XIX

...zullen onze neven in tweegevecht gaan.......zullen onze neven in tweegevecht gaan....

"Het is mij onmogelijk, vriendinne", antwoordde Dakerlia treurig; "ik zou hem dankbaarheid willen betoonen, maar mijn hart mistrouwt zijne oprechtheid, en mijne ziel haat en verfoeit hem tegen mijnen wil."

"Ja, ik begrijp, Dakerlia; maar nu mijn arme broeder wel zeker dood is...."

Zij borst in tranen los en begon luide te snikken.

Alhoewel Dakerlia bij de woorden van Witta door diepe smart werd aangedaan, meende zij evenwel hare arme vriendin te troosten; maar nu hief zij, eensklaps getroffen, het hoofd op en overspande hare gehoorkracht, om de klanken op te vatten van een gesprek dat in de wachtzaal met ongewone drift werd gehouden.

Wat vertelde toch de Fransche wapenknecht? Wat zeide hij van dePorte de Ste-Catherineen vanle chevalier de Vos?

Verstond Dakerlia het gedeeltelijk of vermoedde zij slechts dat de praatzieke wapenknecht ook voor haar belangrijke dingen ging openbaren?

"Stil, stil!" murmelde zij met haast aan Witta's oor. "Blijf, laat mij luisteren!"

En met loozen stap tot het ander einde der kamer gaande, legde gij het hoofd tegen het paneel der deur. Wat zij hoorde moest haar zeer verrassen en ontroeren; want de uitdrukking haars gelaats veranderde veelmalen. Nu verkrampten hare lippen van verachting of van haat, dan glinsterden hare oogen van verwondering, dan weder glimlachte zij bitter of deed met de handen een gebaar van gramschap.

Na eene lange wijl eindigde daarbuiten het gesprek met eenen schaterlach en met het klinken der bekers.

Dakerlia keerde terug nevens Witta en zeide met ontstelde stemme:

"IJselijk! Wat monster! Hoe kan God zulken valschaard onder zijnen hemel dulden! Waarom verbliksemt Hij de venijnige slange niet?"

"Wat is het? Wat hebt gij gehoord?" vroeg Witta, verschrikt door de fonkelende oogen harer vriendin.

"Wat ik heb gehoord, Witta? Het is een gruwel. Daar sprak een wapenknecht; hij beroemde zich, bij de inneming van Brugge een van de eersten binnen de Kathelijnepoort te zijn gedrongen; en, om zijne gezellen te overtuigen, dat hij er inderdaad tegenwoordig was, legde hij uit hoe de zaak was toegegaan. Weet gij wie onze stad aan de Isegrims heeft verkocht? wie, als een godverlaten moedermoorder, de vijanden binnen Brugge heeft geleid? Wie? Disdir Vos!—O, het wangedrocht! Hij is de schuld van den dood onzer arme Kerels, de schuld van Robrechts dood. Hij kome, hij hoone mij nog door zijne laffe liefdewoorden!"

Zij sprong in vervoering recht en, terwijl zij met de oogen rondom de kamer iets scheen te zoeken, ging zij voort:

"Ik, zwakke vrouw, ik voel mij bekwaam om het vaderland op den snooden verrader te wreken! Ik ben eene Kerlinne; de haat maakt mij sterk.... Maar geen wapen, geen wapen! De booswicht heeft alles weggenomen; hij vreest! Ha, hij kent mij. Mijn vader dood, mijn bruidegom dood, wat geldt mij nog het leven!..."

Door de zenuwontsteltenis uitgeput, liet zij zich nevens Witta op den zetel zakken en bleef hijgend allerlei onduidelijke bedreigingen tegen Disdir Vos mompelen.

Witta greep haar de hand en zeide bevende:

"O, Dakerlia, ik smeek u, bedaar. Gij doet mij bezwijken van schrik. Mher Vos gaat komen waarschijnlijk. Indien gij hem zijne schandelijke daad verwijt en hem bedreigt, zal hij ons aan de Isegrims overleveren. Wij zullen zonder bescherming aan de wacht der grove wapenknechten overgeleverd worden. Mijn God, mijn God, dan worden wij de slachtoffers hunner woeste baldadigheid! Dakerlia, vreest gij dit ijselijk lot niet? Ach, het is honderdmaal schromelijker dan de marteldood! Ik bid u, ik bezweer u, Dakerlia, bij de liefde die mijn zalige broeder u toedroeg, bij uwe vriendschap voor mij, word kalm, bedwing uwe rechtvaardigen haat voor den verrader.... Ho, de hemel bescherme ons, daar komt hij!"

Inderdaad, de deur werd geopend en Disdir Vos, met den helm op het hoofd en het harnas aan de leden, trad in de kamer.

De beide jonkvrouwen, bij zijne komst met schrik geslagen, kropen dichter bijeen; Witta verborg haar aangezicht met de handen; Dakerlia hield eenen blik vol misprijzen op Disdir Vos gericht.

"Gij ziet het, jonkvrouwen", zeide Disdir, "ik kom gansch uitgerust tot u. Daareven verlaat ik den veldheer, om u eene haastige, eene droeve tijding te brengen. De raad der ridders is vergaderd geweest om over uw lot te beslissen. Gij weet het, ik heb het u reeds gezegd, dat al onze broeders, die levend in de handen der Isegrims vallen, als verdacht van medeplichtigheid aan des graven moord, zonder genade ter dood worden veroordeeld. Dezen morgen nog heeft men er wel twintig op het Zand gemarteld en aan stukken gehakt. De krijgsraad heeft, eilaas, nu insgelijks uitspraak over uw lot gedaan. Als zuster en als verloofde vaneenen Erembald, van eenen Kerel, die, volgens hunne meening, tot den moord van graaf Karel heeft medegeholpen, zijt gij beiden veroordeeld om door den beul onthoofd te worden...."

