HOOFDSTUK XI.

In de bedreigde veste.

In stormpas waren de twee jonge Vrijbuiters naar de plaats des gevechts geijld, de oogen glinsterende van strijdlust, en met het wapen in de vuist.

't Was waar, wat zij gedacht hadden. De Haarlemmers deden dien middag een geduchten aanval op het zoogenaamde Voorhout. Des middags waren een twee- of driehonderd Engelsche, Waalsche en Schotsche haakschutters de Zijlpoort uitgetrokken, en hadden de vijandelijke regimenten naar die plaats gelokt, waardoor verscheidene kampen geheel van krijgers waren ontbloot. Toen deze list zoo goed gelukt was, trokken zes- à zevenhonderd vendels soldeniers en schutters de Leidsche Waterpoort en de Kleine Houtpoort uit, zoodat de Waalsche en Duitsche vendels, die in den Hout gelegerd waren, van verschillende kanten tegelijk werden aangevallen.De Walen stonden onder bevel van De Licques, de Duitschers onder Fronberg en Ebersteyn. Deze vendels kregen het ontzaglijk kwaad te verantwoorden, en de Haarlemmers vochten met onstuimigen moed.

„Weg met de Spanjaarden! Leve de Prins van Oranje,” was de strijdleus, waarmede zij zich op de overmachtige vijandelijke vendels stortten.

„Weg met de Spanjaarden, leve de Prins van Oranje!” was ook de kreet, waarmede Aelbert en Marten zich onbevreesd te midden van het krijgsgewoel wierpen. 't Werd een vreeselijke strijd. Overal hoorde men het rinkelen der zwaarden op de kurassen en helmen, de woeste kreten der strijdenden, het gereutel der stervenden en gewonden. En in het leger der Spaanschen ontstond eene groote verwarring. Zij waren tegen dezen verwoeden aanval niet bestand.

„Vlucht! Vlucht!” werd er geroepen. En niet minder dan 14 vendels Duitsche voetknechten en 12 Waalsche zochten een goed heenkomen in het achterste gedeelte van het Bosch, waar zij zich opnieuw trachtten te vereenigen om den aanval te weerstaan. Maar zij konden het niet volhouden tegen het geweldige schieten, slaan en steken, en moesten opnieuw hun heil zoeken in de vlucht, achtervolgd door de Haarlemmers, die hen voortdreven tot zelfs over de Noordwijkervaart en de daarachter gelegenduinen.[1]De Spaanschen verloren niet minder dan 600 man, waaronder hoplieden, luitenants, vaandrigs, wachtmeesters, „groote monsieurs,” „groote cadetten” en „groote hanssen.”

De Haarlemmers staken een aantal huizen, hutten en tenten in den brand, waarin de vijanden gehuisvest waren, en werden daarbij onverwachts aangevallen door Spaansche ruiters en haakschutters, die van Heemstede en andere plaatsen kwamen opdagen, en hen dwongen tot den aftocht. Met verlies van niet meer dan tien of twaalf man werden zij genoodzaakt af te trekken en zich binnen Haarlems muren in veiligheid te stellen. Maar groot was de buit, dien de krijgers met zich medevoerden, bestaande uit harnassen, spietsen, stormhoeden, rapieren, hellebaarden, kostbare kleederen van hoplieden, vaandrigs en oversten, juweelen en goud, zelfs schotels en gouden ringen, trommels, ketels en nog vele andere dingen.

Aelbert en Marten hadden zich in den strijd geducht geweerd, zoodat zij zelfs de opmerkzaamheid trokken van den vaandrig Pieter Dirksz Hasselaar, die den uitval had medegemaakt.

„Leven de Vrijbuiters van 't Oude Hoen!” riepen zij meermalen in de hitte van den strijd, en die kreet had de aandacht van den vaandrig gaandegemaakt, terwijl hij met bewondering had gezien, hoe dapper de beide jongelieden zich in het gevecht gedroegen. Toen hij zich gedurende eene korte poos dicht in hunne nabijheid bevond, hief hij zijn vaandel omhoog, en riep hun toe:

„Leven de Vrijbuiters van 't Oude Hoen! Goed zoo, dappere jongens, goed zoo! Weg met de Spanjolen en leve de Prins!”

Later had hij hen meermalen in het gevecht opgemerkt, en telkens weer had het hem goed gedaan te zien, met welk eene dapperheid zij streden.

Eindelijk was de terugtocht begonnen. Aelbert en Marten hadden zich bij elkander aangesloten, en Marten had gezegd:

„Nu zullen wij dan toch ons doel bereiken. Thans gaan wij naar Haarlem!”

En meegesleurd door den stroom der strijdende krijgslieden waren zij de muren der bedreigde veste al vechtende genaderd, en deze eindelijk door de geopende poort binnengetrokken. Groote vreugde heerschte onder de stedelingen over de behaalde overwinning en over den rijken buit, die binnen gebracht werd. Overal zag men mannen en vrouwen, die de terugkeerende krijgers toejuichten....

Maar langzamerhand werd het stiller in de straten, want de uitgeputte mannen zochten hunne kwartieren op, om uit te rusten van de vermoeienis.

