"Gi ridders, dwingers, maect u van cant,
Hier syn de Kerels van Vlanderlant*!
Ja, Isegrims, hoedt u voor den Blauvoet
Of gi selt voelen wat sine clau doet!"
Misschien wel zou de Fransche vorst, in aanzien van het groote verlies, dat zijn leger onderstond, den storm hebben doen opschorsen, om andere middelen te bedenken; maar nu geschiedde er in den burg zelve iets dat de verdediging voor de Kerels schier onmogelijk moest maken.
Terwijl er buiten de vesting zoo hevig werd gevochten, was een gedeelte der Gentenaars met allerlei machtige gereedschappen in het paleis des graven gegaan, om te beproeven of men den binnenmuur, tusschen dit paleis en het klooster, niet zou kunnen doorboren of omverre werpen.
Zij hadden den bedoelden muur zeer onsterk bevonden, en waren er eindelijk in gelukt daar eene wijde opening te maken, die hun eenen vrijen ingang gaf tot het klooster en de gebouwen die nog in bezit der Kerels waren.
Dewijl dezen boven de muren in eenen drukken strijd waren gewikkeld, konden de Gentenaars, door een gedeelte der Fransche wapenknechtcn gevolgd, in het klooster sluipen, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.
Toen zij in genoegzaam getal door den muur gedrongen waren, vertoonden zij zich en begonnen "zege! zege!" te roepen.
Het gezicht dezer nieuwe vijanden, binnen hunne vesting zelve, ontrukte den Kerels eenen langen noodkreet, en velen liepen van den muur om, ware het mogelijk, deze indringelingen te verpletten.
Zij wierpen zich als woedende leeuwen op Gentenaars en Franschen, en dreven ze inderdaad terug tot bij den uitgebroken muur; maar dewijl de bestormers van buiten nu op den wal geene genoegzame tegenweer meer vonden, gelukte het den Franschen ridders in groot getal boven den muur te geraken en de Kerels naar beneden te stuwen.
Welhaast zagen dezen zich langs alle kanten omringd door eene menigte vijanden, wier getal zeer snel en ontzaglijk aangroeide; want nu kwamen, zoowel van boven de wallen als door den uitgebroken muur, wolken vijanden toegestroomd.
Nog eenigen tijd verdedigden zich de Kerels met ontplooibaren moed, slechts de eene kamer na de andere verlatende, totdat de kasteleinHacket wel bemerkte dat het volstrekt onmogelijk was geworden het klooster en de proostdij te behouden.
Op zijn bevel staakten de overblijvende Kerels dit hopeloos gevecht en weken op een gegeven teeken altezamen binnen de kerk, waarvan de groote deur reeds van achter was bedamd.
Hier viel Dakerlia haren verloofde aan den hals en juichte en dankte God, dat Hij hen beiden in dit schrikkelijk en rampspoedig gevecht had behouden.
Maar Robrecht, door de overtuiging van het gevaar dat hen bedreigde, schier gevoelloos voor hare blijdschap, maakte zich uit hare armen los en riep tot de Kerels:
"Stopt, verbalkt, bedamt de deur ... en dan naar boven, naar boven, op den toren!"
Zij verbalkten onmiddellijk de deur van het sakristijn, langswaar zij binnengevlucht waren, en vulden zelfs dit laatste vertrek met steenen, hout en aarde en met alles wat hun op dit hachelijk oogenblik onder de hand viel.
In de kerk hadden zij eenen grooten voorraad van eetwaren en bovenal van wapens en werptuigen. Onmiddellijk deden zij van deze laatste geheele vrachten naar boven dragen.
Zoohaast zij zich zeker mochten achten, dat men niet meer van beneden in den tempel kon dringen, klommen zij op naar de gaanderijen in den toren, en begonnen van daar met nieuwe woede met pijlen te schieten en steenbrokken te werpen, zoodat nog voortdurend velen hunner vijanden werden doorboord of verpletterd.
Intusschen hadden de Gentenaars met hunne gehuurde hulpbenden, en op hun voorbeeld ook vele Franschen, de bestorming verlaten om de proostdij en het klooster uit te plunderen.
De ridders zagen, voor dien dag ten minst, geen middel om de kerk in te nemen; want de toren was zoo hoog, dat geene der beschikbare ladders zijne gaanderijen kon bereiken. En wat de muren der kerk betrof, deze waren, volgens de gewoonte des tijds, gebouwd uit rotsbrokken, zoo dik en zoo hecht, dat men ze niet dan na langen arbeid zou hebben kunnen doorboren, zelfs dan wanneer de vijand niet door zijne werptuigen alle nadering hadde belet.
Dewijl er nog voortdurend vele ridders en wapenknechten nutteloos werdengedood of gekwetst, boodschapte men den koning dezen nadeeligen toestand; en de vorst gaf daarop bevel om de bestorming te staken.
De Fransche benden verlieten de omgeving van den burg en trokken dieper in de stad of naar de naastliggende dorpen, waar zij geherbergd waren. Zoo deden insgelijks de Vlaamsche ridders en wapenlieden; er bleven in en rondom den burg niet meer krijgsknechten dan er noodig geacht waren tot het bewaken des vijands en het verdedigen der reeds ingenomene gebouwen.
Dan konden de Kerels met eenige bedaardheid hun verlies afmeten en voorzorgen nemen tegen eenen nieuwen aanval.
Zij bevonden dat zij ongeveer zestig man vermisten, er onder gerekend een tiental gekwetsten, die beneden in de kerk onder eene zijbeuk lagen en daar werden verpleegd.
Na zulke lange bestorming en zulken geweldigen strijd binnen het klooster, mocht dit verlies als gering aangezien worden; maar voor hen was het echter zeer groot, dewijl zij hunne macht allengs zagen wegsmelten en geen middel bezaten om ze te vernieuwen of te herstellen.
Zij waren dus nog honderdveertig man. Alles wel berekend was dit getal toereikend om de kerk van boven den toren nog lang te verdedigen.
In deze overtuiging moedigden zij elkander tot onversaagdheid en tot volharding aan. Zeker, het Kerlenleger zou hun te hulp komen; hun heldhaftige tegenstand zou hun een eeuwigen roem en hunne vijanden eene eeuwige schaamte zijn.
Ondanks de trotsche woorden, door Robrecht, Hacket en Burchard hun toegestuurd, lieten sommige Kerels in stomme somberheid het hoofd hangen. Zij gevoelden wel dat hier schier geene hoop op verlossing meer overbleef: de dood, de ijselijkste marteldood spookte voor hunne oogen. Evenwel, na zulke angstige overweging kwam telkens hun mannelijk gemoed in opstand tegen die opwelling der ingeborene levensliefde, en zij, heviger nog dan de anderen, zwoeren, zonder wankelen tot den laatste toe met het zwaard in de vuist te sterven.
Na eene lange geheime beraadslaging besloten de oversten der Kerels hunne middelen tot verdediging teberekenen, alsof men de benedenkerk nog kon verliezen voordat hun hulp van buiten toekwam Dienvolgens zou men de bovenkerk, dit is te zeggen de hooge gaanderij, die vroeger den graaf tot hofkapelle had gediend, zooveel mogelijk versterken en er eenen toereikenden voorraad van werptuigen en van levensmiddelen verzamelen.
...mannen van vermoeidheid in slaap gevallen....mannen van vermoeidheid in slaap gevallen.
In eenen hoek der kapelle bevond zich eene zeer nauwe deur, de eenige langswaar men tot den toren kon opklimmen en, aangezien men allerlei middelen tot verbalking en tot bedamming dezer deur en tevens der kapeldeur ging bijbrengen, zouden de Kerels, zelfs indien zij bij elken aanval de nederlaag kregen, nog drie bestormingen kunnen doorstaan vooraleer geheel te bezwijken."
