouwens niet, want de hond zat hem alweer op de hielen, wat er niet beter op werd, toen van achter het schuurtje werd geroepen:
„Sa-sa-Kees, pak ze!—Toe maar Kees, pak ze!”
Dat bevel wilde Kees met alle genoegen uitvoeren, maar hij scheen te meenen, dat de vaandrig voorloopig genoeg genoten had, en viel nu op den Hopman aan, die tevergeefs trachtte hem met de kolf van zijn vuurroer op den kop te slaan.
De vaandrig staakte zijne pogingen om de deuropen te maken, en vluchtte zoo snel zijne voeten hem dragen konden het erf af en den dijk op, in de richting van Saardam. En Kees vloog brutaalweg den Hopman naar de keel, zoodat deze moord en brand schreeuwde. Hij greep Kees met zijn vrije hand aan, wierp hem van zich af, en volgde in stormpas zijn vaandrig, die al op grooten afstand op den dijk voortholde.
Kees rende den Hopman na en beet hem gevoelig eerst in de eene en daarna in de andere kuit, maar toen de Hopman eenmaal het hek uitgejaagd was, meende hij zijn plicht te hebben volbracht. Kwispelstaartend keerde hij naar Marten terug, die schaterend van lachen uit zijn schuilhoek te voorschijn kwam en den hond goedkeurend over den kop streelde.
„Goed zoo, brave Kees! Goed zoo, hondje! Je hebt je voortreffelijk gehouden, hoor, en als wij de hanen morgen bij het middagmaal krijgen, zal ik voor jou een lekker stuk bewaren. Ik gun het jou liever dan die twee struikroovers!”
Wybe Sjoerds verveelt zich, en Marten krijgt een uitnoodiging.
Marten haastte zich de twee hanen op te zoeken, die Joachim bij den eersten aanval van den hond reeds op den grond had laten vallen, en hij bekeek ze met een meewarigen blik, want hij had veel van deze dieren gehouden. Maar toch verheugde hij er zich in, dat de dappere Hopman en diens brave vaandrig er zich niet aan zouden vergasten.
Weldra kwamen ook zijne ouders en Anna naar buiten, die met niet weinig pret den geduchten aanval van Kees hadden aanschouwd en tot hunne groote blijdschap de twee krijgslieden op de vlucht hadden zien slaan.
„Was dat geen grappig gezicht?” riep Marten hun toe, terwijl hij opnieuw in den lach schoot. „Ha-ha, ik wist me bijna geen raad van het lachen, toen die vaandrig zulke malle sprongenmaakte, terwijl Kees hem aan zijne broek hing en er de stukken uitscheurde.”
„En wat schreeuwde hij leelijk,” zei Anna, die lachen moest door hare tranen heen, want het deed haar veel verdriet, dat de twee mooie hanen gedood waren. Zij streelde hen over de fraaie veeren. De dieren waren nog warm.
„Arme beesten,” zei ze zacht.
„Zeg dat wel, Anna,” zei Marten, „maar verheug er je in, dat die twee roovers er althans niet aan zullen smullen. Ha, wat had die brave Kees ze geducht te pakken!”
„Had jij den hond losgelaten?” vroeg zijn vader, die zich de handen wreef van genoegen over den goeden afloop van het minder aangename avontuur.
„Losgelaten niet alleen, maar opgehitst ook,” lachte Marten. „Hij vloog er op aan als een dolle, en ik dacht, dat hij van plan was den heelen vaandrig aan stukken te scheuren. 't Was een prachtig gezicht! Enwijhebben de hanen nog, dat is het grappigste van alles.”
„Ja, en mijn vier blanke guldens daarbij, jongen. Die schavuiten beschuldigden mij van met den vijand te heulen, en dreigden mij naar den gouverneur Sonoy op te zullen zenden, als ik hun geen vier guldens gaf als onderpand voor mijne trouw. Een mooie eisch, voorwaar!”
„Maar man, wat heb je aan een groot gevaarbloot gestaan,” sprak vrouw Fijtje. „Ik had me geen raad geweten, als ze die bedreiging hadden uitgevoerd. Gode zij dank, dat zij in hun opzet verhinderd zijn door Kees. Hij krijgt een lekkere kluif van me, als blijk van mijne groote dankbaarheid.”
„Hé ja, moeder, dat moet u doen,” riep Anna uit. „Kom hier, Kees, laat ik je eens streelen!”
Marten keek zijn vader een oogenblik peinzend aan. Eindelijk sprak hij verheugd:
„O, nu vat ik het! Dus dáárom was u zoo toegevend voor die twee schurken. Ik kon me al niet begrijpen, hoe u er toe komen kon, om hun zoo in alles hun zin te geven en al de onbeschoftheden te verdragen, die zij ons geliefden aan te doen. Dat is anders uw aard niet.”
„Ja, m'n jongen, ik zat in een moeilijk geval, en geloofde niet beter te kunnen doen dan te huilen met de wolven, waarmede ik in het bosch was. Ik had natuurlijk veel liever, dat zij deze twee hanen opaten, dan dat ze met mijn vier guldens naar huis gingen, of dat zij mij in staat van beschuldiging stelden en naar Jonkheer Sonoy opzonden. Er behoeft tegenwoordig niet veel te gebeuren om aan de galg te komen. Eene beschuldiging van Hopman Wybe Sjoerds weegt zwaar, want hij staat om zijne dapperheid hoog bij den gouverneur aangeschreven.”
„Maar voor onzen Kees ging hij toch op de vlucht!” lachte Marten. En hij keek den hond, diekwispelstaartend om den groep heen liep, met welgevallen aan. Want hij hield veel van zijn hond.
„Wij zullen hem voortaan maar los laten loopen, Vader. Dan zijn we voor bezoeken van zulke fraaie gasten gevrijwaard. Zij mochten anders eens komen, als u of ik niet thuis waren, en dan waren zij tot alles in staat!”