En doelloos dwaalden Marten en Aelbert door Haarlems straten. Zij kenden daar niemand, en niemand kende hen. Overal keken zij rond, of soms iets hun op het spoor zou kunnen brengen van de verloren zuster, maar tevergeefs. Zij dwaalden de stad door van het eene einde tot het andere, en overal zagen zij de sporen van den geduchten strijd, die nu reeds vier maanden had geduurd, en de verbrokkelde en vergruisde muren en de gehavende poorten, waarin de bressen met aarde, puin, meubelen, en zelfs met de beelden uit de kerken waren dichtgestopt.

Op hun tocht door de stad ontmoetten zij den bevelhebber der vesting, Wybot Ripperda, den dapperen krijgsman, die door zijn moed en krachtig beleid reeds zooveel had bijgedragen tot het behoud der stad. En zij zagen ook Kenau Simons Hasselaar, de dappere vrouw, wier moed reeds tot ver buiten de muren bekend was. Met bewondering aanschouwden zij de kloeke weduwe, die zich zoozeer beijverd had bij het herstellen van muren en poorten, en die zich zelfs niet had ontzien de mannen ter hulp te snellen op de wallen, als de Spanjaarden de stad bestormden en mannenkrachten te kort schoten, om hen te wederstaan. Dan snelde zij met het zwaard in de hand ter hulp, en verscheidene vrouwen en meisjes, aangevuurd door haar moed, volgden haar in den strijd.

De beide jongelingen bleven staan om haar goedte kunnen zien, en zij deden dit met een blik vol bewondering. Hoe kloek en sterk was die gestalte, hoe vurig tintelde dat oog!

Toen Kenau bij het voorbijloopen hunne bewonderende blikken opmerkte, knikte zij hen vriendelijk toe. Ook ontmoetten zij den dapperen vaandrig weder, dien zij in den strijd hadden gezien, en van de voorbijgangers vernamen zij, dat het Pieter Dirkz. Hasselaar was, de neef van de beroemde Kenau.

Maar,—van Anna ontdekten zij geen spoor, en de avond begon reeds te vallen. Gelukkig dat ook zij een gedeelte van den buit hadden bemachtigd, en dus niet met ledige handen behoefden te komen, als zij hier of daar om een nachtverblijf verzochten. Toen het reeds geheel donker was geworden, traden zij een eenvoudige taveerne binnen, en het gelukte hun, daar voorloopig een onderkomen te vinden. De waard was een oud man, die niet moede werd hun te vertellen over alles, wat de stad reeds had moeten verduren. Hij sprak over de geduchte bestormingen, die de Spanjaarden hadden beproefd, en over de verschrikkelijke bombardementen, die hadden plaats gehad en waarbij al meer dan zeven duizend bommen in de stad waren geworpen.

Den volgenden morgen al vroeg zetten de beide jongelieden hun onderzoek voort. Overal informeerden zij, of hier of daar ook menschen woonden, die vóór het beleg uit Saardam waren gevlucht,—maareven dikwijls werden zij teleurgesteld. En toen het middag geworden was en zij nog geen stap nader tot hun doel gekomen waren, zei Aelbert:

„'t Is moeielijk zoeken in een vreemde stad, waar wij niemand kennen en zelfs den weg niet weten. Ik geloof, dat wij beter gedaan hadden door in Westzaan te blijven. En hoe moeten wij de stad weer verlaten? Ik weet er geen middel op.”

Marten antwoordde niet, maar ook hij voelde zich teleurgesteld. Zoo stellig had hij verwacht, Anna hier te zullen vinden. 't Was zijn laatste hoop geweest, en thans begon hij steeds meer te vreezen, dat zij in de handen der Spanjaarden zou gevallen zijn, wat wel het schrikkelijkste lot was, dat haar treffen kon. Verdrietig dwaalde hij de stad door, van de eene straat in de andere, en ook de tweede dag was nu bijna verstreken. Hij sprak weinig of niets, en op de vragen van Aelbert antwoordde hij slechts met een enkel woord. Toen de schemering inviel, zei Aelbert:

„Willen wij ons nachtkwartier maar weer opzoeken, Marten; de avond valt...”

Opeens greep Marten hem bij den schouder, en riep uit:

„Kijk dáár eens, Aelbert,—dáár...!”

Aelbert stond stil en keek in de aangewezen richting, maar hij zag niets dan enkele krijgslieden, die in druk gesprek op eenigen afstand liepen. Enzijn vriend aanziende, bemerkte hij, dat deze doodsbleek zag en zijn fonkelende oogen steeds op dezelfde plaats gevestigd hield.

„Dáár,—dáár,—zeg, is dat Kees niet, onze hond?—O, 't móét hem zijn,—'t kan niet anders!—Maar, groote God,—dan kan ook Anna niet ver weg zijn!”

Aelbert zag nu ook een grooten, zwarten hond, die eenige huizen voor hen uit op de straat liep, snuffelende aan de stoepen en steenen palen, die hij passeerde.

Marten klapte in de handen, en riep op gejaagden toon:

„Kees! Kees! Waar ben je dan?—Hallo Kees!—Kees! kom hier! kom bij den baas!”

De hond stond stil en keek om. Maar hij bewoog zich niet.

„Kom Kees!—kom Kees!—Kees—Kees—Kees!” hield Marten vol, en hij klapte met beide handen op zijne knieën, om den hond tot zich te lokken.

