HOOFDSTUK IX.

„Opperbest,” zei 't Oude Hoen. „Laten wij de tobben aan boord brengen. De schuit van Marten loopt zoo licht, als ik er geen tweede ken, en is dus uitstekend voor ons geschikt.”

Jan Slob droeg met een anderen vrijbuiter de tobben naar het schuitje, en zei lachend:

„Zie zoo, de paling kan er in. Als de Overste zijn tanden maar niet stuk bijt op de graten. Komaan, Claes, rol je op!”

Claes keek eerst de pistolen, die hem in den gordel hingen, nog eens goed na, voelde naar den dolk, dien hij in zijn wambuis verborgen had, en stapte in de tobbe. Hij werd zorgvuldig met eene tweede toegedekt. Toen kroop Jan Walichs in de andere, de twee jongens grepen de riemen, en de tocht nam een aanvang.

De overige Vrijbuiters verdeelden zich twee aan twee in andere schuitjes, en roeiden hen snel vooruit, om zich in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam tusschen de rietzudden te verbergen, ten einde, alsdat noodig mocht blijken, dadelijk te hulp te kunnen snellen. Marten en Aelbert haastten zich daarom niet. De anderen moesten gelegenheid hebben, om hen een goed eind vooruit te komen. Stil en onder den indruk van het stoute waagstuk, dat zij thans gingen ondernemen, roeiden zij bedaard verder. Jan Slob stond nog op den dijk, om hen na te kijken, en hij wuifde hun telkens toe met de hand, of zwaaide met zijne muts.

De jongens waren met pistolen en dolken gewapend, maar deze waren zorgvuldig onder hun wambuis verborgen. De Overste moest natuurlijk in hen slechts een paar jonge visschers zien, die in Amsterdam kwamen, enkel om wat te verdienen.

Soms keken zij even achterom, teneinde te zien, hoever de anderen hen reeds voor waren.

„Zijn we er haast?” werd er uit de tobbe geroepen. „Ik kan niet zeggen, dat het me hier erg bevalt.”

„Wij beginnen pas,” zei Aelbert lachend. „Maar u moet niet praten, Claes Symensen, want de kleinste onvoorzichtigheid kan ons noodlottig worden.”

„Je hebt gelijk. Ik zal zoo stom wezen, als een—paling,” was het antwoord.

„Zeg je wat?” riep Jan Walichs uit de andere tobbe.

„Houd je stil, er zijn Spanjaarden dicht in de nabijheid,” antwoordde Marten gekscherend, maarJan Walichs schrok er toch zoo erg van, dat hij verder op de geheele reis geen geluid meer durfde geven.

Amsterdam kwam meer en meer in het gezicht, en hoe dichter het gevaar naderde, hoe stiller de twee jongelieden werden. Dat was ook waarlijk geen wonder, want hunne onderneming was een brutaal stuk, dat groote gevaren opleverde. Eindelijk konden zij de menschen aan den IJkant reeds duidelijk onderscheiden, en het rumoer van het stadsgewoel drong tot hen door. Hier en daar zagen zij tusschen de rietschooten eene enkele visschersboot, waarvan de bemanning ijverig in de weer scheen te zijn, zonder echter een enkel net uit te werpen. De knapen herkenden hen zeer duidelijk, en Marten sprak:

„Nu dubbel voorzichtig, mannen! Wij naderen de stad.”

Een enkel woord uit de tobben gaf te kennen, dat de waarschuwing gehoord was en opgevolgd zou worden.

't Was een vrij vermoeiende roeitocht geweest, want de wind blies sterk uit het Oosten, wat zij bij de uitvoering van hun plan in hun voordeel hadden. Langzaam roeiden zij naar den walkant, en omziende ontdekten zij den Overste, die hunne nadering reeds had opgemerkt. Hij was een echte smulpaap, bijzonder op visch verlekkerd. Toen de jongens even omkeken, riep hij hun uit de verte toe:

„Goede vangst gehad?”

„Die is Goddank wèl, al kon het beter,” schreeuwde Aelbert terug. De aankomst van de jongelieden was door meer Amsterdammers opgemerkt, wat bleek uit de vraag:

„Hei daar, visschers, legt hieraan, als je wilt. Heb je wat goeds in de kaar?”

„Wij komen!” was het antwoord, „en je zult eens zien, wat een prachtige waar wij hebben.”

Ze meenden er echter niets van, want aanleggen lag ditmaal heelemaal niet in hunne bedoeling. Zij hoopten natuurlijk, dat de rijke Overste de eerste keuze zou willen hebben en met een bootje bij hen komen. En dat gelukte. De lekkerbek maakte zich inderdaad bevreesd, dat de andere kooplustigen hem vóór zouden wezen en hem de lekkerste visch voor den neus zouden wegkapen. Daarom riep hij hun toe:

„Wacht nog even. Ik kom bij je.”

„Goed zoo, Heer,” mompelde Marten zacht voor zich heen. En Aelbert antwoordde:

„Als u dan maar wat spoed wil maken, Heer, want wij zien daar heel wat koopers...”

De Overste stapte in een bootje, greep de riemen, en roeide naar de visschersboot, tot groote verontwaardiging van de andere kooplustigen, die aan den wal moesten blijven staan.

„Hij zal de beste visch wel eerst uitzoeken,”mopperde er een. „Die groote Heeren hebben altoos een schreefje voor.”

Nauwelijks had de Overste de groote tobben opgemerkt, of hij zeide, terwijl hij zijn schuitje met een touw aan het roeibankje van de andere schuit vastbond:

„Zoo, zoo, je schijnt een heelen voorraad te hebben. Zijn die groote tobben dáár vol visch?”

„Allemaal witvischjes, Overste, voor den minderen man,” antwoordde Aelbert. „De lekkerste visch hebben wij hier in de kaar, paling, om van te watertanden.”

Hij deed het deksel van de kaar, greep een schepnet, en wilde de palingen opscheppen, maar met voordacht deed hij dat zoo onhandig, dat de dikste beesten hem telkens ontsnapten. De overste bleef in zijn eigen schuitje, wat natuurlijk niet in de bedoeling der jonge Vrijbuiters lag. Zoodra de twee booten aan elkander vastgelegd waren, hadden zij de riemen ingehaald, zoodat de vaartuigjes thans langzaam door wind en stroom werden medegevoerd en van de stad afdreven.

„Ha, dat ik dien dikkerd, daar in dien hoek, maar niet krijgen kan!” zei Aelbert, telkens vergeefsche pogingen doende, om hem in zijn net te krijgen.

„Je weet wel, Marten, dien dikkerd, dien wij al dadelijk voor den Heer Overste bestemd hadden. O, als U hem ziet, weet ik zeker, dat U hem hebben moet.”

De Overste rekte den hals, om in de kaar te kijken, maar dat ging niet gemakkelijk. En toen het Aelbert maar in het geheel niet wilde gelukken, den heerlijken paling gevangen te nemen, kon hij zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Met een vlugge beweging stapte hij in de andere boot over.