„Ik vrees, dat we nu toch nog genoeg van hen te lijden zullen hebben,” sprak vrouw Fijtje met een zucht. „Zij zullen de ondergane bejegening niet gemakkelijk vergeten en ze ons nog minder vergeven. Morgen of overmorgen zullen we de onverlaten wel opnieuw zien verschijnen, en mijn hart beeft bij de gedachte, wat er dan al niet gebeuren kan.”
„Ja Moeder,” sprak boer Floris, „wij beleven bange tijden en hebben bijna, zooals ons thans al weer gebleken is, evenveel te lijden van onze vrienden als van onze vijanden. Maar komaan, geen zorgen vóór den tijd. Anna, neem jij de hanen mede naar binnen, dan kan Marten ze vanavond schoonmaken. Nu ze eenmaal toch dood zijn, zullen ze ons morgen een heerlijk middagmaal verschaffen. En Moeder, kop jij de boter nog? Morgen moet Marten ze wegbrengen naar Jan Gerritsz, in de Westzijde. Hij heeft me gevraagd, of ik ze voor hem bewaren wilde, en hem tevens een zestig eieren kon bezorgen.”
„Moet Marten morgen dus naar Saardam?” vroegMoeder Fijtje angstig. „En als dan de Hopman hem ziet,—of de vaandrig? Marten kan niet in de Westzijde komen, zonder den Dam te passeeren,—en daar móéten zij hem haast wel opmerken...”
„O Moeder, laat dat maar aan mij over,” viel Marten lachend in. „Ik weet wel een middel om de Westzijde te bereiken zonder den Dam te passeeren, en bovendien kan ik Kees meenemen. Als Wybe Sjoerds of zijn fraaie vaandrig dien zien, zullen ze mij wel met rust laten. Kom Vader, willen wij nu het hooi gaan opschudden? 't Wordt meer dan tijd.”
„Wij zullen dubbel hard werken, om de geleden schade in te halen, jongen,” antwoordde de vader.
Beiden begaven zich naar het land, gevolgd door Kees, die als loon voor den bewezen dienst voor dezen keer mede mocht. Gewoonlijk was het land echter verboden terrein voor hem, want hij zat de schapen wel eens achterna en joeg ze dan in de sloot. Maar op het hooiland kon hij niet veel kwaad uithalen, omdat daar geen vee liep.
Eenige oogenblikken later waren vader en zoon ijverig aan den arbeid. Het laatste hooi lag te velde, en zij hoopten het nog voor den avond aan roken te zetten. Dan kon het den volgenden morgen binnengehaald worden, waarmede niet langer dan een halve dag gemoeid zou zijn. Daarmede was dehooioogst voor dit jaar afgeloopen. 't Hooi zag er prachtig uit en was al bijna geheel droog. 't Was den geheelen dag dan ook heerlijk weer geweest, en de zon had fel geschenen. Eer deze nog geheel ondergegaan was, stond het reeds op groote hoopen, zoodat den volgenden morgen de laatste voeren konden worden geborgen.
Welvoldaan en tevreden keerden Floris en Marten 's avonds huiswaarts. Zij hadden hard gewerkt om klaar te komen, maar zij waren sterk en konden wel tegen wat zwaren arbeid.
Zoodra zij thuis gekomen waren, begaf Marten zich naar het achterhuis, om de hanen schoon te maken, wat hem vlug afging, want Marten was een handige jongen, die niet van talmen hield en de dingen altoos flink aanpakte. Daarna ging hij het hek sluiten, wat zij in dien bangen tijd voor eene vaste gewoonte hadden. Als altoos 's nachts bleef Kees vrij op het erf rondloopen, en een betere bewaker zou moeilijk te vinden geweest zijn. Wee dengene, die het wagen durfde het erf te betreden. Kees was in staat hem te verscheuren.
Toen allen binnen waren, sloot de vader de deuren en schoof er de grendels voor. Daarna deed hij zorgvuldig de ronde, om te zien, of alles goed afgesloten was.
Moeder Fijtje maakte het avondmaal gereed, en toen dat genuttigd was, stonden Anna en Martenop, om zich naar bed te begeven. Maar de vader weerhield hen, en zeide:
„Blijft nog even, kinderen; ik heb jelui nog wat te zeggen.”
Anna en Marten keken hem niet zonder eenige verwondering aan, en waren nieuwsgierig wat dit zijn zou.
De vader stond op en ontsloot eene kast. Hij haalde daaruit een kistje te voorschijn, dat hij op de tafel plaatste en opende. 't Bleek een groot aantal zilveren geldstukken te bevatten, die Marten den uitroep uitlokten:
„Zoo, zoo, Vader, dat ziet er goed uit! Mij dunkt, er zitten daar meer guldens in, dan duiten in mijne schatkist.”
„En in de mijne daarbij!” lachte Anna.
Maar de vader lachte niet. Integendeel, zijn gelaat stond hoogst ernstig, toen hij de beide jongelieden aanzag.
„Luistert!” zei hij. „Wij beleven een tijd van beroerten, die maakt, dat wij heden niet weten, of morgen niet reeds de vijand onze woning binnenvalt en alles rooft en plundert, wat hij krijgen kan. Wij hebben een gedeelte van het geld, dat je hier voor je ziet, geërfd van onze ouders, en het overige verdiend en overgespaard. Ik acht het in de kast, waarin wij het jaren lang bewaard hebben, niet veilig meer, en ben met Moeder afgesproken, hette verbergen op eene plaats, waar een ander het niet gemakkelijk vinden zal. Maar wij willen u van die schuilplaats niet onkundig laten, omdat wij weten, dat we je volkomen vertrouwen kunnen en dat ons geheim bij jelui veilig is. 't Kan goed zijn, dat de bergplaats je bekend is, want in deze tijden is alles mogelijk. Ik heb gisterenavond, toen je reeds naar bed gegaan waart en in diepe rust laagt, eene geschikte plaats bedacht. Zie maar eens hier.”
Boer Floris stond op en begaf zich naar den haard, die van steenen opgetrokken was. Hij veegde de asch weg, zoodat de vloer bloot kwam, en haalde de steenen, die den bodem vormden, een voor een weg. Daaronder bleek een ijzeren plaat te liggen. Met inspanning van al zijne krachten schoof hij deze op zijde, en nu werd eene opening zichtbaar, die wel tien zulke kistjes kon bevatten.
