Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor het huis vanAntipholusvan Ephesus.Antipholusvan Ephesus,Dromiovan Ephesus,AngeloenBalthazarkomen op.Antipholus van Ephesus.Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,En naar het maken van haar halssnoer keek,En dat gij ’t morgen thuis bezorgen zult.Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,En duizend mark in goud van hem begeerde,En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.—Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?Dromio van Ephesus.Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;Waar’ mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,’k Had een schrift’lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.Antipholus van Ephesus.Gij zijt een ezel, zie ik.15Dromio van Ephesus.Dat dacht ikzelf ook alreê,Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de’ ezel in acht.Antipholus van Ephesus.Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maalBeantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.Balthazar.Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar’ ook ’t eten schraal.Antipholus van Ephesus.Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch,Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.Balthazar.Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.Antipholus van Ephesus.Ik meer dan hoff’lijke woorden; een woord vervliegt als rook.Balthazar.Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.Antipholus van Ephesus.Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past.Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend’lijker welkomst niet.—Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan!30Dromio van Ephesus.Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!Dromio van Syracuse(van binnen).Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer!Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij ’t dozijn,Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!Dromio van Ephesus.Wat lomperd werd portier hier?—Doe open, mijn meester wacht.Dromio van Syracuse(van binnen).Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.Antipholus van Ephesus.Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.Dromio van Syracuse(van binnen).Ja heer, ’k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.Antipholus van Ephesus.Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.Dromio van Syracuse(van binnen).De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.Antipholus van Ephesus.Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?Dromio van Syracuse(van binnen).Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.Dromio van Ephesus.Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen;De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.Lucie(van binnen).Welk een leven! wie is ’t, die voor de deur hier staat?Dromio van Ephesus.Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.LucieLaat, Luus! wat vlug mijn heer in.(van binnen).Wat heer? hij komt te laat.Vertel dat uw meester.50Dromio van Ephesus.Vertel dat uw meester.Mijn god, het is te gek.Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.Lucie(van binnen).Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!Dromio van Syracuse(van binnen).Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.Antipholus van Syracuse.Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?Lucie(van binnen).Gij hebt reeds het antwoord.Dromio van SyracuseGij hebt reeds het antwoord.(van binnen).En dat was neen.Dromio van Ephesus.Wel zeker, ja, help haar; zij kan ’t niet alleen!Antipholus van Ephesus.Kom, kreng, laat mij binnen.LucieKom, kreng, laat mij binnen.(van binnen).Waarvoor? vraag ik maar.Dromio van Ephesus.Heer, bons op de deur.LucieHeer, bons op de deur.(van binnen).Ja, bons ze uit elkaâr.Antipholus van Ephesus.En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.Lucie(van binnen).Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.Adriana(van binnen).Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?Dromio van Syracuse(van binnen).Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.Antipholus van Ephesus.Zijt gij daar eind’lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.Adriana(van binnen).Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.Dromio van Ephesus.Dat “schavuit”, heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.Angelo.Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.Balthazar.Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.Dromio van Ephesus.Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.Antipholus van Ephesus.Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.Dromio van Ephesus.Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen.Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû,71Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?Antipholus van Ephesus.Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?Dromio van Syracuse(van binnen).Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.Dromio van Ephesus.Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten,En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.Dromio van Syracuse(van binnen).Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.Dromio van Ephesus.En gij zijt buiten westen. Voor ’t laatst nog, laat ons binnen.Dromio van Syracuse(van binnen).Als vogels zonderveêrenzijn, en visschen zonder vinnen.Antipholus van Ephesus.Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.Dromio van Ephesus.Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier.Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,Die enk’le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.Antipholus van Ephesus.Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!Balthazar.Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,En bracht de vlekk’looze eer van uwe vrouwLicht in ’t bereik van achterdocht en laster.In ’t kort: gij kent haar lang; haar schrand’re geest,Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,Dat thans de deur voor u gesloten blijft.Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,En laat ons in den Tijger saam gaan eten;En tegen de’ avond gaat ge alleen naar huis,En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.Want tracht gij met geweld hier in te breken,Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopenEr daad’lijk dwaze praatjes door de stad,En vinden ingang bij ’t gemeene volk;En zoo wordt op uw vlekkeloozen naamEen booze smet geworpen, die blijft kleven,En na uw dood uw graf onteeren zou;Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,En blijft aan ’t groeien, waar zij wortel schoot.Antipholus van Ephesus.Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan,107En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,Vol geest, gevat,—ja vrij, maar toch ook zacht;Daar zullen we eten; ’t is een meisje, waarMijn vrouw,—doch ik bezweer u, zonder redenZich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haarGebruiken wij het maal.—Ga gij naar huis,En haal den ketting;—die is nu wel klaar;—En breng hem, bid ik, met u in den Egel;Want dat is ’t huis; dien ketting schenk ik nu,—Al waar’ het enkel om mijn vrouw te plagen,—Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.’k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,En klop nu elders aan om onderkomen.Angelo.Gij ziet mij ras daar bij u, binnen ’t uur.Antipholus van Ephesus.Ja doe dat, goed.—Die grap wordt wel wat duur.(Allen af.)Tweede Tooneel.Binnenplein in het huis vanAntipholusvan Ephesus.LucianaenAntipholusvan Syracuse komen op.Luciana.Antipholus, is ’t moog’lijk? Gij verzaaktUw plicht van echtgenoot? wat worm ontstalUw jonge liefdebloem het hart? hoe raaktUw jong geluk, bij de’ opbouw, in verval?Naamt gij mijn zuster om den wil van ’t geld,Behandel om den wil van ’t geld haar goed;Mint gij thans elders, háár zij ’t niet gemeld,Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez’,Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,Hul in het vlekk’loos kleed der deugd uw zonde;Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil’ge speelt;Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!’t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,Maar dubbel, dat gij ’t aan den disch verraadt;Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,Maar booze taal is dubbel-booze daad.O, veins slechts liefde en—ach! zoo is de vrouw!—Wij achten ’t waar; gij hebt onze’ angst gestild;Geeft gij aan and’ren de’ arm, en ons de mouw,Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;Een weinig huich’lens is een vroom bedrog.Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.Antipholus van Syracuse.Volschoone!—wat uw naam is, weet ik niet,Noch door wat wonder gij den mijnen weet;—Doch grooter wonder boeit mijn oog; het zietEen hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.Zeg, dierb’re, hoe ik denken, spreken moet;Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,Den duist’ren zin van wat uw mond daar sprak.Gij doet mij twijf’len, of ik niet verschilVan wat ik was, voert me in een tooverland;Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar:41Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.Lok niet in uwer zuster tranenmeerMij, schoone meer-elf, met verdervend lied;Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,En spreid uw haargoud op den zilv’ren vliet;Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,De dood aldus gewin is, weelde en lust;—Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink’!Luciana.Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?Antipholus van Syracuse.Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.Luciana.Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.Antipholus van Syracuse.Wijl ’t, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.Luciana.Blik waar ’t behoort, en ’t oog herwint zijn kracht.Antipholus van Syracuse.Zou ’k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?Luciana.Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster!Luciana.Uw zusters zuster!Mijne zuster!Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster! Mijne zuster!O!Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een’ge have,Mijn aardsche hemel, een’ge hemelgave!Luciana.Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.Antipholus van Syracuse.Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.U wijd ik mij, u zweer ik eeuw’ge trouw;Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;Reik mij uw hand!Luciana.Reik mij uw hand!O zwijg, heer, houd u stil!Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.(Lucianaaf.)(Dromiovan Syracuse komt haastig aangeloopen.)Antipholus van Syracuse.Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe?72Dromio van Syracuse.Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?Antipholus van Syracuse.Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.Dromio van Syracuse.Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.Antipholus van Syracuse.Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?Dromio van Syracuse.Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.Antipholus van Syracuse.Welke aanspraak maakt zij op u?Dromio van Syracuse.Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.Antipholus van Syracuse.Wat is zij voor een schepsel?Dromio van Syracuse.Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: “met verlof gezegd.” Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.Antipholus van Syracuse.Hoe zoo een vette partij?Dromio van Syracuse.Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.Antipholus van Syracuse.Hoe ziet zij er uit?Dromio van Syracuse.Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.Antipholus van Syracuse.Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.Dromio van Syracuse.Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen.109Antipholus van Syracuse.Hoe is haar naam?Dromio van Syracuse.Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: ’n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.Antipholus van Syracuse.Dus, zij is nog al breed?Dromio van Syracuse.Zij is niet hooger, dan zij breed is;zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.Antipholus van Syracuse.Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?Dromio van Syracuse.Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.Antipholus van Syracuse.Waar Schotland?Dromio van Syracuse.Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.Antipholus van Syracuse.Waar Frankrijk?Dromio van Syracuse.Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.Antipholus van Syracuse.Waar Engeland?Dromio van Syracuse.Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; dochik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.Antipholus van Syracuse.Waar Spanje?Dromio van Syracuse.Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.Antipholus van Syracuse.Waar Amerika en de beide Indiën?Dromio van Syracuse.O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.Antipholus van Syracuse.Waar liggen België en de Nederlanden?Dromio van Syracuse.O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,—noemde mij Dromio,—bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,—vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit:Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit.151Antipholus van Syracuse.Begeef u oogenblikk’lijk naar de haven,Want waait er een’ge wind van land naar zee,Dan blijf ik in deez’ stad geen nacht meer over;—Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!Is vluchten best en blijven vol gevaar.Dromio van Syracuse.Snel, als een wand’laar, voor een beer beducht,Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.(Dromiovan Syracuse af.)Antipholus van Syracuse.In deze plaats zijn enkel heksen thuis;En daarom is ’t hoog tijd van hier te gaan.Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,Onwederstaanbaar door bevalligheid,Betoov’rend door haar wezen en gesprek,Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.(Angelokomt op.)Angelo.Antipholus!Antipholus van Syracuse.Ja, ja, dat is mijn naam.Angelo.Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.Ik had hem u in de’ Egel wel gebracht,Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.Antipholus van Syracuse.En wat moet ik met dezen ketting doen?Angelo.Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt.175Antipholus van Syracuse.Voor mij gemaakt, heer? ’k Heb hem niet besteld.Angelo.Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal.Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee;Ik hoop van avond bij u aan te komenEn haal dan voor den ketting zelf het geld.Antipholus van Syracuse.Ontvang, heer, liever thans het geld, want andersZiet gij misschien noch geld noch ketting ooit.Angelo.Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!(Angeloaf.)Antipholus van Syracuse.Een vreemd geval! wat is dit nu alweer?Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die nietEen gift aanvaardt, die men zoo hoff’lijk biedt.En ik erken, hier is nog wel te leven,Als vreemden zoo maar gouden ketens geven.Doch naar de markt, en Dromio gewacht;Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.(Antipholusvan Syracuse af.)Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een open plein.Een Koopman,Angeloen een Gerechtsdienaar komen op.Koopman.Gij weet, met Pinkst’ren was de som verschuldigd,En sedert drong ik niet bijzonder aan,En zou het nog niet doen, maar ’k moet op reisNaar Perzië, waartoe ik geld behoef.Gelief mij dus onmidd’lijk te betalen,Of deze man voert u ter gijz’ling heen.Angelo.Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,Heb ik te vord’ren van Antipholus.Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ikAan hem een keten overhandigd, enTe vijf uur zou ik daar het geld voor innen.Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Gerechtsdienaar.Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.Antipholus vanEphesus.Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,Mij een eind touw, want dat heb ik bestemdVoor mijne vrouw en die haar helpers warenOm op den dag mij buitenshuis te sluiten.Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,En koop het touw en breng ’t mij thuis.Dromio van Ephesus.Dat is20Wel duizend ponden ’s jaars mij waard! een touw!(Dromiovan Ephesus af.)Antipholus van Ephesus.Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zijWerd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?Angelo.Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,Hoeveel uw ketting weegt, tot op ’t karaat,’t Gehalte van het goud, en ’t duur fatsoen;Het is zoo omtrent drie dukaten meer,Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moetRas onder zeil en wacht op niets dan dit.Antipholus van Ephesus.Ik heb op ’t oogenblik het geld niet bij mij,En heb ook in de stad nog iets te doen.Breng, beste heer, den vreemd’ling naar mijn huis,En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,Dat zij die in ontvangst neem’ en voldoe.Misschien ben ik er even vroeg als gij.39Angelo.Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?Antipholus van Ephesus.Neen, doe gij ’t maar; ik mocht mij eens verlaten.Angelo.Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?Antipholus van Ephesus.Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;Want anders gaat gij zonder geld naar huis.Angelo.Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;De koopman wordt gewacht door wind en tij,En ’k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.Antipholus van Ephesus.Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp’len,Dat gij mij in den Egel zitten liet.Het was aan mij u daarom hard te vallen,Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.Koopman.De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!Angelo.Gij hoort, hoe hij mij dringt;—de keten, heer!Antipholus van Ephesus.Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.Angelo.Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zendDe keten, of geef een bewijs mij mee.56Antipholus van Ephesus.O foei, dat is geen scherts meer; ’t gaat te ver;Waar is de ketting? ’k Bid u, toon hem mij.Koopman.Mijn zaken dulden die vertraging niet.Spreek, heer, hoe is ’t? betaalt gij mij of niet?Zoo niet, dan neem’ die dienaar hem gevangen.Antipholus van Ephesus.Ik u betalen? wat zou ik betalen?Angelo.Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.Antipholus van Ephesus.Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.Angelo.Ik heb ze voor een half uur u gegeven.Antipholus van Ephesus.Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij ’t zegt.Angelo.Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij ’t ontkent.Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.Koopman.Neem, dienaar, hem in hecht’nis op mijn klacht.Gerechtsdienaar.Ik geef gehoor.—In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.Angelo.Dit komt mijn goeden naam te na.—Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz’ling.Antipholus van Ephesus.Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?Neem mij in hecht’nis, schaapskop, als gij durft.Angelo.Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.—Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hijMij zoo in ’t openbaar te schande maakte.Gerechtsdienaar.’k Neem u in hecht’nis, heer. Gij hoort de klacht.Antipholus van Ephesus.Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.—Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.Angelo.Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,Dat u beschamen zal; ik ben gerust.83(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Er is een schip van Epidamnum, heer,Dat enkel op de komst des reeders wacht,Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,Heb ik aan boord gebracht en ’k heb ook de olie,Den balsem, deaqua vitaeaangekocht.Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,Dan op den eig’naar, meester, en op u.Antipholus van Ephesus.Weer een bezeet’ne! welk een schip, gij schaapskop,Van Epidamnum wacht alleen op mij?Dromio van Syracuse.Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.Antipholus van Ephesus.Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen;En ’k zeide u ook waarom en tot wat einde.Dromio van Ephesus.Een touw, heer? dan toch met een schip aan ’t eind?Gij zondt mij naar de haven, om een schip.Antipholus van Ephesus.Ik doe die zaak wel nader met u af,En leer uw ooren beter acht te geven.Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,En deel haar mee, dat ik op straat in hecht’nisGenomen ben en borg wil stellen. Vlug!—’k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.(De Koopman,Angelo,Gerechtsdienaars enAntipholusvan Ephesus af.)Dromio van Syracuse.Naar Adriana? dat is waar wij aten,Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!Ze is al te dik, naar ’k hoop, voor mijn omarming.Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;Een meester heeft een wil, een dienaar geen.(Dromiovan Syracuse af.)Tweede Tooneel.Binnenhof in het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd?Gelooft gij, dat hij ’t waarlijk meende? spreek!Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagtGe er leed of vreugd in? was hij rood of bleek?En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht,Ook strijd des harten op zijn aangezicht?Luciana.Hij zwoer: gij hadt op hem in ’t minst geen recht.Adriana.Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.Luciana.Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd’ling wist.Adriana.Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is ’t.Luciana.Toen nam ik uw partij.Adriana.En wat deed hij?11Luciana.Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.Adriana.En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?Luciana.Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,—Adriana.Spraakt gij zoo lief?Luciana.O stil toch! welk een gloed!Adriana.Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;Nu hebb’, zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!Hij is verdraaid, krombeenig, rimp’lig, oud,Van top tot teen een monster, hartloos, koud,Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,Misvormd naar ’t lijf, maar naar den geest nog meer.Luciana.En plaagt u ijverzucht om zulk een man?Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?Adriana.O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;Als and’rer oog hem maar zoo haatlijk vond!De kievit schreeuwt, is hij van ’t nest ver weg;Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!Luciana.Waarom zoo buiten adem?Dromio van Syracuse.Waarom zoo buiten adem?Is dat loopen!Adriana.Waar is uw meester, Dromio? Is ’t hem wel?Dromio van Syracuse.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel!Hem heeft een duivel beet, in eeuw’gen dos,Een man, wiens hart met staal benageld is;Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,Zoo’n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt;37En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;Een hond op ’t valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,En arme zielen, vóór ’t gericht, ter helle sleurt.Adriana.Spreek, man, ’k begrijp u niet.Dromio van Syracuse.En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.Adriana.Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?Dromio van Syracuse.’k Weet niet, op welke klacht hij in hecht’nis is gebracht,Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?Adriana.Ga ’t halen, zuster.(Lucianaaf.)—’k Sta verwonderd, datMijn man zoo iets als stille schulden had.—Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?Dromio van Syracuse.Niet om papier, maar om een sterker ding;Een keten, keten was ’t! Wat hoor ik, kling ling ling!Adriana.Hoort gij de keten daar?Dromio van Syracuse.Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;’t Was twee, toen ’k hem verliet, en ’k hoor het één daar slaan.Adriana.Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!Dromio van Syracuse.Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.Adriana.Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde ’t ooit?Dromio van Syracuse.Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op ’t uur betalen nooit.En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?(Lucianakomt terug, met een beurs.)Adriana.Hier, Dromio, breng hem ’t geld, en vlug! met spoed!En kom terstond toch met uw meester thuis.—Ach, zuster, ’k weet niet, wat ik denken moet;Nu geeft mij ’t denken troost, dan is ’t mijn kruis.(Allen af.)Derde Tooneel.Een open plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Ik kom geen sterv’ling tegen of hij groet mij,Als ware ik hun een welbekende vriend;Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;Daar even riep een snijder me in zijn winkel,En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,En nam meteen mij ongevraagd de maat.Geen twijfel, ’t moeten droomgezichten zijn,En Laplands heksenmeesters huizen hier.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.—Maar waar hebt gij dat evenbeeld vanden ouden Adam in zijn nieuw gewaadgelaten?Antipholus van Syracuse.Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?Dromio van Syracuse.Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.Antipholus van Syracuse.Mensch, ik versta u niet.Dromio van Syracuse.Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft,dan een Moor met zijn piek.Antipholus van Syracuse.Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?Dromio van Syracuse.Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: “Blijf maar zitten!”Antipholus van Syracuse.Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?Dromio van Syracuse.Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik “Voorwaarts” van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge “Rustuit”. Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden.41Antipholus van Syracuse.De kerel is verbijsterd, maar ik ook;Van de eene dwaling komen wij in de and’re;Een goede geest help’ veilig ons van hier!(Een Courtisane komt op.)Courtisane.Getroffen, heer Antipholus, getroffen!Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;Is dat de keten, heden mij beloofd?Antipholus van Syracuse.Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.Dromio van Syracuse.Meester, is dit mejuffer Satan?Antipholus van Syracuse.Het is de duivel.Dromio van Syracuse.Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: “De Duivel hale mij”, dit zooveel wil zeggen als: “Ik zou een lichte deerne willen zijn”. Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.Courtisane.U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.Gaat gij weer mee? Ook ’t avondmaal is goed.Dromio van Syracuse.Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.Antipholus van Syracuse.Waarom, Dromio?Dromio van Syracuse.Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.Antipholus van Syracuse.Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt,Zooals gij allen zijt, een tooverkol;Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!Courtisane.Geef dan den ring, dien ik aan ’t maal u gaf,Of wel de keten, die gij hebt beloofd;Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.Dromio van Syracuse.Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,Een noot, een kersepit,Die daar wat meer, een gouden keten, ja!Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammeltDe duivel ons er schrik mee op het lijf.Courtisane.Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;’k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.Antipholus van Syracuse.Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.Dromio van Syracuse.“Nooit ijdel”, zei de pauw; die les is niet van stroo.81(AntipholusenDromiovan Syracuse af.)Courtisane.Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;Want anders stelde hij zich zoo niet aan.Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,Heeft hij een gouden keten mij beloofd,En nu ontkent hij mij èn ’t een èn ’t ander.Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleenDoor dit bewijs van dolle drift, maar ookDoor ’t dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.Gewis zijn haar zijn vlagen welbekendEn hield zij daarom ’t huis voor hem gesloten.Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dolMijn woning binnendrong en met geweldDen ring me ontnam. Ja, die manier is goed;Veertig dukaten waar’ te groot bankroet.(De Courtisane af.)De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.Vierde Tooneel.Op dezelfde plaats.Antipholusvan Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.Antipholus van Ephesus.Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;Maar geef u, eer ik van u ga, de som,Waarvoor gij mij in hecht’nis hebt genomen.Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,En schenkt misschien mijn bode geen geloof.Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,Geloof mij, ’t zal haar schril in de ooren klinken.(Dromiovan Ephesus komt op, met een eind touw.)Daar komt mijn dienaar, denk’lijk met het geld.—Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?Dromio van Ephesus.Zie maar, genoeg om allen te betalen.Antipholus van Ephesus.Maar waar is ’t geld?Dromio van Ephesus.Wel, heer ’k heb met het geld het touw betaald.Antipholus van Ephesus.Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?Dromio van Ephesus.Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.Antipholus van Ephesus.Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?Dromio van Ephesus.Om een eind touw, en ’k breng dat eind u hier.17Antipholus van Ephesus.Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.(Hij slaat hem.)Gerechtsdienaar.Geduld, mijn waarde heer, geduld.Dromio van Ephesus.Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.Gerechtsdienaar.Kom aan, hou je mond.Dromio van Ephesus.Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.Antipholus van Ephesus.Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!Dromio van Ephesus.Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.Antipholus van Ephesus.Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.Dromio van Ephesus.Ja, ik ben een ezel, inderdaad; ’t is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.—Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.Antipholus van Ephesus.Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.(Adriana,Luciana,de Courtisane enKnijpkomen op.)Dromio van Ephesus.Meesteres, “Respice finem”, denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: “Pas op voor het eindje touw!”Antipholus van Ephesus.Maakt gij nog praatjes?(Hij slaat hem.)Courtisane.Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?Adriana.Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,En wat gij vordert, zal ik u betalen.Luciana.Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond!53Courtisane.Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!Knijp.Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.Antipholus van Ephesus.Hier is mijn hand en dat uw oor die voel’!(Hij geeft hem een oorveeg.)Knijp.Gij satan, die in dezen mensche huist,Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,En spoed u heen naar ’t rijk der duisternis;Bij alle heil’gen, geef gehoor, ik ban u!Antipholus van Ephesus.Zwijg, suffe toov’naar, zwijg, ik ben niet dol.Adriana.Ach, waar’ dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!Antipholus van Ephesus.Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!Deed die snaak daar met dat saffraangezichtVandaag in mijne woning zich te goed,Terwijl de deur u helersdiensten deedEn mij den toegang tot mijn huis ontzeide?Adriana.O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!Antipholus van Ephesus.Te huis gegeten!—Vlegel, wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Te huis gegeten!—heer, neen, waarlijk niet.Antipholus van Ephesus.En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?Dromio van Ephesus.Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.Antipholus van Ephesus.En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?Dromio van Ephesus.In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.Antipholus van Ephesus.En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?Dromio van Ephesus.Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.Antipholus van Ephesus.En ging ik niet in dolle woede weg?Dromio van Ephesus.Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;Die heeft uw dolle woede wel gevoeld.81Adriana.Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?Knijp.Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.Antipholus van Ephesus.Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz’len!Adriana.Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,Door Dromio hier, die ’t ijlings hebben moest.Dromio van Ephesus.Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.Antipholus van Ephesus.Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?Adriana.Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.Luciana.Ik kan getuigen, dat zij ’t goud hem gaf.Dromio van Ephesus.God en de touwverkooper zijn getuigen:Niets anders moest ik halen dan een touw.Knijp.Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!Men boeie en breng’ hen in een donk’re cel.Antipholus van Ephesus(totAdriana).Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur?(TotDromio.)En waarom loochent gij de beurs met goud?Adriana.Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.Dromio van Ephesus.En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.Adriana.Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.Antipholus van Ephesus.Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles;En zijt het met vervloekte schoeljes eens,Om hoon en smaad te staap’len op mijn hoofd;Maar ’k rijt u met mijn nagels de oogen uit,Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.Adriana.O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!Knijp.Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.Luciana.Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!(Drie of vier Helpers komen op, omAntipholusvan Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)Antipholus van Ephesus.Wat! legt gij ’t op mijn leven toe? Gij rakker,’k Ben uw gevang’ne; duldt gij, dat zij mijAan u ontrukken?114Gerechtsdienaar.Mannen, laat hem los;’t Is mijn gevang’ne; gij blijft van hem af.Knijp.Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.(Zij trachten ookDromiovan Ephesus te binden.)Adriana.Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?Is ’t u een lust, als een ellendig manZichzelven kwaad en leed en schande doet?Gerechtsdienaar.’t Is mijn gevang’ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,Wat hij betalen moet, op mij verhaald.Adriana.Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.Breng mij tot hem, die ’t geld te vord’ren heeft!Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.En, goede dokter, breng hem ongedeerdBij mij aan huis!—O diep onzaal’ge dag!Antipholus van Ephesus.O diep onzaal’ge sloor!Dromio van Ephesus.Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!Antipholus van Ephesus.Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?Dromio van Ephesus.Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,Wees dol! schreeuw: “Duivel! Hel!”Luciana.God helpe u, armen! ach wat ijd’le taal!Adriana.Gaat, voert hem weg!—Kom, zuster, ga met ons.(Knijpen zijn Helpers af, metAntipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus.)Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.Gerechtsdienaar.Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?Adriana.Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?Gerechtsdienaar.Twee honderd stuks dukaten.Adriana.Twee honderd stuks dukaten.En waarvoor?Gerechtsdienaar.’t Is voor een ketting, aan uw man geleverd.Adriana.Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.Courtisane.Zeer kort, nadat vandaag uw man als dolBij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,—Dien ik daareven aan zijn vinger zag,—Kwam ik hem tegen met een gouden keten.Adriana.Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.—(Tot den Gerechtsdienaar.)Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlangTe weten, wat er van dat alles is.(Antipholusvan Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd doorDromiovan Syracuse.)Luciana.God sta ons bij, daar zijn zij weder los!Adriana.En ’t zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hemOp nieuw te binden!Gerechtsdienaar.Op nieuw te binden!Voort! het geldt ons leven!(Adriana,Lucianaen de Gerechtsdienaar af.)Antipholus van Syracuse.Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.Dromio van Syracuse.Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.Antipholus van Syracuse.Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;O, waren wij reeds goed en wel aan boord!Dromio van Syracuse.Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;—en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.Antipholus van Syracuse.Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!(Beiden af.)
Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor het huis vanAntipholusvan Ephesus.Antipholusvan Ephesus,Dromiovan Ephesus,AngeloenBalthazarkomen op.Antipholus van Ephesus.Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,En naar het maken van haar halssnoer keek,En dat gij ’t morgen thuis bezorgen zult.Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,En duizend mark in goud van hem begeerde,En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.—Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?Dromio van Ephesus.Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;Waar’ mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,’k Had een schrift’lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.Antipholus van Ephesus.Gij zijt een ezel, zie ik.15Dromio van Ephesus.Dat dacht ikzelf ook alreê,Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de’ ezel in acht.Antipholus van Ephesus.Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maalBeantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.Balthazar.Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar’ ook ’t eten schraal.Antipholus van Ephesus.Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch,Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.Balthazar.Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.Antipholus van Ephesus.Ik meer dan hoff’lijke woorden; een woord vervliegt als rook.Balthazar.Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.Antipholus van Ephesus.Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past.Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend’lijker welkomst niet.—Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan!30Dromio van Ephesus.Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!Dromio van Syracuse(van binnen).Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer!Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij ’t dozijn,Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!Dromio van Ephesus.Wat lomperd werd portier hier?—Doe open, mijn meester wacht.Dromio van Syracuse(van binnen).Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.Antipholus van Ephesus.Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.Dromio van Syracuse(van binnen).Ja heer, ’k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.Antipholus van Ephesus.Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.Dromio van Syracuse(van binnen).De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.Antipholus van Ephesus.Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?Dromio van Syracuse(van binnen).Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.Dromio van Ephesus.Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen;De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.Lucie(van binnen).Welk een leven! wie is ’t, die voor de deur hier staat?Dromio van Ephesus.Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.LucieLaat, Luus! wat vlug mijn heer in.(van binnen).Wat heer? hij komt te laat.Vertel dat uw meester.50Dromio van Ephesus.Vertel dat uw meester.Mijn god, het is te gek.Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.Lucie(van binnen).Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!Dromio van Syracuse(van binnen).Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.Antipholus van Syracuse.Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?Lucie(van binnen).Gij hebt reeds het antwoord.Dromio van SyracuseGij hebt reeds het antwoord.(van binnen).En dat was neen.Dromio van Ephesus.Wel zeker, ja, help haar; zij kan ’t niet alleen!Antipholus van Ephesus.Kom, kreng, laat mij binnen.LucieKom, kreng, laat mij binnen.(van binnen).Waarvoor? vraag ik maar.Dromio van Ephesus.Heer, bons op de deur.LucieHeer, bons op de deur.(van binnen).Ja, bons ze uit elkaâr.Antipholus van Ephesus.En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.Lucie(van binnen).Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.Adriana(van binnen).Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?Dromio van Syracuse(van binnen).Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.Antipholus van Ephesus.Zijt gij daar eind’lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.Adriana(van binnen).Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.Dromio van Ephesus.Dat “schavuit”, heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.Angelo.Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.Balthazar.Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.Dromio van Ephesus.Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.Antipholus van Ephesus.Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.Dromio van Ephesus.Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen.Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû,71Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?Antipholus van Ephesus.Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?Dromio van Syracuse(van binnen).Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.Dromio van Ephesus.Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten,En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.Dromio van Syracuse(van binnen).Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.Dromio van Ephesus.En gij zijt buiten westen. Voor ’t laatst nog, laat ons binnen.Dromio van Syracuse(van binnen).Als vogels zonderveêrenzijn, en visschen zonder vinnen.Antipholus van Ephesus.Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.Dromio van Ephesus.Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier.Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,Die enk’le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.Antipholus van Ephesus.Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!Balthazar.Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,En bracht de vlekk’looze eer van uwe vrouwLicht in ’t bereik van achterdocht en laster.In ’t kort: gij kent haar lang; haar schrand’re geest,Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,Dat thans de deur voor u gesloten blijft.Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,En laat ons in den Tijger saam gaan eten;En tegen de’ avond gaat ge alleen naar huis,En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.Want tracht gij met geweld hier in te breken,Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopenEr daad’lijk dwaze praatjes door de stad,En vinden ingang bij ’t gemeene volk;En zoo wordt op uw vlekkeloozen naamEen booze smet geworpen, die blijft kleven,En na uw dood uw graf onteeren zou;Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,En blijft aan ’t groeien, waar zij wortel schoot.Antipholus van Ephesus.Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan,107En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,Vol geest, gevat,—ja vrij, maar toch ook zacht;Daar zullen we eten; ’t is een meisje, waarMijn vrouw,—doch ik bezweer u, zonder redenZich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haarGebruiken wij het maal.—Ga gij naar huis,En haal den ketting;—die is nu wel klaar;—En breng hem, bid ik, met u in den Egel;Want dat is ’t huis; dien ketting schenk ik nu,—Al waar’ het enkel om mijn vrouw te plagen,—Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.’k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,En klop nu elders aan om onderkomen.Angelo.Gij ziet mij ras daar bij u, binnen ’t uur.Antipholus van Ephesus.Ja doe dat, goed.—Die grap wordt wel wat duur.(Allen af.)Tweede Tooneel.Binnenplein in het huis vanAntipholusvan Ephesus.LucianaenAntipholusvan Syracuse komen op.Luciana.Antipholus, is ’t moog’lijk? Gij verzaaktUw plicht van echtgenoot? wat worm ontstalUw jonge liefdebloem het hart? hoe raaktUw jong geluk, bij de’ opbouw, in verval?Naamt gij mijn zuster om den wil van ’t geld,Behandel om den wil van ’t geld haar goed;Mint gij thans elders, háár zij ’t niet gemeld,Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez’,Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,Hul in het vlekk’loos kleed der deugd uw zonde;Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil’ge speelt;Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!’t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,Maar dubbel, dat gij ’t aan den disch verraadt;Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,Maar booze taal is dubbel-booze daad.O, veins slechts liefde en—ach! zoo is de vrouw!—Wij achten ’t waar; gij hebt onze’ angst gestild;Geeft gij aan and’ren de’ arm, en ons de mouw,Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;Een weinig huich’lens is een vroom bedrog.Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.Antipholus van Syracuse.Volschoone!—wat uw naam is, weet ik niet,Noch door wat wonder gij den mijnen weet;—Doch grooter wonder boeit mijn oog; het zietEen hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.Zeg, dierb’re, hoe ik denken, spreken moet;Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,Den duist’ren zin van wat uw mond daar sprak.Gij doet mij twijf’len, of ik niet verschilVan wat ik was, voert me in een tooverland;Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar:41Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.Lok niet in uwer zuster tranenmeerMij, schoone meer-elf, met verdervend lied;Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,En spreid uw haargoud op den zilv’ren vliet;Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,De dood aldus gewin is, weelde en lust;—Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink’!Luciana.Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?Antipholus van Syracuse.Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.Luciana.Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.Antipholus van Syracuse.Wijl ’t, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.Luciana.Blik waar ’t behoort, en ’t oog herwint zijn kracht.Antipholus van Syracuse.Zou ’k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?Luciana.Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster!Luciana.Uw zusters zuster!Mijne zuster!Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster! Mijne zuster!O!Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een’ge have,Mijn aardsche hemel, een’ge hemelgave!Luciana.Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.Antipholus van Syracuse.Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.U wijd ik mij, u zweer ik eeuw’ge trouw;Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;Reik mij uw hand!Luciana.Reik mij uw hand!O zwijg, heer, houd u stil!Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.(Lucianaaf.)(Dromiovan Syracuse komt haastig aangeloopen.)Antipholus van Syracuse.Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe?72Dromio van Syracuse.Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?Antipholus van Syracuse.Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.Dromio van Syracuse.Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.Antipholus van Syracuse.Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?Dromio van Syracuse.Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.Antipholus van Syracuse.Welke aanspraak maakt zij op u?Dromio van Syracuse.Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.Antipholus van Syracuse.Wat is zij voor een schepsel?Dromio van Syracuse.Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: “met verlof gezegd.” Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.Antipholus van Syracuse.Hoe zoo een vette partij?Dromio van Syracuse.Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.Antipholus van Syracuse.Hoe ziet zij er uit?Dromio van Syracuse.Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.Antipholus van Syracuse.Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.Dromio van Syracuse.Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen.109Antipholus van Syracuse.Hoe is haar naam?Dromio van Syracuse.Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: ’n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.Antipholus van Syracuse.Dus, zij is nog al breed?Dromio van Syracuse.Zij is niet hooger, dan zij breed is;zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.Antipholus van Syracuse.Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?Dromio van Syracuse.Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.Antipholus van Syracuse.Waar Schotland?Dromio van Syracuse.Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.Antipholus van Syracuse.Waar Frankrijk?Dromio van Syracuse.Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.Antipholus van Syracuse.Waar Engeland?Dromio van Syracuse.Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; dochik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.Antipholus van Syracuse.Waar Spanje?Dromio van Syracuse.Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.Antipholus van Syracuse.Waar Amerika en de beide Indiën?Dromio van Syracuse.O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.Antipholus van Syracuse.Waar liggen België en de Nederlanden?Dromio van Syracuse.O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,—noemde mij Dromio,—bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,—vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit:Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit.151Antipholus van Syracuse.Begeef u oogenblikk’lijk naar de haven,Want waait er een’ge wind van land naar zee,Dan blijf ik in deez’ stad geen nacht meer over;—Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!Is vluchten best en blijven vol gevaar.Dromio van Syracuse.Snel, als een wand’laar, voor een beer beducht,Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.(Dromiovan Syracuse af.)Antipholus van Syracuse.In deze plaats zijn enkel heksen thuis;En daarom is ’t hoog tijd van hier te gaan.Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,Onwederstaanbaar door bevalligheid,Betoov’rend door haar wezen en gesprek,Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.(Angelokomt op.)Angelo.Antipholus!Antipholus van Syracuse.Ja, ja, dat is mijn naam.Angelo.Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.Ik had hem u in de’ Egel wel gebracht,Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.Antipholus van Syracuse.En wat moet ik met dezen ketting doen?Angelo.Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt.175Antipholus van Syracuse.Voor mij gemaakt, heer? ’k Heb hem niet besteld.Angelo.Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal.Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee;Ik hoop van avond bij u aan te komenEn haal dan voor den ketting zelf het geld.Antipholus van Syracuse.Ontvang, heer, liever thans het geld, want andersZiet gij misschien noch geld noch ketting ooit.Angelo.Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!(Angeloaf.)Antipholus van Syracuse.Een vreemd geval! wat is dit nu alweer?Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die nietEen gift aanvaardt, die men zoo hoff’lijk biedt.En ik erken, hier is nog wel te leven,Als vreemden zoo maar gouden ketens geven.Doch naar de markt, en Dromio gewacht;Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.(Antipholusvan Syracuse af.)Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een open plein.Een Koopman,Angeloen een Gerechtsdienaar komen op.Koopman.Gij weet, met Pinkst’ren was de som verschuldigd,En sedert drong ik niet bijzonder aan,En zou het nog niet doen, maar ’k moet op reisNaar Perzië, waartoe ik geld behoef.Gelief mij dus onmidd’lijk te betalen,Of deze man voert u ter gijz’ling heen.Angelo.Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,Heb ik te vord’ren van Antipholus.Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ikAan hem een keten overhandigd, enTe vijf uur zou ik daar het geld voor innen.Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Gerechtsdienaar.Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.Antipholus vanEphesus.Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,Mij een eind touw, want dat heb ik bestemdVoor mijne vrouw en die haar helpers warenOm op den dag mij buitenshuis te sluiten.Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,En koop het touw en breng ’t mij thuis.Dromio van Ephesus.Dat is20Wel duizend ponden ’s jaars mij waard! een touw!(Dromiovan Ephesus af.)Antipholus van Ephesus.Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zijWerd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?Angelo.Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,Hoeveel uw ketting weegt, tot op ’t karaat,’t Gehalte van het goud, en ’t duur fatsoen;Het is zoo omtrent drie dukaten meer,Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moetRas onder zeil en wacht op niets dan dit.Antipholus van Ephesus.Ik heb op ’t oogenblik het geld niet bij mij,En heb ook in de stad nog iets te doen.Breng, beste heer, den vreemd’ling naar mijn huis,En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,Dat zij die in ontvangst neem’ en voldoe.Misschien ben ik er even vroeg als gij.39Angelo.Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?Antipholus van Ephesus.Neen, doe gij ’t maar; ik mocht mij eens verlaten.Angelo.Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?Antipholus van Ephesus.Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;Want anders gaat gij zonder geld naar huis.Angelo.Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;De koopman wordt gewacht door wind en tij,En ’k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.Antipholus van Ephesus.Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp’len,Dat gij mij in den Egel zitten liet.Het was aan mij u daarom hard te vallen,Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.Koopman.De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!Angelo.Gij hoort, hoe hij mij dringt;—de keten, heer!Antipholus van Ephesus.Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.Angelo.Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zendDe keten, of geef een bewijs mij mee.56Antipholus van Ephesus.O foei, dat is geen scherts meer; ’t gaat te ver;Waar is de ketting? ’k Bid u, toon hem mij.Koopman.Mijn zaken dulden die vertraging niet.Spreek, heer, hoe is ’t? betaalt gij mij of niet?Zoo niet, dan neem’ die dienaar hem gevangen.Antipholus van Ephesus.Ik u betalen? wat zou ik betalen?Angelo.Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.Antipholus van Ephesus.Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.Angelo.Ik heb ze voor een half uur u gegeven.Antipholus van Ephesus.Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij ’t zegt.Angelo.Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij ’t ontkent.Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.Koopman.Neem, dienaar, hem in hecht’nis op mijn klacht.Gerechtsdienaar.Ik geef gehoor.—In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.Angelo.Dit komt mijn goeden naam te na.—Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz’ling.Antipholus van Ephesus.Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?Neem mij in hecht’nis, schaapskop, als gij durft.Angelo.Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.—Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hijMij zoo in ’t openbaar te schande maakte.Gerechtsdienaar.’k Neem u in hecht’nis, heer. Gij hoort de klacht.Antipholus van Ephesus.Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.—Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.Angelo.Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,Dat u beschamen zal; ik ben gerust.83(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Er is een schip van Epidamnum, heer,Dat enkel op de komst des reeders wacht,Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,Heb ik aan boord gebracht en ’k heb ook de olie,Den balsem, deaqua vitaeaangekocht.Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,Dan op den eig’naar, meester, en op u.Antipholus van Ephesus.Weer een bezeet’ne! welk een schip, gij schaapskop,Van Epidamnum wacht alleen op mij?Dromio van Syracuse.Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.Antipholus van Ephesus.Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen;En ’k zeide u ook waarom en tot wat einde.Dromio van Ephesus.Een touw, heer? dan toch met een schip aan ’t eind?Gij zondt mij naar de haven, om een schip.Antipholus van Ephesus.Ik doe die zaak wel nader met u af,En leer uw ooren beter acht te geven.Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,En deel haar mee, dat ik op straat in hecht’nisGenomen ben en borg wil stellen. Vlug!—’k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.(De Koopman,Angelo,Gerechtsdienaars enAntipholusvan Ephesus af.)Dromio van Syracuse.Naar Adriana? dat is waar wij aten,Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!Ze is al te dik, naar ’k hoop, voor mijn omarming.Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;Een meester heeft een wil, een dienaar geen.(Dromiovan Syracuse af.)Tweede Tooneel.Binnenhof in het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd?Gelooft gij, dat hij ’t waarlijk meende? spreek!Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagtGe er leed of vreugd in? was hij rood of bleek?En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht,Ook strijd des harten op zijn aangezicht?Luciana.Hij zwoer: gij hadt op hem in ’t minst geen recht.Adriana.Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.Luciana.Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd’ling wist.Adriana.Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is ’t.Luciana.Toen nam ik uw partij.Adriana.En wat deed hij?11Luciana.Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.Adriana.En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?Luciana.Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,—Adriana.Spraakt gij zoo lief?Luciana.O stil toch! welk een gloed!Adriana.Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;Nu hebb’, zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!Hij is verdraaid, krombeenig, rimp’lig, oud,Van top tot teen een monster, hartloos, koud,Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,Misvormd naar ’t lijf, maar naar den geest nog meer.Luciana.En plaagt u ijverzucht om zulk een man?Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?Adriana.O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;Als and’rer oog hem maar zoo haatlijk vond!De kievit schreeuwt, is hij van ’t nest ver weg;Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!Luciana.Waarom zoo buiten adem?Dromio van Syracuse.Waarom zoo buiten adem?Is dat loopen!Adriana.Waar is uw meester, Dromio? Is ’t hem wel?Dromio van Syracuse.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel!Hem heeft een duivel beet, in eeuw’gen dos,Een man, wiens hart met staal benageld is;Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,Zoo’n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt;37En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;Een hond op ’t valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,En arme zielen, vóór ’t gericht, ter helle sleurt.Adriana.Spreek, man, ’k begrijp u niet.Dromio van Syracuse.En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.Adriana.Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?Dromio van Syracuse.’k Weet niet, op welke klacht hij in hecht’nis is gebracht,Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?Adriana.Ga ’t halen, zuster.(Lucianaaf.)—’k Sta verwonderd, datMijn man zoo iets als stille schulden had.—Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?Dromio van Syracuse.Niet om papier, maar om een sterker ding;Een keten, keten was ’t! Wat hoor ik, kling ling ling!Adriana.Hoort gij de keten daar?Dromio van Syracuse.Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;’t Was twee, toen ’k hem verliet, en ’k hoor het één daar slaan.Adriana.Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!Dromio van Syracuse.Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.Adriana.Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde ’t ooit?Dromio van Syracuse.Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op ’t uur betalen nooit.En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?(Lucianakomt terug, met een beurs.)Adriana.Hier, Dromio, breng hem ’t geld, en vlug! met spoed!En kom terstond toch met uw meester thuis.—Ach, zuster, ’k weet niet, wat ik denken moet;Nu geeft mij ’t denken troost, dan is ’t mijn kruis.(Allen af.)Derde Tooneel.Een open plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Ik kom geen sterv’ling tegen of hij groet mij,Als ware ik hun een welbekende vriend;Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;Daar even riep een snijder me in zijn winkel,En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,En nam meteen mij ongevraagd de maat.Geen twijfel, ’t moeten droomgezichten zijn,En Laplands heksenmeesters huizen hier.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.—Maar waar hebt gij dat evenbeeld vanden ouden Adam in zijn nieuw gewaadgelaten?Antipholus van Syracuse.Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?Dromio van Syracuse.Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.Antipholus van Syracuse.Mensch, ik versta u niet.Dromio van Syracuse.Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft,dan een Moor met zijn piek.Antipholus van Syracuse.Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?Dromio van Syracuse.Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: “Blijf maar zitten!”Antipholus van Syracuse.Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?Dromio van Syracuse.Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik “Voorwaarts” van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge “Rustuit”. Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden.41Antipholus van Syracuse.De kerel is verbijsterd, maar ik ook;Van de eene dwaling komen wij in de and’re;Een goede geest help’ veilig ons van hier!(Een Courtisane komt op.)Courtisane.Getroffen, heer Antipholus, getroffen!Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;Is dat de keten, heden mij beloofd?Antipholus van Syracuse.Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.Dromio van Syracuse.Meester, is dit mejuffer Satan?Antipholus van Syracuse.Het is de duivel.Dromio van Syracuse.Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: “De Duivel hale mij”, dit zooveel wil zeggen als: “Ik zou een lichte deerne willen zijn”. Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.Courtisane.U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.Gaat gij weer mee? Ook ’t avondmaal is goed.Dromio van Syracuse.Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.Antipholus van Syracuse.Waarom, Dromio?Dromio van Syracuse.Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.Antipholus van Syracuse.Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt,Zooals gij allen zijt, een tooverkol;Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!Courtisane.Geef dan den ring, dien ik aan ’t maal u gaf,Of wel de keten, die gij hebt beloofd;Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.Dromio van Syracuse.Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,Een noot, een kersepit,Die daar wat meer, een gouden keten, ja!Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammeltDe duivel ons er schrik mee op het lijf.Courtisane.Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;’k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.Antipholus van Syracuse.Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.Dromio van Syracuse.“Nooit ijdel”, zei de pauw; die les is niet van stroo.81(AntipholusenDromiovan Syracuse af.)Courtisane.Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;Want anders stelde hij zich zoo niet aan.Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,Heeft hij een gouden keten mij beloofd,En nu ontkent hij mij èn ’t een èn ’t ander.Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleenDoor dit bewijs van dolle drift, maar ookDoor ’t dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.Gewis zijn haar zijn vlagen welbekendEn hield zij daarom ’t huis voor hem gesloten.Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dolMijn woning binnendrong en met geweldDen ring me ontnam. Ja, die manier is goed;Veertig dukaten waar’ te groot bankroet.(De Courtisane af.)De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.Vierde Tooneel.Op dezelfde plaats.Antipholusvan Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.Antipholus van Ephesus.Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;Maar geef u, eer ik van u ga, de som,Waarvoor gij mij in hecht’nis hebt genomen.Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,En schenkt misschien mijn bode geen geloof.Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,Geloof mij, ’t zal haar schril in de ooren klinken.(Dromiovan Ephesus komt op, met een eind touw.)Daar komt mijn dienaar, denk’lijk met het geld.—Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?Dromio van Ephesus.Zie maar, genoeg om allen te betalen.Antipholus van Ephesus.Maar waar is ’t geld?Dromio van Ephesus.Wel, heer ’k heb met het geld het touw betaald.Antipholus van Ephesus.Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?Dromio van Ephesus.Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.Antipholus van Ephesus.Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?Dromio van Ephesus.Om een eind touw, en ’k breng dat eind u hier.17Antipholus van Ephesus.Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.(Hij slaat hem.)Gerechtsdienaar.Geduld, mijn waarde heer, geduld.Dromio van Ephesus.Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.Gerechtsdienaar.Kom aan, hou je mond.Dromio van Ephesus.Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.Antipholus van Ephesus.Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!Dromio van Ephesus.Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.Antipholus van Ephesus.Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.Dromio van Ephesus.Ja, ik ben een ezel, inderdaad; ’t is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.—Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.Antipholus van Ephesus.Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.(Adriana,Luciana,de Courtisane enKnijpkomen op.)Dromio van Ephesus.Meesteres, “Respice finem”, denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: “Pas op voor het eindje touw!”Antipholus van Ephesus.Maakt gij nog praatjes?(Hij slaat hem.)Courtisane.Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?Adriana.Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,En wat gij vordert, zal ik u betalen.Luciana.Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond!53Courtisane.Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!Knijp.Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.Antipholus van Ephesus.Hier is mijn hand en dat uw oor die voel’!(Hij geeft hem een oorveeg.)Knijp.Gij satan, die in dezen mensche huist,Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,En spoed u heen naar ’t rijk der duisternis;Bij alle heil’gen, geef gehoor, ik ban u!Antipholus van Ephesus.Zwijg, suffe toov’naar, zwijg, ik ben niet dol.Adriana.Ach, waar’ dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!Antipholus van Ephesus.Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!Deed die snaak daar met dat saffraangezichtVandaag in mijne woning zich te goed,Terwijl de deur u helersdiensten deedEn mij den toegang tot mijn huis ontzeide?Adriana.O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!Antipholus van Ephesus.Te huis gegeten!—Vlegel, wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Te huis gegeten!—heer, neen, waarlijk niet.Antipholus van Ephesus.En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?Dromio van Ephesus.Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.Antipholus van Ephesus.En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?Dromio van Ephesus.In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.Antipholus van Ephesus.En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?Dromio van Ephesus.Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.Antipholus van Ephesus.En ging ik niet in dolle woede weg?Dromio van Ephesus.Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;Die heeft uw dolle woede wel gevoeld.81Adriana.Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?Knijp.Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.Antipholus van Ephesus.Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz’len!Adriana.Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,Door Dromio hier, die ’t ijlings hebben moest.Dromio van Ephesus.Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.Antipholus van Ephesus.Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?Adriana.Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.Luciana.Ik kan getuigen, dat zij ’t goud hem gaf.Dromio van Ephesus.God en de touwverkooper zijn getuigen:Niets anders moest ik halen dan een touw.Knijp.Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!Men boeie en breng’ hen in een donk’re cel.Antipholus van Ephesus(totAdriana).Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur?(TotDromio.)En waarom loochent gij de beurs met goud?Adriana.Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.Dromio van Ephesus.En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.Adriana.Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.Antipholus van Ephesus.Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles;En zijt het met vervloekte schoeljes eens,Om hoon en smaad te staap’len op mijn hoofd;Maar ’k rijt u met mijn nagels de oogen uit,Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.Adriana.O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!Knijp.Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.Luciana.Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!(Drie of vier Helpers komen op, omAntipholusvan Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)Antipholus van Ephesus.Wat! legt gij ’t op mijn leven toe? Gij rakker,’k Ben uw gevang’ne; duldt gij, dat zij mijAan u ontrukken?114Gerechtsdienaar.Mannen, laat hem los;’t Is mijn gevang’ne; gij blijft van hem af.Knijp.Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.(Zij trachten ookDromiovan Ephesus te binden.)Adriana.Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?Is ’t u een lust, als een ellendig manZichzelven kwaad en leed en schande doet?Gerechtsdienaar.’t Is mijn gevang’ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,Wat hij betalen moet, op mij verhaald.Adriana.Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.Breng mij tot hem, die ’t geld te vord’ren heeft!Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.En, goede dokter, breng hem ongedeerdBij mij aan huis!—O diep onzaal’ge dag!Antipholus van Ephesus.O diep onzaal’ge sloor!Dromio van Ephesus.Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!Antipholus van Ephesus.Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?Dromio van Ephesus.Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,Wees dol! schreeuw: “Duivel! Hel!”Luciana.God helpe u, armen! ach wat ijd’le taal!Adriana.Gaat, voert hem weg!—Kom, zuster, ga met ons.(Knijpen zijn Helpers af, metAntipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus.)Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.Gerechtsdienaar.Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?Adriana.Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?Gerechtsdienaar.Twee honderd stuks dukaten.Adriana.Twee honderd stuks dukaten.En waarvoor?Gerechtsdienaar.’t Is voor een ketting, aan uw man geleverd.Adriana.Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.Courtisane.Zeer kort, nadat vandaag uw man als dolBij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,—Dien ik daareven aan zijn vinger zag,—Kwam ik hem tegen met een gouden keten.Adriana.Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.—(Tot den Gerechtsdienaar.)Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlangTe weten, wat er van dat alles is.(Antipholusvan Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd doorDromiovan Syracuse.)Luciana.God sta ons bij, daar zijn zij weder los!Adriana.En ’t zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hemOp nieuw te binden!Gerechtsdienaar.Op nieuw te binden!Voort! het geldt ons leven!(Adriana,Lucianaen de Gerechtsdienaar af.)Antipholus van Syracuse.Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.Dromio van Syracuse.Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.Antipholus van Syracuse.Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;O, waren wij reeds goed en wel aan boord!Dromio van Syracuse.Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;—en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.Antipholus van Syracuse.Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!(Beiden af.)
Derde Bedrijf.Eerste Tooneel.Voor het huis vanAntipholusvan Ephesus.Antipholusvan Ephesus,Dromiovan Ephesus,AngeloenBalthazarkomen op.Antipholus van Ephesus.Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,En naar het maken van haar halssnoer keek,En dat gij ’t morgen thuis bezorgen zult.Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,En duizend mark in goud van hem begeerde,En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.—Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?Dromio van Ephesus.Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;Waar’ mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,’k Had een schrift’lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.Antipholus van Ephesus.Gij zijt een ezel, zie ik.15Dromio van Ephesus.Dat dacht ikzelf ook alreê,Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de’ ezel in acht.Antipholus van Ephesus.Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maalBeantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.Balthazar.Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar’ ook ’t eten schraal.Antipholus van Ephesus.Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch,Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.Balthazar.Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.Antipholus van Ephesus.Ik meer dan hoff’lijke woorden; een woord vervliegt als rook.Balthazar.Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.Antipholus van Ephesus.Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past.Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend’lijker welkomst niet.—Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan!30Dromio van Ephesus.Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!Dromio van Syracuse(van binnen).Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer!Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij ’t dozijn,Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!Dromio van Ephesus.Wat lomperd werd portier hier?—Doe open, mijn meester wacht.Dromio van Syracuse(van binnen).Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.Antipholus van Ephesus.Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.Dromio van Syracuse(van binnen).Ja heer, ’k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.Antipholus van Ephesus.Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.Dromio van Syracuse(van binnen).De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.Antipholus van Ephesus.Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?Dromio van Syracuse(van binnen).Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.Dromio van Ephesus.Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen;De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.Lucie(van binnen).Welk een leven! wie is ’t, die voor de deur hier staat?Dromio van Ephesus.Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.LucieLaat, Luus! wat vlug mijn heer in.(van binnen).Wat heer? hij komt te laat.Vertel dat uw meester.50Dromio van Ephesus.Vertel dat uw meester.Mijn god, het is te gek.Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.Lucie(van binnen).Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!Dromio van Syracuse(van binnen).Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.Antipholus van Syracuse.Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?Lucie(van binnen).Gij hebt reeds het antwoord.Dromio van SyracuseGij hebt reeds het antwoord.(van binnen).En dat was neen.Dromio van Ephesus.Wel zeker, ja, help haar; zij kan ’t niet alleen!Antipholus van Ephesus.Kom, kreng, laat mij binnen.LucieKom, kreng, laat mij binnen.(van binnen).Waarvoor? vraag ik maar.Dromio van Ephesus.Heer, bons op de deur.LucieHeer, bons op de deur.(van binnen).Ja, bons ze uit elkaâr.Antipholus van Ephesus.En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.Lucie(van binnen).Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.Adriana(van binnen).Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?Dromio van Syracuse(van binnen).Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.Antipholus van Ephesus.Zijt gij daar eind’lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.Adriana(van binnen).Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.Dromio van Ephesus.Dat “schavuit”, heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.Angelo.Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.Balthazar.Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.Dromio van Ephesus.Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.Antipholus van Ephesus.Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.Dromio van Ephesus.Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen.Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû,71Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?Antipholus van Ephesus.Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?Dromio van Syracuse(van binnen).Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.Dromio van Ephesus.Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten,En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.Dromio van Syracuse(van binnen).Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.Dromio van Ephesus.En gij zijt buiten westen. Voor ’t laatst nog, laat ons binnen.Dromio van Syracuse(van binnen).Als vogels zonderveêrenzijn, en visschen zonder vinnen.Antipholus van Ephesus.Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.Dromio van Ephesus.Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier.Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,Die enk’le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.Antipholus van Ephesus.Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!Balthazar.Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,En bracht de vlekk’looze eer van uwe vrouwLicht in ’t bereik van achterdocht en laster.In ’t kort: gij kent haar lang; haar schrand’re geest,Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,Dat thans de deur voor u gesloten blijft.Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,En laat ons in den Tijger saam gaan eten;En tegen de’ avond gaat ge alleen naar huis,En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.Want tracht gij met geweld hier in te breken,Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopenEr daad’lijk dwaze praatjes door de stad,En vinden ingang bij ’t gemeene volk;En zoo wordt op uw vlekkeloozen naamEen booze smet geworpen, die blijft kleven,En na uw dood uw graf onteeren zou;Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,En blijft aan ’t groeien, waar zij wortel schoot.Antipholus van Ephesus.Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan,107En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,Vol geest, gevat,—ja vrij, maar toch ook zacht;Daar zullen we eten; ’t is een meisje, waarMijn vrouw,—doch ik bezweer u, zonder redenZich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haarGebruiken wij het maal.—Ga gij naar huis,En haal den ketting;—die is nu wel klaar;—En breng hem, bid ik, met u in den Egel;Want dat is ’t huis; dien ketting schenk ik nu,—Al waar’ het enkel om mijn vrouw te plagen,—Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.’k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,En klop nu elders aan om onderkomen.Angelo.Gij ziet mij ras daar bij u, binnen ’t uur.Antipholus van Ephesus.Ja doe dat, goed.—Die grap wordt wel wat duur.(Allen af.)Tweede Tooneel.Binnenplein in het huis vanAntipholusvan Ephesus.LucianaenAntipholusvan Syracuse komen op.Luciana.Antipholus, is ’t moog’lijk? Gij verzaaktUw plicht van echtgenoot? wat worm ontstalUw jonge liefdebloem het hart? hoe raaktUw jong geluk, bij de’ opbouw, in verval?Naamt gij mijn zuster om den wil van ’t geld,Behandel om den wil van ’t geld haar goed;Mint gij thans elders, háár zij ’t niet gemeld,Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez’,Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,Hul in het vlekk’loos kleed der deugd uw zonde;Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil’ge speelt;Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!’t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,Maar dubbel, dat gij ’t aan den disch verraadt;Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,Maar booze taal is dubbel-booze daad.O, veins slechts liefde en—ach! zoo is de vrouw!—Wij achten ’t waar; gij hebt onze’ angst gestild;Geeft gij aan and’ren de’ arm, en ons de mouw,Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;Een weinig huich’lens is een vroom bedrog.Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.Antipholus van Syracuse.Volschoone!—wat uw naam is, weet ik niet,Noch door wat wonder gij den mijnen weet;—Doch grooter wonder boeit mijn oog; het zietEen hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.Zeg, dierb’re, hoe ik denken, spreken moet;Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,Den duist’ren zin van wat uw mond daar sprak.Gij doet mij twijf’len, of ik niet verschilVan wat ik was, voert me in een tooverland;Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar:41Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.Lok niet in uwer zuster tranenmeerMij, schoone meer-elf, met verdervend lied;Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,En spreid uw haargoud op den zilv’ren vliet;Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,De dood aldus gewin is, weelde en lust;—Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink’!Luciana.Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?Antipholus van Syracuse.Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.Luciana.Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.Antipholus van Syracuse.Wijl ’t, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.Luciana.Blik waar ’t behoort, en ’t oog herwint zijn kracht.Antipholus van Syracuse.Zou ’k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?Luciana.Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster!Luciana.Uw zusters zuster!Mijne zuster!Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster! Mijne zuster!O!Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een’ge have,Mijn aardsche hemel, een’ge hemelgave!Luciana.Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.Antipholus van Syracuse.Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.U wijd ik mij, u zweer ik eeuw’ge trouw;Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;Reik mij uw hand!Luciana.Reik mij uw hand!O zwijg, heer, houd u stil!Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.(Lucianaaf.)(Dromiovan Syracuse komt haastig aangeloopen.)Antipholus van Syracuse.Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe?72Dromio van Syracuse.Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?Antipholus van Syracuse.Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.Dromio van Syracuse.Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.Antipholus van Syracuse.Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?Dromio van Syracuse.Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.Antipholus van Syracuse.Welke aanspraak maakt zij op u?Dromio van Syracuse.Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.Antipholus van Syracuse.Wat is zij voor een schepsel?Dromio van Syracuse.Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: “met verlof gezegd.” Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.Antipholus van Syracuse.Hoe zoo een vette partij?Dromio van Syracuse.Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.Antipholus van Syracuse.Hoe ziet zij er uit?Dromio van Syracuse.Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.Antipholus van Syracuse.Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.Dromio van Syracuse.Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen.109Antipholus van Syracuse.Hoe is haar naam?Dromio van Syracuse.Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: ’n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.Antipholus van Syracuse.Dus, zij is nog al breed?Dromio van Syracuse.Zij is niet hooger, dan zij breed is;zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.Antipholus van Syracuse.Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?Dromio van Syracuse.Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.Antipholus van Syracuse.Waar Schotland?Dromio van Syracuse.Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.Antipholus van Syracuse.Waar Frankrijk?Dromio van Syracuse.Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.Antipholus van Syracuse.Waar Engeland?Dromio van Syracuse.Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; dochik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.Antipholus van Syracuse.Waar Spanje?Dromio van Syracuse.Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.Antipholus van Syracuse.Waar Amerika en de beide Indiën?Dromio van Syracuse.O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.Antipholus van Syracuse.Waar liggen België en de Nederlanden?Dromio van Syracuse.O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,—noemde mij Dromio,—bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,—vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit:Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit.151Antipholus van Syracuse.Begeef u oogenblikk’lijk naar de haven,Want waait er een’ge wind van land naar zee,Dan blijf ik in deez’ stad geen nacht meer over;—Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!Is vluchten best en blijven vol gevaar.Dromio van Syracuse.Snel, als een wand’laar, voor een beer beducht,Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.(Dromiovan Syracuse af.)Antipholus van Syracuse.In deze plaats zijn enkel heksen thuis;En daarom is ’t hoog tijd van hier te gaan.Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,Onwederstaanbaar door bevalligheid,Betoov’rend door haar wezen en gesprek,Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.(Angelokomt op.)Angelo.Antipholus!Antipholus van Syracuse.Ja, ja, dat is mijn naam.Angelo.Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.Ik had hem u in de’ Egel wel gebracht,Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.Antipholus van Syracuse.En wat moet ik met dezen ketting doen?Angelo.Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt.175Antipholus van Syracuse.Voor mij gemaakt, heer? ’k Heb hem niet besteld.Angelo.Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal.Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee;Ik hoop van avond bij u aan te komenEn haal dan voor den ketting zelf het geld.Antipholus van Syracuse.Ontvang, heer, liever thans het geld, want andersZiet gij misschien noch geld noch ketting ooit.Angelo.Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!(Angeloaf.)Antipholus van Syracuse.Een vreemd geval! wat is dit nu alweer?Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die nietEen gift aanvaardt, die men zoo hoff’lijk biedt.En ik erken, hier is nog wel te leven,Als vreemden zoo maar gouden ketens geven.Doch naar de markt, en Dromio gewacht;Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.(Antipholusvan Syracuse af.)
