Gedurende den maaltijd was het aan niets te bemerken, dat er aan boord van de Olijftak vreemde gebeurtenissen te wachten waren. Kapitein Brookes had aan hen, die wisten, wat er gaande was, zeer strenge bevelen gegeven, tegenover de verdere bemanning het stilzwijgen te bewaren en er voor te zorgen, dat de verrader door geen woord of gebaar argwaan zou krijgen.
Aan tafel heerschte dan ook dezelfde opgewekte en vriendelijke toon van anders, maar Taylor, of liever Schneider was niet geheel op zijn gemak; dat merkte Gerald wel. Hij mengde zich niet in de gesprekken en aan zijn zwevende blikken was het heel goed te zien, dat zijn gedachten elders waren.
Toen de maaltijd geëindigd was en de sigaren voor den dag kwamen, verontschuldigde de kapitein zich en ging heen.
"Nog iets bijzonders, Mr. Sinclair?" vroeg hij aan den officier van de wacht.
"'k Heb het achterste promenade-dek onderzocht en daar een katrol met een kabel gevonden."
"Ge hebt toch alles stil laten liggen, hoop ik."
"Ja, Sir."
"Heel goed. Het licht moet in mijn hut worden aangestoken en de gordijnen moeten gesloten worden. Houd een oogje op Taylor, zonder dat hij er iets van bemerken kan en kom mij waarschuwen, zoodra hij zich naar het achterdek begeeft."
Kort na middernacht kwamhet bericht, dat Taylor zichin de achtergalerij bevond en kapitein Brookes, Gerald, Stockton en de officier van de wacht verborgen zich op een plek, waar ze duidelijk de bewegingen van den verrader konden volgen.
Het was stikdonker. Alle lichten aan dek waren gedoofd, alleen een paar lantarens aan den voorsteven brandden, maar die waren van het promenade-dek af niet te zien. De Olijftak vervolgde kalm haar weg met een gang van ongeveer tien knoopen en ze liet een wit, lichtend spoor van schuim achter, dat afgebroken werd door den donkeren romp van het vrachtschip, dat een kabellengte verwijderd was.
Een kwartier lang bleef het doodstil, maar toen hoorden de mannen plots een plomp in 't water, veroorzaakt door den val van een donker voorwerp, dat ze overboord hadden zien vallen.
"Is hij over boord gesprongen?" fluisterde Jack Stockton.
"St! Neen, hij heeft de reddingboei over boord gegooid. 'k Zie de lijn, die er aan vast zit."
"Zoo is het," merkte kapitein Brookes op, die met een nachtkijker den omtrek verkende. "De reddingboei is uitgeworpen."
En toen hoorden ze voetstappen, dichtbij. Onwillekeurig weken ze achteruit en wierpen zich plat op den grond. Met ingehouden adem wachtten ze en daar verscheen boven de stalen verschansing de donkere omtrek van een menschelijke figuur. Dat was Schneider.
Dadelijk ging de man aan het werk. Met den meesten spoed hing hij den takel over den kabel, die de beide vaartuigen met elkander verbond en toen sloeg hij zijn eene been over den haak, die onder aan het blok bevestigd was. Stevig greep hij den takel vast en in deze ongemakkelijke houding waagde hij den moeilijken maar vrij ongevaarlijken overtocht. Hij stootte met het vrije been af en snel gleed de takel met zijn vracht langs het touw.
"We zullen wachten, tot hij halfweg is," zei de kapitein. Door zijn nachtkijker volgde hij den vluchteling en toenhij zag, dat deze zich midden tusschen de schepen bevond, een paar voet boven den waterspiegel, haalde hij zijn mes te voorschijn en begon den kabel door te snijden.
"Goede hemel!" fluisterde Stockton. "Zoo wordt die man vermoord!"
"Wees daarvoor maar niet bang," zei Gerald, "hij wordt alleen maar ondergedompeld: ze halen hem daarginds wel aan boord met het touw. Ga uit den weg en kijk uit, als de kabel stuk springt."