De mannen in de tobben grepen onder hun wambuis en haalden hunne pistolen te voorschijn.

De Overste bukte zich voorover, om in de kaar te kijken,—en had er geen erg in, dat de booten langzamerhand van de stad afdreven. Maar Aelbert en Marten zagen het wel, en ook, dat andere visschersbootjes langzaam van tusschen de rietschooten te voorschijn kwamen en ongemerkt naderden.

„Daar is hij weer!” riep de Overste uit. „Schep hem nu op!”

Aelbert deed het, maar zoo onhandig, dat de dikke paling weer ontsnapte.

„Daar gaat hij weer!” zei Aelbert boos. „Dat ding is zóó vlug...”

„Laat mij het probeeren,” riep de Overste hem toe. „'t Is een prachtige paling, dat heb ik wel al gezien.”

Hij nam het net van Aelbert over en dompelde het in de kaar. Maar nu zag hij zooveel heerlijke visch, dat hij bijna niet wist, welke het eerst te scheppen. Hij smakte met zijne tong tegen zijn verhemelte bij het vooruitzicht van het lekkere middagmaal,dat hem wachtte. En hij zag in het geheel niet, dat de boot thans reeds op een betrekkelijk flinken afstand van den walkant dreef. Evenmin merkte hij op, dat Marten het touw, waarmede de twee schuitjes aan elkander verbonden waren, losmaakte.

„Ha!” riep de krijgsman op verheugden toon uit, „daar heb ik den dikkerd! Een prachtstuk van een paling, dat moet ik...”

Opeens echter bemerkte hij, dat zijn boot geheel onbeheerd op eenigen afstand langzaam wegdreef, en tegelijkertijd trok het zijn aandacht, dat verscheidene visschersbooten, die hij straks niet had gezien, thans dicht in de nabijheid gekomen waren. En de bemanning daarvan boezemde hem in het geheel geen vertrouwen in. Snel wierp hij een blik op de beide jonge visschers, en de uitdrukking van hun gelaat zeide hem genoeg, dat hij in een valstrik gelokt was. Hij richtte zich op en trok met een snelle beweging zijn rapier.

„Wat heeft dat te beduiden,—schelmen, rakkers! Denk je soms, dat ik mij zoo gemakkelijk laat overrompelen!”

De overste was een moedig krijgsman, die zich nog in het geheel niet als een verloren man beschouwde. De vijand bestond immers slechts uit twee jongelingen, nauwelijks den kinderschoenen ontwassen! Hij zou ze spoedig genoeg onschadelijkgemaakt hebben, en dan naar Amsterdam kunnen terugkeeren. Maar Aelbert en Marten hadden met een snelle beweging hunne pistolen te voorschijn gehaald en de lonten aangestoken. Dat alles ging vliegensvlug in zijn werk. De Overste hief zijn rapier omhoog, om Marten een geduchten slag toe te brengen, toen plotseling eene tobbe hem zoo onzacht tegen de beenen terecht kwam, dat hij wankelde en bijna over boord viel.

„Hier heb je een paling, zooals je er nog nooit een gegeten hebt,” riep Claes Symensen spottend uit, terwijl hij uit de tobbe wipte en den Overste van achteren aangreep. Aelbert en Marten hadden hem reeds het rapier ontwrongen, wat hun betrekkelijk gemakkelijk viel, omdat de Overste bijna overboord gevallen was en zich aan het boord moest vastgrijpen.

Nu sprong ook Jan Walichs uit zijn tobbe te voorschijn, tot groote verbazing van den Overste, die door hunne onverwachte verschijning zoo verrast was, dat hij bijna geen besef had, om zich te verdedigen.

En nu roeiden ook de andere Vrijbuiters met groote snelheid nader, lachende om het welslagen van hun list. Evenwel, er moest nog met grooten spoed gehandeld worden, want Amsterdam was nog dichtbij, en men had daar met niet weinig verbazing de overrompeling van den Overste aangezien. Desoldaten legden hunne musketten aan en vuurden op de Vrijbuiters; maar de kogels sisten rondom de schuitjes in het water.

De Overste was spoedig ontwapend, en hij zag zeer goed in, dat verder verzet hier nutteloos was. Symensen en Walichs hadden hem tusschen zich in genomen en bewaakten hem, zooals zij lachend opmerkten, „met de grootste liefde.” Maar de Overste hoopte vurig, dat het zijne vrienden en soldaten aan den walkant mocht gelukken, hem te verlossen. Hij zag hen naar de booten ijlen en daarin plaatsnemen.

De Vrijbuiters waren het visschersbootje nu genaderd, en hadden de grootste pret.

„Die vogel is geknipt!” riep er een. „'t Is een echte goudvink, wiens veêren waarde hebben.”

„Jongens, hijsch het zeil,—spoedig!” beval 't Oude Hoen, die wel begreep, dat er nog groot gevaar dreigde, want de soldaten roeiden snel herwaarts.

Marten en Aelbert zetten den mast omhoog, sloegen het zeil aan, dat dadelijk door den wind gebold werd, en grepen bovendien nog naar de riemen, om den behaalden buit in veiligheid te brengen. 't Oude Hoen gunde zich nog den tijd om het schuitje van den Overste op sleeptouw te nemen, en zette daarna ook koers naar de herberg van Jan Slob, die al geruimen tijd op den dijk op den uitkijk stond.

De soldaten achtervolgden hen snel, en hielden niet op hunne musketten op de Vrijbuiters af te vuren. Gelukkig werd niemand van hen getroffen, en de afstand tusschen vervolgden en vervolgers werd gaandeweg grooter. De Vrijbuiters zagen dat tot hunne vreugde, de Overste en zijne soldaten tot hun leedwezen. Eindelijk gaven de laatsten hunne vervolging op en keerden naar Amsterdam terug.

Wat had Jan Slob een pret, toen hij zag, dat de list gelukt was. Hij nam zijne muts voor den Overste af, en zei buigend:

„Kom binnen, Edele Heer! U is van harte welkom, en 't zal mij een groote eer zijn, u een kan van mijn beste bier aan te bieden.—Gegroet, vrienden, het vat staat reeds te wachten, en de kannen zijn in een oogenblik gevuld. Kom binnen!”

Die uitnoodiging werd met gejuich aangenomen, en de Overste was de eenige van het gansche gezelschap, die niet vroolijk keek. Hij vroeg zichzelven niet zonder zorg af, wat deze ruwe mannen wel met hem voorhadden, en 't scheen hem nog een vraag toe, of hij wel ooit weer in Amsterdam zou terugkeeren. De Vrijbuiters waren niet gewoon, met de vijanden vele complimenten te maken. Dat hadden zij van de Spanjaarden geleerd.

Weldra zaten allen in de kleine gelagkamer om de tafels geschaard, waar de bierkannen lustig geheven en snel geledigd werden. Ook de Overste kreeg zijn deel van het vocht, en Jan Slob bediende hem met de grootste deftigheid, maar hij kon niet laten spottend te glimlachen tegen de mannen, die in de nabijheid zaten.