„Ziehier,” sprak de vader, „deze plaats bedoel ik. Geef dat geldkistje eens hier, Marten.—Mooi zoo. Kijk, ik plaats het op den bodem van het gat, en stapel deze losse steenen er rondom en bovenop. Dat kistje bevat vierduizend gulden, kinderen, en vertegenwoordigt dus een groot bedrag, dat ik ongaarne in de handen der vijanden zou zien. Nu leg ik de ijzeren plaat er over en daarop de steenen van den haard. Wanneer nu morgen het vuur wordt aangelegd, vult de asch al spoedig de voegen, zoodatniemand op de gedachte zal komen, dat hier geld verborgen ligt.”
„Dat is mooi bedacht, Vader,” zei Marten. „Ik noem hen knap, die het geld hier vinden.”
„Laten wij hopen, dat God deze woning bescherme, zoodat niemand er naar kome zoeken,” sprak de vader.
„Amen,” zei de moeder ernstig. „En nu, kinderen, welterusten.”
„Welterusten,” zeiden Anna en Marten. En weldra lag het gezin in een diepe rust, welke dien nacht door niemand gestoord werd. Sloop er wellicht een of andere landlooper om de hoeve rond met minder goede voornemens, Kees hield trouw de wacht, en als zijn bassen over het erf weerklonk, waagde niemand het naderbij te komen.
En 's morgens waren allen reeds vroeg in de weer, om den dagelijkschen arbeid te hervatten. Toen in de hoeve van de weduwe Bleeker iedereen nog in een diepen slaap gedompeld lag, waren zij reeds ijverig aan het werk.
Het eerst werden de koeien gemolken en de melk in strem gezet. Daarna werd het ontbijt gebruikt, en nauwelijks was dat genuttigd, of het paard werd voor den hooiwagen gespannen, en vader en zoon reden naar het veld, om het laatste hooi binnen te halen. 't Was alweer een mooie dag, en de zon scheen zoo heerlijk op de weiden en tuinen,de bloemen prijkten in zoo heerlijke kleuren en de vogels kwinkeleerden zoo lustig en vredig op de daken der huizen en de takken der boomen, dat men moeite had om te gelooven, dat het land geheel in beroering was en de menschen elkander van den morgen tot den avond vervolgden en vermoordden.
Tegen 12 uur werd het laatste voer het erf opgereden, en korten tijd later behoorde deze hooioogst weer tot het verleden. Marten was daardoor, en ook door het vooruitzicht van de gebraden haantjes, die nu weldra op de tafel zouden prijken, in de vroolijkste stemming geraakt, en hij zong, terwijl hij het paard uitspande en het naar het land bracht, een geuzenliedje, dat toen algemeen gezongen werd. Lustig klonk het:
Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,Slaet opten trommele, van dirredomdoes,Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,Vive le Geus! is nu de loes!De Spaensche Inquisiti, voor God maliti,De Spaensche Inquisiti, als Draecx bloet fel,De Spaensche Inquisiti gevoelt puniti,De Spaensche Inquisiti ontvalt haer spel.Vive le Geus! wilt Christelijk leven,Vive le Geus! hout fraeyen moet:Vive le Geus! God hoedt u voor sneven,Vive le Geus! edel Christen bloet!
Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,Slaet opten trommele, van dirredomdoes,Slaet opten trommele, van dirredomdeyne,Vive le Geus! is nu de loes!
De Spaensche Inquisiti, voor God maliti,De Spaensche Inquisiti, als Draecx bloet fel,De Spaensche Inquisiti gevoelt puniti,De Spaensche Inquisiti ontvalt haer spel.
Vive le Geus! wilt Christelijk leven,Vive le Geus! hout fraeyen moet:Vive le Geus! God hoedt u voor sneven,Vive le Geus! edel Christen bloet!
„Ha-sa, dat is een lustig liedeken, Marten!” klonk het hem toe, terwijl hij van het land terugkeerde. En opziende ontdekte hij zijn buurjongen Piet Bleeker, die op den dijk stond met de handen in de zakken.
„Die is ook liever lui dan moê,” mompelde Marten zacht voor zich heen. En luider sprak hij, niet zonder fijne spotternij, want hij wist wel, dat de familie Bleeker ijverig Spaanschgezind was en den Prins van Oranje en diens strijden voor de vrijheid diep verfoeide:
„Ja, niet waar? Waarom zing je niet mee, Piet? Of ben je misschien bang, dat de Spaansche ooren zoo scherp zijn, dat zij te Amsterdam kunnen verstaan, wat hier gezongen wordt?”
„Die is mooi, hoor!” zei Piet met een smadelijklachje. „Wat kunnen mij die Spanjolen schelen? Ik heb er immers niets mede te maken? Voor mijn part waren ze hier nooit gekomen, alhoewel ik zeggen moet, dat de Geuzen ook zoo vriendelijk niet zijn. Ik gun hun bezoek ook liever aan de buren, dan het zelf te ontvangen. De hulp van Kees was gisteren zeker lang niet onwelkom, hè?”
„Ha zoo, heb je dat ook al gezien, Piet? Maar wat praat ik; jelui ziet immers alles? Wil ik je eens een goeden raad geven?”
„Wanneer je dat doen wilt,—met alle genoegen,” zei Piet. „Een goede raad is immers altijd geld waard?”
„Nu,—neem dan dienst bij de soldaten. Een goede spion kan daar altoos werk genoeg vinden en eene flinke belooning bovendien. Je bent er, geloof ik, beter voor geschikt dan voor het boerenwerk.—Dag Piet!”
Marten was onder het praten de hoeve genaderd en trad deze binnen, waar de reuk van de gebraden hanen hem reeds dadelijk in den neus drong.
„Hè,—lekker!” mompelde hij, den geur opsnuivende. „Toch prettig, dat die twee sinjeurs er zoo lekker nuchter van blijven!”