Hij zweeg en speurde na welken indruk deze schrikkelijke tijding op de beide jonkvrouwen zou uitoefenen.

Een scherpe angstkreet ontsnapte de bevende Witta. Jonkver Wulf aanschouwde hem integendeel met eenen tergenden twijfellach op de lippen.

"Er is slechts één middel voor u om uw leven nog te redden", hernam Disdir Vos. "Dat Dakerlia mijne hand aanvaarde, en de veldheer schenkt u beiden genade. Anders wordt gij morgen, voor den middag, naar het Zand gesleurd en zal uw hoofd, ten aanzien der menigte, van het bloedige kapblok rollen. Nu, Dakerlia, wilt gij niets doen voor uw eigen behoud, heb toch deernis met uwe arme vriendin. Red haar van den ijselijken marteldood door eene kleine opoffering. Zoolang Robrecht Sneloghe leefde, kon ik uwe weigering begrijpen. Nu hij in het graf is gedaald, ziet wel zeker zijne ziel uit den hemel op u neder, wachtende op uwe beslissing. Zult gij wreed en onmenschelijk genoeg zijn om zijne zuster, om u zelven eenen schandelijken dood toe te wijden? Gij antwoordt niets, in uwe oogen fonkelt de spot, zinnelooze? Gelooft gij mij dan niet?"

Door haar hardnekkig stilzwijgen en door hare misprijzende uitdrukking verbolgen, stapte Disdir dreigend tot haar, en meende haar bij den arm te grijpen; maar zij sprong recht, stiet hem met kracht achteruit en riep:

"U gelooven? Uit den mond van hem die de valschheid zelf is vloeit niets dan logen. Weg van mij, raak mij niet; uwe handen besmetten! Uwe bruid? Ik? Zeidet gij de waarheid, dan zou mijne hand de prijs van uw verraad worden? Dakerlia Wulf zou haar leven slijten in de armen van het wangedrocht dat onze stad Brugge aan de Isegrims heeft overgeleverd? Neen, sterven, liever honderdmaal sterven. Achteruit, verrader, niets in mijn hart voor u dan afkeer, misprijzen en haat!"

"Hemel, wat beteekenen uwe woorden?" gromde Disdir Vos, als verpletterd door de openbaring der vertoornde maagd. "Gij spreekt van verraad? Gij zegt dat ik den vijand onze stad Brugge heb overgeleverd?"

"Ja, veins, huichel de onschuld", schertste Dakerlia, "ik weet alles! Ha, gij zijt in den nacht tot mher Gervaas gegaan, gij hebt hem de stad verkocht, en waarschijnlijk was mijne hand in den prijs der misdaad begrepen. Zoo, zoo, gij dwaze snoodaard, gij meendet dat ik den moord der Kerels, dat ik den dood van Robrecht u zou betalen! Ga, roep de beulen; ik zal sterven met eene vermaledijding tegen u op den mond. Tot in het graf zal ik hem haten, den laffen verkooper van Kerlingaland!"

Disdir scheen te beven onder den indruk van Dakerlia's ontzagwekkende houding en vurige woorden. Hij was eenige stappen in de kamer teruggeweken en bulderde daar onverstaanbare bedreigingen.

Eindelijk, als hadde hij een opperst besluit genomen, zeide hij:

"Ha, het is zoo? Gij laat mij niet de minste hoop, zelfs niet in eene verwijderde toekomst? Gij worstelt en vecht tegen mij, en gij vindt vermaak in mij uit te dagen? Roekelooze, gij zult mij kennen! Ik keer terug naar den veldheer; ik lever u over aan uw lot; bereid u tot den dood; de zon van morgen zal uwe beider lijken beschijnen!"

Onder het slaken van eenen noodkreet, liet Witta zich geknield ten gronde vallen, kroop tot voor Disdir Vos, hief hare handen smeekend tot hem op en riep om genade.

Het scheen dat Disdir niet gewillig alle hoop, om Dakerlia nog te overwinnen, verzaakte; want hij hief Witta met eene hand op, en zeide haar:

"Arme jonkvrouw, hoe ontstelt u de vrees des doods! Ik heb deernis met u en zou u willen redden. Beproef of gij uwe vriendin betere gedachten kunt inboezemen. Ik gun u twee uren, nog twee uren tijds zal ik van den veldheer afbidden. Dan keer ik terug. Weigert Dakerlia mijne hand, dan wordt haar noodlottig "neen" u beider een onherroepelijk doodvonnis. Kiest geluk en rijkdom of schavot en graf."

Hij stapte haastig ter zaal uit en sloeg de deur geweldig toe.

Witta voegde de handen te zamen en riep tusschen overvloedige tranen:

"O, Dakerlia, heb medelijden met mij! Sterven, sterven, op het schavot, zoo jong! Ik ben vervaard, ik bezwijk van schrik.Wees niet zoo wreed! Zie mijne tranen aan, geef mher Disdir een goed woord!"

"Ik laffelijk terugwijken voor den dood, die mij moet verlossen?" riep Dakerlia met opgewondenheid. "Ik de bruid worden van dengene, die door zijn snood verraad uwen armen broeder heeft vermoord; ik vriendschap bewijzen aan den verkooper van mijn land? Nimmer, nimmer! Kome de dood; hij zal mij opvoeren bij mijnen vader, bij mijnen bruidegom, in den schoot van God!"

Overtuigd dat hare smeekingen niets op hare vriendin zouden vermogen, erkennende misschien wat er wangedrochtelijks zou zijn in een huwelijk tusschen Dakerlia en den vijand van Robrecht, sloeg Witta, met eene grievende klacht, de armen om den hals der sterkmoedige maagd, en legde dan snikkende het hoofd tegen hare borst....