Nauwelijks was die waarschuwing gegeven, of de laatste vezels van den kabel scheurden stuk en het deel, dat op de Olijftak was vastgemaakt, zwaaide met kracht over het dek en het schip kreeg plotseling een sterk versnelde beweging, 't leek wel een hond, die zich van zijn ketting had losgerukt.
"Laat de zoeklichten werken," commandeerde kapitein Brookes. "Roer naar stuurboord!"
Het schip draaide rond en de machtige lichtbundels gleden over het golvende water en beschenen het vrachtschip, dat een paar mijlen verder onbeweeglijk lag als een zilveren bark.
"Nu zijn we klaar. Houdt het schip daar in het oog," vervolgde de kapitein. "En nu, mijne heeren, zullen we slapen gaan en de zaak tot morgen laten rusten."
Bij het aanbreken van den dag ging Gerald weer naar boven, nieuwsgierig om te zien, hoe het met de zaken stond. De kapitein was al present.
Het Duitsche vaartuig bevond zich op een kleine mijl afstand. De bemanning had de rest van den kabel aan boord gehaald en ze hadden zeker wel bemerkt, dat de breuk van het touw geen toeval was, maar dat het doorgesneden was, want ze hadden zeilen bijgezet en het schip bewoog zich langzaam naar het Z. Z. W.
Volgens het bevel van den kapitein, was de Olijftak zoo dicht bij het schip gebracht, dat het te beroepen was.
"Draai bij," riep kapitein Brookes met een stentorstem. "Ik zal een boot zenden."
"Mr. Slade," ging hij voort, zich tot één van de luitenants richtende, "wilt ge naar dat schip gaan en Mr. Taylor tot elken prijs terugbrengen. Mr. Tregarthen, wilt u Mr. Slade vergezellen?"
In een oogenblik was de boot gestreken en bemand met matrozen, die met sabel en revolver gewapend waren. De luitenant beschikte ook over een pistool, maar Gerald wilde liever ongewapend meegaan.
Toen ze het vreemde schip naderden, zagen ze op de verschansing de krachtige figuren der Duitsche matrozen, die niet van plan schenen hen aan boord te laten komen.
"Werp ons een lijn toe, als ge wilt?" riep Slade.
"Wat komt ge hier doen?" vroeg de gezagvoerder van het vrachtschip.
"We komen den man halen, die van nacht van ons schip gedeserteerd is. We weten, dat ge hem geholpen hebt bij zijn vlucht."
"Hier aan boord komt ge niet," riep de gezagvoerder vastberaden. "Hebt ge onze vlag gezien? Dit schip is Duitsch grondgebied," en hij wees naar den achtersteven, waar de rood, wit en zwarte vlag wapperde.
"Riemen binnen boord!" commandeerde de luitenant en de boot gleed langs de zijde van het schip en de bootsman probeerde zijn haak over de verschansing te slaan. Het glimmende staal van een bijl flikkerde in de zon en het volgende oogenblik viel de ijzeren haak met een stuk van den stok in de boot, gelukkig zonder iemand te treffen.
"Doe dat nog eens, en ik zal laten vuren," schreeuwde Slade, die rood geworden was van ergernis.
Toen boog zich de gezagvoerder van het Duitsche schip over de leuning van de brug en richtte zijn revolver.
"Zeeroovers!" bulderde hij. "Houdt af, of ik schiet."
Hij gaf een onverstaanbaar bevel en toen daalde er een hagelbui van brokken steenkool en stukken ijzer neer op de mannen in de boot, waarvan sommige ernstig werden gekwetst.
Nu was het uit met het geduld van den luitenant: zondereen oogenblik te aarzelen trok hij zijn revolver, richtte snel en haalde den trekker over.
Er kwam geen vuurstraal, geen rook, toen het schot afging, alleen trilde de arm van den luitenant even, maar Tregarthen zag den Duitscher wankelen, de linkerhand aan den rechterschouder brengen en op 't dek vallen, terwijl zijn machtelooze hand het pistool losliet.
"Nu aan boord, mannen!"
Ontsteld door hetgeen ze hun gezagvoerder zagen overkomen en verrast door de geheimzinnige wijze, waarop hij getroffen was, bood de bemanning weinig weerstand en binnen enkele minuten waren de matrozen van Slade meester van het dek van het Duitsche schip.