De boutjes lieten zich uitstekend smaken, en onder het middagmaal werd nog eens smakelijk gelachen om het malle figuur, dat de twee dappere krijgsliedengemaakt hadden. Moeder Fijtje alleen lachte niet van ganscher harte mede, want zij vreesde, dat de beleedigde mannen niet zouden nalaten zich te wreken. En voor die vrees bestond veel grond, want de watergeuzen waren er de mannen niet naar, om een geleden hoon ongewroken te laten. En dubbel beangst gevoelde zij zich, nu Marten straks naar Saardam moest, om boter en eieren naar Jan Gerritsz te brengen. 't Was haar op het gelaat te lezen, dat zij zich niet op haar gemak gevoelde, en meermalen zuchtte zij onwillekeurig bij de gedachte aan de gevaren, die haar eenigen zoon bedreigden.
„Moeder is nog niet op haar gemak,” zei Marten lachend.
„Och kind, spot niet met mijn angst, want daar bestaat waarlijk wel reden voor,” zei ze. „Als je nu vanmiddag maar niet naar Jan Gerritsz moest,—maar de tocht daarheen maakt me bekommerd.”
„Wees gerust, moeder,” zei Marten. „Ik zal zoo voorzichtig mogelijk zijn en den Dam vermijden. Ik weet zeker, dat de Hopman en zijn vaandrig daar hun intrek hebben genomen. En bovendien, zij zullen mij wel ongemoeid laten gaan, ook al werd ik opgemerkt. Denkt u dan niet, dat zij zich over het geval schamen? Zij zullen het wel aan niemand vertellen, want dan worden zij nog uitgelachen op den koop toe. En wat zouden zij mij doen? Mij opzendennaar Jonkheer van Sonoy, den gouverneur? Dan kwam hun eigen wangedrag aan het licht. Of mij gevangen houden? Daarvoor hebben zij geen reden. Neen, Moeder, u kan gerust zijn.”
„'t Is te hopen, Marten. Als Vader nu nog meê ging...”
„Dan was het veel erger,” viel Anna in. „Vader is een man, en door eene valsche beschuldiging konden zij hem licht in groote moeilijkheden brengen.”
„Volkomen waar,” sprak de vader. „'t Is beter, dat Marten alleen gaat. Ik geloof ook, dat zij hem wel ongemoeid zullen laten, zelfs al zien zij hem.”
„Toch wou ik, dat die tocht al achter den rug was,” hernam de moeder.
Toen het middagmaal afgeloopen was, bracht Marten den botertijns in het roeibootje, alsmede de mand met eieren, haalde de riemen uit de schuur, en riep luchtig:
„Nu, ik ga. Goeden dag, tot straks.—Dag Moeder, wees maar niet bezorgd. Ik ga met het schuitje en heb dus met den Dam niets te maken. Over enkele uren ben ik weer terug.”
De moeder keek hem zuchtend na.
Op het erf gekomen, keek Marten zoekend rond, en riep met luide stem:
„Kom Kees, ga je meê met den baas?”
Maar Kees gaf geen teeken van leven, geheel tegen zijne gewoonte in.
„Wel,—wat is dat? Waar zou Kees zitten? Hij komt nooit van het erf af, en laat zich evenmin ooit tweemaal roepen.—Kom Kees, waar ben je?—Ga je meê met den baas?”
Een kort gebrom was het antwoord. 't Kwam uit het hondenhok, en Marten begaf er zich heen.
Ha, thans was het raadsel spoedig opgelost. Kees deed zich te goed aan de beenderen van de twee hanen, die Anna hem gebracht had. Hij lag er bij op den grond, en Marten hoorde, hoe hij de beentjes tusschen zijne sterke kaken verbrijzelde.
„Smaakt het lekker, Kees?” vroeg Marten lachend.
Kees kwispelde met den staart, maar bleef doorkluiven.
„Kom Kees,—ga je meê met den baas?”
Kees hief een oogenblik den kop op, en zijn staart kwam opnieuw in beweging. Blijkbaar had hij grooten lust om de uitnoodiging aan te nemen, maar de beentjes vond hij toch ook erg verleidelijk.
Marten maakte een kort einde aan de besluiteloosheid van Kees. Hij raapte de beentjes vlug bij elkander, wat Kees met een boos gebrom beantwoordde, en zeide:
„Kom Kees, ga je meê? Je kunt het eene doen, zonder dat je het andere behoeft na te laten.”
Nu begreep Kees de bedoeling volkomen, en onder vroolijke sprongen volgde hij zijn jongen meester. Deze wierp de beentjes op den bodem van hetvaartuigje, waar Kees zijn maal kon vervolgen, en stak van wal. Weldra kliefde het bootje de golfjes van de Zaan.
Marten roeide graag, en sterk als hij was, schoot hij flink op. Langs den dijk stonden in dien tijd slechts weinig woningen; hier en daar verhief zich de nok van eene enkele boerenhoeve boven den Zuiddijk. Voetgangers zag hij in het geheel niet. Maar naarmate hij het dorp Saardam naderde, werd het ook drukker op de oevers aan weerskanten, en waren de dijken meer bebouwd. De huizen stonden dichter bij elkander, en hij hoorde de bedrijvigheid van de menschen, die daar aan den arbeid waren.
Nog voor Saardam bereikt was, was Kees met zijn middagmaal geheel gereed gekomen. De kleine beentjes had hij tusschen zijn sterke kaken stuk gebeten en ze daarna als een fijne lekkernij verorberd. En de grootere waren zoo zorgvuldig afgekloven, dat zelfs het kleinste vezeltje er niet meer op gevonden kon worden.
Op enkele minuten afstands van den Dam lag eene scheepstimmerwerf, waarvan Marten den eigenaar kende. Hij was gewoon, als hij met zijn boot te Saardam kwam, daar aan te leggen, wat hem gaarne toegestaan werd. Hij roeide ook nu daarheen, legde zijn schuit vast, en stapte aan den oever. Den botertijns zette hij zich op het hoofd, want zoo droeghij hem altoos, hing de mand met eieren aan zijn arm, en begaf zich op weg.