De Overste bleef niet lang in onzekerheid over de plannen van de Vrijbuiters, want 't Oude Hoen zeide hem zonder omwegen, dat hem de keus werd gelaten tusschen een groot losgeld of den dood. En hij zag duidelijk, dat er met deze mannen niet te spotten viel. Hij had al lang begrepen, dat hij in de handen gevallen was van 't Oude Hoen, wiens naam bij de vijanden zoo gevreesd was. De keuze was dus niet moeilijk voor hem en spoedig gedaan. Hij stemde er in toe het gevraagde losgeld te betalen, indien iemand maar zoo goed wilde zijn, als bode een brief voor hem naar Amsterdam over te brengen.

„Naar Moorddam?” vroeg Claes Symensen lachend, want zoo werd toen Amsterdam gewoonlijk door de Geuzen genoemd. „Ik bedank er feestelijk voor. 't Mocht mij den kop eens kosten.”

„En ik evenzoo!” riep Jan Walichs uit. „Vriendelijk dank!”

Geen der Vrijbuiters bleek lust te hebben, den gevaarlijken tocht te ondernemen, en zij wisten ook geen raad, om met de vijanden in onderhandeling te treden. Gelukkig voer op dit oogenblik een jongeling in een bootje voorbij de herberg, in wien Marten dadelijk zijn voormaligen buurjongen, Aelbert Bleeker herkende, wien hij er altoos van verdacht hield, met de vijanden in geheime gemeenschap te staan.

„Daar vaart iemand, die ons helpen kan. Aelbert Bleeker van den Zuiddijk. Hij zal voor geld en goede woorden den brief wel naar Moorddam willen brengen, en dan betwijfel ik zeer, of het zijn eerste reis daarheen wel zal zijn.”

Men bedacht zich niet lang. Aelbert Bleeker werd bevolen aan te leggen, en de Overste, die hem scheen te kennen, droeg hem op naar Amsterdam te gaan, en het losgeld te halen. Den brief gaf hij hem mede.

Nog vóór den avond keerde hij terug, en bleek, tot groote vreugde van de Vrijbuiters, het geëischte geld bij zich te hebben. Ook de Overste zag dattot zijn genoegen. Jan Slob vulde de kannen opnieuw, want de Vrijbuiters waren aan een woest leven gewoon en lustten graag bier, en toen werd de buit gelijk onder de deelnemers verdeeld. De Overste herkreeg zijn vrijheid, waarvan hij gebruik maakte door zoo spoedig mogelijk in de boot van Aelbert Bleeker naar Amsterdam terug te keeren, en de Vrijbuiters namen van Jan Slob afscheid en zochten hunne woningen op.

Maar de naam van 't Oude Hoen werd door dit geval bij de Spanjaarden nog meer gevreesd.

Op den Sparendammer dijk.

De winter was voorbijgegaan, en 't was Maart geworden. 't Had maanden aaneen gevroren, en de Spanjaarden, die nog altoos Haarlem belegerden, hadden ontzaglijk van de koude geleden. En niet alleen van de koude, maar ook de dappere Haarlemmers hadden er het hunne toe bijgedragen, om het den vijanden kwaad te maken. Don Frederik, die zijn intrek genomen had in het Huis Ter Kleef, bij Haarlem, had meermalen beproefd, de stad door storm te nemen. Bij duizenden waren zijne krijgers op de muren toegesneld, hadden de ladders geplaatst, en met woest geweld getracht, de Haarlemmers van de muren te verjagen. Maar dapper hadden dezen stand gehouden. Hunne zwaarden hadden de vijanden, die het eerst boven de muren verschenen, de schedels verpletterd, zoodat zij nederstortende hunne vrienden in den val meesleepten,—zij haddenhen met kogels begroet, met kokende olie begoten en hun brandende pekkransen om hoofd of hals geworpen. Zelfs vrouwen stonden dapper op de muren en streden mede. Wie heeft niet van de beroemde Kenau Simons Hasselaar gehoord, tot op dezen dag de roem der Haarlemmers? En wie kent niet haar neef, den vaandrig Pieter Dirkz Hasselaar, wiens prinsenvlag overal wapperde, waar het gevaar het grootst, het gevecht het hevigst was?

En telkens weer hadden de Spanjaarden moeten terugtrekken en waren de Haarlemmers overwinnaar gebleven. De stad kon het lang volhouden, want de Spanjaarden waren niet bij machte te beletten, dat de Haarlemmers voortdurend toevoer kregen van levensmiddelen, kruit en lood, die hun in sleden over de bevroren wateren werden aangebracht. Zelfs nieuwe vendels krijgslieden konden binnen de muren komen, natuurlijk tot groote ergernis van Don Frederik, die het met leede oogen moest aanzien, hoe Haarlem het graf der Spanjaarden dreigde te worden. Hij beproefde wel den toevoer van levensmiddelen en ammunitie af te snijden, en liet zelfs eenige duizenden schaatsen komen, waarop zijne soldaten zich oefenen konden, maar dit bereikte geen doel. Het bleek hun onmogelijk de kunst in zoo korten tijd machtig te worden, en de vlugge Haarlemmers waren hun op de gladde ijzers de baas.

Eindelijk, den 5enFebruari 1573, was de dooi ingevallen en het water vrij geworden. De vorst had bijna vijf maanden geduurd. En wat de Haarlemmers vroeger met sleden deden, geschiedde nu door middel van vaartuigen. Er heerschte dan ook volstrekt geen gebrek in Haarlem, en het hardnekkig verzet der dappere bezetting stemde Don Frederik tot moedeloosheid. Hij verzocht zelfs aan Alva verlof om het beleg op te breken. Maar Alva wilde daarvan niets hooren. Hij gaf Don Frederik bevel de stad niet te verlaten, voordat hij haar ingenomen had, en indien hij mocht sneuvelen of aftrekken, dan zou hij zelf komen of zijne gemalinne, de Hertogin van Alva zenden, om het bevel over te nemen.

Dit antwoord krenkte Don Frederik zeer in zijn trots, en hij was thans vast besloten, dat Haarlem vallen moest.

Intusschen had hij telkens toevoer van nieuwe manschappen noodig, want de Haarlemmers waagden vele uitvallen, die aan de Spanjaarden ontzaglijk veel afbreuk deden. Ook werden door den Prins van Oranje en diens Stadhouder Sonoy onophoudelijk pogingen aangewend om de stad te ontzetten, die niet dan na hevige gevechten werden afgeslagen. Ook deze kostten menigen Spanjaard het leven. Amsterdam was voor Don Frederik de groote voorraadschuur. Niet alleen dat het hem van wapens, ammunitie en levensmiddelen moest voorzien, ook het te kort in manschappen werd van daar aangevuld,en menig vendel voetvolk, menige ruiterbende trok langs den Sparendammer dijk, om zich bij de belegeraars te voegen.