Het beest stond nog eenige oogenblikken onbeweeglijk,—toen kwam zijn staart langzaam in beweging, wat weldra in een levendig kwispelen overging,—en „woef, woef!” blafte hij, zoodat de zware stem van den hond door de geheele straat weerklonk. Op hetzelfde oogenblik rende Kees op zijn jongen meester toe, dien hij herkend had. Met groote sprongen kwam hij nader en hij vloog woesttegen Marten op, blaffende van blijdschap. Hij deed dat met zoo'n geduchte vaart, dat Marten bijna omver viel.

Wat was Kees blij! Als dol rende hij nu eens om Marten heen, blaffende en jankende, en dan weer vloog hij plotseling op hem toe, en legde hem de dikke pooten op de schouders.

„Kees!—Goede Kees!” zei Marten, den hond streelende en liefkoozende. De goede jongen had tranen van blijdschap in de oogen.

„O Aelbert,—nu kan Anna niet ver weg zijn,” stamelde hij door zijne tranen heen.

Ook Aelbert was ontroerd. Hij verheugde zich er in, dat Marten zijn hond teruggekregen had, en hij hoopte voor zijn vriend, dat nu ook Anna zou gevonden worden. Maar dit was toch immers nog niet zeker? Al was Kees gevonden, daarom kon toch Anna wel een ongeluk getroffen hebben?

Hij zei daarvan echter geen woord, want hij wilde de vreugde van zijn vriend niet vergallen.

Kees kwam langzamerhand tot kalmte. Hij stond thans stil bij Marten en liet zich diens liefkoozingen gaarne welgevallen. De lange, roode tong hing hem uit den bek, wat een gevolg was van zijn geducht rennen en springen, en hij keek met zijn trouwe oogen zijn jongen meester aan, alsof hij hem vragen wilde, of hij hem nu voortaan niet meer verlaten zou. En Marten kon niet nalaten, hem de armenom den ruigen nek te slaan en hem tegen zich aan te drukken.

„Hoe nu verder, Marten?” vroeg Aelbert. „Wij hebben Kees nu wel, maar Anna nog niet. En Kees kan, wat jammer genoeg is, niet praten.”

„O, wij zullen haar wel vinden!” riep Marten uit. „Laten wij langzaam oploopen. Misschien wijst Kees ons dan den weg wel.”

„'t Is te probeeren,” zei Aelbert. En langzaam wandelden de jongens verder. Kees liep vroolijk om hen heen, doch hij bleef voor geen enkel huis stilstaan, zoodat de jongens niet wijzer werden. Toen zij aan het einde der straat gekomen waren, stelde Marten voor:

„Wij moesten de straat een poosje op en neer loopen. Ik geloof vast, dat Kees hier thuis hoort. Misschien zoekt hij eindelijk zijne woning zelf weer op, dan kunnen wij hem volgen.”

„Goed!” zei Aelbert. „Misschien heb je gelijk.”

De jongelieden wandelden langzaam in de straat heen en weer, en hielden den hond nauwlettend in het oog. En toen Kees over de eerste vreugde van het wederzien heen was, en niet meer zoo zorgvuldig in de onmiddellijke nabijheid van Marten bleef, werd hunne spanning op het grootst. Want Kees begon blijken te geven, dat het wandelen hem ging vervelen en dat hij naar huis verlangde. Blijkbaar werd hij onrustig, en washij niet gewoon, als het donker werd buiten te zijn.

't Werd stiller in de straat; de menschen trokken zich in de huizen terug, voorzoover zij de wacht niet moesten houden op de muren.

Opeens klonk een heldere stem op eenigen afstand achter hen, terwijl een handgeklap zich deed hooren. Kees spitste de ooren.

„Kees!—Kees!—Waar zit je, Kees?—Kees!”

Een luid blaffen was het antwoord van den hond.

Marten bleef ontroerd stilstaan.

„Dat is Anna!—Dat is haar stem!” mompelde hij zacht. Kees keek Marten aan, alsof hij hem wilde vragen, met hem mede te gaan. En de heldere stem achter hem herhaalde: „Kees!—kom, Kees!”

Met groote sprongen ijlde Kees weg, en de jongens liepen even hard met hem mede. Ha, ginds zagen zij in de geopende deur de gestalte van een meisje.

„Brave hond!” zeide ze vriendelijk, toen Kees tegen haar opsprong, en zij wilde hem streelen, maar toen zij de beide knapen op zich zag afkomen, maakte zij eene beweging van schrik en wilde snel de deur sluiten.

„Anna!—Anna!” riep Marten haar toe, en zijne stem bleek tooverkracht te bezitten. Zij herkende dadelijk de stem van haar broeder.

Schreiende van geluk en aandoening vielen zij elkander in de armen en zij konden geen woorduiten van ontroering. Hoe hadden zij beiden naar dit oogenblik van wederzien verlangd!

De tegenwoordigheid van Aelbert waren zij gedurende enkele oogenblikken geheel vergeten, zoodat deze eindelijk zeide:

„En wanneer kom ik nu aan de beurt, Anna? Of ken je mij niet meer?—Wat ben jij groot geworden!”

Anna maakte zich uit de omarming los, en keek hem aan. En nog met tranen in de oogen zei ze:

„Neef Aelbert 't Hoen! Of ik je ken!” En zij drukte hem hartelijk de hand.

„Maar komt beiden binnen,” vervolgde zij. „O, ik heb zooveel aan je te vragen!”

„En ik niet minder,” zei Marten, wiens oogen tintelden van vreugde, nu hij zijn lang gezochte zuster gezond en ongedeerd terug had mogen vinden.