Kees sprong hem vroolijk achterna. Het scheiden van zijne afgekloven beentjes had hem nog wel eenigen strijd gekost, maar hij scheen er toch van overtuigd te zijn, dat er eigenlijk niets meer aanzat. Hij volgde Marten dan ook met groote blijmoedigheid en bleef hem dicht op de hielen.
Marten had weldra den Hoogendijk afgeloopen en was de plaats genaderd, waar de Dam de Oost- met de Westzijde verbindt. Maar daar werd de doortocht hem bemoeilijkt door een grooten oploop van menschen, en hij zag, hoe een aantal krijgslieden in volle wapenrusting gereed stond om uit te rukken.
Verbaasd vroeg hij aan een van de omstanders, wat er aan de hand was, en niet weinig verwonderd was hij te vernemen:
„De geuzen gaan ons verlaten, goddank. Hopman Wybe Sjoerds schijnt het hier te vervelend te vinden, omdat er niets te vechten valt, en is van plan naar Alkmaar te gaan. Nu, de kaerels krijgen van mij het heilige kruis na, want 't is een ruw volkje, dat weinig verschil maakt tusschen het mijn en het dijn.”
„Gaan zij naar Alkmaar?” vroeg Marten in de grootste verbazing. „En heeft Heer Diederik van Sonoy daartoe bevel gegeven?”
„Wel neen, jongen,” zei een ander. „Wybe Sjoerdshandelt geheel op eigen verantwoording, en ik zeg, dat het eene schande is,—eene schande! Amsterdam ligt in de onmiddellijke nabijheid, en de Spanjolen zullen gauw genoeg ingelicht worden, dat Saardam geheel van troepen ontbloot is. Help maar eens kijken, of binnen drie dagen de Spekken hier niet heer en meester zijn, en dan komen wij van den regen in den drop. 't Is eene schande—dat zeg ik, en Wybe Sjoerds is waard, dat hij opgehangen wordt aan de eerste galg de beste!”
„Of je van de kat gebeten wordt, of van den kater, dat komt op hetzelfde neêr,” hernam de eerste spreker. „De Geuzen zijn ook zulke aangename gasten niet, en zij zuigen den huisman uit tot op het gebeente. Laat de Spanjolen vrij komen, als ze willen, mij is het om het even!”
„Jij praat als een Spek,” beet de eerste hem toe. Maar de ander viel hem dadelijk in de rede door te zeggen:
„Een Spek?—Een verrader—ik? God beware me, ik ben met hart en ziel voor den Prins, maar de euveldaden van de Geuzen ben ik hartelijk moede. Zij handelen met den huisman, of zij zich in een overwonnen land bevinden, in plaats van bij vrienden.”
„Dan praat je als een kip zonder kop,” zei de eerste weer. „'t Is waar, de Geuzen gaan niet bepaald zachtzinnig met ons om, en ik wil hunne dadengeenszins vergoêlijken, maar hen te vergelijken en in één adem te noemen met de Spanjolen,—dat is gekkepraat in één woord.”
Op dit oogenblik baande een kloek krijgsman zich een weg door de menigte en liep langs de gelederen der Geuzen. Marten herkende in hem den Hopman Wybe Sjoerds, en zag, dat deze zich aan het hoofd van het vendel plaatste. Zijn vaandrig stond naast hem met ontplooid vaandel. De trommen werden geroerd, bevelen klonken, en de troep zette zich in beweging, met zeer gemengde gevoelens nagestaard door de menigte, die op den Dam en in den omtrek daarvan was samengestroomd. Velen schudden bezorgd het hoofd en gaven luide hun misnoegen te kennen over het lichtzinnig gedrag van den Hopman, die een zoo belangrijk punt als Saardam geheel eigenmachtig verliet, alleen omdat hij en zijne soldaten het daar vervelend vonden, en het volkomen weerloos overliet aan de vijanden, die niet zouden nalaten deze plaats spoedig te bezetten. En waren de Watergeuzen lastig, veeleischend en brooddronken,—de wreedheid der vijanden was spreekwoordelijk geworden. Geen wonder, dat vele Saardammers de toekomst donker inzagen.
Onder de toeschouwers merkte Marten ook Pieter en Aelbert Bleeker op, de zonen der weduwe, die naast hem woonde. En hij vreesde mèt den huisman,dat de verlaten en hulpelooze toestand van Saardam, al was het maar door hunne tusschenkomst alleen, spoedig in Amsterdam bekend zou wezen. En daar lag de vijand op den uitkijk!
Hij vervolgde zijn weg en had met zijn hond spoedig de woning van Jan Gerritsz bereikt. Deze was een reeder, wiens schepen sedert vele jaren alle zeeën der aarde hadden bezocht, maar die door den oorlog groote schade geleden had en zijne vaartuigen van de hand had gedaan, voorzoover zij hem niet door den vijand waren ontroofd. Hij was echter nog wel een rijk man te noemen en een van de invloedrijkste ingezetenen der plaats.
Marten bracht zijne waren in de keuken en wachtte op het geld, dat hem hier altoos contant betaald werd. De heer Jan Gerritsz kwam het hem zelf brengen. 't Was een man van ongeveer vijftigjarigen leeftijd, met een prettig, levenslustig uiterlijk.
„Dag Marten,—hier heb je het geld. Is de hooibouw al afgeloopen?”
„We hebben het laatste voer van morgen om half twaalf binnengehaald, Heer,” was het antwoord.
„Mooi, dat hoor ik met genoegen, want ik wou morgen graag een dagje uit vogelvangen op Ruichoort, evenals verleden jaar, en zou je weer heel graag tot hulp en gezelschap medenemen. Wat dunkt je, zouden de werkzaamheden toelaten, dat je een dag vrijaf krijgt?”
„O ja, wat de werkzaamheden betreft, zou ik wel kunnen...” sprak Marten peinzend, hoewel zijne oogen een wijle geflikkerd hadden van genoegen, toen hij de uitnoodiging vernam. Hij herinnerde zich nog als den dag van gisteren, hoe hij het vorige jaar ook met Heer Jan Gerritsz uit vogelvangen was geweest op Ruichoort, en hoeveel genoegen hij toen had gehad.
