De Klucht der Vergissingen.

De Klucht der Vergissingen.Personen:Solinus, hertog van Ephesus.Ægeon, een koopman van Syracuse.Tweelingbroeders, zonen van Ægeon en Æmilia.Antipholusvan Ephesus,Antipholusvan Syracuse.Tweelingbroeders, dienaren van de gebroeders Antipholus.Dromiovan Ephesus,Dromiovan Syracuse.Balthazar, een koopman.Angelo, een goudsmid.Een Koopman, vriend van Antipholus van Ephesus.Een Koopman, handelende met Angelo.Knijp, een schoolmeester.Æmilia, vrouw van Ægeon.Adriana, vrouw van Antipholus van Ephesus.Luciana, haar zuster.Lucie, dienstmaagd van Adriana.Een Courtisane.Een Cipier, Gerechtsdienaars, Wachten en verder Gevolg.Het tooneel is in Ephesus.Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal in het paleis van den Hertog.De Hertog,Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg komen op.Ægeon.Spreek ’t vonnis uit, Solinus; en de dood,Het eind van alles, eindige ook mijn nood.Hertog.Koopman van Syracuse, spaar uw reed’nen;Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.De bitt’re vijandschap, die onlangs rees,Doordien uws hertogs wreede toren woeddeOp hand’laars, wakk’re burgers onzer stad,—Die, ’t geld ontberend om zich los te koopen,Zijn wet bezeeg’len moesten met hun bloed,—Bant alle ontferming van ons gram gelaat.Want sedert tusschen uw onrustig volkEn ons een diep rampzaal’ge twist ontstond,Verboden hier en ginder raadsbesluitenZoowel aan Syracusers als aan ons,12Den handel tusschen beide ontvlamde steden;Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,Zich wagen durft op Syracuse’s markten,Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,’t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,En al zijn goed’ren zijn verbeurd verklaard,Tenzij hij duizend mark betalen kanAls boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.Maar al uw have, op ’t allerhoogst geschat,Is zeker nog geen honderd mark in waarde;En dus veroordeelt u de wet ter dood.Ægeon.’k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,De zon, die daalt, voor ’t laatst mijn jammer ziet.Hertog.Spreek, Syracuser, meld mij nog in ’t kort,Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.Ægeon.’t Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,Dat ik mijn onuitspreek’lijk leed u meld;Maar opdat elk getuig’, dat drang des harten,Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hareGeweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdomNam toe door meen’ge welgeslaagde reisNaar Epidamnum, tot mijn factor stierfEn mij de zorg om de onbeheerde goed’renUit mijner gade zoete omarming reet.Nog geen zes maand was onze scheiding oud,Toen zij, schoon bijna door de zoete strafBezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,Zich toerustte om mij na te reizen, enVoorspoedig veilig aankwam waar ik was.Zij had er nog niet lang vertoefd, of werdDe blijde moeder van twee flinke zoons,En, wonder! de een den and’ren zoo gelijk,Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Terzelfder uur en in hetzelfde huisWas ook een vrouw van lagen stand verlostVan tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.Die kocht ik,—de ouders leden broodsgebrek—Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,Hield dag aan dag op onze huisreis aan;Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroegBetraden wij een schip.62Wij waren pas een mijl van Epidamnum,Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,Reeds teekens, boden van een bitt’ren nood,En dra was alle hoop voor ons vervlogen.Het duist’re licht, dat ons de hemel schonk,Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,De zekerheid van de’ onvermijdb’ren dood,Dien ik voor mij wel daad’lijk hadde omarmd,Maar ’t stâge jamm’ren van mijn gade, dieVooruit beweende, wat zij naad’ren zag,En ’t bitter schreien van mijn lieve kleinen,Die weenden nu zij ’t and’ren zagen doen,Deed mij naar uitstel streven van ons lot;Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.Het scheepsvolk zocht zijn redding in de bootEn liet aan ons het zinkend vaartuig over.Mijn vrouw, voor de’ eerstgeboor’ne meest bezorgd,Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,Zooals de zeeman meevoert voor een storm,En met hem een van de gekochte kind’ren;En evenzoo deed ik met de andre twee.En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,Onszelven vast aan de einden van den spriet;En dreven met een sterke stroom, zooveelWij gissen konden, naar Corinthe toe;En eind’lijk brak de zon weer helder doorEn dreef de neev’len weg, die ons verdierven.En bij het stralen van ’t gewenschte lichtWerd ook de zee weer rustig en wij zagenTwee schepen uit de verte tot ons naad’ren,Een van Corinthe en een van Epidaurus.Doch eer ze er waren,—o, verlang niets meer;Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.Hertog.Neen, oude, breek niet af; want mededoogenMag ik u schenken, schoon genade niet.Ægeon.O, hadden zoo de goden zich erbarmd,Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.De schepen waren nog tien mijlen ver,Daar stieten we op een scherp en kantig rif;Geweldig was door onze vaart de schok,Zoodat ons noodschip in het midden brak.Zoo deelde ons dan het lot, bij ’t wreed verbrekenVan onzen echt, gelijk’lijk beiden toe,Wat ons geluk en wat ons droef’nis bracht.Het deel van haar, die arme, dat gewisWel min gewicht droeg, maar niet minder wee,Werd sneller voortgedreven door den wind,En ik zag alle drie aan boord genomen,Door visschers van Corinthe, naar ’t ons scheen.In ’t eind kwam òns een ander schip op zijde;En toen zij zagen, wie er was gered,114Was liefdevolle hulp ons deel; zij haddenDe visschers gaarne van hun prooi beroofd,Waar’ niet hun bark te slecht bezeild geweest;Doch daarom werd er koers gezet naar huis.—Zoo weet gij nu, hoe mij ’t geluk ontvloodEn ’t ongeluk mijn leven heeft gerekt,Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.Hertog.Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,Welwillend mij volledig mede, watAan hen en u tot nu weervaren is.Ægeon.Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broederTe willen zoeken, en hield telkens aan,Dat ik zijn dienaar,—wien, gelijk zijn meester,Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,—Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,’t Verlangen naar het lang verloren kindDeed mij ’t verliezen van mijn eenling wagen.Ik heb in ’t verste Griekenland vijf zomersGezworven en heel Azië doorkruist,En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,Wel zonder hoop, maar hier als overal,Waar menschen zijn, in ’t zoeken onverdroten.Doch hier is ’t einde van mijn leed en leven,En zeeg’nen zou ik mijn verhaasten dood,Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.Hertog.Rampzaal’ge Ægeon, door het lot bestemdOm zulk een overmaat van leed te dragen!Geloof mij, waar’ ’t niet tegen onze wet,Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,—Die schoon hij ’t will’, geen vorst miskennen mag—Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,En, zonder groote schade voor onze eer,’t Geslagen vonnis geen herroeping duldt,Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.Ik schenk u dezen ganschen dag, opdatGij hulpe zoekt, die u het leven redde.Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeekOf borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.Bewaker, houd hem in het oog.Cipier.Het zal geschieden, vorst.Ægeon.Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;’t Is uitstel van een reeds begonnen dood.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een plein inEphesus.AntipholusenDromiovanSyracuse,benevens een Koopman, komen op.Koopman.Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,Want anders legt men op uw goed beslag.Nog heden raakte een Syracuser koopmanIn hecht’nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,Zooals de wet van onze stad bepaalt,Nog eer de moede zon in ’t westen zinkt.Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.Antipholus van Syracuse.Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus,En blijf er wachten, tot ik bij u kom.’t Is binnen ’t uur reeds tijd voor ’t middagmaal;Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;De winkels eens bekijken, de gebouwen;Dan kom ik eten en een slaapje doen;Want ik ben moede en stijf van ’t lange reizen;Ga, loop maar door.Dromio van Syracuse.Wel menig hield u bij uw woord en gingMet zulk een aardig duitje werk’lijk door.(Dromio van Syracuseaf.)Antipholus van Syracuse.Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,Als zorg en somberheid mij nederdrukken,Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,En blijft gij dan van middag bij mij eten?Koopman.Ik heb een samenkomst van hand’laars, heer,En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ikU tegen vijf uur op de markt ontmoeten,En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.Thans roepen mij mijn zaken elders heen.Antipholus van Syracuse.Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent’renEn recht op mijn gemak uw stad bezien.Koopman.Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.(Koopman af.)Antipholus van Syracuse.Die mij genoegen met mijzelven wenscht,Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.Ik ben een waterdroppel in de wereld,Die in de zee een and’ren droppel zoekt,En als hij zich tot onderzoek er in stort,Bij ’t zoeken spoorloos zich er in verliest;Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,Verlies ik mij, onzaal’gen, zelf er door.(Dromiovan Ephesus komt op.)Daar komt mijn trouwe levensalmanak.41Hoe is ’t? wat keert gij daar zoo ras terug?Dromio van Ephesus.Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!De kip brandt aan, de bigge valt van ’t spit,De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, enMijn meesteres reeds één hier op mijn wang;Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,Wij boeten voor uw euveldaân van heden.Antipholus van Syracuse.Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:Waar hebt gij ’t geld, dat ik u gaf, gelaten?Dromio van Ephesus.Den schelling meent gij van verleden Woensdag,Voor—, voor een staartriem van mijn meesteres?Dien heeft de zadelmaker lang en breed.Antipholus van Syracuse.Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,Niet zelf te passen op een som zoo groot?Dromio van Ephesus.Heer, ’k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?Antipholus van Syracuse.Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?Dromio van Ephesus.Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.Antipholus van Syracuse.Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?Dromio van Ephesus.Heer, ’k moest u zoeken op de markt en vragen,Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,Waar ’t geld in veiligheid geborgen is,Of ik sla u dien bol vol grappen in,Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?Dromio van Ephesus.’k Heb een’ge merken op mijn bol van u,En enkele op mijn rug van de eed’le vrouw,Maar van u beiden saam geen duizend merken.Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,Misschien waar’ ’t ras met uw geduld gedaan.Antipholus van Syracuse.Van de eed’le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?Dromio van Ephesus.Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.Antipholus van Syracuse.Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij,En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!(Hij slaat hem.)Dromio van Ephesus.Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.(Hij loopt heen.)Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik leef, door de’ een of and’re’ streekIs al mijn geld den kerel afgezet.De stad is, zegt men, vol bedrog en list,Vol beurzensnijders die het oog bedotten,Nachttoov’naars, die verbijst’ren, heksen, dieDe ziel verdervend, ’t lichaam tevens sloopen,Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,En zulke godvergeten schurken meer.Zoo ’t waarheid blijkt, reis ik onmidd’lijk af.Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,Doch vrees, er komt niet veel van ’t geld terecht.(Antipholusvan Syracuse af.)Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.In het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!En, Luciana, twee uur moet het zijn.Luciana.Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd,Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;De man is van zijn doen en laten baas;Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd;En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.Adriana.Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?Luciana.’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.Adriana.Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.Luciana.Met recht: zijn wil voert over u den staf.Adriana.Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!Luciana.Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,Voert één deel over ’t ander steeds gebied;Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht,’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht;De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst,Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht,Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,Ver boven vogels, vee en visch verheven,Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!En plooi ùw willen naar des meesters wil.Adriana.U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?Luciana.Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.Adriana.Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.Luciana.’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.Adriana.Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?Luciana.Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.Adriana.Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond.Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd,Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt;Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en rasBlijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.Luciana.Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.(Dromiovan Ephesus komt op.)Adriana.Nu, is de komst uws tragen heers op handen?Dromio van Ephesus.O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.Adriana.Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?Dromio van Ephesus.Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.Luciana.Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?Dromio van Ephesus.Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.Adriana.Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.Dromio van Ephesus.Nu, meesteres, hij is een dolle stier.Adriana.Een dolle stier, gij schelm?Dromio van Ephesus.Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;“’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij,“Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?”“Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw!“Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”Luciana.Dat zeide, wie?Dromio van Ephesus.Dat zeide hij, mijn meester;“’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.”71En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.Adriana.Terug, schavuit, en breng uw meester hier.Dromio van Ephesus.Terug? en dan met slagen weer naar hier?Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.Adriana.Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.Dromio van Ephesus.En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn;Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.Adriana.Weg, domme prater, haal uw meester hier!Dromio van Ephesus.Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dááromTe schoppen als een bal van hier naar ginds?Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.(Dromiovan Ephesus af.)Luciana.Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!Adriana.Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat,Terwijl ik naar een enk’len lach verlang.Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wangHaar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet,Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij,’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.Wat is in mij vervallen en is ’t nietDoor hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraalVan hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.Doch grillig springt mijn hert naar jonger houtEn nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.Luciana.Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!Adriana.’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog.Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is?Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven,En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!Ik zie het nu, de fijnst geslepen steenVerliest zijn glans, en blijve goud ook goud,Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudtHet niet aldoor; en op den schoonsten naamWerpt valschheid en verleiding vaak een blaam.Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.Luciana.Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!(Beiden af.)De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.Tweede Tooneel.Een plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veiligEn wel in den Centaur; de trouwe borstIs uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.Naar wat ik reken en de waard mij zeide,Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerstHem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.(Dromiovan Syracuse komt op.)Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen?De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t,Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?Dromio van Syracuse.Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?Antipholus van Syracuse.Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.Dromio van Syracuse.Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goudVan hier naar den Centaurus brengen liet.Antipholus van Syracuse.Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend,Van een meest’res en van een maal gesproken,Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.Dromio van Syracuse.’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.Antipholus van Syracuse.Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken?Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!(Hij slaat hem.)Dromio van Syracuse.Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?Antipholus van Syracuse.Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,Als met een nar, misbruikt ge in overmoedMijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,Alsof ze u toebehoorden, in beslag.Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn,Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,En richt uw doen naar mijnen blik, of ikLeer op uw bol u beter maat te houën.34Dromio van Syracuse.Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?Antipholus van Syracuse.Weet gij ’t nog niet?Dromio van Syracuse.Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.Antipholus van Syracuse.Moet ik dus zeggen, waarom?Dromio van Syracuse.Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.Antipholus van Syracuse.Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij.Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.Dromio van Syracuse.Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in?In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.Toch, heer, dank ik u.Antipholus van Syracuse.Zoo, dankt ge mij? waarvoor?Dromio van Syracuse.Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.Antipholus van Syracuse.Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?Dromio van Syracuse.Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.Antipholus van Syracuse.Een mooi ding, en wat?Dromio van Syracuse.Het geklopt zijn.Antipholus van Syracuse.Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.Dromio van Syracuse.Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.Antipholus van Syracuse.Waarom niet?Dromio van Syracuse.Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.Antipholus van Syracuse.Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles.66Dromio van Syracuse.Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.Antipholus van Syracuse.Op welken grond, man?Dromio van Syracuse.Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.Antipholus van Syracuse.Laat hooren.Dromio van Syracuse.Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.Antipholus van Syracuse.Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?Dromio van Syracuse.O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.Antipholus van Syracuse.Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?Dromio van Syracuse.Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.Antipholus van Syracuse.Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.Dromio van Syracuse.Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.Antipholus van Syracuse.Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.Dromio van Syracuse.Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maarhij verliest het met een soort van genot.Antipholus van Syracuse.Om welke reden?Dromio van Syracuse.Om twee redenen, en wel zeer gezonde.Antipholus van Syracuse.Neen, gezonde juist niet.Dromio van Syracuse.Nu, zekere redenen dan.Antipholus van Syracuse.Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen.95Dromio van Syracuse.Bepaalde redenen dan.Antipholus van Syracuse.Noem ze maar op.Dromio van Syracuse.De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.Antipholus van Syracuse.Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.Dromio van Syracuse.Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.Antipholus van Syracuse.Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.Dromio van Syracuse.Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.Antipholus van Syracuse.Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?(AdrianaenLucianakomen op.)Adriana.Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;Een ander liefje ziet gij teeder aan;Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:Geen enkel woord was in uw oor muziek,Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog,Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand,Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong,Dan woord of blik of druk of spijs van mij.Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,Van mij, die met u een, ondeelbaar, beterDan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik.O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,Want ja, geloof mij, in de woeste brandingLaat ge even licht een waterdroppel vallenEn schept dien onvermengd er weder uit,Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelfAan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel,Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust!Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht,De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd,Den trouwring snijden van mijn valsche hand,Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding?Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed;Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’,En door uw smetstof word ik tot boelin.Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet.148Antipholus van Syracuse.Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.Twee uren pas ben ik in Ephesus,En vreemder dan de stad is mij uw taal;Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.Luciana.Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.Antipholus van Syracuse.Door Dromio?Dromio van Syracuse.Door mij?Adriana.Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan,Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.Antipholus van Syracuse.Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?Dromio van Syracuse.Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.Antipholus van Syracuse.Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,Was uwe boodschap aan mij op de markt.Dromio van Syracuse.Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.Antipholus van Syracuse.Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?Of is dit door een geest haar ingefluisterd?Adriana.Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’!Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’,’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam;Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven,Uw groei verstikken, leven van uw sterven.Antipholus van Syracuse.Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt!Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.Luciana.Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen.189Dromio van Syracuse.Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!Dit is een tooverland! O wee ons, wee!Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw,En knijpen voor het minst ons bont en blauw.Luciana.Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!Dromio van Syracuse.Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?Antipholus van Syracuse.Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.Dromio van Syracuse.Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.Antipholus van Syracuse.Uitwendig niet.Dromio van Syracuse.Ja toch ik werd een aap.Luciana.Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?Dromio van Syracuse.’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben,Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.Adriana.Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.—’k Wil heden boven met u spijzen, man;Gij zult mij al uw dolle streken biechten.—Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.—Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.Antipholus van Syracuse.Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?Ik ken mijzelven niet en zij mij best.Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen,En blindlings in dit avontuur mij wagen.Dromio van Syracuse.Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?Adriana.Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!Luciana.Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.(Allen af.)De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.