Zoohaast de bevelen tot deze nieuwe werkzaamheden waren uitgedeeld, begon mher Sneloghe te zorgen voor iets dat hem persoonlijk aan het hart lag. Hij onderzocht dekapelle en de twee verdiepen van den toren, om daar vertrekken of afgezonderde plaatsen te vinden, waar Dakerlia en de vier of vijf vrouwen, die nog met de Kerels waren, konden wonen en slapen. Deze plaatsen deed hij van beddegoed en van eenig huisraad voorzien en daalde dan naar beneden, in gezelschap van Dakerlia, die hem in deze toebereidsels immer was terzijde gebleven.
Wel had Robrecbt meer dan eens zijne verloofde zijn diep verdriet betuigd, omdat zij geweigerd had met den ouden Bertulf naar Kerlingaland te vluchten. Hem deed het niets, dat zij dus in het nauw gebracht waren en gevaar liepen van in de handen hunner wreede vijanden te vallen; maar dat Dakerlia, zoo jong nog, blootgesteld bleef om dit akelig lot te moeten deelen, die gedachte knaagde hem als een wreede worm aan het hart en liet hem geene rust.
Dakerlia betoonde slechts eenige treurnis, omdat Robrecht in al deze bloedige gevechten kon gekwetst of gedood worden. Wat haar zelve betrof, het was haar een geluk en eene bron van trotschheid met hem te mogen blijven. Moesten zij bezwijken, zij zouden te zamen opklimmen tot God, en zoo zou de dood zelf niet machtig genoeg zijn om te scheiden wat de liefde had vereenigd.
Hare woorden waren zoo vol geestdrift; er lag zulke ware blijdschap in den toon harer stem, dat zij Robrecht eindelijk geheel troostte en hem weder opvoerde tot helder vertrouwen en tot grenzenloozen moed.
Toen zij in de kerk kwamen, vonden zij den kastelein Hacket omringd van vele Kerels, die allen te gelijk spraken om hem van iets te overtuigen waaraan hij geen geloof wilde hechten.
Eenigen dergenen die vroeger in Brugge hadden gewoond bevestigden namelijk dat, bij het terugwijken uit het klooster in de kerk, een poorter met hen was binnengedrongen; dat zij, na de deur van het sakristijn te hebben verbalkt, overal in de kerk en tot op den toren hadden gezocht, doch den poorter niet meer hadden gevonden. Men mocht niet twijfelen aan de waarheid hunner woorden: zij hadden den indringeling herkend: het was niemand anders dan David Snoek, de bode van het grauwwerkersgilde die in de gansche stad befaamd was als de ronddrager van tijdingen en nieuwmaren.
De kastelein, alhoewel hij weinig geloof of weinig belang aan deze beweringen hechtte, gaf bevel om nog alle schuilhoeken te doorzoeken enden poorter, indien men hem vond, ongehinderd in zijne tegenwoordigheid te brengen.
Hij meende zich naar den kant der kerk te richten, waar de gekwetsten lagen; maar nu kwam een Kerel van den toren geloopen en deze riep met luider stem en akelig kermend, dat men op den Maalberg bezig was met al hunne gevangene broeders deerlijk te martelen en te vermoorden.
Al degenen die niet als wachten beneden moesten blijven, liepen naar boven.
Zij zagen op de Markt, die men den Maalberg noemde en die zich tot aan den muur van den burg uitstrekte, eenige benden wapenknechten geschikt, en te midden dezer een vijftigtal Kerels, aan hunne lange baarden en blauwe kleeding herkennelijk, die, met de handen op den rug gebonden, door beulen, met uitgetogen slagzwaard, waren omringd, als om te worden gehalsrecht.
Inderdaad, reeds drie of vier verminkte lijken lagen daar in eenen plas bloed, en de beulen stonden nevens de anderen gereed om op het minste teeken toe te slaan.
Nu evenwel scheen er eene opschorsing in het werk der beulen te zijn gekomen; want reeds eene wijl hadden zij beweegloos gewacht.
Daar bracht men nu twee ridders vooruit, en men sleurde en rukte ze met baldadig geweld dichter naar den burg, opdat de Kerels beter zouden zien wat hier ging geschieden.
"O, hemel, Ingelram Van Eessen en Willem Van Wervick!" kreet Burchard met angst, en voor de eerste maal, sedert den moord des graven, eenige smart betuigende. "Mijne arme vrienden! Zulke dood!"
"Eilaas, eilaas, God is rechtvaardig!" fluisterde Dakerlia aan Robrechts oor. "Zijne straffende hand heeft zich uitgestrekt over de moordenaars van graaf Karel!"
Robrecht knikte bevestigend, doch slaakte eenen kreet van afgrijzen bij het schrikkelijk schouwspel dat nu onder zijnen strakken blik aanvang nam.
Eerst hakten de beulen Ingelram en Willem de handen af, dan doorstaken zij hunne lichamen met honderd kleine wonden, en martelden onmenschelijk hunne slachtoffers, totdat zij eindelijk; gansch doorkerfd nedervielenen hunne lijken onder de voeten van honderden wapenknechten werden vertreden en verpletterd.
De Kerels staarden van den toren in stommen angst op dit ijselijk tooneel, en menigeen ontvielen tranen van medelijden. Burchard Knap gromde met schorre stem en bulderde vermaledijdingen maar hij was bleek en scheen te beven.
Een wapenbode trad vooruit naar den burg en riep uit al zijne macht tot de Kerels:
"Ziedaar 's konings en 's graven gerechtigheid! Zoo en schrikkelijker nog zult gij allen sterven, verwaten Blauwvoeten, die uwen wettigen vorst hebt vermoord of den moordenaars hulp hebt gebracht. Geene genade voor u: allen wacht zoo de schandelijkste marteldood!"
Terwijl hij deze woorden verkondigde, hadden de beulen op den Maalberg hun bloedig werk voortgezet en waren nu bezig met den gevangenen Kerels de handen af te houwen en het hoofd in te slaan.
Zoo zagen de Kerels, die op de gaanderijen van den toren stonden hunne vijftig broeders, waaronder zij er velen herkenden, den een na den ander ter dood brengen en, tot teeken van verachting met voeten trappen.
Het verstroostte hen misschien een weinig te mogen bemerken dat ten minste geen hunner eenen enkelen kreet of eene klacht slaakte; maar bij het gezicht van dit groot getal lijken, door de wapenknechten zelven zoo wreedelijk vertreden, konden zij hunne tranen niet wederhouden, en allen beweenden zuchtend en kermend het akelige lot hunner arme gezellen.
Zij bleven op den toren, totdat de lijken waren weggenomen en het vertrek der wapenknechten hen kwam overtuigen, dat des konings wraak, voor dien dag, bij gebrek aan slachtoffers was gestaakt.
Nog weenden velen in stilte, zelfs toen zij reeds de gaanderijen des torens hadden verlaten en ter kerke waren afgedaald.
Hunne eigene smart onderdrukkende, deden de oversten vele moeite om het neerslachtig gemoed hunner mannen weder op te beuren; maar welke pogingen zij ook inspanden, van dit oogenblik af bleef onder de Kerels eene sombere treurigheid heerschen. Velen hunner toch hadden eenen vader, eenen broeder of eenen vriend zien martelen, en dit schouwspel spookte als eene onverwinnelijke nachtmare voor hunne oogen. Wel zwoeren zij daarom niet min onversaagd te zullen strijden, ja, zelfs hunne dierbare dooden op den vijand te willen wreken; maar hun hart was vervuld met deernis en verdriet, en hun ontsprongen tranen ondanks hunnen wil.
Zoo kwam eindelijk de nacht. De Kerels zaten hier en daar in de kapelle of in de benedenkerk bij groepen ten gronde, rondom eenige ontstokene kaarsen, en schouwden met somberen blik in de donkere ruimte der kerk of spraken treurig van hunne doode vrienden.
Mher Sneloghe en Dakerlia bevonden zich bij de gekwetsten; deze laatste raadde en hielp de Kerlinnen in het verplegen der arme gezellen, die door het zwaard des vijands waren getroffen geworden.