Terwijl dit tooneel tusschen Disdir Vos en de beide ongelukkige jonkvrouwen plaats greep, was Robrecht Sneloghe bij zijnen oom, den proost, die vele moeite inspande om hem van den ontworpen uitval te doen afzien. Maar de jonge ridder weerstond zijne vermaningen en gebeden, en verliet hem eindelijk met de woorden:

"Bid intusschen voor mij, oom lief. God is vergramd op ons; maar dat Hij nog eens, eene enkele maal nog, mij Zijne bescherming gunne! Ach, hoe zou ik Hem zegenen tot aan het graf, indien Hij mij de genade gunde, u te mogen toeroepen: "Zege, zege, verlost is mijne arme zuster, verlost is Dakerlia!"

Hij haastte zich over het plein. Zijn vriend Eggard Van IJsendijke zeide hem:

"Alles is gereed; wij wachten uw bevel."

"Weet ieder wat hij te doen heeft?"

"Ja; Yorg Koevoet zal de voorhoede houden. Degenen die u niet mogen verlaten en, in geval wij gelukken, uwe zuster en jonkvrouw Dakerlia moeten beschutten, staan in het midden. Met de anderen zal ik u volgen en, waar eenig gevaar u dreigt, zal ik stand houden en den vijand werk geven, om uwe vlucht te beschermen."

"En de mannen met den beukram?"

"Zij hebben hem reeds op de schouders."

"Het is wel Eggard, beveel de stilte. Eens buiten de poort zullen wij weinig acht op de pijlen slaan, vooruitloopen, immer vooruit over den Maalberg en door de Wapenmakersstraat. Men volge mij zonder gerucht!"

De gansche bende, misschien wel honderd man sterk, bewoog zich door de duisternis en stapte tot achter de Hoogpoort, die zeer langzaam en zachtjes werd geopend.

Robrecht, die al de anderen vooraf was, gaf met verdoofde stem het sein tot het vertrek.

Eerst slopen de Kerels, gebukt en met looze stappen, over de brug; maar nu werden zij door de schildwachten des vijands bemerkt, en van vier of vijf kanten tegelijk werden hun pijlen toegestuurd, terwijl de verraste wapenknechten de lucht onder hunne noodkreten deden hergalmen.

"Vooruit, vooruit, loopt, loopt!" riep Robrecht.

De Kerels, zijn bevel gehoorzamende, smeten eenige vijanden overhoop, die hun den weg wilden versperren, en stormden dan over den Maalberg de Wapenmakersstraat in.

Zonder nog eenen ernstigen tegenstand te ontmoeten, geraakten zij voor den Steen van Disdir Vos; en dewijl men weigerde hun de poort te openen, begonnen zij onmiddellijk met den ram zoo geweldig er tegen te beuken, dat het was alsof de gansche stad er van dreunde.

Het was geen gemakkelijk werk; de poort weerstond de herhaalde slagen en bleef onwrikbaar, als hadde men ze van achter met eenen aarden wal bedijkt.

Welke schrik, welk lijden verscheurden Robrechts hart! Hoe stond hem, bij die vergeefsche krachtinspanningen, het angstzweet op het aangezicht! Zijne poging zou mislukken; het bloed zijner moedige gezellen zou nutteloos vergoten worden. Zijne arme zuster, zijne ongelukkige verloofde zouden in de macht van den snooden verrader blijven. Ja, want de noodhoorns hergalmden op de Markt. Reeds waren vele vijanden op het gedonder der ramslagen komen toegeloopen; Eggard en Yorg waren in eenen drukken strijd gewikkeld; pijlen snorden door de straat, en reeds waren eenige Kerels met verbrijzelden schedel of met doorboorde borst nedergevallen.

Robrecht stelde zelf zich aan den ram en vuurde de kracht der beukers aan door koortsige uitroepingen; hij beloofde hun zelfs eene aanzienlijke belooning indien zij de poort ten gronde konden werpen.

Een zegevierende kreet, een gehuil van blijdschap ontsnapte hun: het slot der poort was gesprongen, en hare beide deuren waren wagenwijd opengevlogen.

Door zijne mannen gevolgd, stormde Robrecht in den Steen. Op den voorhof stieten zij wel op de twintig wapenknechten, aan wie de wacht was toevertrouwd, maar Robrecht, door de woeste slingeringen van zijn zwaard, smeet er twee of drie omverre en liep, zonder nog om te zien, naar het achtergebouw, waar hij in eene verlichte kamer de schaduw van Disdir Vos meende te zien wemelen.

Hij beukte met eenen ontzaglijken druk van zijnen schouder de deur open en hief zijn zwaard in de hoogte, om zijnen bloedvijand het hoofd te klooven; maar een dubbele noodkreet klonk hem tegen, en hij zag zijne verloofde en zijne zuster, die in eenen hoek der kamer elkander angstig hielden omarmd.

"O, Witta, Dakerlia", riep hij, "staat op, volgt mij, ik kom u redden!"

"Dank, o hemel, hij leeft, mijn broeder leeft! Robrecht, Robrecht!" galmden de jonkvrouwen, hem met zinnelooze blijdschap aan den hals vliegende. "Gij leeft, Disdir heeft ons bedrogen? Welk geluk!"

"Geen woord, geen woord!" beval de jonge ridder met vurige haast, "Komt, komt!"

En dewijl zij, door blijdschap te diep ontroerd, hem niet schenen te begrijpen, sloeg hij zijne armen hun om het lichaam en dreef ze met geweld naar buiten.

"Hier, hier, mijne mannen! Beschut, beschermt de vrouwen!" riep hij.

Zijn bevel werd gehoord en volvoerd. Een dertigtal Kerels omringden hem, terwijl de anderen, door Eggard Van IJsendijke en Yorg Koevoet aangevoerd, langs beide zijden in de straat zich verdedigden tegen eenen dikken drom vijanden.

"Nu vooruit, vooruit naar den burg!" gebood Robrecht meteene stem die door den toon der uiterste blijdschap was versterkt en begeesterd.