De Klucht der Vergissingen.Personen:Solinus, hertog van Ephesus.Ægeon, een koopman van Syracuse.Tweelingbroeders, zonen van Ægeon en Æmilia.Antipholusvan Ephesus,Antipholusvan Syracuse.Tweelingbroeders, dienaren van de gebroeders Antipholus.Dromiovan Ephesus,Dromiovan Syracuse.Balthazar, een koopman.Angelo, een goudsmid.Een Koopman, vriend van Antipholus van Ephesus.Een Koopman, handelende met Angelo.Knijp, een schoolmeester.Æmilia, vrouw van Ægeon.Adriana, vrouw van Antipholus van Ephesus.Luciana, haar zuster.Lucie, dienstmaagd van Adriana.Een Courtisane.Een Cipier, Gerechtsdienaars, Wachten en verder Gevolg.Het tooneel is in Ephesus.Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal in het paleis van den Hertog.De Hertog,Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg komen op.Ægeon.Spreek ’t vonnis uit, Solinus; en de dood,Het eind van alles, eindige ook mijn nood.Hertog.Koopman van Syracuse, spaar uw reed’nen;Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.De bitt’re vijandschap, die onlangs rees,Doordien uws hertogs wreede toren woeddeOp hand’laars, wakk’re burgers onzer stad,—Die, ’t geld ontberend om zich los te koopen,Zijn wet bezeeg’len moesten met hun bloed,—Bant alle ontferming van ons gram gelaat.Want sedert tusschen uw onrustig volkEn ons een diep rampzaal’ge twist ontstond,Verboden hier en ginder raadsbesluitenZoowel aan Syracusers als aan ons,12Den handel tusschen beide ontvlamde steden;Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,Zich wagen durft op Syracuse’s markten,Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,’t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,En al zijn goed’ren zijn verbeurd verklaard,Tenzij hij duizend mark betalen kanAls boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.Maar al uw have, op ’t allerhoogst geschat,Is zeker nog geen honderd mark in waarde;En dus veroordeelt u de wet ter dood.Ægeon.’k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,De zon, die daalt, voor ’t laatst mijn jammer ziet.Hertog.Spreek, Syracuser, meld mij nog in ’t kort,Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.Ægeon.’t Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,Dat ik mijn onuitspreek’lijk leed u meld;Maar opdat elk getuig’, dat drang des harten,Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hareGeweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdomNam toe door meen’ge welgeslaagde reisNaar Epidamnum, tot mijn factor stierfEn mij de zorg om de onbeheerde goed’renUit mijner gade zoete omarming reet.Nog geen zes maand was onze scheiding oud,Toen zij, schoon bijna door de zoete strafBezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,Zich toerustte om mij na te reizen, enVoorspoedig veilig aankwam waar ik was.Zij had er nog niet lang vertoefd, of werdDe blijde moeder van twee flinke zoons,En, wonder! de een den and’ren zoo gelijk,Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Terzelfder uur en in hetzelfde huisWas ook een vrouw van lagen stand verlostVan tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.Die kocht ik,—de ouders leden broodsgebrek—Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,Hield dag aan dag op onze huisreis aan;Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroegBetraden wij een schip.62Wij waren pas een mijl van Epidamnum,Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,Reeds teekens, boden van een bitt’ren nood,En dra was alle hoop voor ons vervlogen.Het duist’re licht, dat ons de hemel schonk,Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,De zekerheid van de’ onvermijdb’ren dood,Dien ik voor mij wel daad’lijk hadde omarmd,Maar ’t stâge jamm’ren van mijn gade, dieVooruit beweende, wat zij naad’ren zag,En ’t bitter schreien van mijn lieve kleinen,Die weenden nu zij ’t and’ren zagen doen,Deed mij naar uitstel streven van ons lot;Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.Het scheepsvolk zocht zijn redding in de bootEn liet aan ons het zinkend vaartuig over.Mijn vrouw, voor de’ eerstgeboor’ne meest bezorgd,Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,Zooals de zeeman meevoert voor een storm,En met hem een van de gekochte kind’ren;En evenzoo deed ik met de andre twee.En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,Onszelven vast aan de einden van den spriet;En dreven met een sterke stroom, zooveelWij gissen konden, naar Corinthe toe;En eind’lijk brak de zon weer helder doorEn dreef de neev’len weg, die ons verdierven.En bij het stralen van ’t gewenschte lichtWerd ook de zee weer rustig en wij zagenTwee schepen uit de verte tot ons naad’ren,Een van Corinthe en een van Epidaurus.Doch eer ze er waren,—o, verlang niets meer;Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.Hertog.Neen, oude, breek niet af; want mededoogenMag ik u schenken, schoon genade niet.Ægeon.O, hadden zoo de goden zich erbarmd,Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.De schepen waren nog tien mijlen ver,Daar stieten we op een scherp en kantig rif;Geweldig was door onze vaart de schok,Zoodat ons noodschip in het midden brak.Zoo deelde ons dan het lot, bij ’t wreed verbrekenVan onzen echt, gelijk’lijk beiden toe,Wat ons geluk en wat ons droef’nis bracht.Het deel van haar, die arme, dat gewisWel min gewicht droeg, maar niet minder wee,Werd sneller voortgedreven door den wind,En ik zag alle drie aan boord genomen,Door visschers van Corinthe, naar ’t ons scheen.In ’t eind kwam òns een ander schip op zijde;En toen zij zagen, wie er was gered,114Was liefdevolle hulp ons deel; zij haddenDe visschers gaarne van hun prooi beroofd,Waar’ niet hun bark te slecht bezeild geweest;Doch daarom werd er koers gezet naar huis.—Zoo weet gij nu, hoe mij ’t geluk ontvloodEn ’t ongeluk mijn leven heeft gerekt,Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.Hertog.Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,Welwillend mij volledig mede, watAan hen en u tot nu weervaren is.Ægeon.Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broederTe willen zoeken, en hield telkens aan,Dat ik zijn dienaar,—wien, gelijk zijn meester,Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,—Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,’t Verlangen naar het lang verloren kindDeed mij ’t verliezen van mijn eenling wagen.Ik heb in ’t verste Griekenland vijf zomersGezworven en heel Azië doorkruist,En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,Wel zonder hoop, maar hier als overal,Waar menschen zijn, in ’t zoeken onverdroten.Doch hier is ’t einde van mijn leed en leven,En zeeg’nen zou ik mijn verhaasten dood,Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.Hertog.Rampzaal’ge Ægeon, door het lot bestemdOm zulk een overmaat van leed te dragen!Geloof mij, waar’ ’t niet tegen onze wet,Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,—Die schoon hij ’t will’, geen vorst miskennen mag—Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,En, zonder groote schade voor onze eer,’t Geslagen vonnis geen herroeping duldt,Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.Ik schenk u dezen ganschen dag, opdatGij hulpe zoekt, die u het leven redde.Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeekOf borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.Bewaker, houd hem in het oog.Cipier.Het zal geschieden, vorst.Ægeon.Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;’t Is uitstel van een reeds begonnen dood.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een plein inEphesus.AntipholusenDromiovanSyracuse,benevens een Koopman, komen op.Koopman.Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,Want anders legt men op uw goed beslag.Nog heden raakte een Syracuser koopmanIn hecht’nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,Zooals de wet van onze stad bepaalt,Nog eer de moede zon in ’t westen zinkt.Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.Antipholus van Syracuse.Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus,En blijf er wachten, tot ik bij u kom.’t Is binnen ’t uur reeds tijd voor ’t middagmaal;Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;De winkels eens bekijken, de gebouwen;Dan kom ik eten en een slaapje doen;Want ik ben moede en stijf van ’t lange reizen;Ga, loop maar door.Dromio van Syracuse.Wel menig hield u bij uw woord en gingMet zulk een aardig duitje werk’lijk door.(Dromio van Syracuseaf.)Antipholus van Syracuse.Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,Als zorg en somberheid mij nederdrukken,Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,En blijft gij dan van middag bij mij eten?Koopman.Ik heb een samenkomst van hand’laars, heer,En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ikU tegen vijf uur op de markt ontmoeten,En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.Thans roepen mij mijn zaken elders heen.Antipholus van Syracuse.Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent’renEn recht op mijn gemak uw stad bezien.Koopman.Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.(Koopman af.)Antipholus van Syracuse.Die mij genoegen met mijzelven wenscht,Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.Ik ben een waterdroppel in de wereld,Die in de zee een and’ren droppel zoekt,En als hij zich tot onderzoek er in stort,Bij ’t zoeken spoorloos zich er in verliest;Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,Verlies ik mij, onzaal’gen, zelf er door.(Dromiovan Ephesus komt op.)Daar komt mijn trouwe levensalmanak.41Hoe is ’t? wat keert gij daar zoo ras terug?Dromio van Ephesus.Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!De kip brandt aan, de bigge valt van ’t spit,De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, enMijn meesteres reeds één hier op mijn wang;Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,Wij boeten voor uw euveldaân van heden.Antipholus van Syracuse.Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:Waar hebt gij ’t geld, dat ik u gaf, gelaten?Dromio van Ephesus.Den schelling meent gij van verleden Woensdag,Voor—, voor een staartriem van mijn meesteres?Dien heeft de zadelmaker lang en breed.Antipholus van Syracuse.Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,Niet zelf te passen op een som zoo groot?Dromio van Ephesus.Heer, ’k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?Antipholus van Syracuse.Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?Dromio van Ephesus.Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.Antipholus van Syracuse.Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?Dromio van Ephesus.Heer, ’k moest u zoeken op de markt en vragen,Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,Waar ’t geld in veiligheid geborgen is,Of ik sla u dien bol vol grappen in,Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?Dromio van Ephesus.’k Heb een’ge merken op mijn bol van u,En enkele op mijn rug van de eed’le vrouw,Maar van u beiden saam geen duizend merken.Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,Misschien waar’ ’t ras met uw geduld gedaan.Antipholus van Syracuse.Van de eed’le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?Dromio van Ephesus.Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.Antipholus van Syracuse.Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij,En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!(Hij slaat hem.)Dromio van Ephesus.Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.(Hij loopt heen.)Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik leef, door de’ een of and’re’ streekIs al mijn geld den kerel afgezet.De stad is, zegt men, vol bedrog en list,Vol beurzensnijders die het oog bedotten,Nachttoov’naars, die verbijst’ren, heksen, dieDe ziel verdervend, ’t lichaam tevens sloopen,Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,En zulke godvergeten schurken meer.Zoo ’t waarheid blijkt, reis ik onmidd’lijk af.Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,Doch vrees, er komt niet veel van ’t geld terecht.(Antipholusvan Syracuse af.)Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.In het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!En, Luciana, twee uur moet het zijn.Luciana.Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd,Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;De man is van zijn doen en laten baas;Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd;En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.Adriana.Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?Luciana.’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.Adriana.Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.Luciana.Met recht: zijn wil voert over u den staf.Adriana.Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!Luciana.Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,Voert één deel over ’t ander steeds gebied;Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht,’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht;De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst,Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht,Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,Ver boven vogels, vee en visch verheven,Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!En plooi ùw willen naar des meesters wil.Adriana.U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?Luciana.Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.Adriana.Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.Luciana.’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.Adriana.Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?Luciana.Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.Adriana.Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond.Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd,Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt;Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en rasBlijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.Luciana.Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.(Dromiovan Ephesus komt op.)Adriana.Nu, is de komst uws tragen heers op handen?Dromio van Ephesus.O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.Adriana.Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?Dromio van Ephesus.Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.Luciana.Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?Dromio van Ephesus.Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.Adriana.Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.Dromio van Ephesus.Nu, meesteres, hij is een dolle stier.Adriana.Een dolle stier, gij schelm?Dromio van Ephesus.Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;“’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij,“Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?”“Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw!“Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”Luciana.Dat zeide, wie?Dromio van Ephesus.Dat zeide hij, mijn meester;“’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.”71En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.Adriana.Terug, schavuit, en breng uw meester hier.Dromio van Ephesus.Terug? en dan met slagen weer naar hier?Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.Adriana.Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.Dromio van Ephesus.En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn;Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.Adriana.Weg, domme prater, haal uw meester hier!Dromio van Ephesus.Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dááromTe schoppen als een bal van hier naar ginds?Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.(Dromiovan Ephesus af.)Luciana.Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!Adriana.Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat,Terwijl ik naar een enk’len lach verlang.Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wangHaar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet,Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij,’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.Wat is in mij vervallen en is ’t nietDoor hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraalVan hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.Doch grillig springt mijn hert naar jonger houtEn nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.Luciana.Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!Adriana.’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog.Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is?Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven,En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!Ik zie het nu, de fijnst geslepen steenVerliest zijn glans, en blijve goud ook goud,Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudtHet niet aldoor; en op den schoonsten naamWerpt valschheid en verleiding vaak een blaam.Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.Luciana.Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!(Beiden af.)De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.Tweede Tooneel.Een plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veiligEn wel in den Centaur; de trouwe borstIs uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.Naar wat ik reken en de waard mij zeide,Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerstHem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.(Dromiovan Syracuse komt op.)Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen?De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t,Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?Dromio van Syracuse.Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?Antipholus van Syracuse.Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.Dromio van Syracuse.Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goudVan hier naar den Centaurus brengen liet.Antipholus van Syracuse.Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend,Van een meest’res en van een maal gesproken,Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.Dromio van Syracuse.’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.Antipholus van Syracuse.Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken?Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!(Hij slaat hem.)Dromio van Syracuse.Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?Antipholus van Syracuse.Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,Als met een nar, misbruikt ge in overmoedMijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,Alsof ze u toebehoorden, in beslag.Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn,Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,En richt uw doen naar mijnen blik, of ikLeer op uw bol u beter maat te houën.34Dromio van Syracuse.Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?Antipholus van Syracuse.Weet gij ’t nog niet?Dromio van Syracuse.Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.Antipholus van Syracuse.Moet ik dus zeggen, waarom?Dromio van Syracuse.Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.Antipholus van Syracuse.Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij.Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.Dromio van Syracuse.Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in?In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.Toch, heer, dank ik u.Antipholus van Syracuse.Zoo, dankt ge mij? waarvoor?Dromio van Syracuse.Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.Antipholus van Syracuse.Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?Dromio van Syracuse.Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.Antipholus van Syracuse.Een mooi ding, en wat?Dromio van Syracuse.Het geklopt zijn.Antipholus van Syracuse.Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.Dromio van Syracuse.Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.Antipholus van Syracuse.Waarom niet?Dromio van Syracuse.Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.Antipholus van Syracuse.Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles.66Dromio van Syracuse.Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.Antipholus van Syracuse.Op welken grond, man?Dromio van Syracuse.Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.Antipholus van Syracuse.Laat hooren.Dromio van Syracuse.Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.Antipholus van Syracuse.Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?Dromio van Syracuse.O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.Antipholus van Syracuse.Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?Dromio van Syracuse.Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.Antipholus van Syracuse.Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.Dromio van Syracuse.Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.Antipholus van Syracuse.Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.Dromio van Syracuse.Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maarhij verliest het met een soort van genot.Antipholus van Syracuse.Om welke reden?Dromio van Syracuse.Om twee redenen, en wel zeer gezonde.Antipholus van Syracuse.Neen, gezonde juist niet.Dromio van Syracuse.Nu, zekere redenen dan.Antipholus van Syracuse.Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen.95Dromio van Syracuse.Bepaalde redenen dan.Antipholus van Syracuse.Noem ze maar op.Dromio van Syracuse.De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.Antipholus van Syracuse.Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.Dromio van Syracuse.Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.Antipholus van Syracuse.Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.Dromio van Syracuse.Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.Antipholus van Syracuse.Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?(AdrianaenLucianakomen op.)Adriana.Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;Een ander liefje ziet gij teeder aan;Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:Geen enkel woord was in uw oor muziek,Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog,Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand,Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong,Dan woord of blik of druk of spijs van mij.Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,Van mij, die met u een, ondeelbaar, beterDan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik.O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,Want ja, geloof mij, in de woeste brandingLaat ge even licht een waterdroppel vallenEn schept dien onvermengd er weder uit,Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelfAan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel,Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust!Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht,De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd,Den trouwring snijden van mijn valsche hand,Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding?Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed;Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’,En door uw smetstof word ik tot boelin.Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet.148Antipholus van Syracuse.Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.Twee uren pas ben ik in Ephesus,En vreemder dan de stad is mij uw taal;Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.Luciana.Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.Antipholus van Syracuse.Door Dromio?Dromio van Syracuse.Door mij?Adriana.Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan,Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.Antipholus van Syracuse.Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?Dromio van Syracuse.Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.Antipholus van Syracuse.Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,Was uwe boodschap aan mij op de markt.Dromio van Syracuse.Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.Antipholus van Syracuse.Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?Of is dit door een geest haar ingefluisterd?Adriana.Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’!Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’,’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam;Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven,Uw groei verstikken, leven van uw sterven.Antipholus van Syracuse.Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt!Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.Luciana.Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen.189Dromio van Syracuse.Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!Dit is een tooverland! O wee ons, wee!Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw,En knijpen voor het minst ons bont en blauw.Luciana.Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!Dromio van Syracuse.Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?Antipholus van Syracuse.Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.Dromio van Syracuse.Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.Antipholus van Syracuse.Uitwendig niet.Dromio van Syracuse.Ja toch ik werd een aap.Luciana.Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?Dromio van Syracuse.’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben,Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.Adriana.Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.—’k Wil heden boven met u spijzen, man;Gij zult mij al uw dolle streken biechten.—Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.—Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.Antipholus van Syracuse.Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?Ik ken mijzelven niet en zij mij best.Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen,En blindlings in dit avontuur mij wagen.Dromio van Syracuse.Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?Adriana.Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!Luciana.Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.(Allen af.)De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.