Eerste Tooneel.Voor het huis vanAntipholusvan Ephesus.Antipholusvan Ephesus,Dromiovan Ephesus,AngeloenBalthazarkomen op.Antipholus van Ephesus.Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,En naar het maken van haar halssnoer keek,En dat gij ’t morgen thuis bezorgen zult.Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,En duizend mark in goud van hem begeerde,En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.—Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?Dromio van Ephesus.Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;Waar’ mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,’k Had een schrift’lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.Antipholus van Ephesus.Gij zijt een ezel, zie ik.15Dromio van Ephesus.Dat dacht ikzelf ook alreê,Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de’ ezel in acht.Antipholus van Ephesus.Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maalBeantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.Balthazar.Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar’ ook ’t eten schraal.Antipholus van Ephesus.Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch,Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.Balthazar.Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.Antipholus van Ephesus.Ik meer dan hoff’lijke woorden; een woord vervliegt als rook.Balthazar.Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.Antipholus van Ephesus.Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past.Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend’lijker welkomst niet.—Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan!30Dromio van Ephesus.Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!Dromio van Syracuse(van binnen).Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer!Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij ’t dozijn,Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!Dromio van Ephesus.Wat lomperd werd portier hier?—Doe open, mijn meester wacht.Dromio van Syracuse(van binnen).Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.Antipholus van Ephesus.Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.Dromio van Syracuse(van binnen).Ja heer, ’k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.Antipholus van Ephesus.Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.Dromio van Syracuse(van binnen).De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.Antipholus van Ephesus.Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?Dromio van Syracuse(van binnen).Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.Dromio van Ephesus.Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen;De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.Lucie(van binnen).Welk een leven! wie is ’t, die voor de deur hier staat?Dromio van Ephesus.Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.LucieLaat, Luus! wat vlug mijn heer in.(van binnen).Wat heer? hij komt te laat.Vertel dat uw meester.50Dromio van Ephesus.Vertel dat uw meester.Mijn god, het is te gek.Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.Lucie(van binnen).Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!Dromio van Syracuse(van binnen).Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.Antipholus van Syracuse.Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?Lucie(van binnen).Gij hebt reeds het antwoord.Dromio van SyracuseGij hebt reeds het antwoord.(van binnen).En dat was neen.Dromio van Ephesus.Wel zeker, ja, help haar; zij kan ’t niet alleen!Antipholus van Ephesus.Kom, kreng, laat mij binnen.LucieKom, kreng, laat mij binnen.(van binnen).Waarvoor? vraag ik maar.Dromio van Ephesus.Heer, bons op de deur.LucieHeer, bons op de deur.(van binnen).Ja, bons ze uit elkaâr.Antipholus van Ephesus.En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.Lucie(van binnen).Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.Adriana(van binnen).Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?Dromio van Syracuse(van binnen).Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.Antipholus van Ephesus.Zijt gij daar eind’lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.Adriana(van binnen).Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.Dromio van Ephesus.Dat “schavuit”, heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.Angelo.Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.Balthazar.Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.Dromio van Ephesus.Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.Antipholus van Ephesus.Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.Dromio van Ephesus.Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen.Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû,71Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?Antipholus van Ephesus.Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?Dromio van Syracuse(van binnen).Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.Dromio van Ephesus.Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten,En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.Dromio van Syracuse(van binnen).Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.Dromio van Ephesus.En gij zijt buiten westen. Voor ’t laatst nog, laat ons binnen.Dromio van Syracuse(van binnen).Als vogels zonderveêrenzijn, en visschen zonder vinnen.Antipholus van Ephesus.Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.Dromio van Ephesus.Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier.Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,Die enk’le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.Antipholus van Ephesus.Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!Balthazar.Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,En bracht de vlekk’looze eer van uwe vrouwLicht in ’t bereik van achterdocht en laster.In ’t kort: gij kent haar lang; haar schrand’re geest,Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,Dat thans de deur voor u gesloten blijft.Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,En laat ons in den Tijger saam gaan eten;En tegen de’ avond gaat ge alleen naar huis,En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.Want tracht gij met geweld hier in te breken,Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopenEr daad’lijk dwaze praatjes door de stad,En vinden ingang bij ’t gemeene volk;En zoo wordt op uw vlekkeloozen naamEen booze smet geworpen, die blijft kleven,En na uw dood uw graf onteeren zou;Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,En blijft aan ’t groeien, waar zij wortel schoot.Antipholus van Ephesus.Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan,107En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,Vol geest, gevat,—ja vrij, maar toch ook zacht;Daar zullen we eten; ’t is een meisje, waarMijn vrouw,—doch ik bezweer u, zonder redenZich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haarGebruiken wij het maal.—Ga gij naar huis,En haal den ketting;—die is nu wel klaar;—En breng hem, bid ik, met u in den Egel;Want dat is ’t huis; dien ketting schenk ik nu,—Al waar’ het enkel om mijn vrouw te plagen,—Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.’k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,En klop nu elders aan om onderkomen.Angelo.Gij ziet mij ras daar bij u, binnen ’t uur.Antipholus van Ephesus.Ja doe dat, goed.—Die grap wordt wel wat duur.(Allen af.)
Voor het huis vanAntipholusvan Ephesus.
Antipholusvan Ephesus,Dromiovan Ephesus,AngeloenBalthazarkomen op.
Antipholus van Ephesus.Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,En naar het maken van haar halssnoer keek,En dat gij ’t morgen thuis bezorgen zult.Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,En duizend mark in goud van hem begeerde,En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.—Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?
Antipholus van Ephesus.
Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;
Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.
Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,
En naar het maken van haar halssnoer keek,
En dat gij ’t morgen thuis bezorgen zult.
Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,
Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,
En duizend mark in goud van hem begeerde,
En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.—
Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?
Dromio van Ephesus.Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;Waar’ mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,’k Had een schrift’lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.
Dromio van Ephesus.
Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,
Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;
Waar’ mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,
’k Had een schrift’lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.
Antipholus van Ephesus.Gij zijt een ezel, zie ik.15
Antipholus van Ephesus.
Gij zijt een ezel, zie ik.15
Dromio van Ephesus.Dat dacht ikzelf ook alreê,Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de’ ezel in acht.
Dromio van Ephesus.
Dat dacht ikzelf ook alreê,
Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,
Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,
Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de’ ezel in acht.
Antipholus van Ephesus.Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maalBeantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.
Antipholus van Ephesus.
Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar, dat het maal
Beantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.
Balthazar.Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar’ ook ’t eten schraal.
Balthazar.
Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar’ ook ’t eten schraal.
Antipholus van Ephesus.Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch,Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.
Antipholus van Ephesus.
Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel liever zie ik den disch,
Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.
Balthazar.Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.
Balthazar.
Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.
Antipholus van Ephesus.Ik meer dan hoff’lijke woorden; een woord vervliegt als rook.
Antipholus van Ephesus.
Ik meer dan hoff’lijke woorden; een woord vervliegt als rook.
Balthazar.Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.
Balthazar.
Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik gaarne te gast.
Antipholus van Ephesus.Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past.Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend’lijker welkomst niet.—Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan!30
Antipholus van Ephesus.
Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een vrekkigen gastheer past.
Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;
Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend’lijker welkomst niet.—
Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan!30
Dromio van Ephesus.Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!
Dromio van Ephesus.
Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha, Jaan!
Dromio van Syracuse(van binnen).Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer!Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij ’t dozijn,Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!
Dromio van Syracuse
(van binnen).Bloed, domoor, ezel, schaapskop, lompe beer!
Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!
Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij ’t dozijn,
Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!
Dromio van Ephesus.Wat lomperd werd portier hier?—Doe open, mijn meester wacht.
Dromio van Ephesus.
Wat lomperd werd portier hier?—Doe open, mijn meester wacht.
Dromio van Syracuse(van binnen).Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Hij ga van waar hij kwam, en neem voor de koû zich in acht.
Antipholus van Ephesus.Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.
Antipholus van Ephesus.
Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat ons door.
Dromio van Syracuse(van binnen).Ja heer, ’k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Ja heer, ’k zeg u wanneer, als gij mij zegt, waarvoor.
Antipholus van Ephesus.Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.
Antipholus van Ephesus.
Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.
Dromio van Syracuse(van binnen).De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.
Dromio van Syracuse
(van binnen).De deur is dicht van daag; wacht tot gij ze open ziet.
Antipholus van Ephesus.Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?
Antipholus van Ephesus.
Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt mij daar zoo?
Dromio van Syracuse(van binnen).Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Wel, die vandaag portier is, en mijn naam is Dromio.
Dromio van Ephesus.Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen;De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.
Dromio van Ephesus.
Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het, o schurk! u beklagen;
De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.
Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,
Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.
Lucie(van binnen).Welk een leven! wie is ’t, die voor de deur hier staat?
Lucie
(van binnen).Welk een leven! wie is ’t, die voor de deur hier staat?
Dromio van Ephesus.Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.
Dromio van Ephesus.
Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.
LucieLaat, Luus! wat vlug mijn heer in.(van binnen).Wat heer? hij komt te laat.Vertel dat uw meester.50
Lucie
Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.(van binnen).Wat heer? hij komt te laat.
Vertel dat uw meester.50
Dromio van Ephesus.Vertel dat uw meester.Mijn god, het is te gek.Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.
Dromio van Ephesus.
Vertel dat uw meester.Mijn god, het is te gek.
Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.
Lucie(van binnen).Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!
Lucie
(van binnen).Des te beter, dat gij daar moet blijven, gij bloed!
Dromio van Syracuse(van binnen).Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Is Luus uw naam? wel Luus dan, dat antwoord was wel goed.
Antipholus van Syracuse.Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?
Antipholus van Syracuse.
Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch in, naar ik meen?
Lucie(van binnen).Gij hebt reeds het antwoord.
Lucie
(van binnen).Gij hebt reeds het antwoord.
Dromio van SyracuseGij hebt reeds het antwoord.(van binnen).En dat was neen.
Dromio van Syracuse
Gij hebt reeds het antwoord.(van binnen).En dat was neen.
Dromio van Ephesus.Wel zeker, ja, help haar; zij kan ’t niet alleen!
Dromio van Ephesus.
Wel zeker, ja, help haar; zij kan ’t niet alleen!
Antipholus van Ephesus.Kom, kreng, laat mij binnen.
Antipholus van Ephesus.
Kom, kreng, laat mij binnen.
LucieKom, kreng, laat mij binnen.(van binnen).Waarvoor? vraag ik maar.
Lucie
Kom, kreng, laat mij binnen.(van binnen).Waarvoor? vraag ik maar.
Dromio van Ephesus.Heer, bons op de deur.
Dromio van Ephesus.
Heer, bons op de deur.
LucieHeer, bons op de deur.(van binnen).Ja, bons ze uit elkaâr.
Lucie
Heer, bons op de deur.(van binnen).Ja, bons ze uit elkaâr.
Antipholus van Ephesus.En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.
Antipholus van Ephesus.
En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij uw loon.
Lucie(van binnen).Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.
Lucie
(van binnen).Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis ter woon.
Adriana(van binnen).Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?
Adriana
(van binnen).Wie maakt aan de deur toch dat heidensch gedruisch?
Dromio van Syracuse(van binnen).Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Op mijn eer, in uw stad is onrustig gespuis.
Antipholus van Ephesus.Zijt gij daar eind’lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.
Antipholus van Ephesus.
Zijt gij daar eind’lijk, vrouw, voorwaar, gij komt vrij laat.
Adriana(van binnen).Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.
Adriana
(van binnen).Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is mijn raad.
Dromio van Ephesus.Dat “schavuit”, heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.
Dromio van Ephesus.
Dat “schavuit”, heer, wis blijft het u bij, waar ge ook gaat.
Angelo.Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.
Angelo.
Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken ons aan.
Balthazar.Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.
Balthazar.
Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons ontgaan.
Dromio van Ephesus.Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.
Dromio van Ephesus.
Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten staan.
Antipholus van Ephesus.Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.
Antipholus van Ephesus.
Wij komen niet in de haven; de wind is ons hier tegen.
Dromio van Ephesus.Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen.Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû,71Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?
Dromio van Ephesus.
Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in den regen.
Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû,71
Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?
Antipholus van Ephesus.Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?
Antipholus van Ephesus.
Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt ons geklop?
Dromio van Syracuse(van binnen).Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Breek in, als gij durft, en ik breek u uw schurkenkop.
Dromio van Ephesus.Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten,En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.
Dromio van Ephesus.
Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen wel stuiten,
En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.
Dromio van Syracuse(van binnen).Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Eer breekt ge uw woord dan de deur; gij gaat u in woorden te buiten.
Dromio van Ephesus.En gij zijt buiten westen. Voor ’t laatst nog, laat ons binnen.
Dromio van Ephesus.
En gij zijt buiten westen. Voor ’t laatst nog, laat ons binnen.
Dromio van Syracuse(van binnen).Als vogels zonderveêrenzijn, en visschen zonder vinnen.
Dromio van Syracuse
(van binnen).Als vogels zonderveêrenzijn, en visschen zonder vinnen.
Antipholus van Ephesus.Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.
Antipholus van Ephesus.
Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een koevoet hier.
Dromio van Ephesus.Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier.Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,Die enk’le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.
Dromio van Ephesus.
Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker dan een stier.
Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,
Die enk’le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.
Antipholus van Ephesus.Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!
Antipholus van Ephesus.
Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!
Balthazar.Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,En bracht de vlekk’looze eer van uwe vrouwLicht in ’t bereik van achterdocht en laster.In ’t kort: gij kent haar lang; haar schrand’re geest,Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,Dat thans de deur voor u gesloten blijft.Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,En laat ons in den Tijger saam gaan eten;En tegen de’ avond gaat ge alleen naar huis,En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.Want tracht gij met geweld hier in te breken,Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopenEr daad’lijk dwaze praatjes door de stad,En vinden ingang bij ’t gemeene volk;En zoo wordt op uw vlekkeloozen naamEen booze smet geworpen, die blijft kleven,En na uw dood uw graf onteeren zou;Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,En blijft aan ’t groeien, waar zij wortel schoot.
Balthazar.
Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!
Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,
En bracht de vlekk’looze eer van uwe vrouw
Licht in ’t bereik van achterdocht en laster.
In ’t kort: gij kent haar lang; haar schrand’re geest,
Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,
Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;
En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,
Dat thans de deur voor u gesloten blijft.
Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,
En laat ons in den Tijger saam gaan eten;
En tegen de’ avond gaat ge alleen naar huis,
En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.
Want tracht gij met geweld hier in te breken,
Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopen
Er daad’lijk dwaze praatjes door de stad,
En vinden ingang bij ’t gemeene volk;
En zoo wordt op uw vlekkeloozen naam
Een booze smet geworpen, die blijft kleven,
En na uw dood uw graf onteeren zou;
Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,
En blijft aan ’t groeien, waar zij wortel schoot.
Antipholus van Ephesus.Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan,107En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,Vol geest, gevat,—ja vrij, maar toch ook zacht;Daar zullen we eten; ’t is een meisje, waarMijn vrouw,—doch ik bezweer u, zonder redenZich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haarGebruiken wij het maal.—Ga gij naar huis,En haal den ketting;—die is nu wel klaar;—En breng hem, bid ik, met u in den Egel;Want dat is ’t huis; dien ketting schenk ik nu,—Al waar’ het enkel om mijn vrouw te plagen,—Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.’k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,En klop nu elders aan om onderkomen.
Antipholus van Ephesus.
Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan,107
En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.
Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,
Vol geest, gevat,—ja vrij, maar toch ook zacht;
Daar zullen we eten; ’t is een meisje, waar
Mijn vrouw,—doch ik bezweer u, zonder reden
Zich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haar
Gebruiken wij het maal.—Ga gij naar huis,
En haal den ketting;—die is nu wel klaar;—
En breng hem, bid ik, met u in den Egel;
Want dat is ’t huis; dien ketting schenk ik nu,—
Al waar’ het enkel om mijn vrouw te plagen,—
Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.
’k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,
En klop nu elders aan om onderkomen.
Angelo.Gij ziet mij ras daar bij u, binnen ’t uur.
Angelo.
Gij ziet mij ras daar bij u, binnen ’t uur.
Antipholus van Ephesus.Ja doe dat, goed.—Die grap wordt wel wat duur.
Antipholus van Ephesus.
Ja doe dat, goed.—Die grap wordt wel wat duur.
(Allen af.)
Tweede Tooneel.Binnenplein in het huis vanAntipholusvan Ephesus.LucianaenAntipholusvan Syracuse komen op.Luciana.Antipholus, is ’t moog’lijk? Gij verzaaktUw plicht van echtgenoot? wat worm ontstalUw jonge liefdebloem het hart? hoe raaktUw jong geluk, bij de’ opbouw, in verval?Naamt gij mijn zuster om den wil van ’t geld,Behandel om den wil van ’t geld haar goed;Mint gij thans elders, háár zij ’t niet gemeld,Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez’,Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,Hul in het vlekk’loos kleed der deugd uw zonde;Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil’ge speelt;Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!’t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,Maar dubbel, dat gij ’t aan den disch verraadt;Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,Maar booze taal is dubbel-booze daad.O, veins slechts liefde en—ach! zoo is de vrouw!—Wij achten ’t waar; gij hebt onze’ angst gestild;Geeft gij aan and’ren de’ arm, en ons de mouw,Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;Een weinig huich’lens is een vroom bedrog.Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.Antipholus van Syracuse.Volschoone!—wat uw naam is, weet ik niet,Noch door wat wonder gij den mijnen weet;—Doch grooter wonder boeit mijn oog; het zietEen hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.Zeg, dierb’re, hoe ik denken, spreken moet;Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,Den duist’ren zin van wat uw mond daar sprak.Gij doet mij twijf’len, of ik niet verschilVan wat ik was, voert me in een tooverland;Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar:41Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.Lok niet in uwer zuster tranenmeerMij, schoone meer-elf, met verdervend lied;Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,En spreid uw haargoud op den zilv’ren vliet;Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,De dood aldus gewin is, weelde en lust;—Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink’!Luciana.Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?Antipholus van Syracuse.Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.Luciana.Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.Antipholus van Syracuse.Wijl ’t, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.Luciana.Blik waar ’t behoort, en ’t oog herwint zijn kracht.Antipholus van Syracuse.Zou ’k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?Luciana.Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster!Luciana.Uw zusters zuster!Mijne zuster!Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster! Mijne zuster!O!Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een’ge have,Mijn aardsche hemel, een’ge hemelgave!Luciana.Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.Antipholus van Syracuse.Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.U wijd ik mij, u zweer ik eeuw’ge trouw;Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;Reik mij uw hand!Luciana.Reik mij uw hand!O zwijg, heer, houd u stil!Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.(Lucianaaf.)(Dromiovan Syracuse komt haastig aangeloopen.)Antipholus van Syracuse.Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe?72Dromio van Syracuse.Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?Antipholus van Syracuse.Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.Dromio van Syracuse.Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.Antipholus van Syracuse.Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?Dromio van Syracuse.Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.Antipholus van Syracuse.Welke aanspraak maakt zij op u?Dromio van Syracuse.Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.Antipholus van Syracuse.Wat is zij voor een schepsel?Dromio van Syracuse.Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: “met verlof gezegd.” Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.Antipholus van Syracuse.Hoe zoo een vette partij?Dromio van Syracuse.Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.Antipholus van Syracuse.Hoe ziet zij er uit?Dromio van Syracuse.Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.Antipholus van Syracuse.Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.Dromio van Syracuse.Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen.109Antipholus van Syracuse.Hoe is haar naam?Dromio van Syracuse.Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: ’n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.Antipholus van Syracuse.Dus, zij is nog al breed?Dromio van Syracuse.Zij is niet hooger, dan zij breed is;zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.Antipholus van Syracuse.Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?Dromio van Syracuse.Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.Antipholus van Syracuse.Waar Schotland?Dromio van Syracuse.Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.Antipholus van Syracuse.Waar Frankrijk?Dromio van Syracuse.Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.Antipholus van Syracuse.Waar Engeland?Dromio van Syracuse.Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; dochik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.Antipholus van Syracuse.Waar Spanje?Dromio van Syracuse.Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.Antipholus van Syracuse.Waar Amerika en de beide Indiën?Dromio van Syracuse.O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.Antipholus van Syracuse.Waar liggen België en de Nederlanden?Dromio van Syracuse.O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,—noemde mij Dromio,—bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,—vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit:Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit.151Antipholus van Syracuse.Begeef u oogenblikk’lijk naar de haven,Want waait er een’ge wind van land naar zee,Dan blijf ik in deez’ stad geen nacht meer over;—Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!Is vluchten best en blijven vol gevaar.Dromio van Syracuse.Snel, als een wand’laar, voor een beer beducht,Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.(Dromiovan Syracuse af.)Antipholus van Syracuse.In deze plaats zijn enkel heksen thuis;En daarom is ’t hoog tijd van hier te gaan.Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,Onwederstaanbaar door bevalligheid,Betoov’rend door haar wezen en gesprek,Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.(Angelokomt op.)Angelo.Antipholus!Antipholus van Syracuse.Ja, ja, dat is mijn naam.Angelo.Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.Ik had hem u in de’ Egel wel gebracht,Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.Antipholus van Syracuse.En wat moet ik met dezen ketting doen?Angelo.Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt.175Antipholus van Syracuse.Voor mij gemaakt, heer? ’k Heb hem niet besteld.Angelo.Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal.Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee;Ik hoop van avond bij u aan te komenEn haal dan voor den ketting zelf het geld.Antipholus van Syracuse.Ontvang, heer, liever thans het geld, want andersZiet gij misschien noch geld noch ketting ooit.Angelo.Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!(Angeloaf.)Antipholus van Syracuse.Een vreemd geval! wat is dit nu alweer?Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die nietEen gift aanvaardt, die men zoo hoff’lijk biedt.En ik erken, hier is nog wel te leven,Als vreemden zoo maar gouden ketens geven.Doch naar de markt, en Dromio gewacht;Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.(Antipholusvan Syracuse af.)