De Kerels drongen strijdend voorwaarts en poogden zich met hunne zwaarden ter redding der jonkvrouwen eenen vrijen weg door de toeloopende vijanden te banen. Zij vonden een hardnekkigen tegenstand en vorderden, bij het verliezen van velen hunner gezellen, slechts langzaam. Weder begon Robrechts hart zich met doodelijken angst te vervullen. Zou hij nu met zijne dappere Kerels bezwijken op het oogenblik zelf dat hij God had gedankt om Zijnen bijstand? Zouden zijne zuster en zijne verloofde terugvallen in de macht van Disdir Vos? Hoorde hij niet in de verte op de Markt een gebruis als van eenen nakenden orkaan? Gingen duizenden vijanden hem bespringen?

Tot dan had hij zonder strijden over zijne zuster en Dakerlia van nabij gewaakt; maar deze pijnlijke gedachten ontrukten hem eenen schreeuw van wanhoop. Hij hief zijn zwaard in de hoogte, sprong vooruit aan het hoofd zijner mannen en ontvlamde hunnen moed en hunne krachten door zijn voorbeeld en door zijn vurig woord.

De vijanden werden teruggedreven, omvergeworpen en verstrooid.

De Kerels, zonder dat nog iets hunne vaart kon stuiten, liepen over den Maalberg en in den burg, waarvan de poort, bij hunne komst geopend, onmiddellijk weder werd gesloten.

De lucht hergalmde eenigen tijd van zegevierend gejuich en van schaterend gejubel.

Robrecht zelf hief de handen ten hemel en zegende God over het welgelukken zijner vermetele poging. Hij sprong beurtelings Yorg Koevoet en Eggard Van IJsendijke aan den hals, drukte in de duisternis de handen zijner moedige gezellen, dankte hen met uitgelaten blijdschap en riep, dat hij hen allen mildelijk zou beloonen.

Dan greep hij zijne zuster en zijne verloofde bij de armen en trok hen naar de proostdij.

"Komt, komt, bij mijne ooms!" zeide hij, "ach, hoe gelukkig zullen zij zijn, u behouden weder te zien!"

Hij wierp de deur eener zaal open; Witta viel juichend den proost aan den hals, en Robrecht riep met geestdrift uit:

"God heeft mij beschermd. Verlost is mijne goede zuster, verlost is onze lieve Dakerlia"

Eenige dagen na hunne verlossing, in den vroegen morgen, zaten Dakerlia en Witta in eene benedenzaal van des kasteleins Steen, waar Hacket hen had geherbergd, terwijl Robrecht integendeel binnen de proostdij zijn verblijf had.

Eggard Van IJsendijke, de jonge en dappere vriend van mher Sneloghe, hield de jonkvrouwen gezelschap en koutte vroolijk met hen. Hij wendde zich bij voorkeur tot Witta, die een groot vermaak in zijne samenspraak scheen te vinden en niet naliet bij elke gelegenheid hem te loven en te danken voor de krachtdadige hulp welke hij tot hunne redding had geleend. Ja, zij getuigde dikwijls dat zijne edelmoedige opoffering en zijne onversaagdheid alleen het welgelukken dezer vermetele onderneming hadden mogelijk gemaakt.

Nu antwoordde Eggard op eene bemerking van Dakerlia:

"Ja, jonkver Wulf, het is zoo, men heeft gisteren nog op bet kerkhof van St-Donaas eenen pijl gevonden met eenen brief waarin men ons, namens den graaf Willem Van Loo, tot standvastigheid aanmoedigt en ons laat weten dat het Kerlenleger welhaast naar Brugge zal komen om ons te verlossen. Onze graaf Willem Van Loo zal zeker wat tijds behoeven om zijne heirkracht in te richten; hij is een ervaren en voorzichtig krijgsman, die niets onzekers wil wagen. Men handelt niet met een talrijk leger als met eene geringe bende. Gij ziet wel dat de Gentenaars,die door de Isegrims sedert acht dagen worden verwacht, nog niet verschenen zijn."

"En zoohaast de Gentenaars aankomen, zal men den burg bestormen?" vroeg Robrechts zuster met eenen zucht.

"Ongetwijfeld, jonkver Sneloghe."

"Ach, en dan zal mijn broeder en dan zult gij, mher Eggard, alweder moeten strijden!"

"Tenzij het Kerlenleger eerder dan de Gentenaars binnen Brugge trede. In alle geval, jonkvrouwen, weest niet bekommerd: de burg is sterk, en de Isegrims zullen er niet in geraken voor de komst van ons leger, al moesten wij zelfs weken lang op ontzet wachten."

"En indien er nog een verrader tusschen u zich bevond?" bemerkte Dakerlia.

"Neen, zulke wangedrochten zijn zeldzaam. In den burg tellen wij slechts trouwe en beproefde gezellen."

Er trad eene hoogstaltige vrouw met helgekleurd aangezicht en mannelijke trekken in de kamer. Het was eene der twee Kerlinnen, die toegestemd hadden om de jonkvrouwen alsgezellinnenbehulpzaam te zijn. Zoo ten minste kenmerkten zij zelven den last dien zij hadden aanvaard; want de woordendienenendienstmeidwilde men onder de vrije Kerels niet kennen.

Zij legde een wit ammelaken op de tafel en schikte er eenige borden en drinkschalen op.

"Jonkvrouwen, het ontbijt is gereed", zeide zij. "Gelieft het u dat ik het opbrenge?"

"Ja, Elswinde", antwoordde Witta, "maar wees zoo goed mijnen broeder door iemand te doen roepen. Hij is waarschijnlijk in de proostdij."

"Hij wandelt op den wal, boven de Hoogpoort", bemerkte Elswinde, "ik heb hem daar straks van verre gezien."