Zoo ook op een morgen in het begin van Maart 1573. 't Had den geheelen nacht geregend, en ook nu nog vermocht de zon niet door het wolkenfloers te breken. De dijk was zacht, week en modderig, en eene bende ruiters, ongeveer honderd vijf en twintig man sterk, kon zich slechts langzaam voortbewegen, want de hoeven der paarden plonsten bij elken stap in den kleverigen grond, wat hun het loopen zeer bemoeilijkte. Soms gleden de pooten der dieren uit, en dreigde de ruiter van zijn paard te storten, zoodat alleen een krachtige ruk aan den teugel zulk een onheil verhoeden kon. Hadden de paarden dus een zwaren en vermoeienden rit, de ruiters echter trokken zich daar weinig van aan. Zij voelden zich volkomen veilig en maakten in het geheel geen haast. Zij boden een vroolijk gezicht aan. Voorop reden de trompetters, die af en toe een lustig liedje bliezen, waarmede de krijgslieden gaarne instemden. Hunne instrumenten waren versierd met roode standaardvaantjes. Achter hen reed de Overste met zijn Edelen, allen sierlijk in fluweel, zijde en laken gedost, de beenen in hooge, wijde kaplaarzen, het hoofd bedekt met den smal geranden fluweelen hoed, en om de schouders den korten Spaanschen mantel. Dan kwam de vaandrig met ontplooidvaandel, dat geel en groen gestreept was en op de gele baan het roode Andrieskruis vertoonde. En daarna volgden de ruiters met de roode, dubbeltongige wimpels aan de lansen, in blinkende rustingen, het hoofd met den helm bedekt, en aan den arm het glinsterend schild. Voorwaar een schoone stoet, waarop menig oog met welgevallen zou hebben gerust, indien niet brooddronkenheid en ruwheid het kenmerk dier mannen waren geweest, waardoor zij een voorwerp geworden waren van haat en afschuw bij de landzaten. Thans zag men hen liever gaan dan komen.

Zij vervolgden langzaam hun tocht, want de paarden hadden moeite, hun pooten, die soms tot over de knieën in den modder wegzakten, daaruit op te trekken, en meer dan eens moest de berijder van de sporen gebruik maken om het dier, dat de moed ontzonk, tot meerdere krachtsinspanning aan te manen.

De ruiters zelf waren onbezorgd en vroolijk. Gevaar viel er voor hen, naar zij meenden, niet te vreezen, want welke overmoedige zou het durven wagen, den strijd aan te binden tegen een goed gewapenden ruiterbende van wel honderd vijf en twintig man sterk?

O ja, 't Oude Hoen had menigmaal blijk gegeven, dat hij niet tegen een strijd met een overmachtigen vijand opzag, maar toch—tegen een bende als deze zou hij het wel laten. Daarvoor waren zijnVrijbuiters veel te klein in aantal. Bovendien,—'t Oude Hoen bevond zich te Westzaan, op een flinken afstand dus, en hem behoefden zij niet te vreezen, naar zij meenden.

Toch vergisten zij zich deerlijk, de armen, want 't Oude Hoen bevond zich met een zeventiental Vrijbuiters aan boord van zijn roeijacht op het IJ, waar zij reeds den geheelen morgen hadden rondgezwalkt in de hoop, hier of daar den vijand te kunnen verschalken. Zij hadden het musket over den schouder, sommigen zelfs twee, en een verrejager naast zich. Ook Marten en Aelbert bevonden zich aan boord, en al waren zij de jongsten, zij hadden al menigmaal blijken gegeven, dat hun moed niet voor dien der ouderen behoefde onder te doen.

„De Heer van Sonoy heeft gebrek aan paarden,” zei 't Oude Hoen 's morgens, toen zij aan boord stapten. „De Spanjaarden, die Haarlem belegeren, hebben zooals je weet, een inval in Kennemerland gedaan, waar 't al heel Spaansch is toegegaan met moorden, rooven en branden. Als Sonoy flinke paarden tot zijn beschikking had gehad, zou het nooit zoo ver gekomen zijn. Dan waren ze wel weer naar hunne tenten teruggejaagd. Maar nu kwamen zijne vendels te laat en was het kwaad al geleden. Wij moeten hem paarden zien te bezorgen, vrienden.”

„Alles goed en wel, als we maar wisten, waarwe ze halen konden,” zei een Vrijbuiter schertsend. „Hier in het IJ zijn ze niet te vangen...”

„Daar vangen we alleen Amsterdamsche Oversten,” lachte Claes Symensen, met een knipoogje tegen Marten.

„Zonder hengel of snoer!” zei Jan Walichs. „Ik zou wel willen, dat we nog zoo'n goudvink konden snappen.”

„Dat zal waar wezen!” lachten de anderen.

„Waar zullen we heengaan, mannen?” vroeg 't Oude Hoen.

„Naar Sparendam,” stelde Jan Dieuwers voor. „Dáár hebben we ten minste kans om Spekken te ontmoeten. Hier is niets voor ons te beginnen.”

„Mij goed!” zei 't Hoen. „Naar Sparendam dus.”

Hij wendde het roer, en stond van zijn bankje op, om den omtrek te verkennen. Weldra bleef zijn blik op eenzelfde punt gevestigd, en hij hield de handen boven de oogen, om beter te kunnen zien. Eindelijk sprak hij:

„Ginds komt voor elk wat wils. Vijanden, paarden en zeker ook wel goudvinken. 't Is eene ruiterbende, mannen, die zich in deze richting beweegt.”

Verscheidenen stonden op, om uit te zien.

„Ze zijn te talrijk,” sprak er een. „Volgens mijne meening zijn er wel een honderd ruiters...”

„Als het niet meer is,” viel een tweede in. „Ze gaan zeker naar Haarlem...”

„Paarden genoeg!” riep een derde. „Het ergste is maar, dat op elk paard een ruiter zit.”

„De Haarlemmers hebben het zeker nog niet kwaad genoeg te verantwoorden,” sprak Claes Kees Symensen. „Ik wou, dat ik een middel wist, om ze allemaal over de kling te jagen.”

„We konden het in allen gevalle beproeven,” stelde 't Oude Hoen voor. En nauwelijks hadden de Vrijbuiters dezen voorslag gehoord, of zij gingen weer op hunne banken zitten en keken hun aanvoerder vragend en verwonderd aan.

„Wij?” vroeg er een. „Hoeveel koppen tellen we?”

„Achttien in het geheel,” zei 't Oude Hoen. „Veel te weinig dus, en we hebben kans, dat we het er geen van allen levend afbrengen. Maar wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. De Haarlemmers hebben te strijden tegen eene ontzaglijke overmacht, en het is onze plicht, hen waar wij kunnen, te helpen. Ik stel voor, dat wij den strijd wagen.”

„Maar de overmacht!” hield een der Vrijbuiters vol. „Wij hebben immers niet de minste kans van slagen!”