Binnenplein in het huis vanAntipholusvan Ephesus.
LucianaenAntipholusvan Syracuse komen op.
Luciana.Antipholus, is ’t moog’lijk? Gij verzaaktUw plicht van echtgenoot? wat worm ontstalUw jonge liefdebloem het hart? hoe raaktUw jong geluk, bij de’ opbouw, in verval?Naamt gij mijn zuster om den wil van ’t geld,Behandel om den wil van ’t geld haar goed;Mint gij thans elders, háár zij ’t niet gemeld,Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez’,Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,Hul in het vlekk’loos kleed der deugd uw zonde;Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil’ge speelt;Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!’t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,Maar dubbel, dat gij ’t aan den disch verraadt;Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,Maar booze taal is dubbel-booze daad.O, veins slechts liefde en—ach! zoo is de vrouw!—Wij achten ’t waar; gij hebt onze’ angst gestild;Geeft gij aan and’ren de’ arm, en ons de mouw,Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;Een weinig huich’lens is een vroom bedrog.Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.
Luciana.
Antipholus, is ’t moog’lijk? Gij verzaakt
Uw plicht van echtgenoot? wat worm ontstal
Uw jonge liefdebloem het hart? hoe raakt
Uw jong geluk, bij de’ opbouw, in verval?
Naamt gij mijn zuster om den wil van ’t geld,
Behandel om den wil van ’t geld haar goed;
Mint gij thans elders, háár zij ’t niet gemeld,
Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;
Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez’,
Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;
Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,
Hul in het vlekk’loos kleed der deugd uw zonde;
Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;
Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil’ge speelt;
Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?
Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!
’t Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,
Maar dubbel, dat gij ’t aan den disch verraadt;
Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,
Maar booze taal is dubbel-booze daad.
O, veins slechts liefde en—ach! zoo is de vrouw!—
Wij achten ’t waar; gij hebt onze’ angst gestild;
Geeft gij aan and’ren de’ arm, en ons de mouw,
Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.
Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!
Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;
Een weinig huich’lens is een vroom bedrog.
Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.
Antipholus van Syracuse.Volschoone!—wat uw naam is, weet ik niet,Noch door wat wonder gij den mijnen weet;—Doch grooter wonder boeit mijn oog; het zietEen hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.Zeg, dierb’re, hoe ik denken, spreken moet;Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,Den duist’ren zin van wat uw mond daar sprak.Gij doet mij twijf’len, of ik niet verschilVan wat ik was, voert me in een tooverland;Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar:41Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.Lok niet in uwer zuster tranenmeerMij, schoone meer-elf, met verdervend lied;Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,En spreid uw haargoud op den zilv’ren vliet;Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,De dood aldus gewin is, weelde en lust;—Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink’!
Antipholus van Syracuse.
Volschoone!—wat uw naam is, weet ik niet,
Noch door wat wonder gij den mijnen weet;—
Doch grooter wonder boeit mijn oog; het ziet
Een hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.
Zeg, dierb’re, hoe ik denken, spreken moet;
Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,
Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,
Den duist’ren zin van wat uw mond daar sprak.
Gij doet mij twijf’len, of ik niet verschil
Van wat ik was, voert me in een tooverland;
Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?
Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.
Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar:41
Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;
Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,
Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.
Lok niet in uwer zuster tranenmeer
Mij, schoone meer-elf, met verdervend lied;
Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,
En spreid uw haargoud op den zilv’ren vliet;
Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,
En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,
De dood aldus gewin is, weelde en lust;—
Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink’!
Luciana.Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?
Luciana.
Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?
Antipholus van Syracuse.Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.
Antipholus van Syracuse.
Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet niet recht.
Luciana.Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.
Luciana.
Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.
Antipholus van Syracuse.Wijl ’t, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.
Antipholus van Syracuse.
Wijl ’t, schoone zon! gestaard heeft in uw stralen.
Luciana.Blik waar ’t behoort, en ’t oog herwint zijn kracht.
Luciana.
Blik waar ’t behoort, en ’t oog herwint zijn kracht.
Antipholus van Syracuse.Zou ’k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?
Antipholus van Syracuse.
Zou ’k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?
Luciana.Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.
Luciana.
Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.
Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster!
Antipholus van Syracuse.
Uw zusters zuster!
Luciana.Uw zusters zuster!Mijne zuster!
Luciana.
Uw zusters zuster!Mijne zuster!
Antipholus van Syracuse.Uw zusters zuster! Mijne zuster!O!Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een’ge have,Mijn aardsche hemel, een’ge hemelgave!
Antipholus van Syracuse.
Uw zusters zuster! Mijne zuster!O!
Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,
Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,
Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een’ge have,
Mijn aardsche hemel, een’ge hemelgave!
Luciana.Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.
Luciana.
Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.
Antipholus van Syracuse.Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.U wijd ik mij, u zweer ik eeuw’ge trouw;Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;Reik mij uw hand!
Antipholus van Syracuse.
Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.
U wijd ik mij, u zweer ik eeuw’ge trouw;
Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;
Reik mij uw hand!
Luciana.Reik mij uw hand!O zwijg, heer, houd u stil!Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.
Luciana.
Reik mij uw hand!O zwijg, heer, houd u stil!
Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.
(Lucianaaf.)
(Dromiovan Syracuse komt haastig aangeloopen.)
Antipholus van Syracuse.Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe?72
Antipholus van Syracuse.
Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe?72
Dromio van Syracuse.Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?
Dromio van Syracuse.
Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw slaaf? ben ik mijzelf?
Antipholus van Syracuse.Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.
Antipholus van Syracuse.
Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij zijt uzelf.
Dromio van Syracuse.Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.
Dromio van Syracuse.
Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw; ik ben niet mijzelf.
Antipholus van Syracuse.Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?
Antipholus van Syracuse.
Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?
Dromio van Syracuse.Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.
Dromio van Syracuse.
Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij wil hebben.
Antipholus van Syracuse.Welke aanspraak maakt zij op u?
Antipholus van Syracuse.
Welke aanspraak maakt zij op u?
Dromio van Syracuse.Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.
Dromio van Syracuse.
Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.
Antipholus van Syracuse.Wat is zij voor een schepsel?
Antipholus van Syracuse.
Wat is zij voor een schepsel?
Dromio van Syracuse.Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: “met verlof gezegd.” Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.
Dromio van Syracuse.
Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een, waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: “met verlof gezegd.” Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is zij een verwonderlijk vette partij.
Antipholus van Syracuse.Hoe zoo een vette partij?
Antipholus van Syracuse.
Hoe zoo een vette partij?
Dromio van Syracuse.Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.
Dromio van Syracuse.
Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen, dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag, brandt zij een week langer dan de heele wereld.
Antipholus van Syracuse.Hoe ziet zij er uit?
Antipholus van Syracuse.
Hoe ziet zij er uit?
Dromio van Syracuse.Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.
Dromio van Syracuse.
Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.
Antipholus van Syracuse.Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.
Antipholus van Syracuse.
Dat is een gebrek, dat met water te verbeteren is.
Dromio van Syracuse.Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen.109
Dromio van Syracuse.
Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd; geen zondvloed zou het kunnen doen.109
Antipholus van Syracuse.Hoe is haar naam?
Antipholus van Syracuse.
Hoe is haar naam?
Dromio van Syracuse.Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: ’n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.
Dromio van Syracuse.
Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is: ’n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.
Antipholus van Syracuse.Dus, zij is nog al breed?
Antipholus van Syracuse.
Dus, zij is nog al breed?
Dromio van Syracuse.Zij is niet hooger, dan zij breed is;zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.
Dromio van Syracuse.
Zij is niet hooger, dan zij breed is;zij is een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.
Antipholus van Syracuse.Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?
Antipholus van Syracuse.
Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?
Dromio van Syracuse.Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.
Dromio van Syracuse.
Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan de moerassen.
Antipholus van Syracuse.Waar Schotland?
Antipholus van Syracuse.
Waar Schotland?
Dromio van Syracuse.Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.
Dromio van Syracuse.
Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden in de holte van haar hand.
Antipholus van Syracuse.Waar Frankrijk?
Antipholus van Syracuse.
Waar Frankrijk?
Dromio van Syracuse.Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.
Dromio van Syracuse.
Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand tegen zijn hoofd.
Antipholus van Syracuse.Waar Engeland?
Antipholus van Syracuse.
Waar Engeland?
Dromio van Syracuse.Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; dochik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.
Dromio van Syracuse.
Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets wits vinden; dochik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten stroom tusschen haar kin en Frankrijk.
Antipholus van Syracuse.Waar Spanje?
Antipholus van Syracuse.
Waar Spanje?
Dromio van Syracuse.Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.
Dromio van Syracuse.
Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de hitte er van in haar adem.
Antipholus van Syracuse.Waar Amerika en de beide Indiën?
Antipholus van Syracuse.
Waar Amerika en de beide Indiën?
Dromio van Syracuse.O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.
Dromio van Syracuse.
O heer, op haar neus, die over en over met robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond, om aan haar neus lading in te nemen.
Antipholus van Syracuse.Waar liggen België en de Nederlanden?
Antipholus van Syracuse.
Waar liggen België en de Nederlanden?
Dromio van Syracuse.O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,—noemde mij Dromio,—bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,—vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.
Dromio van Syracuse.
O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,—noemde mij Dromio,—bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,—vertelde mij, welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als voor een heks.
En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit:Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit.151
En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo weet dit:
Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het spit.151
Antipholus van Syracuse.Begeef u oogenblikk’lijk naar de haven,Want waait er een’ge wind van land naar zee,Dan blijf ik in deez’ stad geen nacht meer over;—Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!Is vluchten best en blijven vol gevaar.
Antipholus van Syracuse.
Begeef u oogenblikk’lijk naar de haven,
Want waait er een’ge wind van land naar zee,
Dan blijf ik in deez’ stad geen nacht meer over;—
Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;
Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.
Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!
Is vluchten best en blijven vol gevaar.
Dromio van Syracuse.Snel, als een wand’laar, voor een beer beducht,Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.
Dromio van Syracuse.
Snel, als een wand’laar, voor een beer beducht,
Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.
(Dromiovan Syracuse af.)
Antipholus van Syracuse.In deze plaats zijn enkel heksen thuis;En daarom is ’t hoog tijd van hier te gaan.Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,Onwederstaanbaar door bevalligheid,Betoov’rend door haar wezen en gesprek,Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.
Antipholus van Syracuse.
In deze plaats zijn enkel heksen thuis;
En daarom is ’t hoog tijd van hier te gaan.
Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,
Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,
Onwederstaanbaar door bevalligheid,
Betoov’rend door haar wezen en gesprek,
Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.
Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,
Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.
(Angelokomt op.)
Angelo.Antipholus!
Angelo.
Antipholus!
Antipholus van Syracuse.Ja, ja, dat is mijn naam.
Antipholus van Syracuse.
Ja, ja, dat is mijn naam.
Angelo.Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.Ik had hem u in de’ Egel wel gebracht,Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.
Angelo.
Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.
Ik had hem u in de’ Egel wel gebracht,
Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.
Antipholus van Syracuse.En wat moet ik met dezen ketting doen?
Antipholus van Syracuse.
En wat moet ik met dezen ketting doen?
Angelo.Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt.175
Angelo.
Heer, wat gij wilt; hij is voor u gemaakt.175
Antipholus van Syracuse.Voor mij gemaakt, heer? ’k Heb hem niet besteld.
Antipholus van Syracuse.
Voor mij gemaakt, heer? ’k Heb hem niet besteld.
Angelo.Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal.Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee;Ik hoop van avond bij u aan te komenEn haal dan voor den ketting zelf het geld.
Angelo.
Niet eens of twee keer, maar wel twintigmaal.
Ga, neem hem, en verras uw vrouw er mee;
Ik hoop van avond bij u aan te komen
En haal dan voor den ketting zelf het geld.
Antipholus van Syracuse.Ontvang, heer, liever thans het geld, want andersZiet gij misschien noch geld noch ketting ooit.
Antipholus van Syracuse.
Ontvang, heer, liever thans het geld, want anders
Ziet gij misschien noch geld noch ketting ooit.
Angelo.Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!
Angelo.
Gij drijft den spot er mee. Tot weerziens, heer!
(Angeloaf.)
Antipholus van Syracuse.Een vreemd geval! wat is dit nu alweer?Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die nietEen gift aanvaardt, die men zoo hoff’lijk biedt.En ik erken, hier is nog wel te leven,Als vreemden zoo maar gouden ketens geven.Doch naar de markt, en Dromio gewacht;Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.
Antipholus van Syracuse.
Een vreemd geval! wat is dit nu alweer?
Dit weet ik slechts: geen mensch zoo dwaas, die niet
Een gift aanvaardt, die men zoo hoff’lijk biedt.
En ik erken, hier is nog wel te leven,
Als vreemden zoo maar gouden ketens geven.
Doch naar de markt, en Dromio gewacht;
Want zeilt een schip, dan reis ik voor de nacht.
(Antipholusvan Syracuse af.)
Vierde Bedrijf.Eerste Tooneel.Een open plein.Een Koopman,Angeloen een Gerechtsdienaar komen op.Koopman.Gij weet, met Pinkst’ren was de som verschuldigd,En sedert drong ik niet bijzonder aan,En zou het nog niet doen, maar ’k moet op reisNaar Perzië, waartoe ik geld behoef.Gelief mij dus onmidd’lijk te betalen,Of deze man voert u ter gijz’ling heen.Angelo.Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,Heb ik te vord’ren van Antipholus.Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ikAan hem een keten overhandigd, enTe vijf uur zou ik daar het geld voor innen.Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Gerechtsdienaar.Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.Antipholus vanEphesus.Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,Mij een eind touw, want dat heb ik bestemdVoor mijne vrouw en die haar helpers warenOm op den dag mij buitenshuis te sluiten.Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,En koop het touw en breng ’t mij thuis.Dromio van Ephesus.Dat is20Wel duizend ponden ’s jaars mij waard! een touw!(Dromiovan Ephesus af.)Antipholus van Ephesus.Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zijWerd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?Angelo.Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,Hoeveel uw ketting weegt, tot op ’t karaat,’t Gehalte van het goud, en ’t duur fatsoen;Het is zoo omtrent drie dukaten meer,Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moetRas onder zeil en wacht op niets dan dit.Antipholus van Ephesus.Ik heb op ’t oogenblik het geld niet bij mij,En heb ook in de stad nog iets te doen.Breng, beste heer, den vreemd’ling naar mijn huis,En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,Dat zij die in ontvangst neem’ en voldoe.Misschien ben ik er even vroeg als gij.39Angelo.Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?Antipholus van Ephesus.Neen, doe gij ’t maar; ik mocht mij eens verlaten.Angelo.Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?Antipholus van Ephesus.Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;Want anders gaat gij zonder geld naar huis.Angelo.Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;De koopman wordt gewacht door wind en tij,En ’k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.Antipholus van Ephesus.Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp’len,Dat gij mij in den Egel zitten liet.Het was aan mij u daarom hard te vallen,Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.Koopman.De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!Angelo.Gij hoort, hoe hij mij dringt;—de keten, heer!Antipholus van Ephesus.Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.Angelo.Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zendDe keten, of geef een bewijs mij mee.56Antipholus van Ephesus.O foei, dat is geen scherts meer; ’t gaat te ver;Waar is de ketting? ’k Bid u, toon hem mij.Koopman.Mijn zaken dulden die vertraging niet.Spreek, heer, hoe is ’t? betaalt gij mij of niet?Zoo niet, dan neem’ die dienaar hem gevangen.Antipholus van Ephesus.Ik u betalen? wat zou ik betalen?Angelo.Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.Antipholus van Ephesus.Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.Angelo.Ik heb ze voor een half uur u gegeven.Antipholus van Ephesus.Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij ’t zegt.Angelo.Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij ’t ontkent.Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.Koopman.Neem, dienaar, hem in hecht’nis op mijn klacht.Gerechtsdienaar.Ik geef gehoor.—In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.Angelo.Dit komt mijn goeden naam te na.—Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz’ling.Antipholus van Ephesus.Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?Neem mij in hecht’nis, schaapskop, als gij durft.Angelo.Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.—Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hijMij zoo in ’t openbaar te schande maakte.Gerechtsdienaar.’k Neem u in hecht’nis, heer. Gij hoort de klacht.Antipholus van Ephesus.Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.—Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.Angelo.Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,Dat u beschamen zal; ik ben gerust.83(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Er is een schip van Epidamnum, heer,Dat enkel op de komst des reeders wacht,Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,Heb ik aan boord gebracht en ’k heb ook de olie,Den balsem, deaqua vitaeaangekocht.Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,Dan op den eig’naar, meester, en op u.Antipholus van Ephesus.Weer een bezeet’ne! welk een schip, gij schaapskop,Van Epidamnum wacht alleen op mij?Dromio van Syracuse.Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.Antipholus van Ephesus.Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen;En ’k zeide u ook waarom en tot wat einde.Dromio van Ephesus.Een touw, heer? dan toch met een schip aan ’t eind?Gij zondt mij naar de haven, om een schip.Antipholus van Ephesus.Ik doe die zaak wel nader met u af,En leer uw ooren beter acht te geven.Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,En deel haar mee, dat ik op straat in hecht’nisGenomen ben en borg wil stellen. Vlug!—’k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.(De Koopman,Angelo,Gerechtsdienaars enAntipholusvan Ephesus af.)Dromio van Syracuse.Naar Adriana? dat is waar wij aten,Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!Ze is al te dik, naar ’k hoop, voor mijn omarming.Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;Een meester heeft een wil, een dienaar geen.(Dromiovan Syracuse af.)Tweede Tooneel.Binnenhof in het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd?Gelooft gij, dat hij ’t waarlijk meende? spreek!Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagtGe er leed of vreugd in? was hij rood of bleek?En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht,Ook strijd des harten op zijn aangezicht?Luciana.Hij zwoer: gij hadt op hem in ’t minst geen recht.Adriana.Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.Luciana.Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd’ling wist.Adriana.Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is ’t.Luciana.Toen nam ik uw partij.Adriana.En wat deed hij?11Luciana.Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.Adriana.En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?Luciana.Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,—Adriana.Spraakt gij zoo lief?Luciana.O stil toch! welk een gloed!Adriana.Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;Nu hebb’, zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!Hij is verdraaid, krombeenig, rimp’lig, oud,Van top tot teen een monster, hartloos, koud,Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,Misvormd naar ’t lijf, maar naar den geest nog meer.Luciana.En plaagt u ijverzucht om zulk een man?Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?Adriana.O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;Als and’rer oog hem maar zoo haatlijk vond!De kievit schreeuwt, is hij van ’t nest ver weg;Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!Luciana.Waarom zoo buiten adem?Dromio van Syracuse.Waarom zoo buiten adem?Is dat loopen!Adriana.Waar is uw meester, Dromio? Is ’t hem wel?Dromio van Syracuse.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel!Hem heeft een duivel beet, in eeuw’gen dos,Een man, wiens hart met staal benageld is;Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,Zoo’n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt;37En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;Een hond op ’t valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,En arme zielen, vóór ’t gericht, ter helle sleurt.Adriana.Spreek, man, ’k begrijp u niet.Dromio van Syracuse.En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.Adriana.Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?Dromio van Syracuse.’k Weet niet, op welke klacht hij in hecht’nis is gebracht,Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?Adriana.Ga ’t halen, zuster.(Lucianaaf.)—’k Sta verwonderd, datMijn man zoo iets als stille schulden had.—Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?Dromio van Syracuse.Niet om papier, maar om een sterker ding;Een keten, keten was ’t! Wat hoor ik, kling ling ling!Adriana.Hoort gij de keten daar?Dromio van Syracuse.Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;’t Was twee, toen ’k hem verliet, en ’k hoor het één daar slaan.Adriana.Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!Dromio van Syracuse.Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.Adriana.Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde ’t ooit?Dromio van Syracuse.Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op ’t uur betalen nooit.En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?(Lucianakomt terug, met een beurs.)Adriana.Hier, Dromio, breng hem ’t geld, en vlug! met spoed!En kom terstond toch met uw meester thuis.—Ach, zuster, ’k weet niet, wat ik denken moet;Nu geeft mij ’t denken troost, dan is ’t mijn kruis.(Allen af.)Derde Tooneel.Een open plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Ik kom geen sterv’ling tegen of hij groet mij,Als ware ik hun een welbekende vriend;Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;Daar even riep een snijder me in zijn winkel,En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,En nam meteen mij ongevraagd de maat.Geen twijfel, ’t moeten droomgezichten zijn,En Laplands heksenmeesters huizen hier.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.—Maar waar hebt gij dat evenbeeld vanden ouden Adam in zijn nieuw gewaadgelaten?Antipholus van Syracuse.Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?Dromio van Syracuse.Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.Antipholus van Syracuse.Mensch, ik versta u niet.Dromio van Syracuse.Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft,dan een Moor met zijn piek.Antipholus van Syracuse.Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?Dromio van Syracuse.Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: “Blijf maar zitten!”Antipholus van Syracuse.Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?Dromio van Syracuse.Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik “Voorwaarts” van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge “Rustuit”. Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden.41Antipholus van Syracuse.De kerel is verbijsterd, maar ik ook;Van de eene dwaling komen wij in de and’re;Een goede geest help’ veilig ons van hier!(Een Courtisane komt op.)Courtisane.Getroffen, heer Antipholus, getroffen!Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;Is dat de keten, heden mij beloofd?Antipholus van Syracuse.Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.Dromio van Syracuse.Meester, is dit mejuffer Satan?Antipholus van Syracuse.Het is de duivel.Dromio van Syracuse.Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: “De Duivel hale mij”, dit zooveel wil zeggen als: “Ik zou een lichte deerne willen zijn”. Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.Courtisane.U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.Gaat gij weer mee? Ook ’t avondmaal is goed.Dromio van Syracuse.Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.Antipholus van Syracuse.Waarom, Dromio?Dromio van Syracuse.Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.Antipholus van Syracuse.Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt,Zooals gij allen zijt, een tooverkol;Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!Courtisane.Geef dan den ring, dien ik aan ’t maal u gaf,Of wel de keten, die gij hebt beloofd;Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.Dromio van Syracuse.Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,Een noot, een kersepit,Die daar wat meer, een gouden keten, ja!Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammeltDe duivel ons er schrik mee op het lijf.Courtisane.Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;’k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.Antipholus van Syracuse.Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.Dromio van Syracuse.“Nooit ijdel”, zei de pauw; die les is niet van stroo.81(AntipholusenDromiovan Syracuse af.)Courtisane.Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;Want anders stelde hij zich zoo niet aan.Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,Heeft hij een gouden keten mij beloofd,En nu ontkent hij mij èn ’t een èn ’t ander.Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleenDoor dit bewijs van dolle drift, maar ookDoor ’t dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.Gewis zijn haar zijn vlagen welbekendEn hield zij daarom ’t huis voor hem gesloten.Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dolMijn woning binnendrong en met geweldDen ring me ontnam. Ja, die manier is goed;Veertig dukaten waar’ te groot bankroet.(De Courtisane af.)De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.Vierde Tooneel.Op dezelfde plaats.Antipholusvan Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.Antipholus van Ephesus.Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;Maar geef u, eer ik van u ga, de som,Waarvoor gij mij in hecht’nis hebt genomen.Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,En schenkt misschien mijn bode geen geloof.Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,Geloof mij, ’t zal haar schril in de ooren klinken.(Dromiovan Ephesus komt op, met een eind touw.)Daar komt mijn dienaar, denk’lijk met het geld.—Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?Dromio van Ephesus.Zie maar, genoeg om allen te betalen.Antipholus van Ephesus.Maar waar is ’t geld?Dromio van Ephesus.Wel, heer ’k heb met het geld het touw betaald.Antipholus van Ephesus.Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?Dromio van Ephesus.Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.Antipholus van Ephesus.Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?Dromio van Ephesus.Om een eind touw, en ’k breng dat eind u hier.17Antipholus van Ephesus.Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.(Hij slaat hem.)Gerechtsdienaar.Geduld, mijn waarde heer, geduld.Dromio van Ephesus.Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.Gerechtsdienaar.Kom aan, hou je mond.Dromio van Ephesus.Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.Antipholus van Ephesus.Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!Dromio van Ephesus.Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.Antipholus van Ephesus.Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.Dromio van Ephesus.Ja, ik ben een ezel, inderdaad; ’t is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.—Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.Antipholus van Ephesus.Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.(Adriana,Luciana,de Courtisane enKnijpkomen op.)Dromio van Ephesus.Meesteres, “Respice finem”, denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: “Pas op voor het eindje touw!”Antipholus van Ephesus.Maakt gij nog praatjes?(Hij slaat hem.)Courtisane.Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?Adriana.Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,En wat gij vordert, zal ik u betalen.Luciana.Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond!53Courtisane.Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!Knijp.Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.Antipholus van Ephesus.Hier is mijn hand en dat uw oor die voel’!(Hij geeft hem een oorveeg.)Knijp.Gij satan, die in dezen mensche huist,Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,En spoed u heen naar ’t rijk der duisternis;Bij alle heil’gen, geef gehoor, ik ban u!Antipholus van Ephesus.Zwijg, suffe toov’naar, zwijg, ik ben niet dol.Adriana.Ach, waar’ dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!Antipholus van Ephesus.Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!Deed die snaak daar met dat saffraangezichtVandaag in mijne woning zich te goed,Terwijl de deur u helersdiensten deedEn mij den toegang tot mijn huis ontzeide?Adriana.O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!Antipholus van Ephesus.Te huis gegeten!—Vlegel, wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Te huis gegeten!—heer, neen, waarlijk niet.Antipholus van Ephesus.En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?Dromio van Ephesus.Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.Antipholus van Ephesus.En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?Dromio van Ephesus.In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.Antipholus van Ephesus.En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?Dromio van Ephesus.Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.Antipholus van Ephesus.En ging ik niet in dolle woede weg?Dromio van Ephesus.Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;Die heeft uw dolle woede wel gevoeld.81Adriana.Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?Knijp.Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.Antipholus van Ephesus.Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz’len!Adriana.Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,Door Dromio hier, die ’t ijlings hebben moest.Dromio van Ephesus.Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.Antipholus van Ephesus.Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?Adriana.Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.Luciana.Ik kan getuigen, dat zij ’t goud hem gaf.Dromio van Ephesus.God en de touwverkooper zijn getuigen:Niets anders moest ik halen dan een touw.Knijp.Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!Men boeie en breng’ hen in een donk’re cel.Antipholus van Ephesus(totAdriana).Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur?(TotDromio.)En waarom loochent gij de beurs met goud?Adriana.Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.Dromio van Ephesus.En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.Adriana.Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.Antipholus van Ephesus.Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles;En zijt het met vervloekte schoeljes eens,Om hoon en smaad te staap’len op mijn hoofd;Maar ’k rijt u met mijn nagels de oogen uit,Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.Adriana.O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!Knijp.Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.Luciana.Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!(Drie of vier Helpers komen op, omAntipholusvan Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)Antipholus van Ephesus.Wat! legt gij ’t op mijn leven toe? Gij rakker,’k Ben uw gevang’ne; duldt gij, dat zij mijAan u ontrukken?114Gerechtsdienaar.Mannen, laat hem los;’t Is mijn gevang’ne; gij blijft van hem af.Knijp.Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.(Zij trachten ookDromiovan Ephesus te binden.)Adriana.Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?Is ’t u een lust, als een ellendig manZichzelven kwaad en leed en schande doet?Gerechtsdienaar.’t Is mijn gevang’ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,Wat hij betalen moet, op mij verhaald.Adriana.Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.Breng mij tot hem, die ’t geld te vord’ren heeft!Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.En, goede dokter, breng hem ongedeerdBij mij aan huis!—O diep onzaal’ge dag!Antipholus van Ephesus.O diep onzaal’ge sloor!Dromio van Ephesus.Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!Antipholus van Ephesus.Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?Dromio van Ephesus.Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,Wees dol! schreeuw: “Duivel! Hel!”Luciana.God helpe u, armen! ach wat ijd’le taal!Adriana.Gaat, voert hem weg!—Kom, zuster, ga met ons.(Knijpen zijn Helpers af, metAntipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus.)Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.Gerechtsdienaar.Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?Adriana.Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?Gerechtsdienaar.Twee honderd stuks dukaten.Adriana.Twee honderd stuks dukaten.En waarvoor?Gerechtsdienaar.’t Is voor een ketting, aan uw man geleverd.Adriana.Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.Courtisane.Zeer kort, nadat vandaag uw man als dolBij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,—Dien ik daareven aan zijn vinger zag,—Kwam ik hem tegen met een gouden keten.Adriana.Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.—(Tot den Gerechtsdienaar.)Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlangTe weten, wat er van dat alles is.(Antipholusvan Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd doorDromiovan Syracuse.)Luciana.God sta ons bij, daar zijn zij weder los!Adriana.En ’t zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hemOp nieuw te binden!Gerechtsdienaar.Op nieuw te binden!Voort! het geldt ons leven!(Adriana,Lucianaen de Gerechtsdienaar af.)Antipholus van Syracuse.Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.Dromio van Syracuse.Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.Antipholus van Syracuse.Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;O, waren wij reeds goed en wel aan boord!Dromio van Syracuse.Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;—en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.Antipholus van Syracuse.Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!(Beiden af.)
Eerste Tooneel.Een open plein.Een Koopman,Angeloen een Gerechtsdienaar komen op.Koopman.Gij weet, met Pinkst’ren was de som verschuldigd,En sedert drong ik niet bijzonder aan,En zou het nog niet doen, maar ’k moet op reisNaar Perzië, waartoe ik geld behoef.Gelief mij dus onmidd’lijk te betalen,Of deze man voert u ter gijz’ling heen.Angelo.Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,Heb ik te vord’ren van Antipholus.Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ikAan hem een keten overhandigd, enTe vijf uur zou ik daar het geld voor innen.Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)Gerechtsdienaar.Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.Antipholus vanEphesus.Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,Mij een eind touw, want dat heb ik bestemdVoor mijne vrouw en die haar helpers warenOm op den dag mij buitenshuis te sluiten.Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,En koop het touw en breng ’t mij thuis.Dromio van Ephesus.Dat is20Wel duizend ponden ’s jaars mij waard! een touw!(Dromiovan Ephesus af.)Antipholus van Ephesus.Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zijWerd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?Angelo.Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,Hoeveel uw ketting weegt, tot op ’t karaat,’t Gehalte van het goud, en ’t duur fatsoen;Het is zoo omtrent drie dukaten meer,Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moetRas onder zeil en wacht op niets dan dit.Antipholus van Ephesus.Ik heb op ’t oogenblik het geld niet bij mij,En heb ook in de stad nog iets te doen.Breng, beste heer, den vreemd’ling naar mijn huis,En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,Dat zij die in ontvangst neem’ en voldoe.Misschien ben ik er even vroeg als gij.39Angelo.Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?Antipholus van Ephesus.Neen, doe gij ’t maar; ik mocht mij eens verlaten.Angelo.Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?Antipholus van Ephesus.Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;Want anders gaat gij zonder geld naar huis.Angelo.Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;De koopman wordt gewacht door wind en tij,En ’k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.Antipholus van Ephesus.Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp’len,Dat gij mij in den Egel zitten liet.Het was aan mij u daarom hard te vallen,Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.Koopman.De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!Angelo.Gij hoort, hoe hij mij dringt;—de keten, heer!Antipholus van Ephesus.Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.Angelo.Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zendDe keten, of geef een bewijs mij mee.56Antipholus van Ephesus.O foei, dat is geen scherts meer; ’t gaat te ver;Waar is de ketting? ’k Bid u, toon hem mij.Koopman.Mijn zaken dulden die vertraging niet.Spreek, heer, hoe is ’t? betaalt gij mij of niet?Zoo niet, dan neem’ die dienaar hem gevangen.Antipholus van Ephesus.Ik u betalen? wat zou ik betalen?Angelo.Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.Antipholus van Ephesus.Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.Angelo.Ik heb ze voor een half uur u gegeven.Antipholus van Ephesus.Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij ’t zegt.Angelo.Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij ’t ontkent.Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.Koopman.Neem, dienaar, hem in hecht’nis op mijn klacht.Gerechtsdienaar.Ik geef gehoor.—In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.Angelo.Dit komt mijn goeden naam te na.—Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz’ling.Antipholus van Ephesus.Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?Neem mij in hecht’nis, schaapskop, als gij durft.Angelo.Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.—Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hijMij zoo in ’t openbaar te schande maakte.Gerechtsdienaar.’k Neem u in hecht’nis, heer. Gij hoort de klacht.Antipholus van Ephesus.Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.—Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.Angelo.Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,Dat u beschamen zal; ik ben gerust.83(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Er is een schip van Epidamnum, heer,Dat enkel op de komst des reeders wacht,Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,Heb ik aan boord gebracht en ’k heb ook de olie,Den balsem, deaqua vitaeaangekocht.Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,Dan op den eig’naar, meester, en op u.Antipholus van Ephesus.Weer een bezeet’ne! welk een schip, gij schaapskop,Van Epidamnum wacht alleen op mij?Dromio van Syracuse.Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.Antipholus van Ephesus.Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen;En ’k zeide u ook waarom en tot wat einde.Dromio van Ephesus.Een touw, heer? dan toch met een schip aan ’t eind?Gij zondt mij naar de haven, om een schip.Antipholus van Ephesus.Ik doe die zaak wel nader met u af,En leer uw ooren beter acht te geven.Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,En deel haar mee, dat ik op straat in hecht’nisGenomen ben en borg wil stellen. Vlug!—’k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.(De Koopman,Angelo,Gerechtsdienaars enAntipholusvan Ephesus af.)Dromio van Syracuse.Naar Adriana? dat is waar wij aten,Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!Ze is al te dik, naar ’k hoop, voor mijn omarming.Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;Een meester heeft een wil, een dienaar geen.(Dromiovan Syracuse af.)
Een open plein.
Een Koopman,Angeloen een Gerechtsdienaar komen op.
Koopman.Gij weet, met Pinkst’ren was de som verschuldigd,En sedert drong ik niet bijzonder aan,En zou het nog niet doen, maar ’k moet op reisNaar Perzië, waartoe ik geld behoef.Gelief mij dus onmidd’lijk te betalen,Of deze man voert u ter gijz’ling heen.
Koopman.
Gij weet, met Pinkst’ren was de som verschuldigd,
En sedert drong ik niet bijzonder aan,
En zou het nog niet doen, maar ’k moet op reis
Naar Perzië, waartoe ik geld behoef.
Gelief mij dus onmidd’lijk te betalen,
Of deze man voert u ter gijz’ling heen.
Angelo.Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,Heb ik te vord’ren van Antipholus.Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ikAan hem een keten overhandigd, enTe vijf uur zou ik daar het geld voor innen.Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.
Angelo.
Gelijk bedrag als ik u schuldig ben,
Heb ik te vord’ren van Antipholus.
Zoo even vóór ik u ontmoette, heb ik
Aan hem een keten overhandigd, en
Te vijf uur zou ik daar het geld voor innen.
Wil mij dus begeleiden naar zijn huis,
Dan doe ik daar, in dank, mijn schulden af.
(Antipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus komen op.)
Gerechtsdienaar.Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.
Gerechtsdienaar.
Dien weg kunt gij u sparen; ziet, daar komt hij.
Antipholus vanEphesus.Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,Mij een eind touw, want dat heb ik bestemdVoor mijne vrouw en die haar helpers warenOm op den dag mij buitenshuis te sluiten.Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,En koop het touw en breng ’t mij thuis.
Antipholus vanEphesus.
Koop gij, terwijl ik naar den goudsmid ga,
Mij een eind touw, want dat heb ik bestemd
Voor mijne vrouw en die haar helpers waren
Om op den dag mij buitenshuis te sluiten.
Maar stil, ik zie den goudsmid daar. Ga vlug,
En koop het touw en breng ’t mij thuis.
Dromio van Ephesus.Dat is20Wel duizend ponden ’s jaars mij waard! een touw!
Dromio van Ephesus.
Dat is20
Wel duizend ponden ’s jaars mij waard! een touw!
(Dromiovan Ephesus af.)
Antipholus van Ephesus.Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zijWerd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?
Antipholus van Ephesus.
Nu, die op u vertrouwt, is wel bediend!
Ik zeide ginds uw komst toe en den ketting,
Maar noch de keten, noch de goudsmid kwam.
Dacht ge onze vriendschap al te hecht, wanneer zij
Werd saamgeketend? kwaamt gij daarom niet?
Angelo.Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,Hoeveel uw ketting weegt, tot op ’t karaat,’t Gehalte van het goud, en ’t duur fatsoen;Het is zoo omtrent drie dukaten meer,Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moetRas onder zeil en wacht op niets dan dit.
Angelo.
Uw scherts alle eer! maar zie, hier is de nota,
Hoeveel uw ketting weegt, tot op ’t karaat,
’t Gehalte van het goud, en ’t duur fatsoen;
Het is zoo omtrent drie dukaten meer,
Dan ik aan dezen koopman schuldig ben;
Voldoe gij hèm thans, bid ik, want hij moet
Ras onder zeil en wacht op niets dan dit.
Antipholus van Ephesus.Ik heb op ’t oogenblik het geld niet bij mij,En heb ook in de stad nog iets te doen.Breng, beste heer, den vreemd’ling naar mijn huis,En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,Dat zij die in ontvangst neem’ en voldoe.Misschien ben ik er even vroeg als gij.39
Antipholus van Ephesus.
Ik heb op ’t oogenblik het geld niet bij mij,
En heb ook in de stad nog iets te doen.
Breng, beste heer, den vreemd’ling naar mijn huis,
En neem de keten mee en vraag mijn vrouw,
Dat zij die in ontvangst neem’ en voldoe.
Misschien ben ik er even vroeg als gij.39
Angelo.Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?
Angelo.
Dus geeft gij haar de keten dan toch zelf?
Antipholus van Ephesus.Neen, doe gij ’t maar; ik mocht mij eens verlaten.
Antipholus van Ephesus.
Neen, doe gij ’t maar; ik mocht mij eens verlaten.
Angelo.Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?
Angelo.
Nu, goed. Hebt gij de keten bij u, heer?
Antipholus van Ephesus.Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;Want anders gaat gij zonder geld naar huis.
Antipholus van Ephesus.
Wat ik? Ik hoop toch, heer, dat gij haar hebt;
Want anders gaat gij zonder geld naar huis.
Angelo.Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;De koopman wordt gewacht door wind en tij,En ’k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.
Angelo.
Neen, geef de keten, heer, in allen ernst;
De koopman wordt gewacht door wind en tij,
En ’k hield hem tot mijn spijt te lang reeds op.
Antipholus van Ephesus.Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp’len,Dat gij mij in den Egel zitten liet.Het was aan mij u daarom hard te vallen,Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.
Antipholus van Ephesus.
Mijn hemel! wis moet deze scherts bewimp’len,
Dat gij mij in den Egel zitten liet.
Het was aan mij u daarom hard te vallen,
Maar als een feeks zoekt gij het eerste twist.
Koopman.De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!
Koopman.
De tijd gaat om; ik bid u, heer, besluit!
Angelo.Gij hoort, hoe hij mij dringt;—de keten, heer!
Angelo.
Gij hoort, hoe hij mij dringt;—de keten, heer!
Antipholus van Ephesus.Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.
Antipholus van Ephesus.
Wel, geef die aan mijn vrouw, en haal uw geld.
Angelo.Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zendDe keten, of geef een bewijs mij mee.56
Angelo.
Kom, kom, ik gaf haar u zoo pas; dus zend
De keten, of geef een bewijs mij mee.56
Antipholus van Ephesus.O foei, dat is geen scherts meer; ’t gaat te ver;Waar is de ketting? ’k Bid u, toon hem mij.
Antipholus van Ephesus.
O foei, dat is geen scherts meer; ’t gaat te ver;
Waar is de ketting? ’k Bid u, toon hem mij.
Koopman.Mijn zaken dulden die vertraging niet.Spreek, heer, hoe is ’t? betaalt gij mij of niet?Zoo niet, dan neem’ die dienaar hem gevangen.
Koopman.
Mijn zaken dulden die vertraging niet.
Spreek, heer, hoe is ’t? betaalt gij mij of niet?
Zoo niet, dan neem’ die dienaar hem gevangen.
Antipholus van Ephesus.Ik u betalen? wat zou ik betalen?
Antipholus van Ephesus.
Ik u betalen? wat zou ik betalen?
Angelo.Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.
Angelo.
Wat gij mij voor de keten schuldig zijt.
Antipholus van Ephesus.Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.
Antipholus van Ephesus.
Vóór ik de keten heb, ben ik niets schuldig.
Angelo.Ik heb ze voor een half uur u gegeven.
Angelo.
Ik heb ze voor een half uur u gegeven.
Antipholus van Ephesus.Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij ’t zegt.
Antipholus van Ephesus.
Gij gaaft mij niets; en krenkt mij, als gij ’t zegt.
Angelo.Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij ’t ontkent.Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.
Angelo.
Gij krenkt mij meer nog, heer, als gij ’t ontkent.
Bedenk toch, mijn krediet staat op het spel.
Koopman.Neem, dienaar, hem in hecht’nis op mijn klacht.
Koopman.
Neem, dienaar, hem in hecht’nis op mijn klacht.