Anna snelde hen vooruit naar de woonkamer, en kondigde de komst der beide jongelieden aan. Een man en een vrouw heetten hen hartelijk welkom, en Marten herkende in hen direct een echtpaar, dat hij te Saardam meermalen had gezien. 't Waren Willem Hooft en zijn vrouw, die, dadelijk na den inval der Spanjaarden in Saardam, met hun geld en kostbaarheden de vlucht hadden genomen naar Haarlem, waar zij veilig meenden te zijn. Zij noodigden de beide jongelieden vriendelijk uit, bij hen hun intrek te nemen, wat natuurlijk gaarne aangenomenwerd. En het vijftal bracht den avond druk pratende door. Marten vernam van Anna, hoe zij bij den vreeselijken dood van hare ouders tegenwoordig was geweest, en dat de Spanjaarden getracht hadden haar gevangen te nemen, maar dat dit door den trouwen Kees belet was. Verder, hoe zij naar het arbeidershuisje aan den Waterlandschen dijk gevlucht en door Willem Hooft in diens schuitje opgenomen en naar Haarlem gevaren was, waar zij sedert haar verblijf had gehouden. En nu bleek het Marten ook, hoe zij op middelen had gepeinsd, om hem bericht te zenden van hare tegenwoordige verblijfplaats, maar daar zij niet wist, waar hij zich bevond, was haar dit onmogelijk geweest. Meermalen had zij zelfs het plan opgevat, om de stad te verlaten, en hem op te sporen. Maar waarheen moest zij zich wenden? En hoe had een jong meisje zonder geleide in dezen boozen tijd een dergelijken tocht kunnen ondernemen? Willem Hooft en Maartje, zijne vrouw, hadden het haar ten stelligste ontraden. Eindelijk was het ook zelfs eene onmogelijkheid geworden door het beleg.

„Zoo zie je, Marten,—we zijn van den regen in den drop gekomen,” zei Hooft met een diepen zucht. „Te Saardam zijn wij de honderden Spanjaarden ontloopen, om hier door duizenden te worden ingesloten. God weet, wat nog het einde zal zijn. Ik vrees, dat Haarlem bezwijken zal, en wat dan?”

„Ja, wat dan?” vroeg Marten. „Ik weet het niet, maar Anna moet in ieder geval het einde niet afwachten. Wij moeten Haarlem zien te ontkomen...”

„O, als dat eens kon!” riep Anna uit. „Ik ken de Spanjaarden genoeg om te weten, wat wij van hen te duchten hebben.”

„Wacht maar en heb geduld, Zusje,” zei Marten vroolijk. „Twee Vrijbuiters van 't Hoen zijn gekomen om je te redden, en zij zullen het wel klaarspelen. Heb maar geduld, tot er een geschikt oogenblik gekomen is.”

Anna antwoordde niet, maar richtte peinzend haar blik op de beide menschen, die haar zoo liefderijk inhunhuis hadden opgenomen. Vrouw Maartje schudde zacht het hoofd en sprak, hare bedoeling radende:

„Neen Anna,—wij kunnen u niet vergezellen, hoe gaarne wij deze stad ook zouden ontvluchten. Ik ben oud en grijs, en niet meer in staat, een dergelijken gevaarvollen tocht te ondernemen. Wij moeten hier blijven en geduldig afwachten, welk lot de Hemelsche Vader over ons beschoren heeft. Ons leven is in Zijne hand. Maar jij moet vluchten, als de gelegenheid daartoe openkomt. Jij bent jong en sterk, en hebt nog een lang leven vóór je.”

Zoo werd er nog langen tijd gesproken.

Soms werd het gesprek gestoord door het doffe geluid van kanonschoten, en hield men den adem inom te wachten, of wellicht een bom op het huis zou nederstorten. Want voortdurend bevond men zich in gevaar. Ook hoorde men af en toe den regelmatigen tred van krijgslieden, die de wachten op de muren gingen aflossen.—

Voordat zij zich te bed begaven, richtten ook de twee jonge Vrijbuiters hunne schreden naar de wallen, om het vijandelijk kamp bij nacht te zien. En zij ontwaarden rondom de stad brandende wachtvuren, en zagen in de verte krijgslieden als zwarte schimmen langzaam heen en weder loopen. Ook dáár werd goede wacht gehouden.

[1]Zie over dezen uitval C. Ekama, Beleg en Verdediging van Haarlem, bladz. 151 enz.

In de nachtelijke duisternis, en hoe een Spanjaard zijn woord van eer inloste.

Uit de handelingen van Marten en Aelbert bleek het de volgende dagen al spoedig, dat zij over een middel ter ontvluchting hadden nagedacht en bezig waren, de voorbereidende maatregelen te treffen. Van het buitgemaakte geld hadden zij zich een snelvarend schuitje aangeschaft, met riemen, mast en roer, en meermalen waagden zij er zich mede buiten de poort, en voeren tot dicht bij het vijandelijk kamp. Dergelijke tochten deden zij gewoonlijk als de zon ondergegaan was, en soms kwamen zij pas na middernacht terug. Hun doel was alleen het terrein te verkennen en er goed den weg te leeren. Zoo duurde het niet lang, of elke rietschoot was hun bekend, elke inham hadden zij bezocht. Ja, zij hadden zelfs buiten de Schalkwijkerpoort de Fuikvaart, waarlangs heel dikwijls levensmiddelen enammunitie werden aangevoerd, geheel afgevaren, en waren de vijandelijke Rustenburgerschans bij de Kwakelbrug meermalen gepasseerd. En overdag waren zij ijverig in de weer, om het bootje nog meer snelheid te bezorgen door het aanbrengen van een fok en een topzeil, terwijl zij tevens de twee roeispanen met vier vermeerderden, zoodat drie personen tegelijk aan de riemen konden zitten.