Zij stapte ter zaal uit en keerde eene wijl daarna met eene andere vrouw terug. Beiden droegen spijzen aan en gingen voort met de tafel tot het ontbijt te schikken.

Mher Sneloghe kwam binnen, drukte Dakerlia met teederheid de handen en omhelsde zijne zuster, onder het murmelen van eenen blijden morgengroet. Nadat hij insgelijks zijnen vriendEggard de hand had gedrukt, zette hij zich bij de tafel nevens Dakerlia. Allen bogen het hoofd en murmelden een dankgebed.

Op de tafel stonden kannen met warme melk en eene kom met gortebrij.

Onder het nuttigen dezer lichte morgenspijzen, zeide Robrecht tot zijnen vriend:

"Wij hebben vanwege den graankoopman Elfrid Rooster en van anderen nog, brieven ontvangen nopens zekere verrassende tijdingen, die gisteren in de stad zijn aangekomen. De koning van Frankrijk heeft boden aan mher Gervaas Van Praet en aan de schepenen van Brugge gezonden, om hun te gebieden, zonder uitstel tot het kiezen van eenen nieuwen graaf over te gaan. De stad Gent heeft insgelijks zulk bevel ontvangen."

"Wat beteekent dit?" riep Eggard spottend. "Meent de koning van Frankrijk nu dat hij zich met de zaken van Vlaanderen te bemoeien heeft?"

"Het is in den beklaaglijken moord des graven dat hij ongetwijfeld beweert dit recht te putten", antwoordde mher Sneloghe. "Gij weet dat hij zich als wraakeischer van graaf Karel aanstelt. Hij was zijn neef; de bloedplicht gebied hem zijne moordenaars te vervolgen."

"Maar de schepenen en de poorters van Brugge zullen wel zeker weigeren tot zulke keus over te gaan, op bevel of op verzoek van eenen vreemden vorst?"

"Neen, Eggard, daarin bedriegt gij u. Binnen drie dagen zullen de poorters op het Zand vergaderen, om eenen nieuwen graaf te kiezen."

"Ik begrijp het wel", bemerkte Dakerlia, "de schepenen en poorters zullen voor Willem Van Loo stemmen; en zoo zal de koning van Frankrijk in zijne verwachting teleurgesteld worden."

"Hopen wij het!" zeide Robrecht. "Er is evenwel, denk ik, eene groote verdeeldheid over deze zaak onder de poorters. De moord des graven heeft ons meer dan de helft der Bruggelingen vijandig gemaakt. Anderen zullen misschien in de keus een middel zoeken, om eenen langen en verdelgenden oorlog te voorkomen. Er zijn reeds drie vorsten die afgezanten naar Brugge hebben gezonden om zich aan de keus der ridders en der poorters voor testellen. De eene is Diederik van den Elzas, de tweede is de graaf van Henegouwen en de derde is zoon der gravin van Holland, die allen afstammen van onze vorige graven en beweren recht te hebben tot het erven der kroon van Vlaanderen."

"De eenige die kans heeft op het bekomen van een zeker getal stemmen is Diederik van den Elzas", bemerkte Eggard. "Hij staat bekend als een dapper en vrijheidlievend vorst. Indien hij gekozen werd, zou daaruit wel eene erge verwikkeling voor onze zaak kunnen ontstaan."

"Toch niet, Eggard. Deze keus is geheel onverschillig voor ons. Wat er ook geschiede, Willem Van Loo moet zijne kroon door veldslagen en zegepralen winnen. Ongelukkiglijk heeft Burchard door zijne vloekbare misdaad de eensgezindheid, welke tusschen de poorters en de Kerels bestond, geheel vernietigd. Anders ware de zaak reeds beslist en afgedaan. Gansch Vlaanderen hadde Willem Van Loo als graaf toegejuicht. Hoe deze worsteling nu voor hem zal eindigen, dit weet God alleen!"

Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, trad Yorg Koevoet in de kamer.

Na de jonkvrouwen minzaam te hebben gegroet, zeide hij:

"Vrienden, komt toch kijken. De Gentenaars zijn aangekomen. Van boven den wal kan men ze zien voorbijtrekken. Zij zijn zeer talrijk. Het spel gaat nu eens voor goed beginnen!"

Robrecht en Eggard stonden op om Yorg naar buiten te volgen. Door nieuwsgierigheid aangedreven, betuigden de jonkvrouwen den wensch om mede op den wal te gaan; maar Eggard en Robrecht deden hun begrijpen dat de vijand nu en dan met pijlen schoot en het immer gevaarlijk was achter de kanteelen te wandelen.

Zij lieten zich raden en bleven in de kamer, de ridders tot voorzichtigheid aanmanende.

Robrecht wilde den wal aan den linkerkant der Hofpoort beklimmen; maar Yorg Koevoet hield hem terug en zeide:

"Neen, niet langs dezen kant; daar staat Burchard. Ontwijken wij den norschen woestaard. Nu ongeveer een half uur geleden, heb ik nog eenen hevigen twist met hem gehad."

"Zoo? Waarover?"

"Hij was alweder bezig met u te beschuldigen, Robrecht, omdat gij volgens hem bij den nachtelijken uitval meer dan dertig dappere gezellen hebt opgeofferd tot eene poging die voor der Kerlen verdediging geen het minste belang had."

Robrecht liet een gemor van gramschap hooren en deed eenen stap om tot Burchard op te klimmen; maar Yorg Koevoet greep hem den arm en zeide lachend:

"Kom, kom, mher Sneloghe, stoor u niet in de spijtige woorden van Burchard. Laat hem over aan zijn lot. Hij wordt nu meestal door onze gezellen gevlucht, en dwaalt grommend en met sombere blikken rondom de wallen. De boete der misdaad begint reeds voor hem."

"Gij hebt gelijk, mijn vriend", sprak Robrecht, het hoofd schuddende. "Ik moet de belofte vervullen welke ik mijnen ooms heb gedaan. Het kost mij veel.... Kom, wij zullen nevens de proostdij op den muur gaan."