Gerechtsdienaar.Ik geef gehoor.—In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.
Gerechtsdienaar.
Ik geef gehoor.—
In naam des hertogs hebt gij mij te volgen.
Angelo.Dit komt mijn goeden naam te na.—Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz’ling.
Angelo.
Dit komt mijn goeden naam te na.—
Kies dus: betaal die som voor mij aan hem,
Of volg voor mij dien dienaar naar de gijz’ling.
Antipholus van Ephesus.Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?Neem mij in hecht’nis, schaapskop, als gij durft.
Antipholus van Ephesus.
Ik zou betalen, wat ik nooit ontving?
Neem mij in hecht’nis, schaapskop, als gij durft.
Angelo.Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.—Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hijMij zoo in ’t openbaar te schande maakte.
Angelo.
Hier zijn de kosten, man; neem hem gevangen.—
Mijn eigen broeder spaarde ik niet, als hij
Mij zoo in ’t openbaar te schande maakte.
Gerechtsdienaar.’k Neem u in hecht’nis, heer. Gij hoort de klacht.
Gerechtsdienaar.
’k Neem u in hecht’nis, heer. Gij hoort de klacht.
Antipholus van Ephesus.Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.—Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.
Antipholus van Ephesus.
Ik onderwerp mij, tot ik borgtocht stel.—
Maar, heerschap, gij bekoopt die scherts zoo duur,
Dat heel uw winkel zoo veel goud niet levert.
Angelo.Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,Dat u beschamen zal; ik ben gerust.83
Angelo.
Nu, heer, er is nog recht in Ephesus,
Dat u beschamen zal; ik ben gerust.83
(Dromiovan Syracuse komt op.)
Dromio van Syracuse.Er is een schip van Epidamnum, heer,Dat enkel op de komst des reeders wacht,Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,Heb ik aan boord gebracht en ’k heb ook de olie,Den balsem, deaqua vitaeaangekocht.Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,Dan op den eig’naar, meester, en op u.
Dromio van Syracuse.
Er is een schip van Epidamnum, heer,
Dat enkel op de komst des reeders wacht,
Om uit te loopen. Al ons reisgoed, heer,
Heb ik aan boord gebracht en ’k heb ook de olie,
Den balsem, deaqua vitaeaangekocht.
Het schip is zeilreê; lustig blaast de wind,
Aflandig; en op niets meer wordt gewacht,
Dan op den eig’naar, meester, en op u.
Antipholus van Ephesus.Weer een bezeet’ne! welk een schip, gij schaapskop,Van Epidamnum wacht alleen op mij?
Antipholus van Ephesus.
Weer een bezeet’ne! welk een schip, gij schaapskop,
Van Epidamnum wacht alleen op mij?
Dromio van Syracuse.Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.
Dromio van Syracuse.
Een schip, waarop ik plaats voor u zou nemen.
Antipholus van Ephesus.Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen;En ’k zeide u ook waarom en tot wat einde.
Antipholus van Ephesus.
Gij dronken slaaf, gij, moest een touw mij halen;
En ’k zeide u ook waarom en tot wat einde.
Dromio van Ephesus.Een touw, heer? dan toch met een schip aan ’t eind?Gij zondt mij naar de haven, om een schip.
Dromio van Ephesus.
Een touw, heer? dan toch met een schip aan ’t eind?
Gij zondt mij naar de haven, om een schip.
Antipholus van Ephesus.Ik doe die zaak wel nader met u af,En leer uw ooren beter acht te geven.Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,En deel haar mee, dat ik op straat in hecht’nisGenomen ben en borg wil stellen. Vlug!—’k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.
Antipholus van Ephesus.
Ik doe die zaak wel nader met u af,
En leer uw ooren beter acht te geven.
Maar nu, schavuit, met spoed naar Adriana,
Neem dezen sleutel, geef haar dien en zeg,
Dat ze in mijn kist, met Turksch tapijt omkleed,
Een beurs vindt met dukaten; breng die hier,
En deel haar mee, dat ik op straat in hecht’nis
Genomen ben en borg wil stellen. Vlug!—
’k Ben tot uw dienst, man, tot het geld er is.
(De Koopman,Angelo,Gerechtsdienaars enAntipholusvan Ephesus af.)
Dromio van Syracuse.Naar Adriana? dat is waar wij aten,Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!Ze is al te dik, naar ’k hoop, voor mijn omarming.Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;Een meester heeft een wil, een dienaar geen.
Dromio van Syracuse.
Naar Adriana? dat is waar wij aten,
Waar Dowsabel tot man mij hebben wil!
Ze is al te dik, naar ’k hoop, voor mijn omarming.
Al heb ik weinig lust, ik moet er heen;
Een meester heeft een wil, een dienaar geen.
(Dromiovan Syracuse af.)
Tweede Tooneel.Binnenhof in het huis vanAntipholusvan Ephesus.AdrianaenLucianakomen op.Adriana.Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd?Gelooft gij, dat hij ’t waarlijk meende? spreek!Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagtGe er leed of vreugd in? was hij rood of bleek?En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht,Ook strijd des harten op zijn aangezicht?Luciana.Hij zwoer: gij hadt op hem in ’t minst geen recht.Adriana.Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.Luciana.Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd’ling wist.Adriana.Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is ’t.Luciana.Toen nam ik uw partij.Adriana.En wat deed hij?11Luciana.Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.Adriana.En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?Luciana.Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,—Adriana.Spraakt gij zoo lief?Luciana.O stil toch! welk een gloed!Adriana.Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;Nu hebb’, zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!Hij is verdraaid, krombeenig, rimp’lig, oud,Van top tot teen een monster, hartloos, koud,Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,Misvormd naar ’t lijf, maar naar den geest nog meer.Luciana.En plaagt u ijverzucht om zulk een man?Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?Adriana.O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;Als and’rer oog hem maar zoo haatlijk vond!De kievit schreeuwt, is hij van ’t nest ver weg;Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!Luciana.Waarom zoo buiten adem?Dromio van Syracuse.Waarom zoo buiten adem?Is dat loopen!Adriana.Waar is uw meester, Dromio? Is ’t hem wel?Dromio van Syracuse.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel!Hem heeft een duivel beet, in eeuw’gen dos,Een man, wiens hart met staal benageld is;Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,Zoo’n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt;37En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;Een hond op ’t valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,En arme zielen, vóór ’t gericht, ter helle sleurt.Adriana.Spreek, man, ’k begrijp u niet.Dromio van Syracuse.En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.Adriana.Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?Dromio van Syracuse.’k Weet niet, op welke klacht hij in hecht’nis is gebracht,Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?Adriana.Ga ’t halen, zuster.(Lucianaaf.)—’k Sta verwonderd, datMijn man zoo iets als stille schulden had.—Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?Dromio van Syracuse.Niet om papier, maar om een sterker ding;Een keten, keten was ’t! Wat hoor ik, kling ling ling!Adriana.Hoort gij de keten daar?Dromio van Syracuse.Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;’t Was twee, toen ’k hem verliet, en ’k hoor het één daar slaan.Adriana.Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!Dromio van Syracuse.Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.Adriana.Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde ’t ooit?Dromio van Syracuse.Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op ’t uur betalen nooit.En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?(Lucianakomt terug, met een beurs.)Adriana.Hier, Dromio, breng hem ’t geld, en vlug! met spoed!En kom terstond toch met uw meester thuis.—Ach, zuster, ’k weet niet, wat ik denken moet;Nu geeft mij ’t denken troost, dan is ’t mijn kruis.(Allen af.)
Binnenhof in het huis vanAntipholusvan Ephesus.
AdrianaenLucianakomen op.
Adriana.Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd?Gelooft gij, dat hij ’t waarlijk meende? spreek!Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagtGe er leed of vreugd in? was hij rood of bleek?En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht,Ook strijd des harten op zijn aangezicht?
Adriana.
Ach, zuster, heeft hij zoo uw hart belaagd?
Gelooft gij, dat hij ’t waarlijk meende? spreek!
Zeg ja of neen! Hoe sprak zijn oog? en zaagt
Ge er leed of vreugd in? was hij rood of bleek?
En zaagt ge, als tusschen wolken flikkerlicht,
Ook strijd des harten op zijn aangezicht?
Luciana.Hij zwoer: gij hadt op hem in ’t minst geen recht.
Luciana.
Hij zwoer: gij hadt op hem in ’t minst geen recht.
Adriana.Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.
Adriana.
Wijl hij het mij niet geeft, en dat is slecht.
Luciana.Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd’ling wist.
Luciana.
Dan zwoer hij ook, dat hij zich vreemd’ling wist.
Adriana.Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is ’t.
Adriana.
Dan zwoer hij waar, en toch, een meineed is ’t.
Luciana.Toen nam ik uw partij.
Luciana.
Toen nam ik uw partij.
Adriana.En wat deed hij?11
Adriana.
En wat deed hij?11
Luciana.Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.
Luciana.
Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.
Adriana.En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?
Adriana.
En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?
Luciana.Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,—
Luciana.
Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.
Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,—
Adriana.Spraakt gij zoo lief?
Adriana.
Spraakt gij zoo lief?
Luciana.O stil toch! welk een gloed!
Luciana.
O stil toch! welk een gloed!
Adriana.Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;Nu hebb’, zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!Hij is verdraaid, krombeenig, rimp’lig, oud,Van top tot teen een monster, hartloos, koud,Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,Misvormd naar ’t lijf, maar naar den geest nog meer.
Adriana.
Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;
Nu hebb’, zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!
Hij is verdraaid, krombeenig, rimp’lig, oud,
Van top tot teen een monster, hartloos, koud,
Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,
Misvormd naar ’t lijf, maar naar den geest nog meer.
Luciana.En plaagt u ijverzucht om zulk een man?Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?
Luciana.
En plaagt u ijverzucht om zulk een man?
Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?
Adriana.O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;Als and’rer oog hem maar zoo haatlijk vond!De kievit schreeuwt, is hij van ’t nest ver weg;Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.
Adriana.
O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;
Als and’rer oog hem maar zoo haatlijk vond!
De kievit schreeuwt, is hij van ’t nest ver weg;
Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.
(Dromiovan Syracuse komt op.)
Dromio van Syracuse.Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!
Dromio van Syracuse.
Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit haar open!
Luciana.Waarom zoo buiten adem?
Luciana.
Waarom zoo buiten adem?
Dromio van Syracuse.Waarom zoo buiten adem?Is dat loopen!
Dromio van Syracuse.
Waarom zoo buiten adem?Is dat loopen!
Adriana.Waar is uw meester, Dromio? Is ’t hem wel?
Adriana.
Waar is uw meester, Dromio? Is ’t hem wel?
Dromio van Syracuse.Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel!Hem heeft een duivel beet, in eeuw’gen dos,Een man, wiens hart met staal benageld is;Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,Zoo’n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt;37En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;Een hond op ’t valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,En arme zielen, vóór ’t gericht, ter helle sleurt.
Dromio van Syracuse.
Hij is in ’t voorportaal, neen, in de hel!
Hem heeft een duivel beet, in eeuw’gen dos,
Een man, wiens hart met staal benageld is;
Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,
Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,
Zoo’n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt;37
En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;
Een hond op ’t valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,
En arme zielen, vóór ’t gericht, ter helle sleurt.
Adriana.Spreek, man, ’k begrijp u niet.
Adriana.
Spreek, man, ’k begrijp u niet.
Dromio van Syracuse.En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.
Dromio van Syracuse.
En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.
Adriana.Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?
Adriana.
Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?
Dromio van Syracuse.’k Weet niet, op welke klacht hij in hecht’nis is gebracht,Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?
Dromio van Syracuse.
’k Weet niet, op welke klacht hij in hecht’nis is gebracht,
Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.
Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?
Adriana.Ga ’t halen, zuster.(Lucianaaf.)—’k Sta verwonderd, datMijn man zoo iets als stille schulden had.—Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?
Adriana.
Ga ’t halen, zuster.(Lucianaaf.)—’k Sta verwonderd, dat
Mijn man zoo iets als stille schulden had.—
Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?
Dromio van Syracuse.Niet om papier, maar om een sterker ding;Een keten, keten was ’t! Wat hoor ik, kling ling ling!
Dromio van Syracuse.
Niet om papier, maar om een sterker ding;
Een keten, keten was ’t! Wat hoor ik, kling ling ling!
Adriana.Hoort gij de keten daar?
Adriana.
Hoort gij de keten daar?
Dromio van Syracuse.Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;’t Was twee, toen ’k hem verliet, en ’k hoor het één daar slaan.
Dromio van Syracuse.
Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;
’t Was twee, toen ’k hem verliet, en ’k hoor het één daar slaan.
Adriana.Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!
Adriana.
Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!
Dromio van Syracuse.Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.
Dromio van Syracuse.
Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt het en keert om.
Adriana.Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde ’t ooit?
Adriana
Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde ’t ooit?
Dromio van Syracuse.Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op ’t uur betalen nooit.En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?
Dromio van Syracuse.
Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op ’t uur betalen nooit.
En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,
Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!
Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,
Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?
(Lucianakomt terug, met een beurs.)
Adriana.Hier, Dromio, breng hem ’t geld, en vlug! met spoed!En kom terstond toch met uw meester thuis.—Ach, zuster, ’k weet niet, wat ik denken moet;Nu geeft mij ’t denken troost, dan is ’t mijn kruis.
Adriana.
Hier, Dromio, breng hem ’t geld, en vlug! met spoed!
En kom terstond toch met uw meester thuis.—
Ach, zuster, ’k weet niet, wat ik denken moet;
Nu geeft mij ’t denken troost, dan is ’t mijn kruis.
(Allen af.)
Derde Tooneel.Een open plein.Antipholusvan Syracuse komt op.Antipholus van Syracuse.Ik kom geen sterv’ling tegen of hij groet mij,Als ware ik hun een welbekende vriend;Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;Daar even riep een snijder me in zijn winkel,En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,En nam meteen mij ongevraagd de maat.Geen twijfel, ’t moeten droomgezichten zijn,En Laplands heksenmeesters huizen hier.(Dromiovan Syracuse komt op.)Dromio van Syracuse.Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.—Maar waar hebt gij dat evenbeeld vanden ouden Adam in zijn nieuw gewaadgelaten?Antipholus van Syracuse.Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?Dromio van Syracuse.Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.Antipholus van Syracuse.Mensch, ik versta u niet.Dromio van Syracuse.Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft,dan een Moor met zijn piek.Antipholus van Syracuse.Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?Dromio van Syracuse.Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: “Blijf maar zitten!”Antipholus van Syracuse.Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?Dromio van Syracuse.Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik “Voorwaarts” van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge “Rustuit”. Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden.41Antipholus van Syracuse.De kerel is verbijsterd, maar ik ook;Van de eene dwaling komen wij in de and’re;Een goede geest help’ veilig ons van hier!(Een Courtisane komt op.)Courtisane.Getroffen, heer Antipholus, getroffen!Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;Is dat de keten, heden mij beloofd?Antipholus van Syracuse.Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.Dromio van Syracuse.Meester, is dit mejuffer Satan?Antipholus van Syracuse.Het is de duivel.Dromio van Syracuse.Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: “De Duivel hale mij”, dit zooveel wil zeggen als: “Ik zou een lichte deerne willen zijn”. Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.Courtisane.U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.Gaat gij weer mee? Ook ’t avondmaal is goed.Dromio van Syracuse.Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.Antipholus van Syracuse.Waarom, Dromio?Dromio van Syracuse.Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.Antipholus van Syracuse.Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt,Zooals gij allen zijt, een tooverkol;Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!Courtisane.Geef dan den ring, dien ik aan ’t maal u gaf,Of wel de keten, die gij hebt beloofd;Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.Dromio van Syracuse.Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,Een noot, een kersepit,Die daar wat meer, een gouden keten, ja!Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammeltDe duivel ons er schrik mee op het lijf.Courtisane.Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;’k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.Antipholus van Syracuse.Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.Dromio van Syracuse.“Nooit ijdel”, zei de pauw; die les is niet van stroo.81(AntipholusenDromiovan Syracuse af.)Courtisane.Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;Want anders stelde hij zich zoo niet aan.Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,Heeft hij een gouden keten mij beloofd,En nu ontkent hij mij èn ’t een èn ’t ander.Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleenDoor dit bewijs van dolle drift, maar ookDoor ’t dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.Gewis zijn haar zijn vlagen welbekendEn hield zij daarom ’t huis voor hem gesloten.Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dolMijn woning binnendrong en met geweldDen ring me ontnam. Ja, die manier is goed;Veertig dukaten waar’ te groot bankroet.(De Courtisane af.)De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.
Een open plein.
Antipholusvan Syracuse komt op.
Antipholus van Syracuse.Ik kom geen sterv’ling tegen of hij groet mij,Als ware ik hun een welbekende vriend;Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;Daar even riep een snijder me in zijn winkel,En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,En nam meteen mij ongevraagd de maat.Geen twijfel, ’t moeten droomgezichten zijn,En Laplands heksenmeesters huizen hier.
Antipholus van Syracuse.
Ik kom geen sterv’ling tegen of hij groet mij,
Als ware ik hun een welbekende vriend;
Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;
Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;
Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;
Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;
Daar even riep een snijder me in zijn winkel,
En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,
En nam meteen mij ongevraagd de maat.
Geen twijfel, ’t moeten droomgezichten zijn,
En Laplands heksenmeesters huizen hier.
(Dromiovan Syracuse komt op.)
Dromio van Syracuse.Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.—Maar waar hebt gij dat evenbeeld vanden ouden Adam in zijn nieuw gewaadgelaten?
Dromio van Syracuse.
Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt uitgestuurd.—Maar waar hebt gij dat evenbeeld vanden ouden Adam in zijn nieuw gewaadgelaten?
Antipholus van Syracuse.Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?
Antipholus van Syracuse.
Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?
Dromio van Syracuse.Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.
Dromio van Syracuse.
Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam, den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer, als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.
Antipholus van Syracuse.Mensch, ik versta u niet.
Antipholus van Syracuse.
Mensch, ik versta u niet.
Dromio van Syracuse.Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft,dan een Moor met zijn piek.
Dromio van Syracuse.
Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal; den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten; den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn ambtsstaf meer exploten gedaan heeft,dan een Moor met zijn piek.
Antipholus van Syracuse.Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?
Antipholus van Syracuse.
Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?
Dromio van Syracuse.Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: “Blijf maar zitten!”
Dromio van Syracuse.
Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken; een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: “Blijf maar zitten!”
Antipholus van Syracuse.Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?
Antipholus van Syracuse.
Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?
Dromio van Syracuse.Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik “Voorwaarts” van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge “Rustuit”. Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden.41
Dromio van Syracuse.
Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld, dat de brik “Voorwaarts” van avond zee kiest; maar toen werdt gij door een rakker genoopt te blijven op de kogge “Rustuit”. Hier zijn de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden.41
Antipholus van Syracuse.De kerel is verbijsterd, maar ik ook;Van de eene dwaling komen wij in de and’re;Een goede geest help’ veilig ons van hier!
Antipholus van Syracuse.
De kerel is verbijsterd, maar ik ook;
Van de eene dwaling komen wij in de and’re;
Een goede geest help’ veilig ons van hier!
(Een Courtisane komt op.)
Courtisane.Getroffen, heer Antipholus, getroffen!Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;Is dat de keten, heden mij beloofd?
Courtisane.
Getroffen, heer Antipholus, getroffen!
Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;
Is dat de keten, heden mij beloofd?
Antipholus van Syracuse.Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.
Antipholus van Syracuse.
Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.
Dromio van Syracuse.Meester, is dit mejuffer Satan?
Dromio van Syracuse.
Meester, is dit mejuffer Satan?
Antipholus van Syracuse.Het is de duivel.
Antipholus van Syracuse.
Het is de duivel.
Dromio van Syracuse.Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: “De Duivel hale mij”, dit zooveel wil zeggen als: “Ik zou een lichte deerne willen zijn”. Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.
Dromio van Syracuse.
Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr, die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat, als de deernen zeggen: “De Duivel hale mij”, dit zooveel wil zeggen als: “Ik zou een lichte deerne willen zijn”. Daar staat geschreven, dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken aan. Kom haar niet te na.
Courtisane.U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.Gaat gij weer mee? Ook ’t avondmaal is goed.
Courtisane.
U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.
Gaat gij weer mee? Ook ’t avondmaal is goed.
Dromio van Syracuse.Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.
Dromio van Syracuse.
Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost en zorg voor een langen lepel.
Antipholus van Syracuse.Waarom, Dromio?
Antipholus van Syracuse.
Waarom, Dromio?
Dromio van Syracuse.Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.
Dromio van Syracuse.
Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen lepel hebben.
Antipholus van Syracuse.Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt,Zooals gij allen zijt, een tooverkol;Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!
Antipholus van Syracuse.
Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij zijt,
Zooals gij allen zijt, een tooverkol;
Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!
Courtisane.Geef dan den ring, dien ik aan ’t maal u gaf,Of wel de keten, die gij hebt beloofd;Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.
Courtisane.
Geef dan den ring, dien ik aan ’t maal u gaf,
Of wel de keten, die gij hebt beloofd;
Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.
Dromio van Syracuse.Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,Een noot, een kersepit,Die daar wat meer, een gouden keten, ja!Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammeltDe duivel ons er schrik mee op het lijf.