Eindelijk waren zij met hunne toebereidselen gereed, en wachtten zij nog alleen op een geschikt oogenblik.

Intusschen zaten zij niet stil, maar hielpen de bezetting ijverig bij de verdediging van de bedreigde wallen en poorten, zoodat zij al spoedig goede bekenden van de krijgslieden waren geworden, die hen graag mochten lijden en hen nooit anders noemden dan de twee Vrijbuiters. En vooral boden zij dikwijls de behulpzame hand bij de Schalkwijker poort, welke zij voor hunne vlucht noodig hadden. Zij konden bij de wachten doen, wat zij wilden, en genoten een onbeperkte vrijheid van beweging. Trouwens, de Fuikvaart, die in het Haarlemmermeer uitliep, was nog in handen van den Prins, die den uitgang beschermde en zoo het vrije verkeer met Haarlem zooveel mogelijk openhield. Wel had Don Frederik de straks genoemde Rustenburgerschans in zijn macht, en zocht hij de vaart door de Fuik te beletten, maar dat gelukte hem slechts ten deele.

Telkens waren er weer stoutmoedigen, die den gevaarlijken tocht durfden ondernemen, ook al waren de vele lijken van hunne voorgangers, die aan de galgen hingen in het vijandelijk kamp, even zoovele afschrikwekkende voorbeelden.

Ook Marten en Aelbert waren besloten, den gewaagden tocht te ondernemen. Zij wilden echter zooveel mogelijk de kansen in hun voordeel hebben, en wachtten geduldig op een gunstige gelegenheid.

Eindelijk, op een donkeren avond, werd het waagstuk ondernomen. Zwarte wolken dreven langs het zwerk, en er blies een sterke wind uit het Zuid-Oosten. 't Was donkere maan, en geen sterretje liet zich zien.

's Avonds om ongeveer elf uur stapten drie jeugdige Vrijbuiters aan boord van het kleine vaartuig. Het vuurroer hing hun over den schouder, het rapier aan de heup, en de pistolen staken in den gordel. Kees sprong als vierde reiziger mede aan boord.

Anna had haar lange vlechten afgeknipt, zich in het gewaad van een Vrijbuiter gestoken, en het hoofd bedekt met een breedgeranden hoed. Met moeite had zij afscheid genomen van de brave menschen, bij wie zij zoo lang een vriendelijk tehuis had gevonden, en met tranen in de oogen had zij hunne gastvrije woning verlaten. Zij wist, dat de beste wenschen van Hooft en diens vrouw haar volgden.

De boot stak van wal, en zonder een enkel woord te spreken roeide Marten naar de Schalkwijkerpoort, waar de wacht hen aanriep.

„Wie daar,—en waarheen?” was de vraag.

„Goed volk,” riep Marten. „De Kennemer Vrijbuiters.”

„Goede reis!” sprak de wachter, en weldra hadden zij de stad verlaten. 't Was zoo donker, dat het den jongen reizigers moeite kostte, iets te onderscheiden. Maar zij hadden de reis niet voor niets reeds dikwijls gemaakt, en wisten den weg.

„Zeilen hijschen?” vroeg Aelbert zacht.

„Goed,” sprak Marten, die op het voorbankje gezeten, half over de plecht hing met het vuurroer in de hand en de brandende lont naast zich. Scherp tuurde hij voor zich uit, of er ook onraad dreigde.

Anna hield intusschen het roer. Zij had vroeger dikwijls gevaren en kon roeien en sturen als de beste. Vlug zette Aelbert den mast omhoog en heesch het groote zeil en het topzeil, terwijl Marten met een snelle beweging de fok aansloeg.

't Woei hard, en de boot kreeg onmiddellijk een snellen gang. Anna verliet het achterbankje en gaf het roer over aan Aelbert. Zij ging op eene andere bank zitten, met Kees aan hare voeten.

„Anna,” sprak Aelbert, „als er een hevige windvlaag komt, laat dan het groote zeil wat vieren, want je begrijpt wel, dat we veel te veel zeil voeren, en kans loopen om te slaan. Houd het touw vast met één slag om den knop, zoodat je het gemakkelijk kunt laten schieten.”

Anna was vlug van bevatting en begreep hem volkomen. Bepaald vrees voelde zij niet, hoewel zij ten volle overtuigd was, dat deze tocht met groote gevaren gepaard ging. Als zij ontdekt werden door den vijand, die in een nacht als dezen ongetwijfeld dubbel waakzaam zou zijn, waren zij onherroepelijk verloren.

De wind gierde door de zeilen en langs den mast,en de boot schoot pijlsnel door het water. De drie vluchtelingen hoorden het water tegen de boot klotsen, en soms helde het vaartuigje zoo dreigend overzij, dat het maar weinig scheelde, of het sloeg om. Ook dat was een gevaar, dat hun boven het hoofd hing. Maar de jonge Vrijbuiters kenden geen vrees; daarvoor hadden zij reeds te dikwijls allerlei gevaren onder de oogen gezien en overwonnen. Bovendien wisten zij, dat juist van de snelheid van hun vaartuigje alles kon afhangen. Zij moesten sneller kunnen zeilen, dan de vijand roeien, als dat noodig was. En als de wind zoo fel bleef razen, was dat ongetwijfeld het geval.