Het tooneel is in Ephesus.

Eerste Bedrijf.Eerste Tooneel.Een zaal in het paleis van den Hertog.De Hertog,Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg komen op.Ægeon.Spreek ’t vonnis uit, Solinus; en de dood,Het eind van alles, eindige ook mijn nood.Hertog.Koopman van Syracuse, spaar uw reed’nen;Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.De bitt’re vijandschap, die onlangs rees,Doordien uws hertogs wreede toren woeddeOp hand’laars, wakk’re burgers onzer stad,—Die, ’t geld ontberend om zich los te koopen,Zijn wet bezeeg’len moesten met hun bloed,—Bant alle ontferming van ons gram gelaat.Want sedert tusschen uw onrustig volkEn ons een diep rampzaal’ge twist ontstond,Verboden hier en ginder raadsbesluitenZoowel aan Syracusers als aan ons,12Den handel tusschen beide ontvlamde steden;Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,Zich wagen durft op Syracuse’s markten,Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,’t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,En al zijn goed’ren zijn verbeurd verklaard,Tenzij hij duizend mark betalen kanAls boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.Maar al uw have, op ’t allerhoogst geschat,Is zeker nog geen honderd mark in waarde;En dus veroordeelt u de wet ter dood.Ægeon.’k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,De zon, die daalt, voor ’t laatst mijn jammer ziet.Hertog.Spreek, Syracuser, meld mij nog in ’t kort,Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.Ægeon.’t Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,Dat ik mijn onuitspreek’lijk leed u meld;Maar opdat elk getuig’, dat drang des harten,Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hareGeweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdomNam toe door meen’ge welgeslaagde reisNaar Epidamnum, tot mijn factor stierfEn mij de zorg om de onbeheerde goed’renUit mijner gade zoete omarming reet.Nog geen zes maand was onze scheiding oud,Toen zij, schoon bijna door de zoete strafBezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,Zich toerustte om mij na te reizen, enVoorspoedig veilig aankwam waar ik was.Zij had er nog niet lang vertoefd, of werdDe blijde moeder van twee flinke zoons,En, wonder! de een den and’ren zoo gelijk,Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Terzelfder uur en in hetzelfde huisWas ook een vrouw van lagen stand verlostVan tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.Die kocht ik,—de ouders leden broodsgebrek—Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,Hield dag aan dag op onze huisreis aan;Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroegBetraden wij een schip.62Wij waren pas een mijl van Epidamnum,Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,Reeds teekens, boden van een bitt’ren nood,En dra was alle hoop voor ons vervlogen.Het duist’re licht, dat ons de hemel schonk,Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,De zekerheid van de’ onvermijdb’ren dood,Dien ik voor mij wel daad’lijk hadde omarmd,Maar ’t stâge jamm’ren van mijn gade, dieVooruit beweende, wat zij naad’ren zag,En ’t bitter schreien van mijn lieve kleinen,Die weenden nu zij ’t and’ren zagen doen,Deed mij naar uitstel streven van ons lot;Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.Het scheepsvolk zocht zijn redding in de bootEn liet aan ons het zinkend vaartuig over.Mijn vrouw, voor de’ eerstgeboor’ne meest bezorgd,Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,Zooals de zeeman meevoert voor een storm,En met hem een van de gekochte kind’ren;En evenzoo deed ik met de andre twee.En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,Onszelven vast aan de einden van den spriet;En dreven met een sterke stroom, zooveelWij gissen konden, naar Corinthe toe;En eind’lijk brak de zon weer helder doorEn dreef de neev’len weg, die ons verdierven.En bij het stralen van ’t gewenschte lichtWerd ook de zee weer rustig en wij zagenTwee schepen uit de verte tot ons naad’ren,Een van Corinthe en een van Epidaurus.Doch eer ze er waren,—o, verlang niets meer;Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.Hertog.Neen, oude, breek niet af; want mededoogenMag ik u schenken, schoon genade niet.Ægeon.O, hadden zoo de goden zich erbarmd,Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.De schepen waren nog tien mijlen ver,Daar stieten we op een scherp en kantig rif;Geweldig was door onze vaart de schok,Zoodat ons noodschip in het midden brak.Zoo deelde ons dan het lot, bij ’t wreed verbrekenVan onzen echt, gelijk’lijk beiden toe,Wat ons geluk en wat ons droef’nis bracht.Het deel van haar, die arme, dat gewisWel min gewicht droeg, maar niet minder wee,Werd sneller voortgedreven door den wind,En ik zag alle drie aan boord genomen,Door visschers van Corinthe, naar ’t ons scheen.In ’t eind kwam òns een ander schip op zijde;En toen zij zagen, wie er was gered,114Was liefdevolle hulp ons deel; zij haddenDe visschers gaarne van hun prooi beroofd,Waar’ niet hun bark te slecht bezeild geweest;Doch daarom werd er koers gezet naar huis.—Zoo weet gij nu, hoe mij ’t geluk ontvloodEn ’t ongeluk mijn leven heeft gerekt,Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.Hertog.Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,Welwillend mij volledig mede, watAan hen en u tot nu weervaren is.Ægeon.Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broederTe willen zoeken, en hield telkens aan,Dat ik zijn dienaar,—wien, gelijk zijn meester,Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,—Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,’t Verlangen naar het lang verloren kindDeed mij ’t verliezen van mijn eenling wagen.Ik heb in ’t verste Griekenland vijf zomersGezworven en heel Azië doorkruist,En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,Wel zonder hoop, maar hier als overal,Waar menschen zijn, in ’t zoeken onverdroten.Doch hier is ’t einde van mijn leed en leven,En zeeg’nen zou ik mijn verhaasten dood,Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.Hertog.Rampzaal’ge Ægeon, door het lot bestemdOm zulk een overmaat van leed te dragen!Geloof mij, waar’ ’t niet tegen onze wet,Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,—Die schoon hij ’t will’, geen vorst miskennen mag—Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,En, zonder groote schade voor onze eer,’t Geslagen vonnis geen herroeping duldt,Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.Ik schenk u dezen ganschen dag, opdatGij hulpe zoekt, die u het leven redde.Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeekOf borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.Bewaker, houd hem in het oog.Cipier.Het zal geschieden, vorst.Ægeon.Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;’t Is uitstel van een reeds begonnen dood.(Allen af.)Tweede Tooneel.Een plein inEphesus.AntipholusenDromiovanSyracuse,benevens een Koopman, komen op.Koopman.Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,Want anders legt men op uw goed beslag.Nog heden raakte een Syracuser koopmanIn hecht’nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,Zooals de wet van onze stad bepaalt,Nog eer de moede zon in ’t westen zinkt.Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.Antipholus van Syracuse.Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus,En blijf er wachten, tot ik bij u kom.’t Is binnen ’t uur reeds tijd voor ’t middagmaal;Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;De winkels eens bekijken, de gebouwen;Dan kom ik eten en een slaapje doen;Want ik ben moede en stijf van ’t lange reizen;Ga, loop maar door.Dromio van Syracuse.Wel menig hield u bij uw woord en gingMet zulk een aardig duitje werk’lijk door.(Dromio van Syracuseaf.)Antipholus van Syracuse.Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,Als zorg en somberheid mij nederdrukken,Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,En blijft gij dan van middag bij mij eten?Koopman.Ik heb een samenkomst van hand’laars, heer,En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ikU tegen vijf uur op de markt ontmoeten,En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.Thans roepen mij mijn zaken elders heen.Antipholus van Syracuse.Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent’renEn recht op mijn gemak uw stad bezien.Koopman.Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.(Koopman af.)Antipholus van Syracuse.Die mij genoegen met mijzelven wenscht,Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.Ik ben een waterdroppel in de wereld,Die in de zee een and’ren droppel zoekt,En als hij zich tot onderzoek er in stort,Bij ’t zoeken spoorloos zich er in verliest;Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,Verlies ik mij, onzaal’gen, zelf er door.(Dromiovan Ephesus komt op.)Daar komt mijn trouwe levensalmanak.41Hoe is ’t? wat keert gij daar zoo ras terug?Dromio van Ephesus.Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!De kip brandt aan, de bigge valt van ’t spit,De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, enMijn meesteres reeds één hier op mijn wang;Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,Wij boeten voor uw euveldaân van heden.Antipholus van Syracuse.Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:Waar hebt gij ’t geld, dat ik u gaf, gelaten?Dromio van Ephesus.Den schelling meent gij van verleden Woensdag,Voor—, voor een staartriem van mijn meesteres?Dien heeft de zadelmaker lang en breed.Antipholus van Syracuse.Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,Niet zelf te passen op een som zoo groot?Dromio van Ephesus.Heer, ’k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?Antipholus van Syracuse.Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?Dromio van Ephesus.Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.Antipholus van Syracuse.Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?Dromio van Ephesus.Heer, ’k moest u zoeken op de markt en vragen,Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,Waar ’t geld in veiligheid geborgen is,Of ik sla u dien bol vol grappen in,Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?Dromio van Ephesus.’k Heb een’ge merken op mijn bol van u,En enkele op mijn rug van de eed’le vrouw,Maar van u beiden saam geen duizend merken.Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,Misschien waar’ ’t ras met uw geduld gedaan.Antipholus van Syracuse.Van de eed’le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?Dromio van Ephesus.Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.Antipholus van Syracuse.Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij,En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!(Hij slaat hem.)Dromio van Ephesus.Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.(Hij loopt heen.)Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik leef, door de’ een of and’re’ streekIs al mijn geld den kerel afgezet.De stad is, zegt men, vol bedrog en list,Vol beurzensnijders die het oog bedotten,Nachttoov’naars, die verbijst’ren, heksen, dieDe ziel verdervend, ’t lichaam tevens sloopen,Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,En zulke godvergeten schurken meer.Zoo ’t waarheid blijkt, reis ik onmidd’lijk af.Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,Doch vrees, er komt niet veel van ’t geld terecht.(Antipholusvan Syracuse af.)