„Wie niet waagt, die niet wint!” sprak 't Hoen. „Ik bedoel ook niet, dat wij met hen een openlijken strijd beginnen, want dan moeten wij het natuurlijk verliezen. Maar als deze bende zich op weg bevindt naar Haarlem, moeten zij langs het Huis Ter Hart trekken. Daar is de dijk smal, en thans na denregen, natuurlijk modderig en uiterst moeilijk begaanbaar. Ik wed, dat de paarden er haast niet kunnen loopen. Zoo ergens, dan hebben we daar eene goede gelegenheid, om een aanval te wagen. Wat dunkt U, zullen we het doen?”

„Waarom niet?” vroeg Joachim Cleynsorg. „Als we zien, dat we klop krijgen, springen we aan boord en maken, dat we weg komen.”

„'t Is gevaarlijk, vrienden!” waarschuwde Pieter Claessen Yperen. „Misschien zijn we wel één tegen tien...”

„Des te meer eer, als we winnen!” riep Aelbert uit.

„Juist,—dat zeg ik ook!” zei Marten. „De Spanjaarden moeten in elk geval niet kunnen denken, dat wij bang zijn.”

„Dan met krachtige slagen voortgeroeid, mannen!” sprak 't Oude Hoen. „Wij moeten de ruiters vóór zijn en een geschikt terrein uitzoeken, want een goed overleg is het halve werk.”

Het jacht schoot thans snel door het water, en de Vrijbuiters, die niet aan de riemen zaten, benutten hun tijd, om de musketten na te zien en alles zooveel mogelijk voor den aanval in gereedheid te brengen.

De ruiters reden inmiddels stapvoets verder en hadden eindelijk na veel tobben met de telkens uitglijdende paarden de helft van den weg afgelegd.Zij naderden de plaats, waar noordwaarts het IJ tegen het paalwerk klotste, dat daar den dijk versterkte, die aan de andere zijde onmiddellijk afglooide in de wateren van het Spieringmeer. De weg was daar zooals 't Oude Hoen verwacht had, zeer slecht en voor de dieren zoo goed als onbegaanbaar, zoodat de ruiters al hunne aandacht en rijkunst noodig hadden, om niet in den modder te blijven steken. Daardoor kwam het misschien wel, dat zij niet hadden opgemerkt, hoe het roeijacht op den dijk aanhield, waar negen mannen, met verrejagers gewapend, aan land sprongen, en dat jacht daarna snel tusschen de rietschooten verdween.

De stoutmoedige Vrijbuiters, klein in getal, maar met een onvergelijkelijken moed, schaarden zich midden op den dijk, gereed om den strijd tegen den overmachtigen vijand te beginnen.

Thans moesten de ruiters hen wel zien, maar hunne verschijning boezemde hun allerminst vrees in. Zij vonden het eenvoudig belachelijk, dat een zoo nietig troepje boeren den strijd zou wagen tegen niet minder dan honderd vijf en twintig goed gewapende ruiters, wier borst was gedekt door een kuras en wier hand gewapend was met een scherpe lans...

„Kijkt die kikkers daar!” spotte een uit den hoop.

„We zullen ze weer in het water jagen, dat is hun element!” lachte een tweede. „Hallo paard,—vooruit!—Dieellendige modder,—de beesten kunnen er de pooten haast niet uit optrekken.—Toe, allons,—vooruit!”

De sporen drongen het dier diep in de zijden...

„Die kaerels daar schijnen werkelijk te willen vechten!” zei de Overste. „Zijn ze gek geworden? Ze zien er uit, of het hun waarlijk ernst is.”

Dat was het den Vrijbuiters inderdaad, zooals spoedig bleek. Want negen schoten knalden over den eenzamen dijkweg, en verscheidene ruiters stortten van hunne steigerende paarden. Dat gaf eene onbeschrijfelijke verwarring, en de welaangelegde schoten veroorzaakten eene groote woede onder de ruiters, die thans plotseling begrepen, dat hun toestand gevaarlijker was, dan zij eerst wel hadden vermoed. Ha, hoe verwenschten zij thans den modderigen weg, waar de paarden haast aan vastkleefden, en die hun ten eenenmale belette, met gevelde lans op de vijanden los te rennen en hen als met een tooverslag uit elkander te werpen. Die kleverige kleiweg hield de rossen als het ware bij de pooten vast en doemde de ruiters tot machteloosheid.

Snel hebben de Vrijbuiters hunne vuurroeren geladen, en opnieuw vallen negen schoten. Het aantal dooden wordt verdubbeld, en de verwarring bereikt haar toppunt. Woede en angst gloeit den ruiters uit de oogen.

„Voorwaarts! Voorwaarts!” klinkt het bevel vanden Overste. De sporen worden de vermoeide paarden in de zijden geduwd en met gevelde lans dringt de bende vooruit. Maar de achtersten kunnen niets uitrichten. De dijk is te smal, om een breede linie te kunnen vormen, zoodat alleen de voorsten strijden kunnen.

Daar knallen opeens nogmaals negen schoten, thans achter de ruiterbende, die nu van twee kanten tegelijk wordt bedreigd. Het roeijacht is teruggevaren en heeft de andere helft van de bemanning achter de kolonne aan wal gezet.

De achterste ruiters wenden den teugel, en willen het kleine troepje boeren aanvallen. Maar de lansen zijn korter dan de verrejagers der Vrijbuiters, in wier handen het zulke vreeselijke wapens waren. Doodelijk getroffen storten de ruiters van de paarden, die onder luid gehinnik her en der vluchten en de verwarring nog vergrooten.

Het werd thans een vreeselijk gevecht. De ruiterbende werd van twee kanten besprongen en de scherpe lansen aan het ondereinde der verrejagers bewezen verschrikkelijke diensten. Hier en daar en ginds en overal stortten de ruiters ontzield ter aarde, en onder de levenden ontstond zoo'n schrik, dat zij geheel hunne bezinning verloren en bijna aan geen verdediging meer dachten.

Eindelijk waren de achttien Vrijbuiters elkander genaderd,—en geen enkele Spanjaard was in het leven gebleven.

De Vrijbuiters, verhit door den bloedigen strijd, heffen een woesten juichkreet aan. Zij zijn overwinnaars gebleven. Achttien eenvoudige boeren hebben honderd vijf en twintig goed gewapende ruiters verslagen.

Thans vallen zij op hunne prooi aan. De lijken worden van alles beroofd, wat waarde heeft, waarlijk eene afschuwelijke bezigheid! Maar zij kennen geen medelijden. Hadden de Spanjaarden ook hen niet beroofd van alles wat hun lief was, hadden zij niet hunne ouders gedood, hunne hoeven verbrand of geplunderd, hun vee geroofd? Oog om oog, tand om tand, dat was helaas de leus van den oorlog. De berooide en uitgeschudde mannen kennen geen medelijden en hunne harten zijn verhard.