Anna vertrouwde zich geheel aan hare beide geleiders toe. Zij wist, hoe moedig zij waren, en dat zij beiden waakten voor haar leven en hare vrijheid. En mocht soms de boot dreigen om te slaan, zoodat zij een gilletje van schrik bijna niet bedwingen kon, toch beheerschte zij zich en liet geen angst blijken.

„Ginds nadert iets!” waarschuwde Marten zacht, terwijl hij zich nog meer inspande, om iets in de duisternis te onderscheiden.

Op 't zelfde oogenblik grepen zoowel Anna als Aelbert naar het vuurroer, en Anna drukte het in voorovergebogen houding tegen den schouder. Zwijgend vroegen zij zich af:

„Wat zal het zijn: vriend of vijand?”

En doodstil wachtten zij af, wat er komen zou.Zij hoorden het geluid van gedempte mannenstemmen, afkomstig van een naderend vaartuig. En een oogenblik later zagen zij een kleinen vonk, ongetwijfeld van een lont. Zeker hadden de mannen ook het naderen van een vaartuig opgemerkt en stonden zij gereed, om zich zoo noodig te verdedigen.

„Wie daar?” werd er geroepen.

Maar ons drietal gaf geen antwoord. Alleen Kees liet een dof gegrom hooren. Zij vernamen het geklots van riemen, en nogmaals klonk de vraag:

„Wie daar?”

Thans was Marten gerustgesteld. 't Waren vrienden, die zich, ongetwijfeld met kruit en levensmiddelen, op weg bevonden naar Haarlem.

„Leve de Prins van Oranje!” riep hij hun zacht toe, en onmiddellijk verdween op dit tooverwoord de brandende lont.

„Leve de Prins van Oranje!” was het antwoord, en op 't volgende oogenblik voer de boot vlak langs hen heen. Zij bevatte verscheidene roeiers, die zwaar werk hadden tegen den wind in.

„Dreigt er gevaar?” vroeg Marten snel.

„De bezetting houdt goede wacht!” was het antwoord. „Maar 't is Goddank erg donker. Goede reis!”

„Goede reis,” zeiden de Vrijbuiters, maar tegelijkertijd kwam aan de reis bijna een ongewenscht einde, want een hevige rukwind deed de bootzoodanig overhellen, dat het water over het boord stroomde.

„Laat vieren 't zeil!” riep Aelbert Anna toe, en deze bracht het bevel met groote handigheid ten uitvoer. Dat was hun geluk. Anna hoosde het water uit de boot, tot groot genoegen van Kees, die bijna geheel ondergedompeld geweest was. Hij schudde zich brommend het water uit de haren en legde zich weer op den bodem neder. Maar hij voelde zich daar toch niet zoo rustig meer als eerst, vooral niet, als de boot weer sterk overhelde. Dan stond hij soms al uit eigen beweging op.

Na eenigen tijd klonk opnieuw de waarschuwende stem van Marten.

„Thans dubbel voorzichtig,” sprak hij zacht. „Wij naderen de Rustenburgerschans.”

De drie jonge vluchtelingen hadden werkelijk nu het gevaarlijkste punt van de reis bereikt, en verkeerden dientengevolge in groote spanning. Anna voelde, dat haar hart onstuimig klopte in haar borst, en dat hare handen beefden. Maar zij verloor hare tegenwoordigheid van geest niet, en was vast besloten, zich te verdedigen tot het uiterste. Liever vond zij den dood in de golven, dan in de handen der Spanjaarden te vallen.

Marten kon op een korten afstand de schans zien, die zich als eene nog donkerder massa in de duisternis afteekende. Gelukkig bleef de wind evensterk en behield de boot haar ongewoon snelle vaart.

Plotseling werd het den jongelieden duidelijk, dat zij opgemerkt waren, want er ontstond gerucht aan den oever in hunne nabijheid.

„Hallo! Wie daar?” werd er met forsche stem geroepen.

Maar er kwam geen antwoord. Alleen hief Kees den kop op en liet een nijdig gebrom hooren.

„Aanleggen, of ik geef vuur!” werd er thans geboden, en Anna zag het flikkeren van de lont.

Tegelijkertijd hoorde zij zeer duidelijk, dat eenige mannen in eene boot stapten en van wal staken. Het geklots van de riemen was duidelijk boven 't razen van den wind en het bruisen van de golven te onderscheiden.

Aan den oever klonk een musketschot, dat weldra gevolgd werd door enkele andere. Maar de kogels misten hun doel.

Aelbert hield het roer met vaste hand, en de boot sneed door het water. Een hevige rukwind kwam de vluchtelingen helpen, die de naderende boot nu gepasseerd waren en dus een kleinen voorsprong hadden.

Marten stond overeind aan de plecht, met het musket tegen den schouder en de lont in de hand.

Hij brandde los op goed geluk af, zijn roer gericht houdende op de naderende boot, die hijwel hooren, maar niet zien kon. En hij had goed getroffen, want een akelige kreet drong tot hen door.

Nogmaals klonken schoten van den wal, die blijkbaar ook op goed geluk af werden losgebrand, want geen enkele kogel trof de boot of een van de vluchtelingen.