Nadat Slade een sein gegeven had, kwam er een tweede boot van de Olijftak, waarin zich een aantal matrozen en de dokter bevonden. Toen deze aan boord was, werd eerst de wond van den gezagvoerder onderzocht en die bleek niet gevaarlijk, het was een vleeschwond, het been was niet geraakt. Nadat een verband was aangelegd, werd de gekwetste naar zijn hut gebracht.
"Zeg, Tregarthen," riep Slade, "jij spreekt hun taal; vraag eens aan den eersten stuurman, of hij al zijn volk op het dek wil laten aantreden."
Gerald voldeed aan het verzoek en bracht het bevel over, dat door den Duitscher, die den moed niet had te weigeren, werd opgevolgd.
Zoodra de matrozen op het dek bijeen waren, droeg Slade aan enkele van zijn mannen op, de Afrika — zoo heette het schip — te doorzoeken.
Een nauwkeurig onderzoek leverde echter niets op: er was geen spoor van den vermiste te vinden. De stuurman werd in verhoor genomen, maar ook daardoor kwam men niet verder: zelfs bedreigingen hadden geen uitwerking.
Ten slotte verloor Slade zijn geduld; hij trok zijn revolver en richtte het op het hoofd van den stuurman, terwijl hij Tregarthen verzocht hem mee te deelen, dat Taylor voorden dag moest worden gebracht, dood of levend en wel binnen vijf minuten.
image: 03_wankelen.jpg
image: 03_wankelen.jpg
[Illustratie: Tregarthen zag den Duitscher wankelen. Pag. 60]
[Illustratie: Tregarthen zag den Duitscher wankelen. Pag. 60]
De vastberaden uitdrukking in de oogen van den luitenant deed den stuurman vreezen, dat hij zijn bedreiging zou ten uitvoer brengen en daarom vond hij het raadzaam, zich niet langer te verzetten. Hij gaf een bevel aan twee van zijn mannen, die nu met vier matrozen van Slade in het voorste ruim afdaalden.
Hier werd de deserteur gevonden, verborgen in een ledige tank en ondanks zijn heftig verzet werd hij aan dek gebracht en zonder omslag geboeid en daarna in de boot geplaatst. Daar nu het doel van den tocht bereikt was, keerden de booten naar de Olijftak terug.
"Brengt hem beneden en sluit hem op in zijn hut," beval kapitein Brookes kortaf. "Laat twee man op hem toezien, dat hij de hand niet aan eigen leven slaat. Mr. Tregarthen," voegde hij er bij, "ik dank u voor den dienst, dien ge bij deze gelegenheid bewezen hebt. Ge zult zeker wel behoefte hebben aan wat eten; uw ontbijt staat klaar."
"'t Verwondert me, dat de kapitein zoo goed wist, dat ik nog ontbijten moet," zei Gerald tot zijn vriend Jack, toen ze beiden aan tafel zaten.
"Daar begrijp ik ook niets van," antwoordde Stockton, die op de hoogte was van alle bijzonderheden omtrent den tocht naar de Afrika. "Maar wat me nog meer verwondert, is, dat hij zich ten doel stelt den oorlog uit te roeien. Daarvoor kiest hij al een heel vreemden weg. Het slot zal zijn, dat de Olijftak als een roofschip zal worden aangemerkt en dat wij aan de galg komen."
"We hebben hier zeker met een geval van zeeroof te doen," zei Gerald. "En het zou me niet verwonderen, als binnen een paar weken een internationaal eskader werd uitgezonden om ons te vervolgen."
Terwijl Tregarthen zoo sprak, had kapitein Brookes zonder eenig bedenken de witte vlag laten hijschen op de Olijftak, die snel wegvoer van het Duitsche schip, dat ze hadden aangevallen.
Zes glazen in de voormiddag-wacht. De Olijftak gleed met een snelheid van tien knoopen door het kalme water, terwijl de tropische zon fel brandde op de zonnetent, die over het campagne-dek was uitgespannen.