Eerste Tooneel.Een zaal in het paleis van den Hertog.De Hertog,Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg komen op.Ægeon.Spreek ’t vonnis uit, Solinus; en de dood,Het eind van alles, eindige ook mijn nood.Hertog.Koopman van Syracuse, spaar uw reed’nen;Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.De bitt’re vijandschap, die onlangs rees,Doordien uws hertogs wreede toren woeddeOp hand’laars, wakk’re burgers onzer stad,—Die, ’t geld ontberend om zich los te koopen,Zijn wet bezeeg’len moesten met hun bloed,—Bant alle ontferming van ons gram gelaat.Want sedert tusschen uw onrustig volkEn ons een diep rampzaal’ge twist ontstond,Verboden hier en ginder raadsbesluitenZoowel aan Syracusers als aan ons,12Den handel tusschen beide ontvlamde steden;Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,Zich wagen durft op Syracuse’s markten,Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,’t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,En al zijn goed’ren zijn verbeurd verklaard,Tenzij hij duizend mark betalen kanAls boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.Maar al uw have, op ’t allerhoogst geschat,Is zeker nog geen honderd mark in waarde;En dus veroordeelt u de wet ter dood.Ægeon.’k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,De zon, die daalt, voor ’t laatst mijn jammer ziet.Hertog.Spreek, Syracuser, meld mij nog in ’t kort,Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.Ægeon.’t Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,Dat ik mijn onuitspreek’lijk leed u meld;Maar opdat elk getuig’, dat drang des harten,Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hareGeweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdomNam toe door meen’ge welgeslaagde reisNaar Epidamnum, tot mijn factor stierfEn mij de zorg om de onbeheerde goed’renUit mijner gade zoete omarming reet.Nog geen zes maand was onze scheiding oud,Toen zij, schoon bijna door de zoete strafBezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,Zich toerustte om mij na te reizen, enVoorspoedig veilig aankwam waar ik was.Zij had er nog niet lang vertoefd, of werdDe blijde moeder van twee flinke zoons,En, wonder! de een den and’ren zoo gelijk,Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Terzelfder uur en in hetzelfde huisWas ook een vrouw van lagen stand verlostVan tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.Die kocht ik,—de ouders leden broodsgebrek—Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,Hield dag aan dag op onze huisreis aan;Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroegBetraden wij een schip.62Wij waren pas een mijl van Epidamnum,Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,Reeds teekens, boden van een bitt’ren nood,En dra was alle hoop voor ons vervlogen.Het duist’re licht, dat ons de hemel schonk,Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,De zekerheid van de’ onvermijdb’ren dood,Dien ik voor mij wel daad’lijk hadde omarmd,Maar ’t stâge jamm’ren van mijn gade, dieVooruit beweende, wat zij naad’ren zag,En ’t bitter schreien van mijn lieve kleinen,Die weenden nu zij ’t and’ren zagen doen,Deed mij naar uitstel streven van ons lot;Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.Het scheepsvolk zocht zijn redding in de bootEn liet aan ons het zinkend vaartuig over.Mijn vrouw, voor de’ eerstgeboor’ne meest bezorgd,Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,Zooals de zeeman meevoert voor een storm,En met hem een van de gekochte kind’ren;En evenzoo deed ik met de andre twee.En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,Onszelven vast aan de einden van den spriet;En dreven met een sterke stroom, zooveelWij gissen konden, naar Corinthe toe;En eind’lijk brak de zon weer helder doorEn dreef de neev’len weg, die ons verdierven.En bij het stralen van ’t gewenschte lichtWerd ook de zee weer rustig en wij zagenTwee schepen uit de verte tot ons naad’ren,Een van Corinthe en een van Epidaurus.Doch eer ze er waren,—o, verlang niets meer;Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.Hertog.Neen, oude, breek niet af; want mededoogenMag ik u schenken, schoon genade niet.Ægeon.O, hadden zoo de goden zich erbarmd,Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.De schepen waren nog tien mijlen ver,Daar stieten we op een scherp en kantig rif;Geweldig was door onze vaart de schok,Zoodat ons noodschip in het midden brak.Zoo deelde ons dan het lot, bij ’t wreed verbrekenVan onzen echt, gelijk’lijk beiden toe,Wat ons geluk en wat ons droef’nis bracht.Het deel van haar, die arme, dat gewisWel min gewicht droeg, maar niet minder wee,Werd sneller voortgedreven door den wind,En ik zag alle drie aan boord genomen,Door visschers van Corinthe, naar ’t ons scheen.In ’t eind kwam òns een ander schip op zijde;En toen zij zagen, wie er was gered,114Was liefdevolle hulp ons deel; zij haddenDe visschers gaarne van hun prooi beroofd,Waar’ niet hun bark te slecht bezeild geweest;Doch daarom werd er koers gezet naar huis.—Zoo weet gij nu, hoe mij ’t geluk ontvloodEn ’t ongeluk mijn leven heeft gerekt,Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.Hertog.Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,Welwillend mij volledig mede, watAan hen en u tot nu weervaren is.Ægeon.Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broederTe willen zoeken, en hield telkens aan,Dat ik zijn dienaar,—wien, gelijk zijn meester,Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,—Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,’t Verlangen naar het lang verloren kindDeed mij ’t verliezen van mijn eenling wagen.Ik heb in ’t verste Griekenland vijf zomersGezworven en heel Azië doorkruist,En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,Wel zonder hoop, maar hier als overal,Waar menschen zijn, in ’t zoeken onverdroten.Doch hier is ’t einde van mijn leed en leven,En zeeg’nen zou ik mijn verhaasten dood,Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.Hertog.Rampzaal’ge Ægeon, door het lot bestemdOm zulk een overmaat van leed te dragen!Geloof mij, waar’ ’t niet tegen onze wet,Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,—Die schoon hij ’t will’, geen vorst miskennen mag—Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,En, zonder groote schade voor onze eer,’t Geslagen vonnis geen herroeping duldt,Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.Ik schenk u dezen ganschen dag, opdatGij hulpe zoekt, die u het leven redde.Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeekOf borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.Bewaker, houd hem in het oog.Cipier.Het zal geschieden, vorst.Ægeon.Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;’t Is uitstel van een reeds begonnen dood.(Allen af.)

Een zaal in het paleis van den Hertog.

De Hertog,Ægeon, een Cipier, een Gerechtsdienaar en verder Gevolg komen op.

Ægeon.Spreek ’t vonnis uit, Solinus; en de dood,Het eind van alles, eindige ook mijn nood.

Ægeon.

Spreek ’t vonnis uit, Solinus; en de dood,

Het eind van alles, eindige ook mijn nood.

Hertog.Koopman van Syracuse, spaar uw reed’nen;Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.De bitt’re vijandschap, die onlangs rees,Doordien uws hertogs wreede toren woeddeOp hand’laars, wakk’re burgers onzer stad,—Die, ’t geld ontberend om zich los te koopen,Zijn wet bezeeg’len moesten met hun bloed,—Bant alle ontferming van ons gram gelaat.Want sedert tusschen uw onrustig volkEn ons een diep rampzaal’ge twist ontstond,Verboden hier en ginder raadsbesluitenZoowel aan Syracusers als aan ons,12Den handel tusschen beide ontvlamde steden;Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,Zich wagen durft op Syracuse’s markten,Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,’t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,En al zijn goed’ren zijn verbeurd verklaard,Tenzij hij duizend mark betalen kanAls boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.Maar al uw have, op ’t allerhoogst geschat,Is zeker nog geen honderd mark in waarde;En dus veroordeelt u de wet ter dood.

Hertog.

Koopman van Syracuse, spaar uw reed’nen;

Ik volg, steeds onpartijdig, streng de wet.

De bitt’re vijandschap, die onlangs rees,

Doordien uws hertogs wreede toren woedde

Op hand’laars, wakk’re burgers onzer stad,—

Die, ’t geld ontberend om zich los te koopen,

Zijn wet bezeeg’len moesten met hun bloed,—

Bant alle ontferming van ons gram gelaat.

Want sedert tusschen uw onrustig volk

En ons een diep rampzaal’ge twist ontstond,

Verboden hier en ginder raadsbesluiten

Zoowel aan Syracusers als aan ons,12

Den handel tusschen beide ontvlamde steden;

Ja meer, zoo een, uit Ephesus geboortig,

Zich wagen durft op Syracuse’s markten,

Of ook, als een, uit Syracuse afkomstig,

’t Gebied van Ephesus betreedt, dan sterft hij,

En al zijn goed’ren zijn verbeurd verklaard,

Tenzij hij duizend mark betalen kan

Als boete voor zijn schuld en als zijn losgeld.

Maar al uw have, op ’t allerhoogst geschat,

Is zeker nog geen honderd mark in waarde;

En dus veroordeelt u de wet ter dood.

Ægeon.’k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,De zon, die daalt, voor ’t laatst mijn jammer ziet.

Ægeon.

’k Heb dezen troost, dat, als uw wil geschiedt,

De zon, die daalt, voor ’t laatst mijn jammer ziet.

Hertog.Spreek, Syracuser, meld mij nog in ’t kort,Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.

Hertog.

Spreek, Syracuser, meld mij nog in ’t kort,

Waarom ge uw vaderstad verlaten hebt,

En wat gij hier in Ephesus kwaamt doen.

Ægeon.’t Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,Dat ik mijn onuitspreek’lijk leed u meld;Maar opdat elk getuig’, dat drang des harten,Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hareGeweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdomNam toe door meen’ge welgeslaagde reisNaar Epidamnum, tot mijn factor stierfEn mij de zorg om de onbeheerde goed’renUit mijner gade zoete omarming reet.Nog geen zes maand was onze scheiding oud,Toen zij, schoon bijna door de zoete strafBezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,Zich toerustte om mij na te reizen, enVoorspoedig veilig aankwam waar ik was.Zij had er nog niet lang vertoefd, of werdDe blijde moeder van twee flinke zoons,En, wonder! de een den and’ren zoo gelijk,Dat naamverschil alleen verschil kon geven.Terzelfder uur en in hetzelfde huisWas ook een vrouw van lagen stand verlostVan tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.Die kocht ik,—de ouders leden broodsgebrek—Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,Hield dag aan dag op onze huisreis aan;Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroegBetraden wij een schip.62Wij waren pas een mijl van Epidamnum,Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,Reeds teekens, boden van een bitt’ren nood,En dra was alle hoop voor ons vervlogen.Het duist’re licht, dat ons de hemel schonk,Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,De zekerheid van de’ onvermijdb’ren dood,Dien ik voor mij wel daad’lijk hadde omarmd,Maar ’t stâge jamm’ren van mijn gade, dieVooruit beweende, wat zij naad’ren zag,En ’t bitter schreien van mijn lieve kleinen,Die weenden nu zij ’t and’ren zagen doen,Deed mij naar uitstel streven van ons lot;Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.Het scheepsvolk zocht zijn redding in de bootEn liet aan ons het zinkend vaartuig over.Mijn vrouw, voor de’ eerstgeboor’ne meest bezorgd,Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,Zooals de zeeman meevoert voor een storm,En met hem een van de gekochte kind’ren;En evenzoo deed ik met de andre twee.En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,Onszelven vast aan de einden van den spriet;En dreven met een sterke stroom, zooveelWij gissen konden, naar Corinthe toe;En eind’lijk brak de zon weer helder doorEn dreef de neev’len weg, die ons verdierven.En bij het stralen van ’t gewenschte lichtWerd ook de zee weer rustig en wij zagenTwee schepen uit de verte tot ons naad’ren,Een van Corinthe en een van Epidaurus.Doch eer ze er waren,—o, verlang niets meer;Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.

Ægeon.

’t Is wel het zwaarst, wat gij mij op kunt leggen,

Dat ik mijn onuitspreek’lijk leed u meld;

Maar opdat elk getuig’, dat drang des harten,

Niet lage misdaad, schuld is van mijn dood,

Wil ik verhalen, wat mijn smart mij toelaat.

Ik stam uit Syracuse en was gehuwd;

Mijn vrouw zou heel mijn heil en ik het hare

Geweest zijn, had niet onheil ons vervolgd.

Wij leefden recht gelukkig; onze rijkdom

Nam toe door meen’ge welgeslaagde reis

Naar Epidamnum, tot mijn factor stierf

En mij de zorg om de onbeheerde goed’ren

Uit mijner gade zoete omarming reet.

Nog geen zes maand was onze scheiding oud,

Toen zij, schoon bijna door de zoete straf

Bezwijkend, die de vrouw te dragen heeft,

Zich toerustte om mij na te reizen, en

Voorspoedig veilig aankwam waar ik was.

Zij had er nog niet lang vertoefd, of werd

De blijde moeder van twee flinke zoons,

En, wonder! de een den and’ren zoo gelijk,

Dat naamverschil alleen verschil kon geven.

Terzelfder uur en in hetzelfde huis

Was ook een vrouw van lagen stand verlost

Van tweelingknaapjes, evenzoo gelijk.

Die kocht ik,—de ouders leden broodsgebrek—

Opdat zij dienaars werden van mijn zoons.

Mijn vrouw, niet weinig trotsch op zulk een paar,

Hield dag aan dag op onze huisreis aan;

Onwillig stemde ik toe; helaas! te vroeg

Betraden wij een schip.62

Wij waren pas een mijl van Epidamnum,

Daar gaf de zee, den wind steeds onderdanig,

Reeds teekens, boden van een bitt’ren nood,

En dra was alle hoop voor ons vervlogen.

Het duist’re licht, dat ons de hemel schonk,

Bracht ons beangst gemoed, in steê van troost,

De zekerheid van de’ onvermijdb’ren dood,

Dien ik voor mij wel daad’lijk hadde omarmd,

Maar ’t stâge jamm’ren van mijn gade, die

Vooruit beweende, wat zij naad’ren zag,

En ’t bitter schreien van mijn lieve kleinen,

Die weenden nu zij ’t and’ren zagen doen,

Deed mij naar uitstel streven van ons lot;

Want uitstel mocht het zijn, iets anders niet.