Hacket, de kastelein, hield zich in de kapelle, waar hij een weinig poogde te rusten.
Wat Burchard Knap betreft, die zat waarschijnlijk, zooals naar gewoonte, ergens in eenen duisteren hoek, alleen met zijn knagend geweten of in gezelschap van eenigen zijner woeste Houtkerels.
Het kon ongeveer tien uren zijn, en ondanks hunne ontsteltenis en droefheid waren vele mannen van vermoeidheid in slaap gevallen toen eensklaps achter den autaar, in de benedenkerk, een geraas van stemmen zich liet hooren, alsof daar een twist opgerezen was.
Het gerucht naderde onmiddellijk naar het midden der kerk, en vele Kerels grepen hunne wapenen en liepen toe, om te vernemen wat er geschiedde.
Het was David Snoek, de bode van het grauwwerkersgilde, die, door de nachtelijke stilte uitgelokt, zijne verborgene schuilplaats had verlaten, in de hoop dat hij door de vlucht zou kunnen ontkomen; maar eenig gerucht door hem gemaakt, had hem verraden.
Men had hem aangegrepen en rukte hem nu vooruit, hem beschuldigende van verraad en hem eenen onmiddellijken dood toezeggende.
De arme man, die er zeer eenvoudig uitzag, beefde in al zijne leden en smeekte met gevouwen handen om genade.
Toen Robrecht Sneloghe hem genaderd was en hem vroeg met welk doel hij binnen de kerk was gedrongen, stotterde David Snoek eenige verwarde woorden, waaruit men niets kon begrijpen. Robrecht gebood den Kerels hunne zwaarden in te steken en den man los te laten. Hij verzekerde deze tevens dat, indien hij onschuldig was aan verraad, hem geen leed zou gedaan worden.
Dit stelde David Snoek eenigszins gerust. Dan kwam de spraak hem weder.
"God zal u daarvoor zegenen, mher Sneloghe", zeide hij, "dat gij deernis hebt met mij, ongelukkige. Gij weet het allen, heeren, die mij kent, dat de arme David Snoek vroeger een goede vriend der Kerels was, en dat hij in het schromelijk nachtgevecht nog met u tegen de Isegrims heeft gestreden."
"Nu, bloodaard, zoovele domme woorden niet!" gromde Burchard die genaderd was. "Zeg, wat kwaamt gij hier doen? Ons bespieden, ons verraden?"
"Neen, neen, heeren, hoort mij aan zonder gramschap!" smeekte de gevangene. "Hoe ik mij hier tusschen u bevind, dit weet ik, eilaas, zelf niet wel. Toen men in de stad de mare verspreidde, dat het Fransch leger, geholpen door de Gentenaars en door de poorters van Brugge, de proostdij, het klooster en de kerk ging innemen, sprak iedereen van den rijken buit welke men daar zou vinden. Ik, die arm ben, liet mij verleiden door de hoop dat ik in de plundering wel een of ander voorwerp van hooge waarde zou bekomen, en zoo drong ik met de Gentenaars in het klooster. Wat er dan geschied is, draait mij als een molen in het hoofd. De Kerels zijn gekomen en hebben ons teruggedreven, de Franschen zijn gekomen en hebben ons weder vooruitgestuwd, en zoo in de hoogte gewoeld, gekneusd, gepletterd, ben ik, zonder het te weten, binnen de kerk gestooten. En dan, schier dood van schrik, ben ik achter den altaar gevlucht en heb mij verborgen onder eenen hoop balken, welke daar in verwarring opeengestapeld lagen. Dit is, heeren, de loutere waarheid. Doet nu met mij naar uwen wil; maar wees mij toch barmhartig: want, wel verre van u te verraden, zou ik, indien het mij mogelijk was, u willen verlossen van den schrikkelijken dood die, eilaas, u bedreigt!"
"De heer kastelein heeft bevolen den gevangene onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid te brengen", bemerkte een Kerel.
"Welnu, doet hem geen leed en leidt hem naarboven in de kapelle."
"In de kapelle? Ik?" riep David Snoek, eenen stap terugspringende "o, mijn God, daar ligt het lijk van den graaf! Neen, neen, ik bid u, doodt mij liever!"
Hij beefde zoodanig en zulke diepe verschriktheid verried de holle toon zijner stem, dat de Kerels gansch ontsteld hem aanzagen.
"Meent gij dan dat de vervloekte Denemarker uit zijn graf zal opstaan om u den nek te breken?" spotte Burchard Knap, tot groote ergernis zijner gezellen.
De gevangene knikte bevestigend, terwijl hij zuchtend een kruis maakte.
"Maar wees duidelijk; wat wilt gij zeggen?" mompelden vele Kerels, door zijne vreemde houding en eindelooze vervaardheid getroffen.
"Ach, heeren", zeide David Snoek, de handen samenvoegende, "gij weet niet wat er in de stad geschiedt. Het is ijselijk; en sedert ik het weet durf ik des nachts niet meer slapen. Zou ik het u durven openbaren? Zult gij niet tegen mij vergammen?"
"Spreek, spreek!" riep men hem toe.
"Welnu, de geest van graaf Karel waart alle nachten in de stad en spookt in de Steenen waar de ridders geherbergd zijn, niet anders roepende dan "wraak, wraak, wraak!"
De Kerels luisterden met jagenden boezem; twee of drie slechts beantwoordden deze openbaring met eenen spotlach.
"Om Gods wil, lacht niet, heeren", hernam de gevangene; "wat ik zeg is enkel waarheid. Nu twee dagen geleden, is de geest van Karel bij het bed des konings verschenen en heeft zoo lang om wraak geroepen, totdat de koning beloofd had al degenen ter dood te brengen, die tot zijnen moord hebben geholpen. Den nacht daarna heeft de nieuwe graaf Willem van Normandië het spook insgelijks bij zijn bed gezien en gehoord, en dezelfde belofte gedaan Daarom heeft men heden u zoo geweldig bestormd, en daarom ook heeft men heden de gevangene Kerels zoo onmenschelijkgemarteld. De geest van graaf Karel heeft zelf die marteling der Kerels van den nieuwen graaf geëischt."
Toen hij dus zijne veropenbaring had geëindigd en door schijnbare feiten bevestigd, sprak er niemand meer: al deze harde, moedige Kerels, die weinig vatbaar waren voor vrees, zoolang het slechts stoffelijke gevaren gold, beefden nu bij de bedreiging der wraak van een ontstoffelijk wezen, aan welks verschijning hunne bijgeloovigheid hun niet toeliet te twijfelen.
Dat de onverzoende of onbevredigde geesten van vermoorde menschen op aarde konden rondwaren, om wraak op hunne moordenaars te eischen, dit was zoowel volgens de Christelijke als volgens de Heidensche begrippen onbetwistbaar.
Het verhaal van David Snoek kon waar zijn, ja, het moest waar zijn, dachten zij, aangezien men bij het lijk van graaf Karel de vormen der verzoening niet had in acht genomen, en zelfs de Christelijke plechtigheden niet had vervuld.
Na lang met klimmenden angst en benauwdheid deze erge zaak te hebben overwogen, kwamen de meesten tot het besluit zich met den geest van graaf Karel te verzoenen, om hem de vervolging tegen hen te doen staken. Zij zouden dus, op het uur van middernacht dat nu aanstaande was, de Heidensche plechtigheden vieren die men Dôdsiras noemde.
Daar Robrecht Sneloghe en eenige anderen zich tegen dit opzet verklaarden en beweerden dat het beter was, volgens de gebruiken der Kerk den nacht in gebeden voor de ziel van den doode door te brengen, besliste men, dat elkeen te dier gelegenheid zou handelen volgens zijn geloof en volgens de inspraak van zijn geweten. David Snoek zou bij de gekwetsten blijven en aan hunne verzorging helpen tot morgen. Vond men een middel om hem aan een touw af te laten, en wilde hij het wagen, men zou hem oorlof geven om zich te redden.