Alle officieren waren daar in een halven kring gezeten en daarachter stonden de matrozen opgesteld, voor zoover ze niet elders op het schip onmisbaar waren. Er heerschte een stemming van ernst, want er zou recht gesproken worden over Taylor, beschuldigd van desertie en verraad.
"Breng den gevangene voor!" beval de kapitein en een oogenblik later verscheen de beschuldigde onder geleide van twee gewapende matrozen aan dek en werd tegenover zijn rechters geplaatst.
"Mark Taylor," zoo begon luitenant Palmer, die als aanklager optrad, zijn rede, "ge wordt beschuldigd van desertie. Ge hebt uw post en dit schip zonder voorkennis en toestemming van den kapitein verlaten om een schuilplaats te zoeken aan boord van het Duitsche schip de Afrika. Niet tevreden met deze schending van de krijgstucht hebt ge aan den gezagvoerder van genoemd Duitsch vaartuig geheimen verraden, die alleen aan den kapitein van de Olijftak toebehooren. Bekent ge aan deze misdaden schuldig te zijn of niet?"
"Ik ben onschuldig. Ik —"
"Dat is voor het oogenblik genoeg.", viel hem de luitenant in de rede. "Straks zult gij de gelegenheid krijgen, u nader te verklaren."
Eerst werden nog vijf getuigen gehoord, die de beschuldigingen kwamen bevestigen en daarna mocht de beklaagde zich verdedigen.
Hij gaf toe, dat hij het schip had verlaten, zonder daartoe verlof te hebben ontvangen, maar hij ontkende ten stelligste eenig geheim van de Olijftak te hebben verraden aan den gezagvoerder of aan een lid van de bemanning van de Afrika. Hij begon in zuiver Engelsch, maar hoe verder hij kwam, des te meer werd een vreemd accent in zijn uitspraak merkbaar.
"En ten slotte wijs ik er op, dat ik Duitsch onderdaan ben en dus onder bescherming sta van de Duitsche vlag en de Duitsche regeering," verklaarde hij aan het eind van zijn verdediging.
"Als ge inderdaad een Duitscher zijt," bracht de kapitein in het midden, "waarom hebt ge dat dan niet gezegd, toen ge hier aan boord kwaamt en waarom hebt ge dat dan tot nu toe geheim gehouden?"
"Ik ben een Duitscher," herhaalde de gevangene. "Ik heet geen Taylor, maar Schneider. Dat heb ik aan deze heeren verteld." — met een handbeweging duidde hij Gerald en Jack aan. "Ik heb hun gezegd, dat ik Duitsch onderdaan was en dat ik bij de eerste de beste gelegenheid het schip wilde verlaten; zij wisten er dus alles van."
"Waarom hebt ge mij daarvan niet op de hoogte gesteld?" vroeg de kapitein zich richtend tot Gerald.
"De man kwam op een avond zeer opgewonden in mijn hut. Inderdaad vertelde hij toen, dat hij Schneider heette en hij begon een verhaal van bijzonderheden uit zijn vroeger leven en klachten over zijn tegenwoordig bestaan. Wij hebben hem toen aan zijn verstand gebracht, dat hij zich bij u moest vervoegen, als hij grieven had. En toen gaven we hem zijn afscheid."
"Dank u," zei kapitein Brookes en toen vroeg hij aan den beschuldigde: "En kunt u mij ook zeggen, waar zich de beschrijving bevindt van de vervaardiging van onze 15 cM. granaten?"
"In één van de kasten van het laboratorium," antwoorddeSchneider, die bij deze vraag nog bleeker was geworden.
"Zoo; en als ik u onder geleide naar het laboratorium zend, kunt u het stuk dan vinden?"
"Als het er niet meer is, dan is het gestolen; misschien hebt u het ergens laten verstoppen?"
"Het is gestolen, Sir," viel de kapitein driftig uit, "en wel door u. Het is gevonden door luitenant Slade in de hut van den gezagvoerder van de Afrika. Wat hebt ge daarop te zeggen?"
Schneider beefde over al zijn leden zoo hevig, dat één van de matrozen hem moest ondersteunen om te maken, dat hij niet op 't dek neerstortte.
"En nu heeren, het vonnis."