Toen zij boven achter de kanteelen stonden, hielden zij met verwondering de oogen op de voorbijtrekkende scharen hunner nieuwe vijanden gericht.

De Gentenaars, om eene breede baan te vinden, waren van de Gentpoort naar de Steenstraat afgedaald, en hunne eerste benden trokken nu langs de oostelijke zijde der Markt, voorbij de St-Christoffelskapelle, de St-Jacobsstraat in, om plaats te maken voor degenen die moesten volgen.

Aan hun hoofd reden: Segher, kastelein van Gent, hun bevelvoerder, Ivan Van Aalst, Daniël van Dendermonde, Balder Van Deinze, Walter Van Lillers en nog eenige andere Vlaamsche ridders.

Gedurende langen tijd zag men slechts kruisboogschutters, speerdragers en knotsvoerders voorbijtrekken; maar dan verschenen eindelijk de beruchte stormgewerken van den burg van Gent.

Wel zestig wagens en zware voertuigen van alle slag volgden elkander op, en schikten zich in twee rijen langs de huizen der Markt.

Alhoewel vele stormgestellen uiteen op de wagens lagen, kon men toch de meeste nog herkennen. Vooraan reden de Springhalen, die bij elke ontspanning veertig of vijftig groote pijlen overde muren der belegerde sterkte schoten; dan de Blijden, waarmede men groote steenen en rotsblokken den vijand toezond; dan stormtorens met valbruggen, om op de wallen der burgen over te loopen; dan een honderdtal Schildpadden of groote beukelaars, van sterke wissen gevlochten en overdekt met ossenleder; verder vele wagens met ladders van alle grootte: de eenen reusachtig van gestalte en zestig voet lang, de anderen licht en door weinige mannen draagbaar. Eindelijk volgden nog een aantal wagens, geladen met balken, haken, mokers, bijlen, hefboomen, spaden, koorden, katrollen en wat meer nog tot beleg eener sterke stad of burg kon behoeven.

Deze nieuwe heirkracht kon wel tweeduizend man sterk zijn. Of onder hen wel vele Gentsche poorters zich bevonden, dit was zeer te betwijfelen; want het grootste gedeelte droeg vuile, gescheurde kleederen van vreemden vorm, en geleek aan eenen zwerm landloopers of bedelaars. Eveneens kon men benden herkennen, samengesteld uit mannen die men tusschen de oud-Friesche bevolking van het Waasland had aangeworven en bijeengeraapt[71].

Het was te denken dat de Gentsche poorters, die wel wisten dat de Kerels de algemeene volkszaak van Vlaanderen tegen de dwingende heerschzucht der leenheeren verdedigden, geweigerd hadden tegen hen op te trekken. De kastelein van Gent beschikte over de stormtuigen en over al de mannen, die tot leenen der kroon behoorden. Waarschijnlijk had hij ook door groote beloften een zeker getal poorters overgehaald om hem naar Brugge te volgen.

Hoe het zij, al deze mannen schenen door eenen hevigen strijdlust bezield; want zij deden de Markt onder hunne zegekreten hergalmen, terwijl zij tusschen het bulderen der grofste vermaledijdingen hunne vuisten of hunne zwaarden dreigende naar den burg uitstaken.

Uit hun verward gejuich was te verstaan dat zij den burg opgevuld meenden met onschatbare rijkdommen, aldaar door de Kerels verzameld; ja, sommigen beweerden dat er kelders waren op welker vloer men de marken zilvers met de spade kon opscheppen. Zeker, het was veel meer de hebzucht en de begeerte naar deze schatten dan de haat tegen de Kerels die hunnen moed ontvlamden en hen naar den strijd deden snakken.

Zoohaast zijne mannen eenigszins op de Markt geschikt waren, trad de kastelein van Gent met eenigen der ridders, zijne gezellen, in een huis omtrent de St-Christoffelskapelle, dat men hem aangeduid had als het verblijf van mher Gervaas Van Praet.

Na den veldheer de hand te hebben gedrukt en eene vriendelijke groetenis met hem te hebben gewisseld, zeide hij:

"Wij zijn wat lang achterwege gebleven, niet waar, veldheer? De banen zijn slecht, en wij vorderden moeielijk met de zware stormtuigen. Heden hebben wij zelfs weinig meer dan een uur gaans afgelegd. Onze paarden hebben het lastig genoeg gehad; maar mijne mannen zijn frisch en licht, als stonden zij eerst van hun nachtleger op. Zij hijgen naar den strijd, en willen oogenblikkelijk alles tot eenen beslissenden stormloop bereiden."

"Hoeveel tijds is daartoe noodig?" vroeg de veldheer.

"Drie of vier uren. Korts na den middag kunnen wij vaardig zijn."

"Welnu, mijne ridders en wapenknechten betreuren reeds vele dagen de werkeloosheid waartoe zij zich veroordeeld zagen. Doe alles bereiden, kastelein. Wij zullen den burg met gansch onze macht en van alle zijden te gelijk aangrijpen. Heden zullen de moordenaars des graven levend of dood in onze handen vallen. Ik zal met u uitgaan om te beramen waar men best de Springhalen en Blijden kan stellen."

"Ik moet u iets zeggen, veldheer", bemerkte Segher, de kastelein, "opdat er geen misverstaan tusschen ons rijze. Wij, ridders, die al deze benden van woeste doch onversaagde lieden met groote haast moesten bijeenbrengen, hebben hun beloofd dat de burg en wat hij bevat, hun ter plundering zal worden overgelaten. Het is welbegrepen, niet waar, dat niemand de plundering zal pogen te beletten?"

Deze vraag scheen den veldheer en bovenal den ridders van zijn gezelschap zeer te mishagen. Mher Gervaas schudde denkend het hoofd.