Het scheepsvolk zocht zijn redding in de boot

En liet aan ons het zinkend vaartuig over.

Mijn vrouw, voor de’ eerstgeboor’ne meest bezorgd,

Bond dezen aan een kleinen noodspriet vast,

Zooals de zeeman meevoert voor een storm,

En met hem een van de gekochte kind’ren;

En evenzoo deed ik met de andre twee.

En daarop bonden wij, mijn vrouw en ik,

Steeds turend op het voorwerp onzer zorg,

Onszelven vast aan de einden van den spriet;

En dreven met een sterke stroom, zooveel

Wij gissen konden, naar Corinthe toe;

En eind’lijk brak de zon weer helder door

En dreef de neev’len weg, die ons verdierven.

En bij het stralen van ’t gewenschte licht

Werd ook de zee weer rustig en wij zagen

Twee schepen uit de verte tot ons naad’ren,

Een van Corinthe en een van Epidaurus.

Doch eer ze er waren,—o, verlang niets meer;

Gis, uit wat voorging, noodlots ommekeer.

Hertog.Neen, oude, breek niet af; want mededoogenMag ik u schenken, schoon genade niet.

Hertog.

Neen, oude, breek niet af; want mededoogen

Mag ik u schenken, schoon genade niet.

Ægeon.O, hadden zoo de goden zich erbarmd,Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.De schepen waren nog tien mijlen ver,Daar stieten we op een scherp en kantig rif;Geweldig was door onze vaart de schok,Zoodat ons noodschip in het midden brak.Zoo deelde ons dan het lot, bij ’t wreed verbrekenVan onzen echt, gelijk’lijk beiden toe,Wat ons geluk en wat ons droef’nis bracht.Het deel van haar, die arme, dat gewisWel min gewicht droeg, maar niet minder wee,Werd sneller voortgedreven door den wind,En ik zag alle drie aan boord genomen,Door visschers van Corinthe, naar ’t ons scheen.In ’t eind kwam òns een ander schip op zijde;En toen zij zagen, wie er was gered,114Was liefdevolle hulp ons deel; zij haddenDe visschers gaarne van hun prooi beroofd,Waar’ niet hun bark te slecht bezeild geweest;Doch daarom werd er koers gezet naar huis.—Zoo weet gij nu, hoe mij ’t geluk ontvloodEn ’t ongeluk mijn leven heeft gerekt,Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.

Ægeon.

O, hadden zoo de goden zich erbarmd,

Dan zou ik niet terecht thans wreed hen noemen.

De schepen waren nog tien mijlen ver,

Daar stieten we op een scherp en kantig rif;

Geweldig was door onze vaart de schok,

Zoodat ons noodschip in het midden brak.

Zoo deelde ons dan het lot, bij ’t wreed verbreken

Van onzen echt, gelijk’lijk beiden toe,

Wat ons geluk en wat ons droef’nis bracht.

Het deel van haar, die arme, dat gewis

Wel min gewicht droeg, maar niet minder wee,

Werd sneller voortgedreven door den wind,

En ik zag alle drie aan boord genomen,

Door visschers van Corinthe, naar ’t ons scheen.

In ’t eind kwam òns een ander schip op zijde;

En toen zij zagen, wie er was gered,114

Was liefdevolle hulp ons deel; zij hadden

De visschers gaarne van hun prooi beroofd,

Waar’ niet hun bark te slecht bezeild geweest;

Doch daarom werd er koers gezet naar huis.—

Zoo weet gij nu, hoe mij ’t geluk ontvlood

En ’t ongeluk mijn leven heeft gerekt,

Opdat ikzelf mijn rampen zou verkonden.

Hertog.Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,Welwillend mij volledig mede, watAan hen en u tot nu weervaren is.

Hertog.

Deel nog om hunnentwil, die gij betreurt,

Welwillend mij volledig mede, wat

Aan hen en u tot nu weervaren is.

Ægeon.Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broederTe willen zoeken, en hield telkens aan,Dat ik zijn dienaar,—wien, gelijk zijn meester,Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,—Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,’t Verlangen naar het lang verloren kindDeed mij ’t verliezen van mijn eenling wagen.Ik heb in ’t verste Griekenland vijf zomersGezworven en heel Azië doorkruist,En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,Wel zonder hoop, maar hier als overal,Waar menschen zijn, in ’t zoeken onverdroten.Doch hier is ’t einde van mijn leed en leven,En zeeg’nen zou ik mijn verhaasten dood,Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.

Ægeon.

Mijn jongste zoon, doch oudste zorg, begon,

Toen hij een achttien jaar was, naar zijn broeder

Te willen zoeken, en hield telkens aan,

Dat ik zijn dienaar,—wien, gelijk zijn meester,

Van zijnen broeder slechts de naam nog bleef,—

Hem mee zou geven, dat zij samen zochten,

’t Verlangen naar het lang verloren kind

Deed mij ’t verliezen van mijn eenling wagen.

Ik heb in ’t verste Griekenland vijf zomers

Gezworven en heel Azië doorkruist,

En kwam naar Ephesus op mijn terugweg,

Wel zonder hoop, maar hier als overal,

Waar menschen zijn, in ’t zoeken onverdroten.

Doch hier is ’t einde van mijn leed en leven,

En zeeg’nen zou ik mijn verhaasten dood,

Wist ik door al mijn zwerven slechts: zij leven.

Hertog.Rampzaal’ge Ægeon, door het lot bestemdOm zulk een overmaat van leed te dragen!Geloof mij, waar’ ’t niet tegen onze wet,Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,—Die schoon hij ’t will’, geen vorst miskennen mag—Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,En, zonder groote schade voor onze eer,’t Geslagen vonnis geen herroeping duldt,Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.Ik schenk u dezen ganschen dag, opdatGij hulpe zoekt, die u het leven redde.Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeekOf borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.Bewaker, houd hem in het oog.

Hertog.

Rampzaal’ge Ægeon, door het lot bestemd

Om zulk een overmaat van leed te dragen!

Geloof mij, waar’ ’t niet tegen onze wet,

Niet tegen mijn gezag, mijn kroon, mijn eed,—

Die schoon hij ’t will’, geen vorst miskennen mag—

Mijn hart zou wis uw pleitbezorger zijn.

Maar schoon gij tot den dood verwezen zijt,

En, zonder groote schade voor onze eer,

’t Geslagen vonnis geen herroeping duldt,

Wil ik u gunstig zijn, zooveel ik kan.

Ik schenk u dezen ganschen dag, opdat

Gij hulpe zoekt, die u het leven redde.

Klop aan bij al uw vrienden hier, en smeek

Of borg uw losgeld bij elkaâr, en leef;

Gelukt dit niet, dan blijft uw dood bepaald.

Bewaker, houd hem in het oog.

Cipier.Het zal geschieden, vorst.

Cipier.

Het zal geschieden, vorst.

Ægeon.Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;’t Is uitstel van een reeds begonnen dood.

Ægeon.

Ik ga, maar hoop- en hulploos is mijn nood;

’t Is uitstel van een reeds begonnen dood.

(Allen af.)

Tweede Tooneel.Een plein inEphesus.AntipholusenDromiovanSyracuse,benevens een Koopman, komen op.Koopman.Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,Want anders legt men op uw goed beslag.Nog heden raakte een Syracuser koopmanIn hecht’nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,Zooals de wet van onze stad bepaalt,Nog eer de moede zon in ’t westen zinkt.Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.Antipholus van Syracuse.Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus,En blijf er wachten, tot ik bij u kom.’t Is binnen ’t uur reeds tijd voor ’t middagmaal;Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;De winkels eens bekijken, de gebouwen;Dan kom ik eten en een slaapje doen;Want ik ben moede en stijf van ’t lange reizen;Ga, loop maar door.Dromio van Syracuse.Wel menig hield u bij uw woord en gingMet zulk een aardig duitje werk’lijk door.(Dromio van Syracuseaf.)Antipholus van Syracuse.Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,Als zorg en somberheid mij nederdrukken,Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,En blijft gij dan van middag bij mij eten?Koopman.Ik heb een samenkomst van hand’laars, heer,En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ikU tegen vijf uur op de markt ontmoeten,En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.Thans roepen mij mijn zaken elders heen.Antipholus van Syracuse.Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent’renEn recht op mijn gemak uw stad bezien.Koopman.Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.(Koopman af.)Antipholus van Syracuse.Die mij genoegen met mijzelven wenscht,Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.Ik ben een waterdroppel in de wereld,Die in de zee een and’ren droppel zoekt,En als hij zich tot onderzoek er in stort,Bij ’t zoeken spoorloos zich er in verliest;Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,Verlies ik mij, onzaal’gen, zelf er door.(Dromiovan Ephesus komt op.)Daar komt mijn trouwe levensalmanak.41Hoe is ’t? wat keert gij daar zoo ras terug?Dromio van Ephesus.Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!De kip brandt aan, de bigge valt van ’t spit,De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, enMijn meesteres reeds één hier op mijn wang;Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,Wij boeten voor uw euveldaân van heden.Antipholus van Syracuse.Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:Waar hebt gij ’t geld, dat ik u gaf, gelaten?Dromio van Ephesus.Den schelling meent gij van verleden Woensdag,Voor—, voor een staartriem van mijn meesteres?Dien heeft de zadelmaker lang en breed.Antipholus van Syracuse.Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,Niet zelf te passen op een som zoo groot?Dromio van Ephesus.Heer, ’k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?Antipholus van Syracuse.Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?Dromio van Ephesus.Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.Antipholus van Syracuse.Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?Dromio van Ephesus.Heer, ’k moest u zoeken op de markt en vragen,Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,Waar ’t geld in veiligheid geborgen is,Of ik sla u dien bol vol grappen in,Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?Dromio van Ephesus.’k Heb een’ge merken op mijn bol van u,En enkele op mijn rug van de eed’le vrouw,Maar van u beiden saam geen duizend merken.Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,Misschien waar’ ’t ras met uw geduld gedaan.Antipholus van Syracuse.Van de eed’le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?Dromio van Ephesus.Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.Antipholus van Syracuse.Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij,En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!(Hij slaat hem.)Dromio van Ephesus.Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.(Hij loopt heen.)Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik leef, door de’ een of and’re’ streekIs al mijn geld den kerel afgezet.De stad is, zegt men, vol bedrog en list,Vol beurzensnijders die het oog bedotten,Nachttoov’naars, die verbijst’ren, heksen, dieDe ziel verdervend, ’t lichaam tevens sloopen,Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,En zulke godvergeten schurken meer.Zoo ’t waarheid blijkt, reis ik onmidd’lijk af.Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,Doch vrees, er komt niet veel van ’t geld terecht.(Antipholusvan Syracuse af.)

Een plein inEphesus.

AntipholusenDromiovanSyracuse,benevens een Koopman, komen op.

Koopman.Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,Want anders legt men op uw goed beslag.Nog heden raakte een Syracuser koopmanIn hecht’nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,Zooals de wet van onze stad bepaalt,Nog eer de moede zon in ’t westen zinkt.Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.

Koopman.

Geef voor, dat gij van Epidamnum zijt,

Want anders legt men op uw goed beslag.

Nog heden raakte een Syracuser koopman

In hecht’nis, wijl hij hier zich heeft gewaagd;

En daar hij zich niet los kan koopen, sterft hij,

Zooals de wet van onze stad bepaalt,

Nog eer de moede zon in ’t westen zinkt.

Ziehier het geld, dat ik voor u bewaarde.

Antipholus van Syracuse.Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus,En blijf er wachten, tot ik bij u kom.’t Is binnen ’t uur reeds tijd voor ’t middagmaal;Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;De winkels eens bekijken, de gebouwen;Dan kom ik eten en een slaapje doen;Want ik ben moede en stijf van ’t lange reizen;Ga, loop maar door.

Antipholus van Syracuse.

Hier, Dromio, ga, breng dit naar den Centaurus,

En blijf er wachten, tot ik bij u kom.

’t Is binnen ’t uur reeds tijd voor ’t middagmaal;

Tot zoolang wil ik in de stad eens rondzien;

De winkels eens bekijken, de gebouwen;

Dan kom ik eten en een slaapje doen;

Want ik ben moede en stijf van ’t lange reizen;

Ga, loop maar door.

Dromio van Syracuse.Wel menig hield u bij uw woord en gingMet zulk een aardig duitje werk’lijk door.

Dromio van Syracuse.

Wel menig hield u bij uw woord en ging

Met zulk een aardig duitje werk’lijk door.

(Dromio van Syracuseaf.)

Antipholus van Syracuse.Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,Als zorg en somberheid mij nederdrukken,Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,En blijft gij dan van middag bij mij eten?

Antipholus van Syracuse.

Dat is een trouwe knaap, heer, die recht vaak,

Als zorg en somberheid mij nederdrukken,

Mijn geest vervroolijkt door zijn luchte scherts.

Maar kom, verzelt gij mij eens door de stad,

En blijft gij dan van middag bij mij eten?

Koopman.Ik heb een samenkomst van hand’laars, heer,En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ikU tegen vijf uur op de markt ontmoeten,En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.Thans roepen mij mijn zaken elders heen.

Koopman.

Ik heb een samenkomst van hand’laars, heer,

En hoop, dat die mij goed wat op zal brengen;

Verschoon mij dus. Maar als gij wilt, zal ik

U tegen vijf uur op de markt ontmoeten,

En ben tot slapenstijd dan tot uw dienst.

Thans roepen mij mijn zaken elders heen.

Antipholus van Syracuse.Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent’renEn recht op mijn gemak uw stad bezien.

Antipholus van Syracuse.

Tot vijf uur, gaarne. Nu ga ik wat slent’ren

En recht op mijn gemak uw stad bezien.

Koopman.Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.

Koopman.

Nu, ik wensch u met uzelven veel genoegen.

(Koopman af.)

Antipholus van Syracuse.Die mij genoegen met mijzelven wenscht,Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.Ik ben een waterdroppel in de wereld,Die in de zee een and’ren droppel zoekt,En als hij zich tot onderzoek er in stort,Bij ’t zoeken spoorloos zich er in verliest;Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,Verlies ik mij, onzaal’gen, zelf er door.

Antipholus van Syracuse.

Die mij genoegen met mijzelven wenscht,

Die wenscht mij toe, wat zeker niet gebeurt.

Ik ben een waterdroppel in de wereld,

Die in de zee een and’ren droppel zoekt,

En als hij zich tot onderzoek er in stort,

Bij ’t zoeken spoorloos zich er in verliest;

Zoo ik, terwijl ik moeder zoek en broeder,

Verlies ik mij, onzaal’gen, zelf er door.

(Dromiovan Ephesus komt op.)

Daar komt mijn trouwe levensalmanak.41Hoe is ’t? wat keert gij daar zoo ras terug?