"Schuldig aan beide misdaden."
"Mark Taylor, of liever Schneider, ge zijt schuldig bevonden aan desertie en verraad. Wat de eerste misdaad aangaat, moet ik toestemmen, dat ik niet het recht had u te berooven van de bescherming van de Duitsche vlag, omdat u Duitsch onderdaan zijt. Maar daar is niets meer aan te veranderen, ik zal zelf de gevolgen van die daad moeten dragen en dat doe ik heel gerust, want ik vrees zelfs de heele vloot van Duitschland niet. Wat het verraad aangaat, wijs ik erop, dat ge geheel vrijwillig de betrekking van verantwoordelijk officier aan boord van de Olijftak onder mijn commando hebt aangenomen. In iedere gemeenschap is verraad tegen het hoogste gezag strafbaar met den dood en ik beschik over de macht om die hoogste straf aan u te voltrekken. Ik wil echter verzachtende omstandigheden laten gelden: uw misdaad heeft voor ons geen nadeelige gevolgen gehad en de verleiding was sterk, daar ge geheel de beschikking over het stuk hadt, dat ge aan uw landgenoot hebt willen overleveren. Op grond hiervan verander ik de doodstraf in die van eenzame opsluiting gedurende den tijd, waarin de Olijftak dienst doet. Natuurlijk wordt u voldoende lichaamsbeweging toegestaan met het oog op uw gezondheid. — Breng den gevangene weg!"
Onder geleide van twee gewapende matrozen werdSchneider van het campagne-dek gebracht en bij 't afdalen van de ladder ging één van de mannen hem vóór, terwijl de andere hem onmiddellijk volgde.
De gevangene daalde twee sporten van de ladder af, maar keerde zich toen plotseling om en stootte den man, die hem volgde naar beneden. Van de verwarring, die daardoor ontstond, maakte hij gebruik om naar de verschansing te snellen en het volgende oogenblik wierp hij zich met een forschen sprong over boord.
Allen snelden toe, om te zien, hoe het treurspel zou eindigen, maar de ongelukkige man was in de diepte verdwenen en kwam niet meer boven.
"Dat heeft ons ontslagen van heel wat moeilijkheden in de toekomst, en we hebben er eigenlijk ook al last genoeg van gehad," mompelde kapitein Brookes.
Den volgenden dag voer de Olijftak langs de oostkust van Patagonië, zóó dicht, dat duidelijk aan stuurboord de ruwe, kale heuvels van dat onherbergzame land te zien waren.
"Zoo, goeden morgen, Mr. Tregarthen," riep kapitein Brookes, toen Gerald aan dek kwam. Hij sprak met een minzaamheid, die in de laatste dagen ver te zoeken was geweest, maar nu had hij zijn gewone opgewektheid blijkbaar teruggevonden. "Nu denk ik, dat ons schip wel gereed is voor den strijd, tenminste wat de bewapening betreft. Er zullen nog wel gebreken zijn, maar die zullen we wel vinden en verhelpen. Ik ben van plan eens een proef te nemen met de strijdmiddelen van de Olijftak, zonder gebruik te maken van haar electrische kracht. Binnen een uur krijgen we Carlos Rock in zicht — u hebt daar zeker wel eens van gehoord."
"Neen, Sir."
"Carlos Rock is een klein, onbewoond eiland met een omtrek van minder dan een kwart mijl, terwijl de grootste hoogte 600 voet bedraagt. Hoeveel ronden van een 35 cM. kanon zullen noodig zijn, om het te vernietigen, denkt ge?"
"Dat kan ik niet zeggen, sir, maar één treffer zou er al een geducht gat in slaan."
"Als ge mij vergezellen wilt in den commandotoren, kunnen we zien, wat de Olijftak kan uitrichten."
Een hoornsignaal riep alle hens aan dek en binnen een paar minuten was de geheele bemanning bezig schotten en dwarsbalken weg te nemen. Een tweede signaal volgde en toen werd het dek door allen verlaten.