Op het uur van middernacht bood de kapelle een vreemd schouwspel aan. De gansche beuk was verlicht met een zeker getal smokende lampen, die langs de muren waren opgehangen. Rondom de steenen tafel der grafstede, waarin het lijk van graaf Karel rustte, brandden vele kaarsen van geel was, die men evenwel zoo had geschikt dat het benedeneinde der tafel, die zeer lang en breed was, gansch vrij bleef. Aan het boveneinde stond eenkruisbeeld en een vat met wijwater, waarin een droge palmtak rustte. Uit een koperen bekken walmden wierookgeuren op.
Langs deze opperzijden hielden zich de kastelein Hacket, Robrecht Sneloghe, Yorg Koevoet, Dakerlia Wulf en vele Kerels.
Zij zaten met gebogen hoofd en gevouwen handen nevens het graf geknield en baden in stilte, geen hoegenaamd deel nemende aan de Heidensche plechtigheden, welke men aan het nedereinde der grafstede ging vieren.
Hier hielden zich Burchard met de grootere helft der andere Kerels, die meer vertrouwen schenen te hebben in de Heidensche gebruiken dan in de Christelijke gebeden.
Toen alles gereed was, brachten zij op de graftafel vele schotels met spijzen: brood, koud vleesch, gedroogde visschen en gortebrij, en stelden daarnevens eenige flesschen wijn en kruiken bier. Burchard Knap, hier het ambt van priester of wichelaar vervullende, sprak eenige woorden, die het inzicht der tegenwoordigen deden kennen, en noodigde dan bij name de ziel van graaf Karel uit om hetdoodenmaalbij te wonen, dat ter harer eere werd gevierd.
Hierop brak hij het brood, en gaf elken zijner makkers een stuk. Allen begonnen te eten, en van alwat zij nuttigden, legden zij een brok of eenen lepel vol op den steen der grafstede.
Robrecht Sneloghe, van zijnen kant, doopte den palmtak in het wijwater, en besprengde daarmede het oppereinde der tafel, met Dakerlia, zooveel het hun mogelijk was, daarbij de gewone gebeden der Kerk murmelende.
Het doodenmaal geëindigd zijne, schonk Burchard eerst bier in eenen grooten hoorn, stortte daarvan een gedeelte op het graf en liet dan den hoorn tusschen zijne mannen rondgaan, die elk opvolgend vooraleer de lippen aan het vocht te brengen, luidop zeiden:
"Met dit hoppebier drink ik dedoodenminneter eere van Karel van Denemarken."
Deze plechtigheid werd ten tweeden male herhaald met den wijn. Ook zegende Robrecht ten tweeden male de grafstede met wijwater.
Ten laatste boog Burchard Knap zich over het graf en, terwijl hij den steen met de lippen raakte, zeide hij:
"Ik kus dendoodenzoenter eere van Karel van Denemarken. Weze alduszijne schimme bevredigd, en verzake zij jegens mij aan vijandschap en aan wraak!"
Al zijne mannen kwamen beurtelings, onder het uitspreken derzelfde woorden, dus eenen kus op de steenen tafel nederleggen.
Ondertusschen besprengde Robrecht het graf voor de derde maal, schudde het bekken met wierook rondom de tafel en murmelde op plechtigen toon:
"Requiescat in pace!"
De Christelijke doodendienst en de Heidensche Dôdsisas waren beide ten einde[80].
Men doofde de lichten uit, en, alsof de Kerels door deze plechtigheden van hunnen angst verlost en gansch gerust van gemoed waren geworden, zij gingen naar beneden om eene rustplaats te zoeken, of legden zich zelfs rondom de grafstede neder.
Een uur later waren zij allen ingeslapen, en hoorde men niets meer in de kerk dan den eentonigen stap der schildwachten of eene stille klacht der gekwetsten.
[79]
Den Dinsdag 5 April,aqua sapientia, kwamen de koning en de nieuwe graaf Willem te Brugge.GALB., p. 336
Den Dinsdag 5 April,aqua sapientia, kwamen de koning en de nieuwe graaf Willem te Brugge.
GALB., p. 336
[80]
Allen waren afgemat, en terwijl de eenen dedadsisaop het graf van Karel vierden, hadden anderen, die de kracht van het bloed der martelaars niet meer loochenden, eene toorts ter eere van Karel ontstoken. KERVYN DE LETTENHOVE, I, 410.Over de beteekenis van dit woorddadsisaraadpleegde ik mijnen geleerden vriend prof. J. F. J. Heremans. Zijn brief daarover aan mij geschreven schijnt mij belangrijk genoeg om hier te worden medegedeeld."Waarde vriend. Het woord, waarover gij verleden Zondag inlichtingen vroegt, luidtdad-sisas,nietdadsisa. Het komt voor in hetIndiculus superstitionem et paganiarum(uit de achtste eeuw):de sacrilegio super defunctos, id est dâd-sisâs.Ditdâd, dat gewoonlijk in het Saksischdôdwordt geschreven, is stellig onsdood, ensisasis de nominatief meervoud vansisu.Maar wat beteekentsisu?J. Grim vermoedtkuil, graf.Anderen verklaren het doortreurzang. Er bestaat in het oud-Hoogduitsch een woordsisesang, dat ook de beteekenis heeft vantreurzang, doodenzang. Ook de Angel-Saksen kenden dit woord, dat ik zou verkiezen boven dódsisu, waarvan het laatste deel toch steeds een raadsel blijft. Wil men J. Grimm gelooven, dan isdâdsisuhetzelfde alsdoodenkuilen komt het begrip van zang in die samenstelling niet voor. Insisesangis dit begrip stellig voorhanden." Gent, 26 Januari 1870, J.W. HEREMANS.
Allen waren afgemat, en terwijl de eenen dedadsisaop het graf van Karel vierden, hadden anderen, die de kracht van het bloed der martelaars niet meer loochenden, eene toorts ter eere van Karel ontstoken. KERVYN DE LETTENHOVE, I, 410.
Over de beteekenis van dit woorddadsisaraadpleegde ik mijnen geleerden vriend prof. J. F. J. Heremans. Zijn brief daarover aan mij geschreven schijnt mij belangrijk genoeg om hier te worden medegedeeld.
"Waarde vriend. Het woord, waarover gij verleden Zondag inlichtingen vroegt, luidtdad-sisas,nietdadsisa. Het komt voor in hetIndiculus superstitionem et paganiarum(uit de achtste eeuw):de sacrilegio super defunctos, id est dâd-sisâs.Ditdâd, dat gewoonlijk in het Saksischdôdwordt geschreven, is stellig onsdood, ensisasis de nominatief meervoud vansisu.Maar wat beteekentsisu?J. Grim vermoedtkuil, graf.Anderen verklaren het doortreurzang. Er bestaat in het oud-Hoogduitsch een woordsisesang, dat ook de beteekenis heeft vantreurzang, doodenzang. Ook de Angel-Saksen kenden dit woord, dat ik zou verkiezen boven dódsisu, waarvan het laatste deel toch steeds een raadsel blijft. Wil men J. Grimm gelooven, dan isdâdsisuhetzelfde alsdoodenkuilen komt het begrip van zang in die samenstelling niet voor. Insisesangis dit begrip stellig voorhanden." Gent, 26 Januari 1870, J.W. HEREMANS.
De Kerels verwachten zich des anderen daags aan het voortzetten der bestorming; ook stonden zij bij de eerste morgenschemering reeds strijdvaardig, om de aanvallen des vijands met onverzwakten moed af te weren of hem ten minste elken stap voorwaarts duur te doen betalen.
Maar dien dag, en insgelijks de twee volgende dagen, werden zij niets anders verontrust dan door pijlen, welke de wapenknechten nu en dan naar den toren schoten, en die de schildwachten der Kerels verplichtten zich achter de kanteelen verborgen te houden.