Daar komt mijn trouwe levensalmanak.41

Hoe is ’t? wat keert gij daar zoo ras terug?

Dromio van Ephesus.Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!De kip brandt aan, de bigge valt van ’t spit,De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, enMijn meesteres reeds één hier op mijn wang;Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,Wij boeten voor uw euveldaân van heden.

Dromio van Ephesus.

Zoo ras terug? zeg eer, zoo laat pas hier!

De kip brandt aan, de bigge valt van ’t spit,

De klok heeft lang reeds twaalf geslagen, en

Mijn meesteres reeds één hier op mijn wang;

Zij is ontvlamd, omdat het eten koud is,

Het eten koud, omdat gij niet te huis komt,

Gij komt niet thuis, wijl gij geen honger hebt,

Gij hebt geen honger, wijl gij niet gevast hebt;

Maar wij, vermoeid door vasten en gebeden,

Wij boeten voor uw euveldaân van heden.

Antipholus van Syracuse.Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:Waar hebt gij ’t geld, dat ik u gaf, gelaten?

Antipholus van Syracuse.

Leg op uw mond een slot, maar zeg mij eerst:

Waar hebt gij ’t geld, dat ik u gaf, gelaten?

Dromio van Ephesus.Den schelling meent gij van verleden Woensdag,Voor—, voor een staartriem van mijn meesteres?Dien heeft de zadelmaker lang en breed.

Dromio van Ephesus.

Den schelling meent gij van verleden Woensdag,

Voor—, voor een staartriem van mijn meesteres?

Dien heeft de zadelmaker lang en breed.

Antipholus van Syracuse.Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,Niet zelf te passen op een som zoo groot?

Antipholus van Syracuse.

Ik ben nu in geen stemming om te schertsen;

Dus zeg mij en wat vlug, waar is het geld?

Wij zijn hier vreemd; hoe komt het in u op,

Niet zelf te passen op een som zoo groot?

Dromio van Ephesus.Heer, ’k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?

Dromio van Ephesus.

Heer, ’k bid u, scherts zoo, als ge aan tafel zit.

Ik kom, vlug als de post, hier van uw vrouw,

Doch kom ik weer, dan maakt zij mij tot deurpost,

En kerft gewis uw schuld hier op mijn kruin.

Is u dan niet, als mij, uw maag een klok,

Wier slag u zonder bode huiswaarts drijft?

Antipholus van Syracuse.Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?

Antipholus van Syracuse.

Kom, Dromio, kom, ontijdig is die scherts;

Bewaar ze tot ik vroolijker gestemd ben.

Waar is het goud, dat ik u toevertrouwde?

Dromio van Ephesus.Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.

Dromio van Ephesus.

Aan mij, heer? ik ontving geen goud van u.

Antipholus van Syracuse.Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?

Antipholus van Syracuse.

Komaan, schavuit, genoeg van zulke grappen;

Spreek op, hoe staat het met wat gij moest doen?

Dromio van Ephesus.Heer, ’k moest u zoeken op de markt en vragen,Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.

Dromio van Ephesus.

Heer, ’k moest u zoeken op de markt en vragen,

Dat ge in uw huis, den Fenix, eten komt;

Daar wacht mijn meesteres u, met haar zuster.

Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,Waar ’t geld in veiligheid geborgen is,Of ik sla u dien bol vol grappen in,Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?

Antipholus van Syracuse.

Zoo waar ik christen ben, gij zult mij zeggen,

Waar ’t geld in veiligheid geborgen is,

Of ik sla u dien bol vol grappen in,

Die schertsen blijft, als ik geen scherts versta.

Waar zijn die duizend mark, die ik u gaf?

Dromio van Ephesus.’k Heb een’ge merken op mijn bol van u,En enkele op mijn rug van de eed’le vrouw,Maar van u beiden saam geen duizend merken.Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,Misschien waar’ ’t ras met uw geduld gedaan.

Dromio van Ephesus.

’k Heb een’ge merken op mijn bol van u,

En enkele op mijn rug van de eed’le vrouw,

Maar van u beiden saam geen duizend merken.

Doch gaf ik, wat ik kreeg, u weer terug,

Misschien waar’ ’t ras met uw geduld gedaan.

Antipholus van Syracuse.Van de eed’le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?

Antipholus van Syracuse.

Van de eed’le vrouw? zeg, vlegel, welke vrouw?

Dromio van Ephesus.Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.

Dromio van Ephesus.

Uw vrouw, heer, vrouw des huizes in den Fenix,

Die vast, totdat gij thuis om te eten komt,

En vraagt, dat gij wat spoedig eten komt.

Antipholus van Syracuse.Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij,En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!

Antipholus van Syracuse.

Wat! drijft ge in mijn gezicht den spot met mij,

En dat gewaarschuwd! Vlegel! hier! hou daar!

(Hij slaat hem.)

Dromio van Ephesus.Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.

Dromio van Ephesus.

Om Gods wil, heer; houd toch uw handen thuis!

Gij wilt niet, heer? dan toon ik u mijn hielen.

(Hij loopt heen.)

Antipholus van Syracuse.Zoo waar ik leef, door de’ een of and’re’ streekIs al mijn geld den kerel afgezet.De stad is, zegt men, vol bedrog en list,Vol beurzensnijders die het oog bedotten,Nachttoov’naars, die verbijst’ren, heksen, dieDe ziel verdervend, ’t lichaam tevens sloopen,Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,En zulke godvergeten schurken meer.Zoo ’t waarheid blijkt, reis ik onmidd’lijk af.Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,Doch vrees, er komt niet veel van ’t geld terecht.

Antipholus van Syracuse.

Zoo waar ik leef, door de’ een of and’re’ streek

Is al mijn geld den kerel afgezet.

De stad is, zegt men, vol bedrog en list,

Vol beurzensnijders die het oog bedotten,

Nachttoov’naars, die verbijst’ren, heksen, die

De ziel verdervend, ’t lichaam tevens sloopen,

Marktschreeuwers, tal van sluw vermomde dieven,

En zulke godvergeten schurken meer.

Zoo ’t waarheid blijkt, reis ik onmidd’lijk af.

Ik ijl naar den Centaurus, zoek mijn knecht,

Doch vrees, er komt niet veel van ’t geld terecht.

(Antipholusvan Syracuse af.)

Tweede Bedrijf.Eerste Tooneel.In het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!En, Luciana, twee uur moet het zijn.Luciana.Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd,Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;De man is van zijn doen en laten baas;Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd;En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.Adriana.Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?Luciana.’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.Adriana.Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.Luciana.Met recht: zijn wil voert over u den staf.Adriana.Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!Luciana.Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,Voert één deel over ’t ander steeds gebied;Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht,’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht;De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst,Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht,Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,Ver boven vogels, vee en visch verheven,Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!En plooi ùw willen naar des meesters wil.Adriana.U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?Luciana.Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.Adriana.Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.Luciana.’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.Adriana.Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?Luciana.Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.Adriana.Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond.Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd,Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt;Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en rasBlijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.Luciana.Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.(Dromiovan Ephesus komt op.)Adriana.Nu, is de komst uws tragen heers op handen?Dromio van Ephesus.O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.Adriana.Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?Dromio van Ephesus.Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.Luciana.Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?Dromio van Ephesus.Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.Adriana.Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.Dromio van Ephesus.Nu, meesteres, hij is een dolle stier.Adriana.Een dolle stier, gij schelm?Dromio van Ephesus.Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;“’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij,“Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?”“Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw!“Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”Luciana.Dat zeide, wie?Dromio van Ephesus.Dat zeide hij, mijn meester;“’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.”71En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.Adriana.Terug, schavuit, en breng uw meester hier.Dromio van Ephesus.Terug? en dan met slagen weer naar hier?Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.Adriana.Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.Dromio van Ephesus.En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn;Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.Adriana.Weg, domme prater, haal uw meester hier!Dromio van Ephesus.Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dááromTe schoppen als een bal van hier naar ginds?Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.(Dromiovan Ephesus af.)Luciana.Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!Adriana.Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat,Terwijl ik naar een enk’len lach verlang.Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wangHaar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet,Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij,’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.Wat is in mij vervallen en is ’t nietDoor hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraalVan hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.Doch grillig springt mijn hert naar jonger houtEn nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.Luciana.Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!Adriana.’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog.Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is?Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven,En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!Ik zie het nu, de fijnst geslepen steenVerliest zijn glans, en blijve goud ook goud,Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudtHet niet aldoor; en op den schoonsten naamWerpt valschheid en verleiding vaak een blaam.Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.Luciana.Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!(Beiden af.)De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.Tweede Tooneel.Een plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veiligEn wel in den Centaur; de trouwe borstIs uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.Naar wat ik reken en de waard mij zeide,Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerstHem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.(Dromiovan Syracuse komt op.)Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen?De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t,Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?Dromio van Syracuse.Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?Antipholus van Syracuse.Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.Dromio van Syracuse.Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goudVan hier naar den Centaurus brengen liet.Antipholus van Syracuse.Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend,Van een meest’res en van een maal gesproken,Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.Dromio van Syracuse.’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.Antipholus van Syracuse.Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken?Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!(Hij slaat hem.)Dromio van Syracuse.Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?Antipholus van Syracuse.Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,Als met een nar, misbruikt ge in overmoedMijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,Alsof ze u toebehoorden, in beslag.Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn,Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,En richt uw doen naar mijnen blik, of ikLeer op uw bol u beter maat te houën.34Dromio van Syracuse.Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?Antipholus van Syracuse.Weet gij ’t nog niet?Dromio van Syracuse.Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.Antipholus van Syracuse.Moet ik dus zeggen, waarom?Dromio van Syracuse.Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.Antipholus van Syracuse.Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij.Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.Dromio van Syracuse.Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in?In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.Toch, heer, dank ik u.Antipholus van Syracuse.Zoo, dankt ge mij? waarvoor?Dromio van Syracuse.Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.Antipholus van Syracuse.Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?Dromio van Syracuse.Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.Antipholus van Syracuse.Een mooi ding, en wat?Dromio van Syracuse.Het geklopt zijn.Antipholus van Syracuse.Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.Dromio van Syracuse.Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.Antipholus van Syracuse.Waarom niet?Dromio van Syracuse.Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.Antipholus van Syracuse.Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles.66Dromio van Syracuse.Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.Antipholus van Syracuse.Op welken grond, man?Dromio van Syracuse.Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.Antipholus van Syracuse.Laat hooren.Dromio van Syracuse.Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.Antipholus van Syracuse.Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?Dromio van Syracuse.O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.Antipholus van Syracuse.Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?Dromio van Syracuse.Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.Antipholus van Syracuse.Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.Dromio van Syracuse.Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.Antipholus van Syracuse.Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.Dromio van Syracuse.Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maarhij verliest het met een soort van genot.Antipholus van Syracuse.Om welke reden?Dromio van Syracuse.Om twee redenen, en wel zeer gezonde.Antipholus van Syracuse.Neen, gezonde juist niet.Dromio van Syracuse.Nu, zekere redenen dan.Antipholus van Syracuse.Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen.95Dromio van Syracuse.Bepaalde redenen dan.Antipholus van Syracuse.Noem ze maar op.Dromio van Syracuse.De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.Antipholus van Syracuse.Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.Dromio van Syracuse.Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.Antipholus van Syracuse.Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.Dromio van Syracuse.Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.Antipholus van Syracuse.Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?(AdrianaenLucianakomen op.)Adriana.Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;Een ander liefje ziet gij teeder aan;Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:Geen enkel woord was in uw oor muziek,Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog,Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand,Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong,Dan woord of blik of druk of spijs van mij.Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,Van mij, die met u een, ondeelbaar, beterDan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik.O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,Want ja, geloof mij, in de woeste brandingLaat ge even licht een waterdroppel vallenEn schept dien onvermengd er weder uit,Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelfAan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel,Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust!Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht,De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd,Den trouwring snijden van mijn valsche hand,Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding?Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed;Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’,En door uw smetstof word ik tot boelin.Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet.148Antipholus van Syracuse.Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.Twee uren pas ben ik in Ephesus,En vreemder dan de stad is mij uw taal;Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.Luciana.Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.Antipholus van Syracuse.Door Dromio?Dromio van Syracuse.Door mij?Adriana.Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan,Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.Antipholus van Syracuse.Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?Dromio van Syracuse.Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.Antipholus van Syracuse.Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,Was uwe boodschap aan mij op de markt.Dromio van Syracuse.Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.Antipholus van Syracuse.Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?Of is dit door een geest haar ingefluisterd?Adriana.Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’!Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’,’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam;Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven,Uw groei verstikken, leven van uw sterven.Antipholus van Syracuse.Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt!Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.Luciana.Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen.189Dromio van Syracuse.Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!Dit is een tooverland! O wee ons, wee!Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw,En knijpen voor het minst ons bont en blauw.Luciana.Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!Dromio van Syracuse.Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?Antipholus van Syracuse.Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.Dromio van Syracuse.Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.Antipholus van Syracuse.Uitwendig niet.Dromio van Syracuse.Ja toch ik werd een aap.Luciana.Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?Dromio van Syracuse.’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben,Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.Adriana.Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.—’k Wil heden boven met u spijzen, man;Gij zult mij al uw dolle streken biechten.—Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.—Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.Antipholus van Syracuse.Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?Ik ken mijzelven niet en zij mij best.Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen,En blindlings in dit avontuur mij wagen.Dromio van Syracuse.Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?Adriana.Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!Luciana.Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.(Allen af.)De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.

Eerste Tooneel.In het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!En, Luciana, twee uur moet het zijn.Luciana.Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd,Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;De man is van zijn doen en laten baas;Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd;En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.Adriana.Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?Luciana.’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.Adriana.Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.Luciana.Met recht: zijn wil voert over u den staf.Adriana.Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!Luciana.Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,Voert één deel over ’t ander steeds gebied;Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht,’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht;De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst,Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht,Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,Ver boven vogels, vee en visch verheven,Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!En plooi ùw willen naar des meesters wil.Adriana.U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?Luciana.Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.Adriana.Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.Luciana.’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.Adriana.Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?Luciana.Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.Adriana.Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond.Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd,Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt;Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en rasBlijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.Luciana.Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.(Dromiovan Ephesus komt op.)Adriana.Nu, is de komst uws tragen heers op handen?Dromio van Ephesus.O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.Adriana.Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?Dromio van Ephesus.Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.Luciana.Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?Dromio van Ephesus.Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.Adriana.Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.Dromio van Ephesus.Nu, meesteres, hij is een dolle stier.Adriana.Een dolle stier, gij schelm?Dromio van Ephesus.Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;“’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij,“Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?”“Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw!“Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”Luciana.Dat zeide, wie?Dromio van Ephesus.Dat zeide hij, mijn meester;“’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.”71En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.Adriana.Terug, schavuit, en breng uw meester hier.Dromio van Ephesus.Terug? en dan met slagen weer naar hier?Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.Adriana.Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.Dromio van Ephesus.En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn;Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.Adriana.Weg, domme prater, haal uw meester hier!Dromio van Ephesus.Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dááromTe schoppen als een bal van hier naar ginds?Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.(Dromiovan Ephesus af.)Luciana.Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!Adriana.Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat,Terwijl ik naar een enk’len lach verlang.Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wangHaar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet,Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij,’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.Wat is in mij vervallen en is ’t nietDoor hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraalVan hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.Doch grillig springt mijn hert naar jonger houtEn nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.Luciana.Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!Adriana.’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog.Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is?Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven,En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!Ik zie het nu, de fijnst geslepen steenVerliest zijn glans, en blijve goud ook goud,Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudtHet niet aldoor; en op den schoonsten naamWerpt valschheid en verleiding vaak een blaam.Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.Luciana.Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!(Beiden af.)De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.