„Welnu, wat schort er aan?” vroeg de reeder lachend. „Je staat daar net te kijken, of je je laatste oortje versnoept hebt. Heb je misschien geen lust in de jachtpartij?”
„Geen lust?—Dat zou ik meenen...!” riep Marten uit.
„Of wil vader het je misschien niet toestaan?”
„Ook wel,” hernam Marten. „Maar ziet u, zooeven zag ik Hopman Wybe Sjoerds met zijn vendel Saardam verlaten, zoodat wij elk oogenblik een inval van de Spanjaarden te wachten hebben. En nu vrees ik, dat Vader...”
„Kom, wat een dwaasheid!” viel Jan Gerritsz in. „Hopman Wybe Sjoerds is naar Alkmaar vertrokken zonder daartoe bevel te hebben ontvangen, en je zult eens zien, hoe gauw hij weer hier terug is. Denk je, dat hij voor zijn pleizier aan de galg wil komen? Ze zullen het hem in Alkmaar wel duidelijk maken, dat het zijn plicht is, hier te blijven. Ik heb het hem zelf ook gezegd, maar hij wilde naar mijniet luisteren. Hij moet het zelf weten, maar jij behoeft je daarom niet te bekommeren. Ik wed, dat hij vandaag nog terugkeert; Heer Diederik van Sonoy laat waarlijk niet met zich spotten.”
„Zou u dat heusch denken?” vroeg Marten.
„Ongetwijfeld,—komt hij van avond niet terug, dan stellig morgenochtend wel. Ik maak mij daar geen oogenblik ongerust over. Dus dat blijft afgesproken? Morgen om een uur of tien kom ik bij je. We kunnenjouwboot wel gebruiken, niet waar?”
„O ja, met alle genoegen. Voor de boerderij hebben we haar morgen niet noodig. En zal ik voor aas zorgen?”
„Uitstekend. Tot morgen dan!”
Vergezeld van zijn trouwen hond nam Marten de terugreis aan, die hij zonder ongelukken of bijzondere avonturen volbracht, en een paar uur later betrad hij de ouderlijke woning. Hij vertelde dadelijk, wat er in Saardam was gebeurd, en zijne moeder slaakte een zucht van verlichting toen zij vernam, dat de ruwe Geuzen waren vertrokken, en zij dus van hunne wraak niets meer te vreezen hadden.
Maar Floris Geurtsz schudde bedenkelijk het hoofd, en zeide: „Mij kan het niet bijzonder verheugen, want ik vrees van deze onverantwoordelijke daad de ergste gevolgen, althans wanneer zij niet spoedig terugkeeren. Hoe haalt de man het zich in het hoofd? Laten we hopen, dat Jan Gerritsz gelijk heeft, endat het vendel te Alkmaar niet toegelaten wordt.”
„Zou ik dus morgen thuis blijven, Vader?” vroeg Marten, wien het speet, dat het aangename uitstapje hem ontgaan zou.
„Och, mij dunkt, dat is niet noodig. We kunnen morgen zien, hoe de zaken staan en daarvan ons besluit afhankelijk maken. Als alles rustig blijft, zou ik niet weten, waarom je niet gaan zoudt.—”
Toen de avond gevallen was en de bewoners der hoeve zich ter ruste hadden begeven, stak voor de woning van de weduwe Bleeker eene kleine roeiboot van wal, waarin twee personen gezeten waren. Snel, maar zonder meer gedruisch te veroorzaken dan beslist noodig was, voer het de Zaan af en stak het IJ dwars over in de richting van Amsterdam. De twee roeiers waren Pieter en Aelbert Bleeker, die zich, beschermd door de duisternis, naar den vijand spoedden, om hun te berichten, dat Saardam thans geheel van troepen ontbloot en dus eene gemakkelijke prooi geworden was. Met het verradersloon in den zak keerden zij na middernacht terug. Hunne riemen gleden bijna onhoorbaar door het water, en schuw keken zij om zich heen, of zij ook gevaar liepen ontdekt te worden. Zij wisten te goed, welk een vreeselijk lot hun dan te wachten stond.
Dien nacht heerschte vreugde bij de aanvoerders van de Spanjaarden. Bossu bevond zich in eigenpersoon te Amsterdam, en het bezit van Saardam scheen hem zoo belangrijk toe, dat hij dadelijk besloten was, zich onverwijld van die plaats meester te maken. Hij liet ten spoedigste alles voor den aanval in gereedheid brengen. Hij wist wel, dat als hij eenmaal Saardam in zijn bezit had, ook gansch Waterland voor hem bloot lag.
Een schoone dag, die een droevig einde had.
Den anderen morgen al vroeg stonden velen, niet zonder angst, zoowel op den Zuiddijk als in Saardam, op den uitkijk. Zij vreesden, dat de vijand reeds op de komst zou zijn.—Doch alles bleef rustig op het IJ.