Dezen merkten echter duidelijk, dat zij met kracht werden achtervolgd. Zij hoorden de gelijkmatige riemslagen der vijanden.

Marten had zijn roer weer geladen, en wachtte een gunstig oogenblik af om opnieuw te vuren.

De wind gierde door het want, en soms schepte de boot water, maar dat verwekte thans geen vrees meer, integendeel blijdschap, want het scheen hun onmogelijk toe, dat de vijanden zóó snel konden roeien.

Ook de vijanden begonnen dat te begrijpen, en ziende, dat de prooi hun dreigde te ontsnappen, schoten zij hunne musketten af. Aelbert hoorde, dat een der kogels door het zeil vloog, en riep Anna toe:

„Buk, Anna, zoo diep als je kunt!”

Anna deed het, en hij zelf maakte zich ook zoo klein mogelijk.

„We vliegen door het water!” riep hij de anderen toe.

„Ja, Goddank!” zei Marten, die nog altoos het geladen musket gereed hield om te vuren. „Ikverneem geen riemslagen meer, en geloof, dat wij winnen.”

Kees stond overeind in de boot en liet een nijdig geblaf hooren. Gelukkig voor de Spanjaarden, dat hij hen niet bereiken kon, want anders zou hij hen even feestelijk getrakteerd hebben als indertijd Hopman Wybe Sjoerds en diens Vaandrig.

Nogmaals knalden de schoten, en Anna hoorde een kogel rakelings langs haar hoofd fluiten.

„Marten, buk toch!” riep zij verschrikt haar broeder toe. „Breng je niet onnoodig in gevaar!”

Na enkele minuten gaven echter de Spanjaarden de vervolging op, tot groote vreugde van de vluchtelingen, die nu overtuigd waren, dat het grootste gevaar geweken was.

Weldra hadden zij den uitgang van de Fuikvaart bereikt en voeren het Haarlemmermeer op. En enkele uren later kwamen zij behouden aan den IJoever aan, waar zij zich geheel veilig voelden. Hunne harten klopten onstuimig van vreugde. Het waagstuk was gelukt en Anna bevond zich in veiligheid. Zij brachten het bootje over den Westzaner Overtoom, zonder Jan Slob te wekken, die in diepe rust lag, en bereikten in den vroegen morgen de hoeve van 't Oude Hoen.

Met een gelukkigen glimlach op het gelaat stapten zij aan wal en traden de hoeve binnen, waar Geerte, Aelberts moeder, hen met een kreet van vreugde ontving.

O, hoe was zij bezorgd geweest over het lot van de beide dappere jongelingen, die zich zoo stoutmoedig binnen de benarde stad hadden gewaagd, om Anna te zoeken en zoo mogelijk te redden. En Anna drukte zij schreiende van vreugde aan haar hart. Maar daarna werd haar gelaat overtogen door een uitdrukking van onuitsprekelijke droefheid, en zij trok Aelbert tegen zich aan en riep zacht uit, terwijl uit haar toon jammer en droefheid klonk:

„Ach Aelbert, dat je Vader deze vreugde nu niet zien mag. Hoe zou hij zich verheugd hebben....”

Verschrikt en ontsteld maakte Aelbert zich uit de armen zijner moeder los, en vroeg:

„Moeder,—wat zegt u daar?—Vader is toch niet—”

Vrouw Geerte barstte in hevige snikken uit, en zacht antwoordde ze:

„God weet het, kind, of hij nog leeft. Hij is in de handen der Spanjaarden gevallen, en ik ducht, dat zij met den gevreesden 't Hoen weinig medelijden zullen hebben. O,—gisteren is hij bij de Diemerschans door de Spanjaarden gevangen genomen,—en wreedaardig als zij zijn, zullen zij hem wel gedood hebben...”

Doodsbleek hoorden Aelbert en Marten deze vreeselijke tijding aan, en Aelbert drongen de tranen in de oogen.

„Arme,—arme vader,” mompelde hij zacht, enin zijne verbeelding zag hij reeds, hoe de vijanden den ongelukkige hadden doodgemarteld...

Zij begaven zich naar de woonkamer, waar enkele Vrijbuiters om de tafel zaten. Zij hadden den noodlottigen strijd aan de Diemerschans medegemaakt, waar Oranje een laatste poging had gedaan om Haarlem te ontzetten, maar waar zijn leger totaal verslagen en zijne vloot op de vlucht gejaagd was. De Kennemer Vrijbuiters hadden na een dapper gevecht een goed heenkomen moeten zoeken, en 't Oude Hoen was daarbij door de vijanden gevangen genomen en in triomf medegevoerd.

Zwijgend en somber zaten de Vrijbuiters, die zoo pas waren aangekomen en de vreeselijke tijding hadden medegedeeld, om de tafel, en met weemoed dachten zij aan het vreeselijke lot, dat hun dapperen aanvoerder getroffen had. O, zij twijfelden er niet aan, of de Spanjaarden zouden hem een ontzettenden marteldood laten sterven.

De komst der jongelieden bracht eenige levendigheid onder deze stoere mannen en verschafte hun vreugde, want de jonge Vrijbuiters stonden bij hen in hoog aanzien. Zij verheugden zich in hunne terugkomst en waren blijde, dat Anna de belegerde stad ontkomen was. Maar spoedig werd het weer stil in de kamer, en hoorde men bijna niets anders dan het zuchten van vrouw Geerte, die hare droefheid en tranen niet bedwingen kon en hevigsnikte. En zij zagen met deernis het bleeke gelaat van Aelbert, die door de vreeselijke tijding diep geschokt was.