In het huis vanAntipholusvan Ephesus.

AdrianaenLucianakomen op.

Adriana.Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!En, Luciana, twee uur moet het zijn.

Adriana.

Mijn man blijft weg, zijn dienaar eveneens,

Dien ik zoo aandreef vlug zijn heer te zoeken!

En, Luciana, twee uur moet het zijn.

Luciana.Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd,Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;De man is van zijn doen en laten baas;Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd;En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.

Luciana.

Een koopman heeft hem moog’lijk uitgenoodigd,

Zoodat hij van de markt ter maaltijd ging.

Laat ons gaan eten, zusje; wees niet boos;

De man is van zijn doen en laten baas;

Hem is de tijd de baas; hij ziet: ’t is tijd;

En gaat of komt; dus zusjelief, wees kalm.

Adriana.Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?

Adriana.

Wat is ’t, dat hem die meerd’re vrijheid geeft?

Luciana.’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.

Luciana.

’t Is dat hij buitenshuis zijn zaken heeft.

Adriana.Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.

Adriana.

Deed ik als hij, hij nam ’t mij kwalijk af.

Luciana.Met recht: zijn wil voert over u den staf.

Luciana.

Met recht: zijn wil voert over u den staf.

Adriana.Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!

Adriana.

Een ezel is ’t, die zulk een staf verdraagt!

Luciana.Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,Voert één deel over ’t ander steeds gebied;Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht,’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht;De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst,Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht,Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,Ver boven vogels, vee en visch verheven,Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!En plooi ùw willen naar des meesters wil.

Luciana.

Wee haar, die aan een stug verzet zich waagt!

Bij wat ge op aard, in lucht of water ziet,

Voert één deel over ’t ander steeds gebied;

Zie ’t vee, den visch, den vogel in de lucht,

’t Is steeds de man, die orde houdt en tucht;

De man, half god, van alle scheps’len ’t eerst,

Die ’t breede land, de woeste zee beheerscht,

Door ziel en geest, die krachtig in hem leven,

Ver boven vogels, vee en visch verheven,

Is van zijn vrouw de heer en vorst, dus stil!

En plooi ùw willen naar des meesters wil.

Adriana.U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?

Adriana.

U schrikt van de’ echt die slavernij wis af?

Luciana.Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.

Luciana.

Neen, eer maakt angst voor huwlijkszorg mij laf.

Adriana.Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.

Adriana.

Zijt ge eens getrouwd, dan wilt ge ook wel regeeren.

Luciana.’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.

Luciana.

’k Wil onderwerping eerst, dan liefde leeren.

Adriana.Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?

Adriana.

Maar als uw man zijn toevlucht elders nam?

Luciana.Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.

Luciana.

Ik zou het dragen, tot hij wederkwam.

Adriana.Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond.Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd,Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt;Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en rasBlijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.

Adriana.

Als niets ons tergt, geduldig zwijgt de mond;

Zacht blijft men, is voor ’t tegendeel geen grond.

Een armen mensch, door ’t nijdig lot geplaagd,

Vermanen wij tot kalm zijn, als hij klaagt;

Maar drukte eens òns hetzelfde leed als hem,

Niet min, licht meer, verhieven we onze stem;

Zie, zoo roemt gij, nog door geen man gekrenkt,

Van ’t voos geduld, dat dit verlichting schenkt;

Maar huw eens, word gekrenkt als ik, en ras

Blijkt uw geduld u dwaas en smelt als was.

Luciana.Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.

Luciana.

Nu ’k huw wel eens en neem de proef er van.—42

Daar komt uw dienaar; spoedig volgt uw man.

(Dromiovan Ephesus komt op.)

Adriana.Nu, is de komst uws tragen heers op handen?

Adriana.

Nu, is de komst uws tragen heers op handen?

Dromio van Ephesus.O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.

Dromio van Ephesus.

O, spreek mij niet van zijn handen, mijn ooren weten er al genoeg van en kunnen er van meepraten.

Adriana.Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?

Adriana.

Gij hebt hem dus gesproken? en wat doet hij?

Dromio van Ephesus.Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.

Dromio van Ephesus.

Zijn doen? dat heeft hij mij aan ’t oor verteld. Vervloekt zijn hand, ik kon hem nauw verstaan.

Luciana.Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?

Luciana.

Sprak hij zoo zacht, dat gij ’t niet vatten kondt?

Dromio van Ephesus.Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.

Dromio van Ephesus.

Neen, hij sloeg wel zoo hard, dat ik zijn slagen maar al te goed kon voelen en met dat al zoo onduidelijk, dat het mijn bevatting te boven ging.

Adriana.Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.

Adriana.

Maar ’k bid u, zeg mij, komt hij nu naar huis?

Hij leeft, zoo ’t schijnt, om mij pleizier te doen.

Dromio van Ephesus.Nu, meesteres, hij is een dolle stier.

Dromio van Ephesus.

Nu, meesteres, hij is een dolle stier.

Adriana.Een dolle stier, gij schelm?

Adriana.

Een dolle stier, gij schelm?

Dromio van Ephesus.Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;“’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij,“Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?”“Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;“Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw!“Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”

Dromio van Ephesus.

Niet dat hij horens draagt, maar hij is dol.

Toen ik hem vroeg om thuis te komen eten,

Vroeg hij mij naar een duizend mark in goud;

“’t Is etenstijd,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;

“Uw maal brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;

“Komt gij naar huis?” riep ik; “mijn goud!” riep hij,

“Waar hebt gij, zeg, mijn duizend mark, gij schelm?”

“Het vleesch brandt aan,” riep ik; “mijn goud!” riep hij;

“Heer, de eedle vrouw,—” riep ik; “hang op uw vrouw!

“Wat weet ik van uw vrouw? weg met uw vrouw!”

Luciana.Dat zeide, wie?

Luciana.

Dat zeide, wie?

Dromio van Ephesus.Dat zeide hij, mijn meester;“’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.”71En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.

Dromio van Ephesus.

Dat zeide hij, mijn meester;

“’k Weet niets,” riep hij, “van huis of vrouw of lief.”71

En zoo breng ik, door zijne schuld, mijn boodschap,

Niet op mijn tong, maar op mijn schouders thuis,

Want, kort en goed, zijn rans’len dreef mij voort.

Adriana.Terug, schavuit, en breng uw meester hier.

Adriana.

Terug, schavuit, en breng uw meester hier.

Dromio van Ephesus.Terug? en dan met slagen weer naar hier?Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.

Dromio van Ephesus.

Terug? en dan met slagen weer naar hier?

Om Gods wil, laat een ander nu eens gaan.

Adriana.Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.

Adriana.

Terug, of rondom zal het hoofd u gloeien.

Dromio van Ephesus.En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn;Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.

Dromio van Ephesus.

En hij zou ’t gloeien doen met rooden schijn;

Zoo schonkt gij beiden mij een heil’genglorie.

Adriana.Weg, domme prater, haal uw meester hier!

Adriana.

Weg, domme prater, haal uw meester hier!

Dromio van Ephesus.Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dááromTe schoppen als een bal van hier naar ginds?Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.

Dromio van Ephesus.

Zeide ik goedrond de waarheid, ben ik dáárom

Te schoppen als een bal van hier naar ginds?

Gij schopt mij weg, hij schopt gewis mij weer,

Als ik dat uit zal houden, zoo naai mij eerst in leer.

(Dromiovan Ephesus af.)

Luciana.Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!

Luciana.

Foei, wat misvormt de gramschap uw gelaat!

Adriana.Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat,Terwijl ik naar een enk’len lach verlang.Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wangHaar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet,Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij,’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.Wat is in mij vervallen en is ’t nietDoor hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraalVan hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.Doch grillig springt mijn hert naar jonger houtEn nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.

Adriana.

Wis zit hij bij het een of ander liefje’ en praat,

Terwijl ik naar een enk’len lach verlang.

Ontnam reeds rimp’lige ouderdom mijn wang

Haar boeiend schoon? Wie heeft het mij geroofd,

Dan hij? Is geest en scherts in mij verdoofd?

Neemt iets aan vlug en lucht gekout den moed,

’t Is barschheid, ruw en hard als steen, die ’t doet,

Lokt and’rer fraai gewaad hem van mijn zij,

’t Is mijn schuld niet, want hij koopt mij kleedij.

Wat is in mij vervallen en is ’t niet

Door hem? Ja, zoo hij mij vervallen ziet,

Hij ziet zijn eigen werk; één zonnestraal

Van hem, mijn schoon herleeft in morgenpraal.

Doch grillig springt mijn hert naar jonger hout

En nieuwe wei, ik arme ben hem te oud.

Luciana.Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!

Luciana.

Wat plaagt u de ijverzucht!—Foei, schaam u toch!

Adriana.’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog.Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is?Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven,En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!Ik zie het nu, de fijnst geslepen steenVerliest zijn glans, en blijve goud ook goud,Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudtHet niet aldoor; en op den schoonsten naamWerpt valschheid en verleiding vaak een blaam.Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.

Adriana.

’k Moest dwaas, gevoelloos zijn, verdroeg ik ’t nog.

Ja, elders wordt zijn oog geboeid, gewis;

Waarom is hij niet hier, zoo ’t dit niet is?

Gij weet, hij zou me een gouden keten geven,

Waar’ enkel dit, dit achterweeg gebleven,

En steeds zijn liefde mijn, voor mij alleen!

Ik zie het nu, de fijnst geslepen steen

Verliest zijn glans, en blijve goud ook goud,

Hoe vaak betast, zijn vol gewicht behoudt

Het niet aldoor; en op den schoonsten naam

Werpt valschheid en verleiding vaak een blaam.

Ach, nu mijn schoon zijn oog niet meer kan laven,

Wil ik ’t in tranen met mijzelf begraven.

Luciana.Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!

Luciana.

Wat de ijverzucht bespott’lijk door kan draven!

(Beiden af.)

De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.

De klucht der vergissingen, Tweede Bedrijf, Tweede Tooneel.

Tweede Tooneel.Een plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veiligEn wel in den Centaur; de trouwe borstIs uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.Naar wat ik reken en de waard mij zeide,Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerstHem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.(Dromiovan Syracuse komt op.)Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen?De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t,Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?Dromio van Syracuse.Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?Antipholus van Syracuse.Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.Dromio van Syracuse.Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goudVan hier naar den Centaurus brengen liet.Antipholus van Syracuse.Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend,Van een meest’res en van een maal gesproken,Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.Dromio van Syracuse.’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.Antipholus van Syracuse.Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken?Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!(Hij slaat hem.)Dromio van Syracuse.Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?Antipholus van Syracuse.Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,Als met een nar, misbruikt ge in overmoedMijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,Alsof ze u toebehoorden, in beslag.Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn,Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,En richt uw doen naar mijnen blik, of ikLeer op uw bol u beter maat te houën.34Dromio van Syracuse.Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?Antipholus van Syracuse.Weet gij ’t nog niet?Dromio van Syracuse.Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.Antipholus van Syracuse.Moet ik dus zeggen, waarom?Dromio van Syracuse.Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.Antipholus van Syracuse.Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij.Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.Dromio van Syracuse.Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in?In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.Toch, heer, dank ik u.Antipholus van Syracuse.Zoo, dankt ge mij? waarvoor?Dromio van Syracuse.Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.Antipholus van Syracuse.Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?Dromio van Syracuse.Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.Antipholus van Syracuse.Een mooi ding, en wat?Dromio van Syracuse.Het geklopt zijn.Antipholus van Syracuse.Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.Dromio van Syracuse.Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.Antipholus van Syracuse.Waarom niet?Dromio van Syracuse.Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.Antipholus van Syracuse.Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles.66Dromio van Syracuse.Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.Antipholus van Syracuse.Op welken grond, man?Dromio van Syracuse.Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.Antipholus van Syracuse.Laat hooren.Dromio van Syracuse.Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.Antipholus van Syracuse.Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?Dromio van Syracuse.O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.Antipholus van Syracuse.Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?Dromio van Syracuse.Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.Antipholus van Syracuse.Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.Dromio van Syracuse.Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.Antipholus van Syracuse.Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.Dromio van Syracuse.Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maarhij verliest het met een soort van genot.Antipholus van Syracuse.Om welke reden?Dromio van Syracuse.Om twee redenen, en wel zeer gezonde.Antipholus van Syracuse.Neen, gezonde juist niet.Dromio van Syracuse.Nu, zekere redenen dan.Antipholus van Syracuse.Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen.95Dromio van Syracuse.Bepaalde redenen dan.Antipholus van Syracuse.Noem ze maar op.Dromio van Syracuse.De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.Antipholus van Syracuse.Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.Dromio van Syracuse.Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.Antipholus van Syracuse.Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.Dromio van Syracuse.Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.Antipholus van Syracuse.Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?(AdrianaenLucianakomen op.)Adriana.Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;Een ander liefje ziet gij teeder aan;Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:Geen enkel woord was in uw oor muziek,Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog,Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand,Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong,Dan woord of blik of druk of spijs van mij.Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,Van mij, die met u een, ondeelbaar, beterDan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik.O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,Want ja, geloof mij, in de woeste brandingLaat ge even licht een waterdroppel vallenEn schept dien onvermengd er weder uit,Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelfAan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel,Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust!Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht,De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd,Den trouwring snijden van mijn valsche hand,Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding?Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed;Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’,En door uw smetstof word ik tot boelin.Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet.148Antipholus van Syracuse.Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.Twee uren pas ben ik in Ephesus,En vreemder dan de stad is mij uw taal;Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.Luciana.Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.Antipholus van Syracuse.Door Dromio?Dromio van Syracuse.Door mij?Adriana.Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan,Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.Antipholus van Syracuse.Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?Dromio van Syracuse.Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.Antipholus van Syracuse.Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,Was uwe boodschap aan mij op de markt.Dromio van Syracuse.Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.Antipholus van Syracuse.Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?Of is dit door een geest haar ingefluisterd?Adriana.Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’!Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’,’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam;Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven,Uw groei verstikken, leven van uw sterven.Antipholus van Syracuse.Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt!Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.Luciana.Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen.189Dromio van Syracuse.Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!Dit is een tooverland! O wee ons, wee!Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw,En knijpen voor het minst ons bont en blauw.Luciana.Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!Dromio van Syracuse.Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?Antipholus van Syracuse.Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.Dromio van Syracuse.Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.Antipholus van Syracuse.Uitwendig niet.Dromio van Syracuse.Ja toch ik werd een aap.Luciana.Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?Dromio van Syracuse.’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben,Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.Adriana.Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.—’k Wil heden boven met u spijzen, man;Gij zult mij al uw dolle streken biechten.—Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.—Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.Antipholus van Syracuse.Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?Ik ken mijzelven niet en zij mij best.Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen,En blindlings in dit avontuur mij wagen.Dromio van Syracuse.Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?Adriana.Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!Luciana.Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.(Allen af.)De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.