...klommen zij inderdaad op de ladders.......klommen zij inderdaad op de ladders....

"Maar, heeren", riep de kastelein ontevreden, "de mannen die ons gevolgd hebben, zijn meerendeels zelf geene Vlamingen. Wij moesten hun toch eenig lokkend voordeel beloven. Wilt gij de plundering niet toestaan, het is uwe zaak; zij zal evenwel geschieden; want ik geloof niet dat gij machtig genoeg zoudt zijn om ze te beletten."

"Welnu, dat uwe mannen in den burg vrij plunderen!" zeide mher Gervaas, "op voorwaarde dat gij, heer kastelein, hen de poorters van Brugge en hunne eigendommen doet eerbiedigen."

Een ridder gromde verstoord:

"Maar, veldheer, indien men dus allen buit den Gentenaren toekent, wat zal er dan voor ons en onze wapenknechten overblijven?"

"Onze wapenknechten, indien zij met de Gentenaars in den burg dringen, zullen recht tot plunderen hebben, evenals zij. Wat ons betreft, wij zullen in de verdeeling van der Kerlen groote landeigendommen eene toereikende belooning vinden.... Kom nu, kastelein, en verhaasten wij zooveel mogelijk den arbeid uwer mannen."

Toen zij op de Markt kwamen, deelden zij, na eene korte beraadslaging, hunne bevelen uit. Eenige wagens zouden naar den Maalberg en naar de Hoogstraat gevoerd worden; andere naar de Vischmarkt, om zoo den burg van alle kanten met stormtuigen te omringen, en den Kerels, aangezien hun klein getal, de verdediging onmogelijk te maken.

Niet lang daarna hoorde men, op de Markt en achter den burg, tusschen het aanhitsend geroep der arbeiders, den fellen slag der hamers en het snerpe geknars der schroeven, en zag men allengs de reusachtige stormgewerken eenen herkennelijken vorm bekomen en hier en daar zich in de hoogte verheffen. Ladders en schildpadden werden van de wagens genomen en in verschillende richtingen rondom den burg gedragen.

In de aanpalende straten schikten de oversten hunne ridders en wapenknechten in gelederen, gereed om vooruit te stormen en den wal te beklimmen, zoohaast de Gentsche benden de ladders zouden hebben gerecht.

Men kon wel van verre bespeuren dat de Kerels binnen den burg, bij het gezicht dezer ontzaglijke toebereidsels, niet ondadig bleven en als een zwerm boven de muren over en weder krielden, met steenen en balken sleurden, en overal achter de kanteelen lange speren en ijzeren haken en klauwers aanbrachten, om den vijand van de ladders te smijten en den storm af te slaan.

De zwarte rook, die op vele plaatsen boven den wal steeg, getuigde dat het vuur onder de ketels met pek en olie reeds was ontstoken. Dat de tegenstand hevig zou zijn, dit kon men daaruit besluiten dat zelfs een tiental vrouwen zich achter de kanteelenvertoonden en daar, evenals de mannen, druk aan het dragen van steenen arbeidden.

Kort na den middag was alles tot den aanval gereed.

Dan, op een bevel van den veldheer, dat door het geschal der bazuinen werd herhaald, begonnen de Springhalen en Blijden van alle kanten honderden groote pijlen en zware steenen over den muur in den burg te werpen. Daarbij drongen nu insgelijks gansche scharen kruisboogschutters vooruit, zoodat na weinig tijds, de lucht op de Markt en over den burg door eene wolk pijlen, schichten en rotsbonken scheen verduisterd.

Al de Kerels waren van de wallen verdwenen of hielden zich achter de kanteelen nauw verborgen. Inderdaad, geen enkel mensch kon boven den muur van den burg van buiten zichtbaar worden of hij werd onmiddellijk door een werptuig getroffen.

Deze geweldige beschieting werd meer dan een uur zonder verpoozing voortgezet; en dewijl door haar het den Kerels onmogelijk was gemaakt zich te verdedigen, konden de aanvoerders der ladders deze nader bij den burg brengen en alles zonder beletsel tot den stormloop gereedmaken.

Eindelijk gaven de bazuinen een sein tot het staken der beschieting.

Van alle kanten, onder het aanheffen van een donderend krijgsgeroep, werden de ladders gerecht en stormden ridders en wapenknechten vooruit om den wal te beklimmen.

De eerste aanval zou echter door Gentsche benden gewaagd worden. Bedekt en beschut door de schildpadden of beukelaars, klommen zij inderdaad op de ladders. Uit het gansche leger steeg een weergalmende zegekreet in de hoogte; want niemand twijfelde, of de burg, aldus aan de vier zijden te gelijk besprongen, zou bij dezen eersten storm bezwijken.

Hoe vonden zij zich echter in hunne verwachting bedrogen! De Kerels hadden nu geene pijlen van buiten meer te vreezen; want de vijand kon niet schieten zonder zijne eigene mannen te treffen, terwijl integendeel de bezetting van den burg nu vrij hare pijlen en schichten in zulken dikken drom ongeharnaste menschen kon zenden, dat elk schot onfeilbaar een slachtoffer moest nedervellen. Ook schenen de Kerels zich boven den muur te vermenigvuldigen;alhoewel slechts gering in getal, krielden zij op de weinige plaatsen welke de vijand rechtstreeks kon aanvallen.

De eenen trokken met de lange haken de ladders omverre, anderen rukten de aanvallers met de krauwels in de vesten, velen goten kokend pek, olie of vlammend vuur op den vijand, de meesten schoten met pijlen. Waar het echter eenigen ridders of wapenknechten gelukte boven den wal te geraken, daar hieven zich even ras twintig zwaarden in de hoogte om hen te verpletteren.

Na een half uur dezer koortsige bestorming, lagen er reeds vele honderden lijken of gekwetsten in de vesten of op de bruggen, en elk oogenblik zag men er bij hoopen van de ladders nedertuimelen.