Opeens verbrak Marten de stilte door te vragen:

„Vrienden, zouden wij geen poging kunnen doen om hem te redden? Wie weet, waarheen hij gevoerd is?”

„Hem redden?” vroegClaesKees Symensen, „hoe zouden wij dat moeten doen, Marten? Wij weten niet eens, waar hij zich bevindt...”

„En zou hij nog wel in leven zijn? Ik betwijfel het,” sprak JanDieuwerszacht. „Voor een Vrijbuiter heeft de Spanjaard geen genade, en stellig niet voor 't Oude Hoen!”

„Maar we konden het toch beproeven,” hield Marten vol. „Als een van ons een dergelijk lot getroffen had, weet ik zeker, dat hij rust noch duur zou gehad hebben...”

„Maak je geen illusies, Marten,” viel Symensen in. „Hadt jij, evenals wij, de vreugdekreten der vijanden gehoord, toen 't gevreesde Hoen hun in handen viel, dan zou je geen oogenblik twijfelen aan zijn lot. Ik ben er van overtuigd, dat hij niet meer leeft...”

„O, als zij hem maar niet gemarteld hebben,” snikte Aelbert, terwijl hij zijne moeder de armen om den hals sloeg en zijn hoofd tegen haar schouder vlijde.

Anna stond met tranen in de oogen naast de bedroefde vrouw. Zij sprak niet, want woorden van troost wist zij niet, maar zij had de hand der arme vrouw in de hare genomen, en drukte die met innig medelijden.

Weer ontstond een diepe stilte in het vertrek.

Tot plotseling de deur geopend werd, en—'t Oude Hoen in levenden lijve aan den ingang verscheen.

Geerte slaakte een kreet van vreugde en wierp zich schreiende in zijne armen. Ook Aelbert en Marten sprongen op en ijlden naar hem toe, en de Vrijbuiters stonden in de grootste verbazing hem aan te staren. Maar vreugde tintelde in hun oog, en een blijde glimlach plooide hunne lippen.

„'t Oude Hoen!” riep Claes Kees Symensen verheugd uit. „God lof! Hij is het gevaar ontkomen!”

En van alle kanten klonk het: „Godlof! Godlof! Hij leeft, en is het gevaar ontkomen!”

't Oude Hoen sloeg zijn eenen arm om zijne vrouw en zijn anderen om Aelbert, die beiden niet spreken konden van vreugde, en zeide met krachtige stem:

„Ja, mijne vrienden, ik ben het gevaar ontkomen, maar niet door eigen kracht. Thans weet ik, dat ook in het hart van een Spanjaard edelmoedigheid kan wonen. Vrijwillig en zonder losgeld heeft mijn vijand mij de vrijheid hergeven...”

De grootste verbazing stond op aller gelaat te lezen, en menigeen mompelde: „De vrijheid hergeven, zonder losprijs? Hoe is dat mogelijk?”

„Ik was gevangen genomen door de Walen, die mij voor hun veldheer brachten, en verwachtte niets anders dan den dood, en wel den smartelijksten, dien men mij zou kunnen aandoen. Maar de Overste zei met vriendelijke stem:

„„'t Hoen, dit is de tweede maal, dat ik u ontmoet. Den eersten keer bood ik u als gedachtenis een geschenk aan, dat door u geweigerd werd. Thans schenk ik u niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Ga heen, en onthoud, dat ook een Spanjaard edelmoedig kan zijn.””

„Zijn naam?” riep de voortvarende Symensen uit. „Hoe is de naam van dien edelen Spanjaard?”

En kalm was het antwoord:

„De Heer Van Licques!”

Hiermede is mijn verhaal ten einde. Anna bleef in de Hoeve van 't Oude Hoen, waar Vrouw Geerte haar weldra lief kreeg als eene dochter.

De Kennemer Vrijbuiters zetten nog langen tijd den strijd tegen de Spanjaarden voort, en bedreven nog menige roemrijke daad, zooals men die in elkeuitgebreide beschrijving van onze Vaderlandsche Historie vinden kan. En zij rustten niet, voordat Holland voor goed van de Spanjaarden was gezuiverd. In het volgende jaar begon van Alkmaar de Victorie, die in 1648 met een eervollen vrede en eene algeheele vrijheid werd bekroond.

EINDE.

INHOUD.Blz.I.De boerenhoeve aan den Zuiddijk en hare bewoners7II.Ongewenscht bezoek, en hoe Kees daar een einde aan maakte21III.Wybe Sjoerds verveelt zich, en Marten krijgt eene uitnoodiging41IV.Een schoone dag, die een droevig einde had65V.De jonge zwerver88VI.Onder de Vrijbuiters104VII.De Spanjaarden te Westzaan. Een bezoek aan de ruïne der verbrande hoeve119VIII.Aelbert en Marten vangen een vink met gouden veêren136IX.Op den Sparendammer dijk165X.Hoe de jonge Vrijbuiters in het vijandelijk kamp kwamen, en hoe zij het verlieten180XI.In de bedreigde veste194XII.In de nachtelijke duisternis, en hoe een Spanjaard zijn woord van eer inloste209


Back to IndexNext