Een plein.

Antipholusvan Syracuse komt op.

Antipholus van Syracuse.Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veiligEn wel in den Centaur; de trouwe borstIs uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.Naar wat ik reken en de waard mij zeide,Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerstHem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.

Antipholus van Syracuse.

Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veilig

En wel in den Centaur; de trouwe borst

Is uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.

Naar wat ik reken en de waard mij zeide,

Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik ’t eerst

Hem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.

(Dromiovan Syracuse komt op.)

Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen?De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t,Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?

Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?

Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,

Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?

Mijn vrouw doet mij door u voor ’t eten roepen?

De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was ’t,

Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?

Dromio van Syracuse.Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?

Dromio van Syracuse.

Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?

Antipholus van Syracuse.Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.

Antipholus van Syracuse.

Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.

Dromio van Syracuse.Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goudVan hier naar den Centaurus brengen liet.

Dromio van Syracuse.

Ik heb u niet gezien, sinds gij mij ’t goud

Van hier naar den Centaurus brengen liet.

Antipholus van Syracuse.Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend,Van een meest’res en van een maal gesproken,Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.

Antipholus van Syracuse.

Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van ’t goud geloochend,

Van een meest’res en van een maal gesproken,

Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.

Dromio van Syracuse.’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.

Dromio van Syracuse.

’t Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.

Maar wat bedoelt gij, heer? wil ’t mij verklaren.

Antipholus van Syracuse.Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken?Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!

Antipholus van Syracuse.

Zoo, waagt gij ’t weer, den draak met mij te steken?

Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!

(Hij slaat hem.)

Dromio van Syracuse.Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?

Dromio van Syracuse.

Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.

Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?

Antipholus van Syracuse.Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,Als met een nar, misbruikt ge in overmoedMijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,Alsof ze u toebehoorden, in beslag.Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn,Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,En richt uw doen naar mijnen blik, of ikLeer op uw bol u beter maat te houën.34

Antipholus van Syracuse.

Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,

Als met een nar, misbruikt ge in overmoed

Mijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,

Alsof ze u toebehoorden, in beslag.

Maar dans’ de mug ook in den zonneschijn,

Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;

Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,

En richt uw doen naar mijnen blik, of ik

Leer op uw bol u beter maat te houën.34

Dromio van Syracuse.Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?

Dromio van Syracuse.

Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?

Antipholus van Syracuse.Weet gij ’t nog niet?

Antipholus van Syracuse.

Weet gij ’t nog niet?

Dromio van Syracuse.Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.

Dromio van Syracuse.

Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.

Antipholus van Syracuse.Moet ik dus zeggen, waarom?

Antipholus van Syracuse.

Moet ik dus zeggen, waarom?

Dromio van Syracuse.Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.

Dromio van Syracuse.

Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn daarom, zegt het spreekwoord.

Antipholus van Syracuse.Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij.Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.

Antipholus van Syracuse.

Waarom?—vooreerst, gij dreeft den spot met mij.

Waarom nog eens?—gij dorst het tweemaal doen.

Dromio van Syracuse.Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in?In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.Toch, heer, dank ik u.

Dromio van Syracuse.

Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik er in?

In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.

Toch, heer, dank ik u.

Antipholus van Syracuse.Zoo, dankt ge mij? waarvoor?

Antipholus van Syracuse.

Zoo, dankt ge mij? waarvoor?

Dromio van Syracuse.Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.

Dromio van Syracuse.

Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft voor niets.

Antipholus van Syracuse.Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?

Antipholus van Syracuse.

Ik zal het de volgende maal weer goed maken en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?

Dromio van Syracuse.Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.

Dromio van Syracuse.

Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog iets ontbreekt, dat ik heb.

Antipholus van Syracuse.Een mooi ding, en wat?

Antipholus van Syracuse.

Een mooi ding, en wat?

Dromio van Syracuse.Het geklopt zijn.

Dromio van Syracuse.

Het geklopt zijn.

Antipholus van Syracuse.Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.

Antipholus van Syracuse.

Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.

Dromio van Syracuse.Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.

Dromio van Syracuse.

Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er niets van.

Antipholus van Syracuse.Waarom niet?

Antipholus van Syracuse.

Waarom niet?

Dromio van Syracuse.Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.

Dromio van Syracuse.

Het mocht u de gal doen overloopen en mij een tweede klopping bezorgen.

Antipholus van Syracuse.Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles.66

Antipholus van Syracuse.

Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen; er is een tijd voor alles.66

Dromio van Syracuse.Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.

Dromio van Syracuse.

Voordat gij zooveel overloop van gal hadt, zou ik dit hebben durven ontkennen.

Antipholus van Syracuse.Op welken grond, man?

Antipholus van Syracuse.

Op welken grond, man?

Dromio van Syracuse.Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.

Dromio van Syracuse.

Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde kale kop van Vader Tijd zelf.

Antipholus van Syracuse.Laat hooren.

Antipholus van Syracuse.

Laat hooren.

Dromio van Syracuse.Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.

Dromio van Syracuse.

Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.

Antipholus van Syracuse.Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?

Antipholus van Syracuse.

Is geld niet bij machte het hem terug te bezorgen?

Dromio van Syracuse.O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.

Dromio van Syracuse.

O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn verloren haar herkrijgt van een ander man.

Antipholus van Syracuse.Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?

Antipholus van Syracuse.

Waarom is de Tijd zoo schriel met haar, terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?

Dromio van Syracuse.Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.

Dromio van Syracuse.

Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat heeft hij in verstand vergoed.

Antipholus van Syracuse.Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.

Antipholus van Syracuse.

Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer haar hebben dan verstand.

Dromio van Syracuse.Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.

Dromio van Syracuse.

Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg om zijn haar te verliezen.

Antipholus van Syracuse.Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.

Antipholus van Syracuse.

Zoo, gij hebt daar harige lieden voor onnoozele halzen zonder verstand verklaard.

Dromio van Syracuse.Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maarhij verliest het met een soort van genot.

Dromio van Syracuse.

Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij het kwijt te raken; maarhij verliest het met een soort van genot.

Antipholus van Syracuse.Om welke reden?

Antipholus van Syracuse.

Om welke reden?

Dromio van Syracuse.Om twee redenen, en wel zeer gezonde.

Dromio van Syracuse.

Om twee redenen, en wel zeer gezonde.

Antipholus van Syracuse.Neen, gezonde juist niet.

Antipholus van Syracuse.

Neen, gezonde juist niet.

Dromio van Syracuse.Nu, zekere redenen dan.

Dromio van Syracuse.

Nu, zekere redenen dan.

Antipholus van Syracuse.Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen.95

Antipholus van Syracuse.

Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld, neen.95

Dromio van Syracuse.Bepaalde redenen dan.

Dromio van Syracuse.

Bepaalde redenen dan.

Antipholus van Syracuse.Noem ze maar op.

Antipholus van Syracuse.

Noem ze maar op.

Dromio van Syracuse.De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.

Dromio van Syracuse.

De een is, dat hij het geld voor friseeren uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen vallen.

Antipholus van Syracuse.Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.

Antipholus van Syracuse.

Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen, dat er niet voor alles een tijd is.

Dromio van Syracuse.Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.

Dromio van Syracuse.

Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.

Antipholus van Syracuse.Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.

Antipholus van Syracuse.

Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom er geen tijd is om het terug te krijgen.

Dromio van Syracuse.Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.

Dromio van Syracuse.

Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.

Antipholus van Syracuse.Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?

Antipholus van Syracuse.

Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?

(AdrianaenLucianakomen op.)

Adriana.Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;Een ander liefje ziet gij teeder aan;Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:Geen enkel woord was in uw oor muziek,Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog,Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand,Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong,Dan woord of blik of druk of spijs van mij.Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,Van mij, die met u een, ondeelbaar, beterDan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik.O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,Want ja, geloof mij, in de woeste brandingLaat ge even licht een waterdroppel vallenEn schept dien onvermengd er weder uit,Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelfAan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel,Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust!Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht,De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd,Den trouwring snijden van mijn valsche hand,Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding?Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed;Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’,En door uw smetstof word ik tot boelin.Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet.148

Adriana.

Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;

Een ander liefje ziet gij teeder aan;

Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.

Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:

Geen enkel woord was in uw oor muziek,

Geen enk’le blik welsprekend voor uw oog,

Geen enk’le handdruk lieflijk voor uw hand,

Geen enk’le spijs welsmakend voor uw tong,

Dan woord of blik of druk of spijs van mij.

Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,

Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?

Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,

Van mij, die met u een, ondeelbaar, beter

Dan ’t beet’re deel ben van uw dierbaar ik.

O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,

Want ja, geloof mij, in de woeste branding

Laat ge even licht een waterdroppel vallen

En schept dien onvermengd er weder uit,

Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelf

Aan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.

Hoe trof ’t u niet in ’t diepste van uw ziel,

Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,

Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,

Bevlekt zou zijn met booze’, onkuischen lust!

Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,

Uw naam van gâ mij sling’ren in ’t gezicht,

De huid mij scheuren van ’t boeleerend voorhoofd,

Den trouwring snijden van mijn valsche hand,

Dien breken met een vloek van eeuw’ge scheiding?

Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.

Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;

Mij woelt een overspeel’ge lust in ’t bloed;

Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,

Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn’,

En door uw smetstof word ik tot boelin.

Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,

Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet.148

Antipholus van Syracuse.Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.Twee uren pas ben ik in Ephesus,En vreemder dan de stad is mij uw taal;Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.

Antipholus van Syracuse.

Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.

Twee uren pas ben ik in Ephesus,

En vreemder dan de stad is mij uw taal;

Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,

’k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.

Luciana.Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.

Luciana.

Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?

Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?

Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.

Antipholus van Syracuse.Door Dromio?

Antipholus van Syracuse.

Door Dromio?

Dromio van Syracuse.Door mij?

Dromio van Syracuse.

Door mij?

Adriana.Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan,Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.

Adriana.

Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:

Hij had u afgeranseld en, bij ’t slaan,

Mijn huis als ’t zijn, mij als zijn vrouw geloochend.

Antipholus van Syracuse.Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?

Antipholus van Syracuse.

Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?

Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?

Dromio van Syracuse.Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.

Dromio van Syracuse.

Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.

Antipholus van Syracuse.Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,Was uwe boodschap aan mij op de markt.

Antipholus van Syracuse.

Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,

Was uwe boodschap aan mij op de markt.

Dromio van Syracuse.Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.

Dromio van Syracuse.

Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.

Antipholus van Syracuse.Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?Of is dit door een geest haar ingefluisterd?

Antipholus van Syracuse.

Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?

Of is dit door een geest haar ingefluisterd?

Adriana.Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’!Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’,’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam;Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven,Uw groei verstikken, leven van uw sterven.

Adriana.

Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,

Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,

Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg’!

Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,

Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.

Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;

Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;

Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,

Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:

Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam’,

’t Is onbeschaamd klimop of mos of braam;

Het snoeimes kappe ’t weg; ’t zou u verderven,

Uw groei verstikken, leven van uw sterven.

Antipholus van Syracuse.Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt!Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.

Antipholus van Syracuse.

Het is tot mij, dat zij die reed’nen houdt!

Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?

Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?

Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?

Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,

Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.

Luciana.Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen.189

Luciana.

Dromio, ga, zeg hun, ’t eten op te dragen.189

Dromio van Syracuse.Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!Dit is een tooverland! O wee ons, wee!Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw,En knijpen voor het minst ons bont en blauw.

Dromio van Syracuse.

Mijn rozenkrans! en fluks een kruis geslagen!

Dit is een tooverland! O wee ons, wee!

Al wie hier spreekt, is spook en uil en fee.

Verzetten we ons, dan brengen ze ons in ’t nauw,

En knijpen voor het minst ons bont en blauw.

Luciana.Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!

Luciana.

Wat praat gij in uzelf en staat nog daar?

Dromio, gij doeniet, slak, gij leuteraar!

Dromio van Syracuse.Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?

Dromio van Syracuse.

Ik ben vervormd, betooverd, heer, niet waar?

Antipholus van Syracuse.Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.

Antipholus van Syracuse.

Ja, zeker is ’t uw geest, zooals de mijne.

Dromio van Syracuse.Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.

Dromio van Syracuse.

Naar geest en lichaam beide, of ik slaap.

Antipholus van Syracuse.Uitwendig niet.

Antipholus van Syracuse.

Uitwendig niet.

Dromio van Syracuse.Ja toch ik werd een aap.

Dromio van Syracuse.

Ja toch ik werd een aap.

Luciana.Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?

Luciana.

Wat zoudt gij wezen, als ’t geen ezel was?

Dromio van Syracuse.’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben,Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.

Dromio van Syracuse.

’t Is waar, zij drijft mij en ik snak naar gras.

Ja ’t moet wel zijn, dat ik een ezel ben,

Wijl zij mij kent, ik haar volstrekt niet ken.

Adriana.Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.—’k Wil heden boven met u spijzen, man;Gij zult mij al uw dolle streken biechten.—Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.—Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.

Adriana.

Kom, kom, zoo dwaas wil ik niet langer wezen,

Dat ik mij de oogen wrijf en bitter ween,

Nu heer en dienaar spotten met mijn nood.

Kom, man, aan tafel.—Dromio, wees portier.—

’k Wil heden boven met u spijzen, man;

Gij zult mij al uw dolle streken biechten.—

Knaap, als u iemand naar uw meester vraagt,

Dan spijst hij elders: laat geen sterv’ling toe.—

Kom, zuster.—Dromio, wees een goed portier.

Antipholus van Syracuse.Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?Ik ken mijzelven niet en zij mij best.Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen,En blindlings in dit avontuur mij wagen.

Antipholus van Syracuse.

Wat is het, hemel, hel of aarde, hier?

Slaap, waak ik? Ben ik wijs of buiten west?

Ik ken mijzelven niet en zij mij best.

Hoe ’t zij, ’k wil meegaan zonder verder vragen,

En blindlings in dit avontuur mij wagen.

Dromio van Syracuse.Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?

Dromio van Syracuse.

Is ’t uw wil, heer, dat ik de wacht hier houd?

Adriana.Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!

Adriana.

Laat ge iemand in, weet dat het u berouwt!

Luciana.Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.

Luciana.

Kom, kom, Antipholus, of ’t maal is koud.

(Allen af.)

De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.

De klucht der vergissingen, Derde Bedrijf, Eerste Tooneel.


Back to IndexNext