Naakt uitgeschud bleven de ongelukkige slachtoffers op het slagveld, en de Vrijbuiters haastten zich de verschrikte paarden, die overal rondliepen, op te vangen. Zij koppelden ze aan elkaar, en een gedeelte der mannen voerden ze langs den weg, tot zij de plaats bereikt hadden, waar het water het smalst was. Ook het jacht was daarheen geroeid. De Vrijbuiters bonden de dieren daaraan vast, dreven hen in het water en roeiden naar den overkant. De paarden waren dus wel gedwongen om den tocht zwemmende mede te maken, en als er waren, die den overkant niet konden bereiken, werd eenvoudig de halster losgesneden en vonden de dieren den dood in de golven.

De dikke Jan Slob was niet weinig verbaasd, toen hij de Vrijbuiters met hun kostbaren buit aan wal zag stappen, en groot was zijne vreugde, toen hij vernam, welk eene schitterende overwinning zij hadden behaald. Spoedig werden de kannen gevuld met schuimend bier, hetwelk de mannen zich lekker lieten smaken, maar zij gunden zich geen tijd, om lang in de herberg te vertoeven. Het roeijacht werd op eene veilige plaats geborgen en daarna zette men den tocht voort naar Purmerend, waar Heer Diederik van Sonoy vertoefde, die opgetogen was over de behaalde overwinning en de paarden gaarne voor een goeden prijs overnam.

De mare van deze overwinning bracht den naam van 't Oude Hoen op aller lippen, zoowel van vriend als van vijand, en zijn roem werd allerwege verkondigd, zoo zelfs, dat de Spaansche bevelhebbers, die om Haarlem gelegerd waren, hun verlangen om hem te zien niet konden bedwingen, en besloten, hem tot een bezoek aan het vijandelijke kamp uit te noodigen.

Hoe de jonge Vrijbuiters in het vijandelijk kamp kwamen, en hoe zij het verlieten.

Het was enkele dagen na het gevecht op den Sparendammerdijk. 't Oude Hoen, Aelbert en Marten keerden op de hoeve terug van hun dagelijkschen tocht naar den toren van de Westzanerkerk, van welks trans zij gewoon waren de gangen der vijanden te bespieden,—maar dezen keer hadden zij niets bijzonders opgemerkt. In den omtrek heerschte rust, en die het niet beter wist zou gedacht hebben, dat het vrede was.

Zij waren echter nog maar kort in de hoeve teruggekeerd, of er kwam bezoek. Een vreemdeling trad binnen, in wien zij onmiddellijk een krijgsman herkenden, ook al scheen hij ongewapend.

„Goeden morgen, huisman!” klonk zijn groet, en aan zijn tongval was duidelijk te merken, dat hij een Vlaming was. Zijn gelaatsuitdrukking had ietsgebiedends, iets, dat den man van geboorte verried. 't Oude Hoen twijfelde dan ook geen oogenblik, of hij had een man van aanzien voor zich, misschien wel een Spaansch officier. Deze groette ook de vrouw des huizes en de beide jongelieden, nam plaats op den hem toegeschoven zetel, en vervolgde:

„Ben ik hier terecht bij Govert 't Hoen, bijgenaamd 't Oude Hoen?”

„Die man ben ik,” was het antwoord, en men kon duidelijk zien, dat de vreemdeling er door verrast was. Hij keek 't Hoen met groote, vragende oogen aan, en scheen zelfs wel eenigszins aan de waarheid van 't Hoens woorden te twijfelen.

„Hoe?” riep hij na eene korte weifeling uit. „Zou U het Oude Hoen wezen, de man, die met een klein troepje Vrijbuiters eene zoo roemrijke overwinning heeft behaald op eene talrijke ruiterbende?”

En hij mat met zijne oogen de gestalte van den kleinen boer voor hem, wiens uiterlijk volstrekt geen aanleiding gaf, om in hem den beroemden Vrijbuiter te zien, wiens naam alleen reeds geschikt was, om wel een dozijn Spanjaarden op de vlucht te jagen.

't Hoen lachte even, en ook Aelbert en Marten konden een glimlachje niet bedwingen bij het zien van de verbazing van den vreemdeling. En 't Hoen sprak:

„Toch is het zoo, Heer, ik ben 't Oude Hoen en niemand anders. Wat wenscht U van me?”

De vreemdeling haalde een brief te voorschijn en overhandigde dien met de woorden:

„Uw roem is tot het leger om Haarlem doorgedrongen en heeft bij verscheidene Oversten en Hoplieden het verlangen gewekt u te zien en kennis met u te maken. De Heer Van Licques, die in het bosch het bevel voert over de Walen, noodigt u in dezen brief uit hem een bezoek in zijn kamp te willen brengen. Hij waarborgt u, als eerlijk krijgsman, dat u zelfs geen haar op uw hoofd zal worden gekrenkt en biedt u vrijgeleide aan. Hij heeft mij gelast er bij u op aan te dringen, dat u deze uitnoodiging aanneme.”

Er heerschte, nadat de vreemdeling deze woorden had gezegd, eenigen tijd stilte in het vertrek. 't Oude Hoen fronste de wenkbrauwen en verzonk in diep gepeins. Vrouw Geerte keek haar man met angstige oogen aan, als om hem te smeeken, de uitnoodiging af te wijzen, en ook de beide knapen hielden hun blik op hem gericht, alsof zij hem het antwoord van de lippen wilden lezen.

Eindelijk sprak Vrouw Geerte met een zucht:

„Maar Govert, je denkt er toch niet over, de uitnoodiging aan te nemen? Je zult je toch niet wagen in het hol van den leeuw? Wie weet, welk lot je daar te wachten staat! Ga toch niet, wat ik je bidden mag.”

Een fijn lachje krulde de lippen van den vreemdeling.

„Vrees niet, vrouw,” sprak hij, zonder zich beleedigd te toonen, „ook een Spanjaard kan een man van eer zijn, trouw aan zijn gegeven woord...”

„Dat hebben wij aan Zutfen gezien, en aan Naarden...” viel vrouw Geerte scherp in. „Ik vertrouw dat fluiten van den vogelaar niet.”

De vreemdeling haalde licht de schouders op, en hernam: „Ook ik ben Hopman in Spaanschen dienst, vrouw, en ik verpand u mijn eer, dat hier geen verraad in het spel is. De groote, stoutmoedige daden van uw man hebben mij en mijn vrienden doen wenschen, hem te zien en te spreken,—ziedaar alles. Ik herhaal, dat wij hem vrijgeleide aanbieden, en dat zelfs het geringste gevaar hem niet bedreigt.”

„Als vader gaat, zou ik wel meêwillen,” viel Aelbert in.

„En ik ook!” riep Marten uit. „Ik zou graag het vijandelijke kamp willen zien, en de verwoesting van de muren.”

„Ik heb in het geheel geen bezwaar ook u beiden onder het vrijgeleide te begrijpen,” sprak de Hopman. „'t Zal wellicht voor 't Hoen ook aangenamer zijn den tocht in uw gezelschap te ondernemen. Ik herhaal met nadruk en onder verpanding van mijne krijgsmanseer, dat u geen leed zal geschieden. Integendeel, men zal uw bezoek op hoogen prijsstellen en u met eere ontvangen.—Welnu, wat is uw antwoord?”