De Gentenaars huilden van woede en wraakzucht, en vernieuwden telkens den aanval met verdubbelde kracht; de ridders, die niet minder onversaagdheid dan deze dorpers en landloopers zouden hebben willen toonen, sprongen met even blinden moed tegen de ladders op, doch werden telkens afgeslagen of boven den wal aan stukken gehakt.

De zijde van den burg, die naar de Hofbrug en de Markt uitzag, was voor de aanvallers de gevaarlijkste plaats. Daar stonden de tien of twaalf Kerlinnen, die niet ophielden eenen vloed kokende olie op den vijand te gieten. Ook lagen daar op de Hofbrug, tusschen halfverkoolde lijken, vele ridders en wapenknechten met verbrande leden te spartelen en akelig te kermen om deernis en om hulp.

Den ganschen namiddag duurde de schrikkelijke bestorming voort, nu voor eene wijl opgeschorst, dan weder met nieuw geweld hernomen, nogmaals onderbroken, om nieuwe werktuigen aan te voeren, doch nimmer opgegeven.

De grachten van den burg schenen opgevuld met bloed; hun water, bijna geheel overdekt met lijken, was donkerrood geworden.

Er kwam een oogenblik dat ook de onversaagdsten de onmogelijkheid om op zulke wijze den burg in te nemen, erkenden; en alhoewel zij van spijt schier razend waren, gaven zij gehoor aan het bazuingeschal, dat hen uit de bestorming riep, en weken terug op de Markt tot buiten het bereik der pijlen.

De aanval scheen opgegeven, want geen enkel Isegrim was aanden voet der vesting gebleven, en de ladders, meest aan brand gestoken door het vlammend pik, stonden daar gansch verlaten.

Van op de muren zonden de Kerels zulke machtige zegeschreeuwen, zulk donderend triomfgejubel in de hoogte, dat de galmen er van als een rollende donder over de gansche stad herklonken.

De veldheer Gervaas Van Praet en zijne ridders waren van gevoelen dat men voor dien dag de bestorming hoefde te staken; maar de Gentenaars, beschaamd over hunne vruchtelooze poging of verwoed over het verlies van den hun beloofden buit, wilden van geen terugwijken hooren. Volgens hen moest men den houten toren, die in de Hoogstraat stond, tot bij den wal van den burg voeren en dan, terwijl men nog eenen algemeenen aanval zou wagen, langs de valbrug van den toren op de muren springen. De Kerels waren vermoeid en hadden insgelijks vele mannen verloren. Aan deze uiterste bestorming zouden zij niet kunnen weerstaan.

De ridders stemden in dezen laatsten aanval toe, en de veldheer begaf zich met de dappersten zijner gezellen naar de Hoogstraat, om bij de aanvoering van den toren en de beklimming van den muur langs dien kant tegenwoordig te zijn.

Na een half uur verpoozing, gedurende welken tijd de benden opnieuw tot den aanval werden ingericht en alles ten beste geschikt, gaf mher Gervaas Van Praet, door het herhaald geschal der bazuinen, het sein tot den algemeenen stormloop.

Terwijl langs alle kanten de ladders weder werden gerecht en de aanvallers met evenveel woede doch even vruchteloos den muur poogden te beklimmen, hadden honderden mannen zich in de Hoogstraat aan den stormtoren gespannen of stieten met hunne schouders er tegen, om hem op zijne rollen vooruit te stuwen.

De Kerels, die wel bemerkten wat de vijand voornemens was te beproeven, waren intusschen niet werkeloos gebleven. Boven de Hoogpoort en er nevens hadden zij velerlei brandstof vergaderd; en aan den rook, die daar ter plaatse opsteeg, en aan de Kerlinnen, aan de struische, moedige vrouwen, die met lange ijzeren lepels daar gereedstonden, konden de Isegrims wel bespeuren met welke vreeselijke wapens men hier hen zou onthalen.

De toren werd zoo dicht bij den burg gevoerd, dat men de valbrug op den muur zou kunnen laten zakken.

Honderden Gentenaars en tevens eenige ridders liepen binnenin den toren en beklommen de trappen, maar vooraleer zij de bovenste gaanderij konden bereiken, hadden de Kerels het logge houten gevaarte zoodanig met vlammend pik, harst en olie, met brandend stroo en met bundels vlas overdekt, dat het was alsof een vloeibaar vuur langs zijne wanden nederstroomde.

Door hunnen strijdlust en hunne drift aangevuurd, poogden de Gentenaars evenwel naar boven te klimmen; zij gelukten er zelfs in de valbrug neder te laten en vochten waarlijk eene wijl met de Kerels op de muren; maar welhaast had het brandend pik het vuur in den toren gestoken, en nu rees onmiddellijk de vlam tot boven zijne gaanderij.

De Gentenaars die op den muur geraakt waren konden nu geene hulp meer bekomen en werden neergehakt; de anderen verstikten of verbrandden meest allen binnen den toren.

Dit was de laatste poging welke de vijand tegen den burg zou wagen. Overal afgeslagen en door het verlies van wel duizend man verzwakt, gaf hij de bestorming eindelijk beslissend op[72].

Al de benden werden teruggeroepen tot buiten het bereik der pijlen, die de onvermoeibare Kerels niet ophielden uit den burg te schieten, terwijl zij de lucht met hun herhaald jubelgeschreeuw en met de galmen van hun krijgslied vervulden. Tot aan de andere zijde der Markt klonk duidelijk hun tergend lied, dat zij met de klanken der hoorns en met het slaan hunner zwaarden op de schilden begeleidden:

Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,

Hier syn de Kerels van Vlanderlant!

Gi, Isegrms, hoedt u voor den Blauwvoet,

Of gi selt voelen wat sine clau doet.

Onze vorderen waren vri,

En vri so bliven wi,


Back to IndexNext