Dromio van Syracuse.
Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,
Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,
Een noot, een kersepit,
Die daar wat meer, een gouden keten, ja!
Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammelt
De duivel ons er schrik mee op het lijf.
Courtisane.Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;’k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.
Courtisane.
Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;
’k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.
Antipholus van Syracuse.Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.
Antipholus van Syracuse.
Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.
Dromio van Syracuse.“Nooit ijdel”, zei de pauw; die les is niet van stroo.81
Dromio van Syracuse.
“Nooit ijdel”, zei de pauw; die les is niet van stroo.81
(AntipholusenDromiovan Syracuse af.)
Courtisane.Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;Want anders stelde hij zich zoo niet aan.Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,Heeft hij een gouden keten mij beloofd,En nu ontkent hij mij èn ’t een èn ’t ander.Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleenDoor dit bewijs van dolle drift, maar ookDoor ’t dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.Gewis zijn haar zijn vlagen welbekendEn hield zij daarom ’t huis voor hem gesloten.Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dolMijn woning binnendrong en met geweldDen ring me ontnam. Ja, die manier is goed;Veertig dukaten waar’ te groot bankroet.
Courtisane.
Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;
Want anders stelde hij zich zoo niet aan.
Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,
Heeft hij een gouden keten mij beloofd,
En nu ontkent hij mij èn ’t een èn ’t ander.
Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleen
Door dit bewijs van dolle drift, maar ook
Door ’t dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,
Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.
Gewis zijn haar zijn vlagen welbekend
En hield zij daarom ’t huis voor hem gesloten.
Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,
En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dol
Mijn woning binnendrong en met geweld
Den ring me ontnam. Ja, die manier is goed;
Veertig dukaten waar’ te groot bankroet.
(De Courtisane af.)
De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.
De klucht der vergissingen, Vierde Bedrijf, Vierde Tooneel.
Vierde Tooneel.Op dezelfde plaats.Antipholusvan Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.Antipholus van Ephesus.Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;Maar geef u, eer ik van u ga, de som,Waarvoor gij mij in hecht’nis hebt genomen.Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,En schenkt misschien mijn bode geen geloof.Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,Geloof mij, ’t zal haar schril in de ooren klinken.(Dromiovan Ephesus komt op, met een eind touw.)Daar komt mijn dienaar, denk’lijk met het geld.—Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?Dromio van Ephesus.Zie maar, genoeg om allen te betalen.Antipholus van Ephesus.Maar waar is ’t geld?Dromio van Ephesus.Wel, heer ’k heb met het geld het touw betaald.Antipholus van Ephesus.Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?Dromio van Ephesus.Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.Antipholus van Ephesus.Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?Dromio van Ephesus.Om een eind touw, en ’k breng dat eind u hier.17Antipholus van Ephesus.Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.(Hij slaat hem.)Gerechtsdienaar.Geduld, mijn waarde heer, geduld.Dromio van Ephesus.Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.Gerechtsdienaar.Kom aan, hou je mond.Dromio van Ephesus.Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.Antipholus van Ephesus.Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!Dromio van Ephesus.Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.Antipholus van Ephesus.Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.Dromio van Ephesus.Ja, ik ben een ezel, inderdaad; ’t is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.—Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.Antipholus van Ephesus.Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.(Adriana,Luciana,de Courtisane enKnijpkomen op.)Dromio van Ephesus.Meesteres, “Respice finem”, denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: “Pas op voor het eindje touw!”Antipholus van Ephesus.Maakt gij nog praatjes?(Hij slaat hem.)Courtisane.Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?Adriana.Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,En wat gij vordert, zal ik u betalen.Luciana.Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond!53Courtisane.Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!Knijp.Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.Antipholus van Ephesus.Hier is mijn hand en dat uw oor die voel’!(Hij geeft hem een oorveeg.)Knijp.Gij satan, die in dezen mensche huist,Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,En spoed u heen naar ’t rijk der duisternis;Bij alle heil’gen, geef gehoor, ik ban u!Antipholus van Ephesus.Zwijg, suffe toov’naar, zwijg, ik ben niet dol.Adriana.Ach, waar’ dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!Antipholus van Ephesus.Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!Deed die snaak daar met dat saffraangezichtVandaag in mijne woning zich te goed,Terwijl de deur u helersdiensten deedEn mij den toegang tot mijn huis ontzeide?Adriana.O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!Antipholus van Ephesus.Te huis gegeten!—Vlegel, wat zegt gij?Dromio van Ephesus.Te huis gegeten!—heer, neen, waarlijk niet.Antipholus van Ephesus.En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?Dromio van Ephesus.Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.Antipholus van Ephesus.En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?Dromio van Ephesus.In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.Antipholus van Ephesus.En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?Dromio van Ephesus.Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.Antipholus van Ephesus.En ging ik niet in dolle woede weg?Dromio van Ephesus.Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;Die heeft uw dolle woede wel gevoeld.81Adriana.Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?Knijp.Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.Antipholus van Ephesus.Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz’len!Adriana.Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,Door Dromio hier, die ’t ijlings hebben moest.Dromio van Ephesus.Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.Antipholus van Ephesus.Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?Adriana.Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.Luciana.Ik kan getuigen, dat zij ’t goud hem gaf.Dromio van Ephesus.God en de touwverkooper zijn getuigen:Niets anders moest ik halen dan een touw.Knijp.Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!Men boeie en breng’ hen in een donk’re cel.Antipholus van Ephesus(totAdriana).Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur?(TotDromio.)En waarom loochent gij de beurs met goud?Adriana.Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.Dromio van Ephesus.En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.Adriana.Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.Antipholus van Ephesus.Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles;En zijt het met vervloekte schoeljes eens,Om hoon en smaad te staap’len op mijn hoofd;Maar ’k rijt u met mijn nagels de oogen uit,Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.Adriana.O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!Knijp.Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.Luciana.Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!(Drie of vier Helpers komen op, omAntipholusvan Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)Antipholus van Ephesus.Wat! legt gij ’t op mijn leven toe? Gij rakker,’k Ben uw gevang’ne; duldt gij, dat zij mijAan u ontrukken?114Gerechtsdienaar.Mannen, laat hem los;’t Is mijn gevang’ne; gij blijft van hem af.Knijp.Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.(Zij trachten ookDromiovan Ephesus te binden.)Adriana.Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?Is ’t u een lust, als een ellendig manZichzelven kwaad en leed en schande doet?Gerechtsdienaar.’t Is mijn gevang’ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,Wat hij betalen moet, op mij verhaald.Adriana.Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.Breng mij tot hem, die ’t geld te vord’ren heeft!Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.En, goede dokter, breng hem ongedeerdBij mij aan huis!—O diep onzaal’ge dag!Antipholus van Ephesus.O diep onzaal’ge sloor!Dromio van Ephesus.Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!Antipholus van Ephesus.Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?Dromio van Ephesus.Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,Wees dol! schreeuw: “Duivel! Hel!”Luciana.God helpe u, armen! ach wat ijd’le taal!Adriana.Gaat, voert hem weg!—Kom, zuster, ga met ons.(Knijpen zijn Helpers af, metAntipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus.)Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.Gerechtsdienaar.Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?Adriana.Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?Gerechtsdienaar.Twee honderd stuks dukaten.Adriana.Twee honderd stuks dukaten.En waarvoor?Gerechtsdienaar.’t Is voor een ketting, aan uw man geleverd.Adriana.Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.Courtisane.Zeer kort, nadat vandaag uw man als dolBij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,—Dien ik daareven aan zijn vinger zag,—Kwam ik hem tegen met een gouden keten.Adriana.Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.—(Tot den Gerechtsdienaar.)Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlangTe weten, wat er van dat alles is.(Antipholusvan Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd doorDromiovan Syracuse.)Luciana.God sta ons bij, daar zijn zij weder los!Adriana.En ’t zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hemOp nieuw te binden!Gerechtsdienaar.Op nieuw te binden!Voort! het geldt ons leven!(Adriana,Lucianaen de Gerechtsdienaar af.)Antipholus van Syracuse.Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.Dromio van Syracuse.Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.Antipholus van Syracuse.Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;O, waren wij reeds goed en wel aan boord!Dromio van Syracuse.Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;—en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.Antipholus van Syracuse.Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!(Beiden af.)
Op dezelfde plaats.
Antipholusvan Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.
Antipholus van Ephesus.Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;Maar geef u, eer ik van u ga, de som,Waarvoor gij mij in hecht’nis hebt genomen.Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,En schenkt misschien mijn bode geen geloof.Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,Geloof mij, ’t zal haar schril in de ooren klinken.
Antipholus van Ephesus.
Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;
Maar geef u, eer ik van u ga, de som,
Waarvoor gij mij in hecht’nis hebt genomen.
Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,
En schenkt misschien mijn bode geen geloof.
Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,
Geloof mij, ’t zal haar schril in de ooren klinken.
(Dromiovan Ephesus komt op, met een eind touw.)
Daar komt mijn dienaar, denk’lijk met het geld.—Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?
Daar komt mijn dienaar, denk’lijk met het geld.—
Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?
Dromio van Ephesus.Zie maar, genoeg om allen te betalen.
Dromio van Ephesus.
Zie maar, genoeg om allen te betalen.
Antipholus van Ephesus.Maar waar is ’t geld?
Antipholus van Ephesus.
Maar waar is ’t geld?
Dromio van Ephesus.Wel, heer ’k heb met het geld het touw betaald.
Dromio van Ephesus.
Wel, heer ’k heb met het geld het touw betaald.
Antipholus van Ephesus.Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?
Antipholus van Ephesus.
Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?
Dromio van Ephesus.Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.
Dromio van Ephesus.
Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.
Antipholus van Ephesus.Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?
Antipholus van Ephesus.
Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?
Dromio van Ephesus.Om een eind touw, en ’k breng dat eind u hier.17
Dromio van Ephesus.
Om een eind touw, en ’k breng dat eind u hier.17
Antipholus van Ephesus.Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.
Antipholus van Ephesus.
Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.
(Hij slaat hem.)
Gerechtsdienaar.Geduld, mijn waarde heer, geduld.
Gerechtsdienaar.
Geduld, mijn waarde heer, geduld.
Dromio van Ephesus.Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.
Dromio van Ephesus.
Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben de lijdende partij.
Gerechtsdienaar.Kom aan, hou je mond.
Gerechtsdienaar.
Kom aan, hou je mond.
Dromio van Ephesus.Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.
Dromio van Ephesus.
Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis te houden.
Antipholus van Ephesus.Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!
Antipholus van Ephesus.
Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!
Dromio van Ephesus.Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.
Dromio van Ephesus.
Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.
Antipholus van Ephesus.Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.
Antipholus van Ephesus.
Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen, precies als een ezel.
Dromio van Ephesus.Ja, ik ben een ezel, inderdaad; ’t is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.—Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.
Dromio van Ephesus.
Ja, ik ben een ezel, inderdaad; ’t is aan mijn ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.—Ik heb hem gediend van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben, maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan; ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom; ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft, zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.
Antipholus van Ephesus.Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.
Antipholus van Ephesus.
Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.
(Adriana,Luciana,de Courtisane enKnijpkomen op.)
Dromio van Ephesus.Meesteres, “Respice finem”, denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: “Pas op voor het eindje touw!”
Dromio van Ephesus.
Meesteres, “Respice finem”, denk aan uw einde, of liever aan de voorspelling van den papegaai: “Pas op voor het eindje touw!”
Antipholus van Ephesus.Maakt gij nog praatjes?
Antipholus van Ephesus.
Maakt gij nog praatjes?
(Hij slaat hem.)
Courtisane.Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?
Courtisane.
Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?
Adriana.Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,En wat gij vordert, zal ik u betalen.
Adriana.
Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.
Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;
Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,
En wat gij vordert, zal ik u betalen.
Luciana.Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond!53
Luciana.
Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond!53
Courtisane.Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!
Courtisane.
Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!
Knijp.Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.
Knijp.
Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.
Antipholus van Ephesus.Hier is mijn hand en dat uw oor die voel’!
Antipholus van Ephesus.
Hier is mijn hand en dat uw oor die voel’!
(Hij geeft hem een oorveeg.)
Knijp.Gij satan, die in dezen mensche huist,Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,En spoed u heen naar ’t rijk der duisternis;Bij alle heil’gen, geef gehoor, ik ban u!
Knijp.
Gij satan, die in dezen mensche huist,
Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,
En spoed u heen naar ’t rijk der duisternis;
Bij alle heil’gen, geef gehoor, ik ban u!
Antipholus van Ephesus.Zwijg, suffe toov’naar, zwijg, ik ben niet dol.
Antipholus van Ephesus.
Zwijg, suffe toov’naar, zwijg, ik ben niet dol.
Adriana.Ach, waar’ dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!
Adriana.
Ach, waar’ dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!
Antipholus van Ephesus.Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!Deed die snaak daar met dat saffraangezichtVandaag in mijne woning zich te goed,Terwijl de deur u helersdiensten deedEn mij den toegang tot mijn huis ontzeide?
Antipholus van Ephesus.
Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!
Deed die snaak daar met dat saffraangezicht
Vandaag in mijne woning zich te goed,
Terwijl de deur u helersdiensten deed
En mij den toegang tot mijn huis ontzeide?
Adriana.O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!
Adriana.
O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;
O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,
Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!
Antipholus van Ephesus.Te huis gegeten!—Vlegel, wat zegt gij?
Antipholus van Ephesus.
Te huis gegeten!—Vlegel, wat zegt gij?
Dromio van Ephesus.Te huis gegeten!—heer, neen, waarlijk niet.
Dromio van Ephesus.
Te huis gegeten!—heer, neen, waarlijk niet.
Antipholus van Ephesus.En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?
Antipholus van Ephesus.
En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?
Dromio van Ephesus.Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.
Dromio van Ephesus.
Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.
Antipholus van Ephesus.En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?
Antipholus van Ephesus.
En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?
Dromio van Ephesus.In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.
Dromio van Ephesus.
In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.
Antipholus van Ephesus.En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?
Antipholus van Ephesus.
En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?
Dromio van Ephesus.Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.
Dromio van Ephesus.
Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.
Antipholus van Ephesus.En ging ik niet in dolle woede weg?
Antipholus van Ephesus.
En ging ik niet in dolle woede weg?
Dromio van Ephesus.Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;Die heeft uw dolle woede wel gevoeld.81
Dromio van Ephesus.
Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;
Die heeft uw dolle woede wel gevoeld.81
Adriana.Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?
Adriana.
Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?
Knijp.Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.
Knijp.
Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,
Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.
Antipholus van Ephesus.Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz’len!
Antipholus van Ephesus.
Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz’len!
Adriana.Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,Door Dromio hier, die ’t ijlings hebben moest.
Adriana.
Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,
Door Dromio hier, die ’t ijlings hebben moest.
Dromio van Ephesus.Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.
Dromio van Ephesus.
Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,
Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.
Antipholus van Ephesus.Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?
Antipholus van Ephesus.
Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan halen?
Adriana.Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.
Adriana.
Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.
Luciana.Ik kan getuigen, dat zij ’t goud hem gaf.
Luciana.
Ik kan getuigen, dat zij ’t goud hem gaf.
Dromio van Ephesus.God en de touwverkooper zijn getuigen:Niets anders moest ik halen dan een touw.
Dromio van Ephesus.
God en de touwverkooper zijn getuigen:
Niets anders moest ik halen dan een touw.
Knijp.Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!Men boeie en breng’ hen in een donk’re cel.
Knijp.
Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;
Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!
Men boeie en breng’ hen in een donk’re cel.
Antipholus van Ephesus(totAdriana).Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur?(TotDromio.)En waarom loochent gij de beurs met goud?
Antipholus van Ephesus
(totAdriana).Spreek, waarom sloot gij heden mij de deur?
(TotDromio.)En waarom loochent gij de beurs met goud?
Adriana.Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.
Adriana.
Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.
Dromio van Ephesus.En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.
Dromio van Ephesus.
En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;
Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.
Adriana.Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.
Adriana.
Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.
Antipholus van Ephesus.Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles;En zijt het met vervloekte schoeljes eens,Om hoon en smaad te staap’len op mijn hoofd;Maar ’k rijt u met mijn nagels de oogen uit,Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.
Antipholus van Ephesus.
Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch in alles;
En zijt het met vervloekte schoeljes eens,
Om hoon en smaad te staap’len op mijn hoofd;
Maar ’k rijt u met mijn nagels de oogen uit,
Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.
Adriana.O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!
Adriana.
O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!
Knijp.Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.
Knijp.
Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.
Luciana.Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!
Luciana.
Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!
(Drie of vier Helpers komen op, omAntipholusvan Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)
Antipholus van Ephesus.Wat! legt gij ’t op mijn leven toe? Gij rakker,’k Ben uw gevang’ne; duldt gij, dat zij mijAan u ontrukken?114
Antipholus van Ephesus.
Wat! legt gij ’t op mijn leven toe? Gij rakker,
’k Ben uw gevang’ne; duldt gij, dat zij mij
Aan u ontrukken?114
Gerechtsdienaar.Mannen, laat hem los;’t Is mijn gevang’ne; gij blijft van hem af.
Gerechtsdienaar.
Mannen, laat hem los;
’t Is mijn gevang’ne; gij blijft van hem af.
Knijp.Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.
Knijp.
Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.
(Zij trachten ookDromiovan Ephesus te binden.)
Adriana.Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?Is ’t u een lust, als een ellendig manZichzelven kwaad en leed en schande doet?
Adriana.
Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?
Is ’t u een lust, als een ellendig man
Zichzelven kwaad en leed en schande doet?
Gerechtsdienaar.’t Is mijn gevang’ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,Wat hij betalen moet, op mij verhaald.
Gerechtsdienaar.
’t Is mijn gevang’ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,
Wat hij betalen moet, op mij verhaald.
Adriana.Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.Breng mij tot hem, die ’t geld te vord’ren heeft!Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.En, goede dokter, breng hem ongedeerdBij mij aan huis!—O diep onzaal’ge dag!
Adriana.
Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.
Breng mij tot hem, die ’t geld te vord’ren heeft!
Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.
En, goede dokter, breng hem ongedeerd
Bij mij aan huis!—O diep onzaal’ge dag!
Antipholus van Ephesus.O diep onzaal’ge sloor!
Antipholus van Ephesus.
O diep onzaal’ge sloor!
Dromio van Ephesus.Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!
Dromio van Ephesus.
Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!
Antipholus van Ephesus.Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?
Antipholus van Ephesus.
Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?
Dromio van Ephesus.Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,Wees dol! schreeuw: “Duivel! Hel!”
Dromio van Ephesus.
Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,
Wees dol! schreeuw: “Duivel! Hel!”
Luciana.God helpe u, armen! ach wat ijd’le taal!
Luciana.
God helpe u, armen! ach wat ijd’le taal!
Adriana.Gaat, voert hem weg!—Kom, zuster, ga met ons.
Adriana.
Gaat, voert hem weg!—Kom, zuster, ga met ons.
(Knijpen zijn Helpers af, metAntipholusvan Ephesus enDromiovan Ephesus.)
Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.
Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.
Gerechtsdienaar.Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?
Gerechtsdienaar.
Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?
Adriana.Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?
Adriana.
Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?
Gerechtsdienaar.Twee honderd stuks dukaten.
Gerechtsdienaar.
Twee honderd stuks dukaten.
Adriana.Twee honderd stuks dukaten.En waarvoor?
Adriana.
Twee honderd stuks dukaten.En waarvoor?
Gerechtsdienaar.’t Is voor een ketting, aan uw man geleverd.
Gerechtsdienaar.
’t Is voor een ketting, aan uw man geleverd.
Adriana.Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.
Adriana.
Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.
Courtisane.Zeer kort, nadat vandaag uw man als dolBij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,—Dien ik daareven aan zijn vinger zag,—Kwam ik hem tegen met een gouden keten.
Courtisane.
Zeer kort, nadat vandaag uw man als dol
Bij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,—
Dien ik daareven aan zijn vinger zag,—
Kwam ik hem tegen met een gouden keten.
Adriana.Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.—(Tot den Gerechtsdienaar.)Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlangTe weten, wat er van dat alles is.
Adriana.
Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.—
(Tot den Gerechtsdienaar.)Kom, breng mij naar den goudsmid; ik verlang
Te weten, wat er van dat alles is.
(Antipholusvan Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd doorDromiovan Syracuse.)
Luciana.God sta ons bij, daar zijn zij weder los!
Luciana.
God sta ons bij, daar zijn zij weder los!
Adriana.En ’t zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hemOp nieuw te binden!
Adriana.
En ’t zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hem
Op nieuw te binden!
Gerechtsdienaar.Op nieuw te binden!Voort! het geldt ons leven!
Gerechtsdienaar.
Op nieuw te binden!Voort! het geldt ons leven!
(Adriana,Lucianaen de Gerechtsdienaar af.)
Antipholus van Syracuse.Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.
Antipholus van Syracuse.
Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.
Dromio van Syracuse.Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.
Dromio van Syracuse.
Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.
Antipholus van Syracuse.Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;O, waren wij reeds goed en wel aan boord!
Antipholus van Syracuse.
Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;
O, waren wij reeds goed en wel aan boord!
Dromio van Syracuse.Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;—en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.
Dromio van Syracuse.
Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet gezegd zijn;—en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven en ook heksenmeester te worden.
Antipholus van Syracuse.Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!
Antipholus van Syracuse.
Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;
Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!
(Beiden af.)