Zij hadden door eenen hun toegeschoten brief de reden van deze opschorsing der aanvallen tegen de kerk vernomen. De koning van Frankrijk, wien waarschijnlijk was bericht geworden dat het Kerlenleger Brugge naderde, was met het grootste gedeelte zijner heirkracht in de richting naar Yperen getogen, om Willem Van Loo op te zoeken en hem den veldslag aan te bieden.
Het heil van Kerlingaland en de redding der belegerden hingen dus af van het lot eener enkele worsteling! Bleef Willem Van Loo in dezen eersten schok der beide legers overwinnaar, dan zou niets meer aan de dappere en verbitterde Kerels kunnen wederstaan; zij zouden de Franschen dwingen Vlaanderen te verlaten en zouden dan onmiddellijk zegevierend naar Brugge komen afgezakt, de Isegrims verpletten of verstrooien en hunne broeders verlossen, die zoolang reeds schier zonder hoop, doch met onplooibaren heldenmoed zich tegen twee legers hadden verdedigd.
Het bericht van des konings veldtocht in Kerlingaland had hun eenig vertrouwen teruggeschonken. Dewijl men hun tevens had laten weten dat de Isegrims waarschijnlijk gedurende de afwezigheid des konings geenen ernstigen aanval tegen hen zouden beproeven, was hun de tijd gegund om te rusten, ten einde weder krachten te verzamelen tot latere worstelingen; maar zij lieten integendeel geen oogenblik voorbijgaan zonder aan het scheppen van nieuwe verdedigingsmiddelen te arbeiden.
In de vrees dat de Isegrims misschien zouden pogen de vensters der kerk te beklimmen, bouwden zij achter elk venster eene poort van stelling, waarop een tiental mannen de wacht konden houden, niet alleen om de bewegingen des vijands te bewaken en zijne inzichten af te spieden, maar tevens om den wapenknechten door het schieten van pijlen alle nadering te beletten.
Onder de vensters, op den vloer der kerk, legden zij vele balken, waarin puntige houten, stalen pennen, zwaarden en moordpriemen bevestigd waren, zoodat deze altezamen, als een gebosch van dreigende lansen, in de hoogte staken en onfeilbaar elken ridder of wapenknecht, die door het venster in de kerk wilde dalen, moesten doorboren.
De buitenpoort des tempels was zeer zwaar. Om echter te beletten dat ze door den beukram wierd ingeworpen, vulden de Kerels het nauwe voorportaal tusschen de twee deuren geheel met steenen en met alle zware voorwerpen, welke in hun bereik waren; ja, zij braken met dit inzicht in den tempel zelven zekere binnenmuren uit, waarvan zij tevens de minst zware steenblokken in de kapelle en op den toren droegen, om ook van daar den vijand te kunnen treffen.
Zij hadden, zonder ernstig te zijn gestoord geworden, aan deze toebereidsels drie of vier dagen besteed, toen zij in den nacht van den vijfden dag verontrust werden door een dof en verwijderd gerucht, als het gebons van zware mokers en den scherpen slag van den hamer op ijzeren keggen.
Dit gerucht vernamen zij op de hoogte der kapelle, in de richting van den gang, langs waar graaf Karel gewoon was geweest van zijn paleis ter kerk te komen.
Het scheen hun duidelijk dat men ergens, langs den kant van het klooster, bezig was met pogingen te doen om eenen muur te doorboren en zoo op de gaanderij der opperkerk hen aan te vallen.
De kastelein Hacket en Robrecht Sneloghe deden al hunne beschikbare mannen in de kapelle te zamen komen; en, terwijl zij immer de doffe galmen van den geheimzinnigen arbeid des vijands afluisterden, hielden zij zich gereed om hem duchtig te onthalen, indien hij er werkelijk in gelukte eene opening in den muur te maken.
Den ganschen nacht hoorden zij den slag der hamers. Het werk der Isegrims moest evenwel zwaar en moeielijk zijn en scheen weinig te vorderen; want het gerucht bleef even verwijderd en onduidelijk tot den morgen, en hield dan geheel op.
De Kerels meenden zelfs te mogen gelooven dat de vijand zijne poging had opgegeven, en zij waren gereed, nu de eerste dag-klaarte zich vertoonde, om beneden in de kerk hunnen arbeid tot verdediging te gaan hernemen, toen een schildwacht van den toren daalde en hun kwam boodschappen dat zwarte rookwolken tot hen opklommen en zij vreesden dat de vijand de kerk aan brand gestoken had.
De oversten der Kerels liepen op de torengaanderij, en keken bekommerd naar beneden.
Was het slaan der hamers eene list geweest om hunne aandacht af te keeren, terwijl men langs eenen anderen kant de middelen tot eenen aanval bereidde? Waarschijnlijk, want zij zagen nu dat men, gedurende den nacht, voor de buitendeur der kerk, met dikke balken een soort van dak had getimmerd, waarop de zwaarste steenbonken onmachtig afbotsten. Daaronder hielden zich vele vijanden ongetwijfeld? Maar wat deden ze in deze schuilplaats? En wat beduidde de rookwolk die kronkelend van daar langs den toren opsteeg? De morgenschemering en de mistige lucht beletteden de Kerels duidelijk te onderscheiden welk nieuw gevaar hen bedreigde.
Bij zijn vertrek had de koning van Frankrijk den veldheer Gervaas Van Praet gelast de belegering voort te zetten, en de vaste hoop uitgedrukt dat, eer eene week verloopen ware, alles te Brugge zou gedaan zijn en de Vlamingen hem in Kerlingaland zouden komen vervoegen, indien de oorlog daar niet met eenen enkelen slag wierd beslist en gesloten.
Na zijne mannen eenige dagen te hebben laten rusten en den nieuwen aanval rijpelijk te hebben berekend, had de veldheer de noodige bevelen gegeven om de kerk van St-Donaas te bestormen en kost wat kost in te nemen.
Terwijl een gedeelte der Gentenaars zouden arbeiden, om dwars door eenige muren de opperste gaanderij des tempels te bereiken, zou een ander gedeelte, door de wapenknechten en ridders ondersteund beproeven of men de groote buitenpoort niet bij middel van vuur zou kunnen vernietigen, en dus eenen vrijen doorgang bekomen om de Kerels in de kerk zelve aan te tasten.
Om dit te bewerkstelligen, hadden zij in de duisternis de poort der kerk met eene dikke laag vet en teer bedekt, en pik en harst en hout tot eenen hoop er voor te zamen gedragen.
Intusschen hadden zij hunne mannen in al de omliggende gebouwen vergaderd en hun de noodige bevelen gegeven, om op het eerste sein de kerk binnen te stormen.
Nu de dag ging aanbreken, hadden zij het vuur aan de licht ontbrandbare stoffen gestoken, en smeten nog immer, van uit hunne sterke schuilplaats, olie en pik in den gloed, om de verterende vlammen te voeden.
Wel wierpen de Kerels van boven onophoudelijk zware steenbonken brandend stroo en kokende olie op het dak; maar de dikke balken waaruit het was samengesteld, en de versche ossenhuiden waarmede men het overdekt had, verijdelden al hunne pogingen.
Intusschen verslond het vuur de deur wel langzaam doch voortdurend en de vlammen knaagden zoo onweerstaanbaar in het eikenhout, dat het, na een uur tijds, gansch verkoold bij brokken nederviel, en de steenen en de aarde ontdekte, waarmede de Kerels het voorportaal hadden opgevuld.
Deze dam, geenen steun meer hebbende, rolde gedeeltelijk naar beneden; en het overige was in korten tijd geheel weggeruimd door eene bende Gentenaars, welke men tot dit einde had doen naderen.
Dan bracht men in het voorportaal eenen draagbaren beukram, en begon daarmede zoo hevig tegen de binnendeur in te loopen, dat de gansche kerk er van dreunde.