"Dat noemen ze nu, klaar voor het gevecht," dacht Tregarthen, maar voor hij zijn verwondering had uitgedrukt, bracht kapitein Brookes een paar hefbomen in beweging. Geluidloos zakten nu de massief-stalen windschutten met het dek naar omlaag, de schoorsteen verdween en de booten en andere voorwerpen, die zich op 't dek bevonden daalden neer in ruimten, die daarvoor waren aangebracht. Tegelijkertijd werden de waterdichte schotten hermetisch gesloten. Op het geheele bovendek bevond zich nu niets meer; alleen de vier torens, de lichte snelvuur-kanonnen en de zware commando-toren staken er boven uit.
"Hoe vindt ge dat?" vroeg kapitein Brookes, in geestdrift. "Nu zijn we gereed om aanvallen van torpedobooten af te slaan. En kijk nu eens, als ik dezen hefboom in beweging breng."
Nu verdwenen de snelvuurkanonnen onder het pantserdek en zware stalen platen schoven zonder eenig gerucht over de ruimten, waarin ze neerzakten.
"Dit zijn onze voorzorgen. Aan boord van bijna alle moderne slagschepen is de lichte bewapening, die dienen moet om torpedo-aanvallen af te slaan, slecht beschermd. Komt het tot een treffen, dan is het lichte geschut binnen vijf minuten vernietigd. Hier staan de kanonnen veilig en wij kunnen ze gebruiken, zoodra wij ze noodig hebben. Kijk, daar is Carlos Rock."
Gerald keek op en zag een steenen kolossus, die loodrecht uit de zee oprees, gebeukt door de golven, die in witte schuimvlokken uiteenspatten tegen zijn voet.
Intusschen had kapitein Brookes den kwartiermeesterbevel gegeven op een afstand van twee mijlen om het eiland heen te varen om zich ervan te kunnen overtuigen, dat het inderdaad geheel onbewoond was. Tien minuten waren voldoende voor het volbrengen van deze rondvaart en in dien tijd zochten de officieren met hun kijkers de treurig verlaten rots af. Geen menschelijk wezen was er te zien; duizenden zeevogels waren de eenige bewoners.
"Let nu op!" zei de kapitein tot Gerald. "Ik kan niet in bijzonderheden treden, maar gij zult wel begrijpen, wat ik bedoel. Alle acht de kanonnen zijn twee aan twee met elkaar verbonden en gereed voor het afvuren van een volle laag. Kom nu hier en kijk door deze opening."
Tregarthen voldeed aan de uitnoodiging en toen haalde kapitein Brookes een hefboom over. Even ging een bijna onmerkbare trilling door het schip en een kleine terugslag werd gevoeld, een dunne, nevelachtige, bruine rook steeg omhoog, maar geluid van kanonschoten werd niet gehoord, alleen het gieren van de projectielen, die met een snelheid van 2500 voet per seconde uit de loop gedreven werden. Het geheele rotseiland werd in een stofwolk gehuld en het doffe gerommel van vallende steenblokken werd gehoord.
"De rots ziet er nu heel anders uit, Sir," riep Gerald uit, toen hij de uitwerking van het geschutvuur door zijn kijker had opgenomen.
"Zoo!" zei de kapitein. "Zou er een schip zijn, dat daartegen bestand is? Maar ga nu beneden eens kijken naar het laden van de stukken, dan zullen we daarna gedurende een halve minuut snelvuur afgeven."
Tregarthen verliet nu den commando-toren langs een stalen wentel-ladder en kwam in de ruimte onder het pantserdek, waar hij bijna de geheele bemanning van het schip bijeen vond; ook de mannen, die de pantsertorens commandeerden. Hij begreep er niets van, dat deze niet op hun post waren.
Matrozen, het bovenlijf geheel bloot, waren bezig met het aanrijden van granaten op kleine kruiwagens uit het magazijn. De projectielen werden in een grooten metalenbak geplaatst, die in verbinding stond met den voorsten toren. Wanneer er zoo twaalf ronden in den bak geplaatst waren, gingen de deuren dicht en daarboven scheen een helder rood licht.