Hopman Wybe was echter niet teruggekeerd. „Hij was,” zegt Hofdijk in zijne beschrijving van den Kennemer Vrijbuiter, „een uitmuntende Watergeus gebleken, maar den eersten krijgsmansplicht—gehoorzaamheid, was hij vreemd gebleven, en het eerste vereischte van een goed aanvoerder—zich onvoorwaardelijk te doen gehoorzamen, had hij zich niet eigen weten te maken. Zijn volk—even lafhartig als ongeregeld mag het wel geweest zijn—betoonde zeer weinig lust om op den duur een post te betrekken, zoo gevaarlijk als die te Zaandam was; den Hopman zelf, aan een gedurig afwisselendleven gewoon, mag dit ook wel te eentonig zijn geweest. Zoo duurde het dan ook niet veel dagen, of men zag hem met zijn vendel voor de poort van Alkmaar, waar de Goeverneur, de wakkere Willem Mostaert, hem den intocht weigerde en, meêwustig van den gegeven last, hem op nieuw gebood om naar Zaandam terug te keeren. Nauwelijks werd dit door de soldaten vernomen, of zij weken grootendeels van hem af, en vonden daarin steun bij den Vaandrig, die zich bij hen voegde. Wybe zelf was zwak en weerbarstig, beiden genoeg, om daarin met de weerspannelingen eenstemmig te zijn: de stad omtrekkende koos hij zich een eigen weg, en wendde het met de hem bijgebleven manschappen dwars door West-Friesland heen naar Medemblik, van meening zijnde om over te schepen naar Friesland. Te Medemblik wachtte hem geen beter onthaal. De Vlaamsche Overste Cabeliau, daar over kasteel en stad gebiedende, en 's Princen en des volks zake met een warm harte toegedaan, verzette zich te recht tegen eene handelwijze, die ten allen tijde bij eerlijke krijgslieden den naam van insubordinatie gedragen heeft, en deed hem aantasten door den Provoost-geweldiger Joachim Nieuwveen. Aldus in de engte gebracht, koos Hopman Wybe eieren voor zijn geld, zooals de Noord-Hollandsche boeren zeggen, en beloofde de op hem rustende verplichting na tekomen. Cabeliau was eerlijk man en geloofde derhalve aan de eerlijkheid van anderen; hij liet Wybe trekken.
„Maar de koppige Fries, in plaats van zich naar de zoo noodig te bezetten plaats te begeven, en zijn weg alzoo zuidwaarts te nemen, trok aanstonds westwaarts langs de boorden der Zuiderzee; en toen hij des anderen daags tusschen Lambertschaag en Aertswoude gekomen was, met de zijnen nog vijf- of zes-en-veertig man sterk, preste hij een paar vaartuigen „met ondank der lieden” en scheepte zich naar Friesland in. Die inscheping geschiedde evenwel niet zóó spoedig, of Cabeliau werd er van onderricht, en deze verontwaardigde Overste bracht terstond een zestigtal arkebuziers in vier vaartuigen te water, die snel genoeg uit de haven van Medemblik stevenden om den weerspanneling te achterhalen, en wakker genoeg bleken om hem meester te worden en gevankelijk binnen te brengen. Cabeliau, thans niet verder eigenmachtig willende handelen, boodschapte Sonoy wat er geschied was, en vroeg hem een voorschrift.
„Sonoy—het blijkt uit al zijn daden,—was soldaat in 't hart, en kon een dergelijk vergrijp tegen de toch al ergerlijk verslapte krijgstucht niet door de vingers zien. Hij mocht het ook niet; wanneer de landzaat-zelf zich dergelijke afwijkingen veroorloofde, waar was dan de grens der gehoorzaamheid,die de als helper aangeworven vreemdeling zich stellen zou?
„„Hangen!” luidde het harde vonnis van den Gouverneur—en het werd ten uitvoer gebracht. Op het middaguur van den twaalfden July 1572 zette Hopman Wybe Sjoerds den voet op de sport des ladders, die ongelukkig genoeg zijn anders gansch niet roemlooze loopbaan besluiten zou.Weinige oogenblikken later was hij een lijk, evenals zijn vaandrig, die naast hem gehangen werd.”
In Saardam keken velen dus vruchteloos naar zijn terugkomst uit; zij zouden hem daar nimmer meer zien. En uren lang tuurde men in de richting van het Zuiden, naar Amsterdam, of wellicht de vijand in aantocht was.
Maar toen de morgen verstreek, zonder dat er eenig onraad van dien kant dreigde, werd men langzamerhand rustiger, en keerden de Saardammers naar hun arbeid terug.
Ook Heer Jan Gerritsz had zich vergewist, of er eenig gevaar te duchten was. Hij hield zich echter vast overtuigd, dat Wybe Sjoerds in den loop van den morgen wel terugkeeren zou, en maakte zich volstrekt niet ongerust. Om half tien nam hij vluchtig afscheid van zijn huisgenooten, die hij op luchtigen toon geruststelde, en liep den Zuiddijk af, om zich naar de hoeve van Floris Geurtsz te begeven. Ook daar had men zich meermalen overtuigd, of alles op het IJ rustig bleef, en toen dat het geval bleek te zijn, was men tot de gevolgtrekking gekomen, dat de Spanjaarden geen plan hadden om Saardam te bezetten. Want dat zij het vertrek van Wybe Sjoerds reeds zouden weten, betwijfelden zij geenszins. Er waren altoos wel verraders, die voor grof geld hun vaderland aan den vijand prijs wilden geven.
„Goeden morgen! Goeden morgen!” klonk Heer Jan Gerritsz groet, zoodra hij de hoeve bereikt had.
„Goeden morgen, Heer,” was het antwoord. „Nog nieuws te Saardam? Is Wybe Sjoerds al teruggekeerd?”
„Neen, nog niet, maar hij zal wel spoedig komen. Heer Sonoy zal hem wel de keus gegeven hebben tusschen Saardam en de galg, en dan zal Hopman Wybe wel niet lang over een besluit nadenken. Ik ben er dan ook volkomen gerust op, dat hij in den loop van den morgen wel zal aankomen, als hij er niet reeds is, en ga zonder zorg naar Ruichoort.”
„Op het IJ is althans geen bijzondere drukte op te merken,” zei boer Florisz. „Wij hebben het den ganschen morgen zorgvuldig in het oog gehouden, maar niets verdachts gezien. Ik begin ook te gelooven, dat de Spanjaarden ons met rust zullen laten.”
„Och, wel ja!” sprak Heer Jan. „Zeg Marten, ben je gereed ommeête gaan? En heb je tuig en aas in orde?”
„Alles ligt reeds in de schuit gereed.”
„Voortreffelijk! Laten we dan gaan.”
Marten groette zijne huisgenooten, die hem tot op den dijk vergezelden om van de afvaart getuige te zijn. Heer Jan nam op het achterbankje plaats, om te sturen, en Marten greep de riemen. Zij staken van wal.
„Goede reis en een prettigen dag!” werd hun nageroepen, en Anna zeide lachend:
„Hè, wat een heerlijk tochtje. Ik zou ook wel meewillen.”
„Van mij krijg je verlof!” riep Marten. „Stap maar in.”