Dewijl het hout dezer deur niet dik was, kon zij niet lang aan het geweldig bonzen wederstaan en viel welhaast verbrijzeld neder.
De Gentenaars, die in het voorportaal stonden, zonden eenen schallenden zegekreet in de hoogte en sprongen de kerk in; maar het gejuich was van korten duur. Daar stonden een honderdtal Kerels gereed om hen te onthalen, en nauwelijks hadden deze roekelooze Gentenaars hun zwaard kunnen verheffen, of zij lagen allen met gekloofd hoofd of afgehakte leden op den vloer.
Nu galmden de bazuinen op het plein van den burg, en een zwerm vijanden liep uit al de omliggende gebouwen naar de kerk om de Kerels te verpletten. Zij vervulden de lucht met vroolijk krijgsgeschreeuw, en meenden als een onweerstaanbare vloed de kerk binnen te stormen; maar, hoe zij ook elkander verdrongen en vooruitstuwden, zij werden in hunne woeste vaart gestuit door den hardnekkigen tegenstand der Kerels, die als een ondoordringbare muur den nauwen ingang afsloten en alles nederhakten wat hen naderde.
Na eene wijl lag het voorportaal vol lijken, en vloeide het bloed in beken onder de voeten der aanvallers.
Zij, die nog op het plein zich bevonden en poogden vooruit te dringen, wisten niet hoevelen hunner makkers in deze enge plaats reeds het leven hadden verloren. Zij juichten, hitsten elkander aan en deden niets dan roepen:
"Vooruit! Vooruit! Zege! Zege!"
Hun onweerstaanbaar gedrang had dan eindelijk voor gevolg dat de Kerels, hoe schrikkelijk zij ook onder de Isegrims hakten, voor den druk der aanvallers moesten wijken en dus gedwongen werden hunnen vijand den vrijen doorgang te bieden.
Zij hadden alles voorzien en de kansen hunner verdediging sedert lang berekend. Nu deinsden zij door eene eenparige beweging als op een geheim bevel, tot onder de zijbeuk der kerk, met den rug tegen de deur van den nauwen trap, langswaar men tot de kapelle opklom. Zij zouden dus dezen weg naar de opperkerk zoolang mogelijk verdedigen en, moesten zij den strijd opgeven, langs daar de gaanderij bereiken, waar zij nieuwe middelen tot wederstand moesten vinden.
Ridders en wapenknechten waren nu, onder het aanheffen van triumfkreten en wraakgeroep, den tempel binnengestroomd; en wie plaats kon vinden om de Kerels te naderen, had hen met woede aangevallen.
Het ging er lijf om lijf; men zag hier en daar zelfs Kerels en Isegrims, door het gedrang belet hun zwaard te nemen, elkander aangrijpen en, ten gronde rollende, ijselijke pogingen doen om hunnen vijand te versmachten, totdat ze beiden werden verpletterd of doorboord.
Dewijl de Kerels in eenen dichten hoop stonden en van alle kanten eene heldhaftige tegenweer boden, was het den aanvallers niet mogelijk hunne gelederen te breken. Nog een ander en even groot voordeel had voor hen deze wijze van strijden; want zoo beletteden zij het grootste gedeelte der Isegrims werkelijk aan de worsteling deel te nemen.
Dit schromelijk gevecht in de kerk duurde bijna een half uur voort, met immer klimmende woede en wreedheid. De vloer des tempels lag bezaaid met honderden lijken, en de strijdenden plasten hier en daar tot aan de knoesels in het gestorte bloed[81].
Bij dezen onverwachten tegenstand en bij het gezicht van zulk verlies aan dooden en gekwetsten, huilden ridders en wapenknechten van razernij en wraakzucht, en drongen telkens met nieuwe drift elkander naar den hardnekkigen vijand vooruit.
Hoe de Kerels ook de Isegrims bij hoopen nedervelden, zij zelven zagen insgelijks velen hunner gezellen onder de slagen des vijands bezwijken, en hun getal was eindelijk zoozeer verminderd dat men niet kon twijfelen of zij zouden welhaast geheel worden verpletterd.
Op een bevel van den kastelein Hacket weken zij langzaam en even moedig strijdend naar den trap der gaanderij, sprongen allen te gelijk naar boven en wierpen de trapdeur toe.
Terwijl eenigen hunner, die men op voorhand had aangewezen, den ganschen trap opvulden en verstopten met daartoe gereedgelegde steenen en zakken aarde, liepen de anderen naar de kapelle.
Hier op de verhevene gaanderij staande, begonnen zij in den dichten drom hunner vijanden zoodanig met steenbonken te werpen, met pijlen te schieten en met kokende olie, die de Kerlinnen hadden bereid, in het ronde te gieten, dat de Isegrims binnen eene korte wijle tijds meer hunner makkers zagen vallen dan zij er gedurende de lange en bloedige worsteling hadden verloren. De plaats was voor hen niet langer te behouden, wilden zij zich niet nutteloos aan eene geheele verdelging blootstellen.
Een bazuingalm riep hen terug onder de tegenoverstaande zijbeuk der kerk, waar de werptuigen hunner vijanden hen niet konden bereiken.
Intusschen bleven de Kerels boven de gaanderij waakzaam om alwie zich langs dien kant der kerk dorst wagen neer te schieten of te verpletteren; maar de Isegrims hielden zich schuil onder de zijbeuk en schenen daar onder elkander over iets te raadplegen.
Dakerlia kwam met uitgestrekte armen tot Robrecht geloopen en juichte over zijne behoudenis; maar een grievende angstschreeuw ontvloog de ontstelde jonkvrouw, toen haar verloofde, stom en met eenen traan in de oogen, den vinger naar de benedenkerk richtte en daar op een lijk wees dat met verpletterd hoofd ten gronde lag uitgestrekt.
"Wee, wee, Yorg Koevoet!" zuchtte Dakerlia. "Hij heeft Kerlingaland, hij heeft onze vrijheid zijne heldenbloed gegeven! De goede God weze zijne arme ziel genadig!"
Robrecht durfde nauwelijks in de kapelle rondzien; want zeker, vele vrienden vermisten zij, en de berekening van hun verlies zou hen met eene eindelooze droefheid slaan. De kastelein was aan het hoofd gekwetst en verzekerde nu glimlachend zijnen makkers dat zijne wonde slechts oppervlakkig en niet erg was.
Eensklaps traden van onder de zijbeuk een bazuinblazer en een wapenbode vooruit. Deze laatste stelde den Kerels eenen wapenstilstand tot den avond voor, om de gekwetsten te kunnen oprapen en de dooden buiten de kerk te voeren. Hij beloofde hun, in naam van sher Baudewijn Van Aelst, die als overste hier gebood, dat men, zoolang de dag duurde, geene de minste daad van vijandelijkheid tegen hen zou plegen.
De Kerels gaven hunne toestemming, op voorwaarde dat slechts eenige wapenknechten vrij door de kerk zouden mogen gaan om de lijken weg te nemen. Al de anderen zouden onder de zijbeuk blijven of, wilden zij de kerk verlaten, nevens den muur naar de poort stappen. Wie langs de zijde, waarboven de kapelle was, zich waagde, zou oogenblikkelijk van boven worden nedergeschoten of met steenen verpletterd.
Deze overeenkomst aldus gesloten en aanvaard zijnde, begonnen de Isegrims hun werk, en voerden dooden en gekwetsten buiten den tempel.
Zich in het geheel niet op de beloften hunner vijanden betrouwende, hielden de Kerels nauwe wacht op hun gaan en komen en bleven den ganschen dag gereed om allen aanval af te slaan, intusschen immer werkzaam om op de gaanderij allerlei werptuig bijeen te dragen.
Toen de avond was gevallen, zaten zij bijna allen te zamen in de kapelle, waar eenige lampen brandden, of lagen hier en daar, in hoeken of op banken, worstelende tegen den slaaplust en denkend aan den noodlottigen strijd van dien rampspoedigen dag.