't Hoen bedacht zich nog een oogenblik, en zei toen bedaard en eenvoudig:

„Ik neem de uitnoodiging van den Heer Van Licques aan, en zal in gezelschap van deze jongelieden een bezoek in zijn kamp brengen. Ik vertrouw, dat uwe woorden waarachtig zijn en neem uw vrijgeleide aan. Wanneer wenscht u, dat ik komen zal?”

„Uw antwoord doet mij genoegen,” sprak de Officier, „en ik stel u voor, nog heden de reis met mij te ondernemen. Mijne tegenwoordigheid zal u over alle moeielijkheden heenbrengen, en persoonlijk zal ik u weer naar uwe vrienden terugvoeren.”

„Aangenomen,” sprak 't Hoen opstaande. „Wij zijn gereed, en keeren nog voor de avond gevallen is, hier terug.—Wees niet bezorgd, vrouw, en droog uwe tranen, want waarlijk, ik zou mij al zeer moeten bedriegen, indien hier verraad in het spel was en ons eenig gevaar dreigde.”

Aelbert en Marten wierpen zich, evenals 't Hoen, een musket over den schouder en gespten zich een rapier aan de heup, namen afscheid van Moeder Geerte, die hen met een hart vol angst zag vertrekken, en verlieten met den vreemdeling de hoeve.

Zij roeiden naar den Westzaner Overtoom envertelden aan den verbaasden en ontstelden Jan Slob, dat zij op weg waren naar het Spaansche legerkamp, waarvan de officieren 't Oude Hoen wenschten te zien.

De dikke waard kon zijne ooren nauwelijks gelooven en keek zijn drie vrienden hoofdschuddend aan. 't Was duidelijk, dat hij de zaak allerminst vertrouwde en dat hij haar eenvoudig beschouwde als een middel van den Spanjaard, om zich op eene gemakkelijke, zij het dan ook verraderlijke wijze, van een gevreesden tegenstander te ontdoen.

Toen dan ook de Hopman zich een oogenblik verwijderde, zei hij op gedempten toon, maar met grooten nadruk:

„Ben je nu van 't verstand beroofd, 't Hoen? Hoe is het mogelijk, dat je je zóó laat bedriegen door die Spaansche bloedhonden! Hebben zij dan ooit hun woord gehouden? Begrijp je dan niet, dat het er hun om te doen is, je in hunne macht te krijgen en je op te hangen?—Keer terug, wat ik je bidden mag,—keer terug! 't Is een list, een valstrik, een...”

Op dit oogenblik kwam de Hopman weder binnen, en zag Jan Slob zich dus genoodzaakt zijne verdere waarschuwingen te staken.

Maar 't Hoen liet zich niet raden.

„Ik heb vertrouwen in het mij aangeboden vrijgeleide,” antwoordde hij kalm aan het oor van JanSlob. „En wie weet, waar mijn bezoek misschien goed voor is. De toekomst is duister te lezen.”

De reis werd vervolgd. Het viertal roeide het IJ over, langs het eilandje Ruichoort, en legde aan de overzijde het schuitje op eene veilige plaats vast. Te voet gingen zij verder tot zij het Spaarne bereikten, waar een jacht gereed lag, bemand met Spaansche krijgers, die thans echter als roeiers dienst moesten doen.

„Ziedaar het vaartuig, dat ons naar het kamp zal brengen,” sprak de Hopman, terwijl hij aan boord stapte. Met een hoffelijk gebaar wees hij 't Oude Hoen een plaats aan naast zich op de bank, en de beide jongelieden op een andere. Daarna gebood hij de krijgsknechten van wal te steken, en voegde hun toe:

„Mannen, ziehier drie dappere Vrijbuiters, die zich op verlangen van Uw Overste naar ons kamp begeven. Vergeet niet, dat Uw leven borg is voor het hunne.”

Onder den tocht voerde de Hopman een druk gesprek met 't Hoen, en Marten zei zacht tot zijn vriend:

„Geloof jij, dat er verraad in het spel is?”

„Neen,—geen oogenblik!” was het antwoord. „En ik vind het wat aardig, dat ik nu eens op mijn gemak een kijkje kan nemen in het kamp der Spanjaarden. Ik heb daar al lang naar verlangd.”

„Ja,” zei Marten droevig, „maar nog meer wensch ik in de belegerde stad te komen...”

„Waarom?” vroeg Aelbert met eenige verwondering. „Heb je dan lust, daar vandaag of morgen den plunderenden vijand in handen te vallen? Want het staat bij mij vast, dat Haarlem verloren is. Alle pogingen, die de Prins tot ontzet heeft aangewend, zijn tot nog toe mislukt.”

„Och ja, dat alles weet ik wel,” zei Marten. „Maar de gedachte wil mij maar niet uit het hoofd, dat mijn zuster Anna zich in die stad bevindt, en ik zou het vreeselijk vinden, als zij bij de overgave, die ook volgens mijne meening volgen móet, den vijand in handen viel.”

„Hoe kom je toch op de gedachte, dat Anna juist dáár zou wezen?”

„Omdat ik stellig al bericht van haar had gehad, als zij ergens anders was. Neen Aelbert, ik geloof vast en zeker, dat zij zich in Haarlem ophoudt, en ik maak mij daarover bekommerd en angstig. Zeg,—zou er geen middel voor mij zijn, om in de stad te komen? O, ik verlang zoo vurig...”

„Om er in te komen misschien wel, maar om haar te verlaten, zeker niet...”

„Dat is ook niet noodig!” viel Marten in. „Als ik er maar eerst in was, dan kon ik zoeken en zoeken, totdat ik haar gevonden had, en wie weet, of ik dan ook geen middel zou vinden, om met haar te vluchten. Maar dáár mag zij niet blijven.”

„Wij zullen er met Vader over spreken en diensraad vragen,” zei Aelbert peinzend. En zijn vriend de hand drukkende vervolgde hij met ernst:

„Vergeet nooit, dat waar jij ook heengaat, ik je vergezellen zal. Ik heb je beloofd, dat ik je zou helpen zoeken, en ik zal mijn woord houden, zelfs al moesten wij haar terughalen uit het paleis van Alva zelf!”

Deze hartelijke woorden deden Marten goed, en hij bleef gedurende den verderen tocht steeds peinzen op een middel om in de bedreigde stad te komen. Doch hoe hij zich ook pijnigde met het ontwerpen van allerlei plannen, hij zag geen kans zijn doel te bereiken.

Zonder eenigen tegenspoed bereikten zij het kamp om Haarlem. De Hopman geleidde hen naar den Hout, waar de veldheer de Licques met zijne Walen gelegerd was.

Den veldheer zelf troffen zij echter niet in zijn tent aan, daar hij bij Don Frederik ontboden was, om diens bevelen te vernemen. De Hopman noodigde hen uit plaats te nemen en een oogenblik te wachten. Hij zou dadelijk van de aankomst der Vrijbuiters kennis gaan geven aan de verschillende Oversten, die het verlangen hadden te kennen gegeven hen te zien, en spoedig terugkeeren.