Even ging er een zachte trilling door het schip en dat herhaalde zich tot twaalf maal toe in minder dan vierentwintig seconden. In het volgende oogenblik vlogen de deuren van den bak open en twaalf ledige, zwak rookende cilinders vielen op den vloer; een matroos wierp een emmer water in de ruimte en de nieuwe lading was gereed.
Maar daar schetterde weer een hoornsignaal: "ophouden met vuren" en de officieren gingen aan dek om de uitwerking te zien van het geschutvuur.
"Hoe is dat gegaan?" vroeg kapitein Brookes. "Met uitzondering van drie man en ik zelf, was de geheele bemanning veilig en wel onder het pantserdek. Automatisch laden en vuren, met volkomen zekere trefkans, daarmee zijn we onoverwinnelijk."
"'k Zou zeker niet gaarne aan boord zijn van een schip, dat door een volle laag van uw kanonnen werd getroffen," merkte Gerald op. "Maar als nu gedurende den strijd de richting van een paar kanonnen zich wijzigt, zoodat een deel van het schip in de vuurlijn komt?"
"Daar is rekening mee gehouden. Dan wordt onmiddellijk het verband van den toren, waarin ze zich bevinden met de rest verbroken. Het samenwerken van de vier torens is niet bepaald noodig; ze kunnen ook ieder op zich zelf vuren. Dan neemt dadelijk de kommandant van den toren de leiding van zijn afdeeling op zich. De kans, dat wij ons eigen schip zouden beschadigen, bestaat dus niet."
Hier werd het gesprek gestoord door de komst van een matroos.
"Er is zoo even een draadloos bericht ontvangen Sir," meldde hij en overhandigde, terwijl hij salueerde, een gesloten enveloppe.
Kapitein Brookes opende het couvert en las een paar malen den inhoud, zonder dat zijn gezicht door veranderingdeed vermoeden, van welken aard de inhoud was. Daarop wendde hij zich tot de officieren, die op het campagnedek tegenwoordig waren.
"Heeren," riep hij uit, "het bericht dat ik daar ontvang, is van de grootste beteekenis. De gezagvoerder van de Afrika heeft gerapporteerd, dat hij aangevallen is door een schip, dat de witte vlag voert en er zijn reeds klachten ingebracht bij den Duitschen gezant te Londen. De Britsche regeering heeft echter onmiddellijk verklaard, dat het ten eenen male onmogelijk was, dat de aanval zou gedaan zijn door een Engelsch oorlogsschip, volgens de beschrijving moest het de Almirante Constant geweest zijn. Ten gevolge van die verklaring hebben de Britsche en de Duitsche regeering een nota aan de andere staten gezonden, waarin dat schip als een roofschip wordt gebrandmerkt, met verzoek het aan te houden, waar daartoe de gelegenheid bestaat. En zoo, mijne heeren, is de Olijftak een boekanier van den nieuwen tijd geworden. Iedere reede en elke haven is voor ons gesloten. Maar dat zal mij niet weerhouden den taak, dien ik mij gesteld heb, te volbrengen. Bij de vervolging, waaraan wij nu blootstaan, zal ik nooit een enkel schot lossen op een Engelsch schip, ik vertrouw dan op de snelheid van de Olijftak om den aanvaller te ontkomen, maar als een schip van een andere mogendheid het waagt ons aan te vallen, dan zal ik het een geduchte waarschuwing geven. En als die niet helpt, dan zullen ze tot hun schade en schande al de kracht gevoelen, van de verdedigingsmiddelen, waarover wij beschikken."
Zonder eenig ongeval bereikte nu de Olijftak de kust van Chili. De vijandelijkheden tusschen dit land en zijn ouden mededinger Peru, waren uitgebroken, maar uitgezonderd eenige onbeduidende schermutselingen van voorposten aan de grenzen, waren er nog geen gevechten geleverd. Geen van de beide republieken durfde er toe overgaan zijn leger in het vijandelijke gebied te zenden, voor men er zeker van was, dat er van den zeekant geen gevaar was te duchten. Het eerste bedrijf van den strijd moest ter zee worden afgespeeld en iederen dag kon men een ontmoeting van de twee vijandelijke vloten verwachten.