Zij hadden hunne overblijvende mannen geteld. Eilaas, meer dan de helft hunner trouwe makkers hadden den dood in de bloedige worsteling gevonden! Van de vijfhonderd Kerels en poorters die met hen de verdediging van den burg hadden begonnen, leefden er nog zeventig!
De kastelein Hacket was zeer bleek ten gevolge van het bloed dat hij had verloren, en scheen afgemat en mismoedig.
Burchard Knap zat met het hoofd op de handen in eenen halfduisteren hoek en bulderde schrikkelijke vermaledijdingen tegen Willem Van Loo en tegen de Kerels, die hun niet ter hulp kwamen, maar bovenal tegen Disdir Vos, den verrader, zonder wiens hulp de vijand nooit binnen Brugge zou geraakt zijn. Hij zwoer bij duren eede dat, indien hij ooit zijne vrijheid terugbekwam, hij geene rust zou genieten voordat hij Disdir Vos het valsche hart uit den boezem hadde gerukt.
Terwijl hij dus in zich zelven morde en gromde, wierp hij sombere blikken in het ronde, als waande hij in zijne makkers zelven vijanden te zien. En waarlijk, daarin bedroog hij zich niet geheel; want buiten eenige Houtkerels beschouwden allen hem in hun gemoed als de oorzaak derongelukken die hen zelven en Kerlingaland bedreigden.
Robrecht Sneloghe alleen poogde door zijne woorden den Kerels nog vertrouwen op redding in te boezemen. De veldslag tusschen den koning van Frankrijk en Willem Van Loo moest nu geleverd zijn of ging geleverd worden. Niet van hunne verdediging te dezer plaatse hing hun lot af; maar van dien beslissenden strijd in het open veld. Alle uren konden zij de zegepraal van het groote Kerlenleger vernemen, en die zegepraal moest ook het einde zijn van hunne gevaren en van hun lijden.
Zoo bleven degenen, die niet onder de vermoeidheid en onder den slapensnood bezweken, elkander troosten en aanmoedigen tot diep in den nacht.
Dan hoorden zij eensklaps eene stem die van buiten de gaanderij tot hen scheen te komen en op versmachten toon hun toeriep:
"Storm op zee! Stil, stil, ik ben een vriend, een Blauwvoet!"
Robrecht deed zijnen makkers een teeken dat zij beweegloos zouden blijven.
Hij zag een menschenhoofd boven de gaanderij opdagen.
"Hemel!" mompelde hij, "bedriegen mij mijne oogen? Ivo-de-wolvenjager! Zonder baard? Gekleed als een wapenknecht?..."
Ivo legde zich den vinger op den mond en stapte over de leuning der gaanderij.
Terwijl de Kerels hem met verbaasdheid bezagen, trok hij met dezelfde geheimzinnige stilte eene lichte ladder in de hoogte en legde ze ten gronde.
Dan liet hij zich op eene bank nedervallen en zeide op treurigen toon:
"Vrienden, laat mij ademscheppen.... Ik heb mij als een wapenknecht verkleed en vele gevaren getrotst om tot u te komen. Ach, mijne arme gezellen, ik vervul eenen droeven plicht.... Ik ben een ongeluksbode.... De oude Bertulf de proost is dood...."
"Dood! De proost van St-Donaas?" kreten allen te gelijk door eenen plotselijken angst aangegrepen.
"Ja, dood; gemarteld, ijselijk gemarteld!"
Degenen die in de verre hoeken zaten, naderden den bode; men wekte zelfs de slapenden, en allen omringden Ivo-den-wolvenjager en overlaadden hem met vragen. Hacket stortte tranen over zijnen ongelukkigen broeder, Robrecht beweende zijnen oom; bleek en met kloppend hart hielden zij de oogen gericht op Ivo-den-wolvenjager, die zijne verklaring aanving en ze met eenige onderbrekingen dus voortzette:
"Wij zijn door Walter Van Lillers behouden buiten de stad geleid, en ondernamen met moed en met vertrouwen onze lange reis door de nachtelijke duisternis. De oude proost, die niet gewoon was te voet te gaan en elk oogenblik struikelde, bezeerde zich dikwijls en begon al spoedig van vermoeidheid te klagen. Wij mochten echter niet rusten; want, bereikten wij voor den morgenstond het leger der Kerels niet, dan liepen wij groot gevaar van in handen der Fransche krijgsknechten te vallen. Ik ondersteunde den heer proost zooveel ik kon, ja, droeg hem, om zoo te zeggen, gedurende de twee laatste uren, want zijne voeten waren gewond en bloedend.... Toen de eerste dagschemering zich aan den hemel begon te vertoonen, verlieten wij de baan omtrent Roozebeke, en traden op eene hofstede waar een goed vriend van mij woont. Zeker, de man zou naar het leger zich begeven hebben; hij is een onversaagde Kerel, een verkleefde Blauwvoet, die vurig wenschte zijn bloed voor de verdediging onzer vrijheid te mogen vergieten; maar zijne vrouw en kinderen zouden op de hofstede zijn. Daar zou de heer proost kunnen rusten en eenig voedsel tot versterking gebruiken. Tot mijne groote verwondering vond ik den Kerel te huis. Toen ik hem zeide dat mijn oude gezel niemand anders was dan de proost van St-Donaas te Brugge, deinsde de Kerel met eene grijns van gramschap en misprijzen terug en mompelde: "Een Erembald, een moordenaar, een verrader van Kerlingaland!"—Door goede woorden wekte ik zijn medelijden op en bracht hem tot bedaren. Terwijl de proost, door dit slecht onthaal mismoedig, wat brood en melk poogde te nuttigen, vernam ik over den toestand der zaken in Kerlingaland zeer bedroevende dingen. De tijding van den moord des graven heeft de tweespalt tusschen de Ambachten gezaaid, waarvan velen geweigerd hebben te wapen te komen, om de verantwoordelijkheid der misdaad zelfs niet in schijn te aanvaarden. Men beschuldigt algemeen de Erembalds van Brugge onze vrijheid en Kerlingaland te hebben verraden; want door den moord hebben zij de beslissingen, die in den Hoop te Veurne genomen waren, onuitvoerbaar gemaakt en op voorhand verijdeld.—Het zijn de woorden van mijnen vriend.—In de Ambachten zelve, die hunne mannen ter beschikking van Willem Van Loo hebben gesteld, zijn vele Kerels te huis gebleven; en zij, die opgetrokken zijn en zich in het leger bevinden, vermaledijden niet min de Erembalds als de oorzaak van 's lands ongeluk."
"Door elkeen gehaat, door de gansche wereld vervloekt als laffe moordenaars!" zuchtte Robrecht.
"Ga voort, laat al dien praat van bloode lieden achter en zeg ons wat mijnen oom den proost is geschied!" gromde Burchard Knap met beklemde woede.
De anderen, zeer ontsteld en nieuwsgierig om het einde dezer verklaring te hooren, luisterden in stilte.