Zoo bleven zij dus met hun drieën alleen, en had Marten een goede gelegenheid, om 't Oude Hoen zijn wensch kenbaar te maken en diens raad te vragen.

't Oude Hoen keek hem ernstig aan, maar gaf geen antwoord.

„Schijnt mijn verlangen u eene dwaasheid toe, Neef?” vroeg Marten.

„Neen,—ook ik houd het voor mogelijk, dat Anna naar Haarlem is gevlucht,” was het antwoord. „Ik zou er ook niets op tegen hebben, dat je eene poging...”

„Maar als Marten gaat, houd ik hem gezelschap, met uw goedvinden,” viel Aelbert in.

Zijn vader glimlachte even, en zeide:

„Welnu, ik heb niets tegen je plan, en Aelbert mag mijnentwege meêgaan,—doch met den besten wil ter wereld zou ik geen middel weten te bedenken, om binnen gindsche muren te komen. Ik acht dat bepaald eene onmogelijkheid.”

Er werd nog geruimen tijd over het plan gesproken, maar van welken kant zij de zaak ook bekeken, zij stuitten telkens op onoverkomelijke moeielijkheden.

Het duurde niet heel lang, of de Hopman keerde terug, thans in gezelschap van een groot aantal voorname Veldoversten, die allen nieuwsgierig waren naar den gevreesden Vrijbuiter, dien zij zich voorstelden als een voornaam Hollander, met een groote, indrukwekkende gestalte en buitengewone spierkracht.

Wie schetst echter hunne verbazing, toen zij daar een eenvoudig boertje voor zich zagen, klein vangestalte en zonder eenig aanzien. Want de kleeding der drie Vrijbuiters bestond slechts uit eene wijde broek, een eng, maar geschoot wambuis en een breedgeranden hoed. Was deze eenvoudige man 't gevreesde Hoen? En behoorden die twee knapen tot de zoo beroemde Vrijbuiters? Zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven, en keken elkander vragend aan.

Het drietal was bij de nadering der deftige Heeren opgestaan en had het hoofd ontbloot.

„Zijt gij het Oude Hoen?” riep de Heer Van Licques uit, terwijl hij het boertje van het hoofd tot de voeten opnam.

't Hoen glimlachte fijntjes, en sprak:

„Om U te dienen, Edele Heer, ik ben Govert 't Hoen. Op Uw verzoek ben ik hier gekomen, vertrouwende op Uw woord als krijgsman...”

„En daar hebt ge wèl aan gedaan!” riep de Heer Van Licques hem toe. „Gij hebt niets te vreezen, en ik dank U zeer voor uwe komst. Uwe dapperheid, pas nog zoo klaar gebleken bij het gevecht op den Sparendammerdijk, heeft onze bewondering opgewekt, en wij allen wenschten U te zien. Gaat zitten, Heeren!”

De aanzienlijke krijgsoversten namen plaats, en de Heer de Licques haalde een paar kostbare steenen te voorschijn, die hij 't Hoen als een aandenken aanbood. Maar 't Hoen weigerde met groote beslistheid.

„Hartelijk dank, Heer, voor uwe vriendelijke bedoeling, maar ik mag van den vijand geen geschenken aannemen.”

De Heeren keken den eenvoudigen, waardigen man met bewondering aan, en de Heer de Licques bleef er op aandringen, dat hij het geschenk zou aannemen.

„Zeer zeker niet, Heer,”—sprak 't Hoen, en glimlachend liet hij er op volgen: „Maar mocht het lot willen, dat ik ooit als krijgsgevangene tegenover u kom te staan, wil dan mijner gedachtig wezen.”

„Daarop geef ik U mijn woord!” zei de Licques met een krachtigen handslag.

Er volgde nu een levendig gesprek, waaraan allen deelnamen, en de drie Vrijbuiters gevoelden zich volkomen op hun gemak. Zij waren er thans ten volle van overtuigd, dat hier geen verraad in 't spel was.

Zoo ging er een uurtje voorbij, toen plotseling de stemmen verstomden en alle aanwezigen opschrikten door een hevig musketvuur en het gedruisch van wapenen.

Vlug sprongen de aanwezigen van hunne zetels op, en onder den uitroep:

„De Haarlemmers doen een uitval! Te wapen! Te wapen!” snelden zij de tent uit. In minder dan geen tijd was ons drietal alleen, en ook zij begaven zich naar buiten, om te zien, wat er aan de hand was.

Er heerschte in het Spaansche kamp een groote levendigheid. Van alle kanten zag men krijgslieden naar de bedreigde plaats snellen, vanwaar zich een verward gedruisch van menschelijke stemmen, musketschoten en wapengekletter deed hooren. In de verte zagen zij den strijd...

Ha, de oogen der Vrijbuiters tintelden met een heeten gloed, en zij sloegen onwillekeurig de handen aan het rapier.

„Vader!” riep Aelbert met geestdrift uit, „Vader, laten wij toch hier niet als lafhartigen blijven staan, terwijl ginds onze broeders hun leven wagen...”

En hij trok zijn rapier half uit de scheede met bevende handen. Maar 't Oude Hoen zei kalm en bedaard:

„Dat kan en mag niet, jongen. Ik ben onder vrijgeleide hier gekomen, en daardoor tegen wil en dank verplicht hier te blijven.—Maar je wilt immers binnen gindsche muren komen?”

„Ja,—ja!”riep Marten heftig uit. „Dat wil ik!”

„Ga dan, mijn jongen,” klonk het ernstig. „Ginds doen de Haarlemmers een uitval, zooals zij er reeds zoovele deden. Ga, en sluit u bij hen aan. Ook nu zal wel het einde wezen, dat zij teruggedreven worden. Voeg U bij hen, en de poorten zullen u, als voor hen, geopend worden. Ga, zeg ik, en God bescherme u!”

„Ja, ik ga!” riep Marten vurig uit. „Eene betere gelegenheid krijg ik nooit!”

„En ik ga met je!” sprak Aelbert.

Haastig drukten de jongelieden 't Oude Hoen de hand, en snel verwijderden zij zich in de richting van de plaats, waar de strijd gevoerd werd. 't Oude Hoen zag hen na zoo lang hij kon, en het was den dapperen Vrijbuiter aan te zien, dat hij ontroerd was...

Enkele uren later keerde hij naar zijne hoeve terug, geheel alleen. De Heer de Licques had eerlijk zijn woord gehouden en hem door eenige krijgsknechten, onder bevel van denzelfden Hopman, naar 't IJ terug laten brengen. Toen hij van 't Hoen vernomen had, dat de beide jongelieden hun strijdlust niet hadden kunnen bedwingen en zich bij de Haarlemmers hadden aangesloten, had hij even geglimlacht en gezegd:

„Dat is niet volgens de afspraak, doch ik zal maar denken: „'t Muist, wat van de katten komt.” Jammer, dat zulke rappe gasten de zaak der oproerlingen dienen.”


Back to IndexNext