„Maar van mij niet!” sprak moeder Fijtje. „Meisjes hooren thuis en aan het werk! Wij zullen wijzer wezen.”
De hoeve van boer Florisz lag achter den Zuiddijk, in de onmiddellijke nabijheid van het IJ. Dit was dus spoedig bereikt, en de roeiers zagen de twee eilandjes De Waardt en den Horn vlak voor zich. Deze waren, hoewel zij door een breede strook riet omgeven waren en menigen inham vertoonden, waarin vele watervogels nestelden, evenwel niet het doel van de reis. Ruichoort, waarheen de steven werd gewend, lag westelijker, niet ver van Sparendam, dus aan den Zuidkant van het Houtrak. Zij wisten nog zeer goed van het vorige jaar, hoeveel waterwild daar gevonden werd. 't Was dicht met kreupelhout begroeid, en met zijne ruige rietboorden en gorzen, zijne inhammen en schorren aan den buitenkant, en zijne poelen, kreeken en geulen van binnen, voor vele gevederde waterbewoners een welkom oord.
„Mij dunkt, het was niet kwaad, als wij eenige kannen biers medenamen,” zei Jan Gerritsz. „Voorde noodige stukken zul je zeker wel gezorgd hebben?”
„Voor een goeden voorraad brood met ham heeft Moeder gezorgd,” zei Marten lachend. „'t Zou trouwens wel het laatste zijn, wat ik vergat, want mijn eetlust laat niets te wenschen over. Maar aan bier heb ik niet gedacht.”
„Gelukkig dan, dat ik er aan denk. Ik zal wat noordelijker houden, Marten. Dan gaan we in de herberg van Jan Slob aan den Westzaner Overtoom inslag doen. Hij heeft lekker bier, dat weet ik bij ondervinding, en 't houdt ons niet lang op. 't Is veel te warm vandaag, om af en toe geen goeden dronk te lusten.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Marten roeide met krachtige slagen door en Heer Jan hield den noordkant van het breede water, zoodat zij spoedig aan den overtoom aankwamen. Daar was eene herberg gelegen, die in eigendom toebehoorde aanJanSlob, een man, bij de Geuzen welbekend om zijn hevigen haat tegen al wat Spaansch of Spaanschgezind was. Hij had het bootje reeds in de verte zien naderen en wachtte het aan den dijk op.
„Goeden morgen!” klonk zijn groet, toen het aan den kleinen steiger aanlegde en de roeiers er uitstapten. „Ha, dat is goed volk: Heer Jan Gerritsz en Marten Florisz. Wees me van harte welkom!”
Hij ging zijn gasten voor naar de gelagkamer, een klein, laag vertrek, met een paar houten tafeltjesen eenige zeer eenvoudige stoelen. En nauwelijks waren zij binnen getreden, of hij vroeg reeds naar het laatste nieuws uit Saardam.
„'t Is een leelijk geval!” riep hij uit. „En van Wybe eene onverantwoordelijke daad. Geloof me, als die Spaansche schelmen het in den neus krijgen, dat Saardam door de Geuzen verlaten is, zullen zij er geen gras over laten groeien en er spoedig bezit van nemen. Help maar eens kijken!”
„Gekheid. Wybe zal wel terugkomen,” zei Heer Jan. „Maar laten wij onzen tijd niet verpraten, want wij gaan op de vogelvangst, op Ruichoort, en komen wat van je lekker bier halen. Wil je eenige kannen in de schuit brengen?”
„Met alle pleizier,” was het antwoord.
„En ons eerst ieder een kan inschenken?”
„Asjeblieft!”
Terwijl Marten en Heer Jan van het lekkere bier genoten, want bier was in die dagen een volksdrank, die in geen enkel huis ontbrak, voldeed Jan Slob aan den hem opgedragen last, en na enkele minuten kon de reis worden voortgezet. De koers was nu naar het Zuid-westen, en na een half uurtje varens hadden zij Ruichoort bereikt.
„Laten wij het eiland omvaren tot aan den achterkant,” zei Heer Jan. „Aan deze zijde gaan nog al eens vaartuigen voorbij, waardoor de vogels wordenopgejaagd. Ik geloof stellig, dat wij ginds eene betere vangst zullen hebben.”
Deze raad werd opgevolgd, en toen men een diepen inham bereikt had, werd de schuit daar ingeroeid.
„Niet te dicht aan den kant, Marten,” zei Heer Jan. „Ha, wat is het hier een uitstekend geschikt plekje. Hoor je ze al snateren, Marten?”
„Of ik!” riep Marten met gedempte stem, om de vogels niet te verjagen, want het was een schuw volkje, dat bij het minste gerucht de vleugels repte en een goed heenkomen zocht. Ook nu hield het gesnater al spoedig op.
„Ik zal tusschen het riet roeien. Kijk, dáár kan de boot mooi liggen, en we zijn er zoo goed als onzichtbaar.”
Toen de gewenschte plaats bereikt was, werd het schuitje vastgelegd, en Marten haalde van onder het voorbankje een paar lange lijnen te voorschijn, en een bakje met kleine vischjes, die hij 's morgens met een schepnet had gevangen. Heer Jan en hij namen elk een van de lijnen, en bonden aan het uiteinde een vischje, dat wel dood, maar toch nog versch genoeg was, om voor de watervogels een lekker hapje te zijn. De vischjes werden daarna te water geworpen, waar zij bleven drijven.
Een zacht windje rimpelde de oppervlakte van het water tot kleine golfjes, die de beide vischjesals spelend met zich medesleepten. Soms voerden zij een strijd met het kroos, dat de diertjes niet los scheen te willen laten, maar de golfjes gaven het niet op en bleven telkens overwinnaar.
De twee jagers zaten onbewegelijk in het schuitje, Heer Jan op het achterbankje, Marten aan den steven, en hielden de langzaam wegdrijvende vischjes nauwlettend in het oog. En tegelijkertijd bespiedden zij de oppervlakte van het water, of zij vogels ontdekten, die wellicht voor de verleiding bezwijken mochten.