Ivo-de-wolvenjager hernam:
"De woorden van mijnen vriend deden ons twijfelen aan den goeden uitslag onzer zending. Er was echter niet te aarzelen, en alhoewel de arme heer proost schier niet meer kon gaan, wilde hij toch de pijnlijke reis voortzetten.—Wij geraakten, met overspanning onzer krachten, eindelijk in den morgen te Zonnebeke. De heer proost kon niet verder en viel daar in eene herberg bijna machteloos op eene banke neder. Al de paarden, karren en voertuigen der omstreken waren in het leger, dat binnen en rondom Yperen zich bevond. Ik besloot dan alleen naar deze stad te gaan, om mher Willem de komst van den proost bekend te maken en hem te verzoeken mij een rijtuig te doen geven om hem naar Yperen te doen voeren. Ik volbracht mijne boodschap. Een wagen, door een twintigtal Kerels, met eenen overste vergezeld, volgden mij naar Zonnebeke.—Daar vielen de Kerels op mij en ontrukten mij mijn zwaard. Terwijl men mij vasthield om mij alle beweging onmogelijk te maken, greep men, onder het bulderen van allerlei smaadwoorden, den ouden proost aan, bond hem de armen op den rug en smeet hem barschelijk op den wagen. De zweep werd op de paarden gelegd, en wij vertrokken naar Yperen. Mij had men insgelijks gebonden; maar de overste, die mij goed kende, zeide mij dat men mij van niets beschuldigde. Indien ik mijn woord wilde geven dat ik mij zou stilhouden en niet pogen te ontvluchten, zou men mij zonder banden den gevangen proost laten vergezellen. Ik aanvaardde.—Toen wij Yperen gingen naderen, vonden wij, zelfs buiten de stad, eene menigte poorters en Kerels, die nevens de baan op ons schenen te wachten. Ach, hoe zal ik het u zeggen, wat den armen proost daar en tot op de Markt van Yperen wedervoer? Eerst overlaadde men hem met vermaledijdingen en riep men onophoudelijk, zoo luid en zoo woedend, dat het over de velden hergalmde: "Ter dood, ter dood, de laffe moordenaar! Versmoort hem in het slijk, den verrader van Kerlingaland!"—Bij de poort der stad rukte de razende menigte den proost van den wagen en dwong hem te voet te gaan. Dan begon men hem met modder en met steenen te werpen ..."
Een gemor van ijzing en angst vervulde de kapelle; de kastelein Hacket, door het akelig lot zijns broeders verpletterd, had het hoofd gebogen en de handen voor de oogen gelegd. Robrecht en Dakerlia hielden hunne strakke blikken op Burchard gevestigd en schenen hem te verwijten dat hij de schuld was van Bertulfs ongeluk.
Zoo ontsteld en aangegrepen door het verhaal van Ivo, hoorden de Kerels niet dat de doffe hamerslagen, naar de zijde van het klooster, weder waren hervat. Misschien meenden zij het gevaar dezer poging niet nabij genoeg, om er nu eene bijzondere acht op te slaan.
De wolvenjager ging voort:
"De proost, alhoewel ziek en uitgeput, stapte met opgeheven hoofd tusschen den razenden volkshoop; hij had, zooveel zijne banden het hem toelieten, de handen samengevoegd en scheen te bidden. Wij kwamen te midden der Markt, en vonden daar Willem Van Loo met de oversten der Kerels. Mher Willem verweet den proost met hevige gramschap, dat hij tot den moord van graaf Karel had geholpen, en door deze afschuwelijke daad der Kerlen macht had gebroken. De proost beschuldigde integendeel mher Willem en beweerde dat hij zelf aan zijnen neef Burchard bevel had gegeven om Karel van Denemarken te dooden. Mher Willem loochende en zwoer dat hij niets er van had geweten; maar dewijl de proost zijn gezegde staan hield en de waarheid er van poogde te bewijzen, werd mher Willem zoo woedend, dat hij luidop bevel gaf om den ouden proost ter dood te brengen ... Mocht ik hier mijne openbaring eindigen! Mijn hart beeft en mij spookt nog het ijselijk schouwspel voor de oogen ... Op een kruis genageld, met ijzeren tangen verscheurd, door de menigte met modder overdekt, gehoond, bespot, vermaledijd, de oogen tot God en voor zijne beulen biddend ... zoo is de oude proost van St-Donaas gestorven[82]."
Ivo-de-wolvenjager borst in tranen. Er bleef gedurende eene wijl eene doodsche stilte heerschen, zoo diep waren allen onder schrik en droefheid neergedrukt.
"Ach, Burchard, ongelukkige, wat hebt gij gedaan!" riep de kastelein. "Gij zijt niet alleen de schuld van mijns broeders gruwelijken dood, maar tevens van het verderf uws vaderlands! Geheel uw geslacht zal vernietigd worden tot straf uwer misdaad. Waarom zeidet zij ons dat mher Willem u had bevolen den graaf te dooden?"
"Willem Van Loo is een snoodaard; hij liegt!" schreeuwde Burchard. "Hij was de eerste wien het ontwerp werd bekend gemaakt, en hij heeft het goedgekeurd. Is hij nu valsch genoeg om het pak zich van de schouders te schudden, ik veracht hem als een lafaard die hij is. Men beticht mij de zaak van Kerlingaland te hebben verdorven? Het is belachelijk! Neen, wie onze vijand heeft vermoord, wie ons machteloos ten prooi der Isegrims heeft geleverd, is niemand dan de proost Bertulf zelf ..."
"O, mijn God, dat gaat te verre! Zijnen armen oom, zijn slachtoffer hoonen tot in het graf!" galmde Robrecht, de verkrampte vuist tot Burchard vooruitstekende.
"Ha, ik vrees uwe bedreigingen niet!" zeide deze. "Het zijn de toegevingen, de aarzelingen, de vreesachtigheid, de traagheid van den proost, die de zaak van Kerlingaland hebben verloren."
"Neen", kreet Robrecht, "gij alleen hebt ons verraden; gij alleen hebt onze vrijheid en ons vaderland vermoord. Indien de gansche wereld ons vermaledijdt, dan is het omdat gij uwe misdadige handen in het bloed van graaf Karel hebt gedoopt. Ha, ha, zeg wat gij wilt, maar op uw graf kleeft nog na vele eeuwen Vlaanderens onuitwischbare vloek!... Laffe,valsche moordenaar!"
Burchard had zijn zwaard opgeheven en riep bulderend dat hij mher Sneloghe het hoofd wilde klooven. Robrecht, niet min door woede ontsteld, wilde insgelijks met uitgetogen wapen naar Burchard springen. Beiden, door hunne verschrikte gezellen met geweld wederhouden, worstelden om elkander te kunnen naderen. Maar op dit oogenblik hoorden zij achter den autaar der kapelle een bonzend gerucht als van eenen hoop nederrollende steenen, en onmiddellijk daarop den korten toon van eenen hoorn, die door de donkere kerk weergalmde.
"Harop, harop! De vijand, de vijand!" schreeuwden de Kerels, terwijl zij, alles vergetend, naar den autaar vooruitsprongen om hun leven te verdedigen.
Hier begon alweder eene bloedige worsteling. De Gentenaars waren door den uitgebroken muur in groot getal binnen de kapel gedrongen, en onder een luid krijgsgeschreeuw vielen zij de verraste Kerels met groote woede aan. Zij bekochten echter hunne vermetelheid zeer duur: want de eersten werden onmiddellijk neergehakt en degenen die na hen in de nauwe opening zich vertoonden smaakten den dood vooraleer zij den voet op den vloer der kapelle konden zetten.
Gewis, de Kerels zouden het hier zeer lang volgehouden hebben en misschien des vijands poging geheel verijdeld; want, daar de Gentenaars door eene lange gang moesten komen om tot hen te naderen, was het hun gemakkelijk ze allen opvolgend te verpletten Maar terwijl zij door dit gevecht naar de andere zijde der kapel waren gelokt, kwamen de ridders en wapenknechten in de kerk met lichte ladders toegeloopen, en beklommen zonder eenig beletsel te ontmoeten de gaanderij.
Onder het aanheffen van zegevierend krijgsgeschreeuw vielen zij in groote menigte de Kerels van achter op het lijf; en dezen, dus geheel ingesloten, moesten onfeilbaar inkorten tijd bezwijken. Nog eene wijl hielden zij het vol en weerden zich met leeuwenmoed, den vloer bezaaiend met de verminkte lichamen hunner vijanden en met hunne eigene lijken, totdat de overblijvenden, hun klein getal bemerkende, alle hoop opgaven, immer strijdend naar eenen kleinen trap weken en hun heil op den toren zochten[83].
Dewijl zij ook de mogelijkheid zulker vlucht hadden berekend, en op voorhand de middelen tot redding hadden bereid, was de toegang naarboven in een oogenblik verbalkt en de enge trap met steenbonken opgevuld.