De Olijftak was dadelijk in verbinding gekomen met den agent van kapitein Brookes te Antofagasta aan wien door middel van een draadloos bericht werd opgedragen, aan de Presidenten van Chili en Peru een ultimatum te stellen. Binnen drie dagen moesten de vloten terug keeren in de haven, die ze hadden verlaten, of de Olijftak zou zich genoodzaakt zien, tusschenbeide te komen.
Aan de opdracht werd voldaan: het ultimatum werd aan de Presidenten gesteld en de voornaamste kranten maakten er melding van. Natuurlijk werd toen die vreemde tijding druk besproken en men vroeg elkander, wat voor schip toch eigenlijk die Olijftak was en van welke nationaliteit het was. Niemand kon die vragen beantwoorden en daarom kwam men tot het besluit, dat de heele geschiedenis een verzinsel was van een handigen grappenmaker of van iemand, die zijn verstand kwijt was. De beide Staatshoofden dachten er ook zoo over en wijdden daarom verder niet deminste aandacht aan het ultimatum. Niemand kwam op de gedachte, dat de Olijftak hetzelfde schip kon zijn als de Almirante Constant, die bij Pernambuco de Duitsche vlag beleedigd had en dat was geen wonder ook, want welk vaartuig zou den afstand van Pernambuco naar Valparaiso — 4600 mijlen — binnen vier dagen hebben kunnen afleggen.
In Chili kwam men op de gedachte, dat het ultimatum een list was van Peru om den vijand schrik aan te jagen en zoo koos de Chileensche vloot in alle gerustheid zee.
Dit nieuws werd aan de Olijftak meegedeeld uit Antofagasta en spoedig volgde het bericht dat de Peruaansche vloot de haven van Callao had verlaten, stoomende in zuidelijke richting.
Dadelijk had nu kapitein Brookes zijn plan gemaakt. Hij wilde de Chileensche schepen te gemoet varen, erlangs heen koersen, zoodat hij tusschen de beide vloten in kwam en dan had hij ze in zijn macht.
Ongelukkigerwijze zou het echter anders loopen. Eerst ging alles naar wensch: de vloot van de zuidelijkste republiek kwam in het gezicht en stoomde voorbij, maar inmiddels had de Peruaansche vloot haar koers gewijzigd en voer naar Iquique.
"Daar zijn ze," riep kapitein Brookes op een der volgende dagen tegen het vallen van den avond en hij wees naar een nevelvlek aan den overigens helderen horizon.
"'t Is nu te laat, om vandaag nog iets te ondernemen. Ik zal hun een flinke portie Z-stralen toedienen, zoodat ze gedurende den nacht machteloos zijn. Morgen kunnen we dan de zaak voortzetten."
De Peruaansche vloot, die geen gebruik kon maken van haar licht-installatie en geen zoeklicht kon laten werken, koerste hulpeloos rond en trachtte op goed geluk vooruit te komen in de richting van Iquique. Niemand begreep, hoe het mogelijk was, dat zoo plotseling de werking van alle electrische instrumenten verlamd was en de geheele bemanning verkeerde in zenuwachtige spanning, vreezende voor een aanval van de Chileensche vloot.
Bij het aanbreken van den volgenden dag besloot kapitein Brookes vooreerst den afstand tusschen de Olijftak en de vijandelijke schepen eenige mijlen grooter te maken om zelf geen last te krijgen van de Z-stralen, waarmee hij werkte. Hij gaf dus bevel, den steven te wenden.
Terwijl deze beweging werd uitgevoerd, deed plotseling een vreeselijke ontploffing het vaartuig van het voor- tot het achterschip hevig schudden en aan stuurboord spoot een reusachtige waterzuil omhoog.
"Hemel, een mijn!" riep Gerald uit.
Hij had gelijk. De Peruanen hadden de zee met mijnen bestrooid en bij de wending hadden de stuurboord-schroeven van de Olijftak zulk een gevaarlijk voorwerp geraakt.
De bemanning bleef bedaard, er was geen sprake van een paniek: ieder was dadelijk op zijn post. De timmerman kwam aan dek met de geruststellende verklaring, dat het schip geen water maakte en een machinist berichtte, dat de drie schroeven aan stuurboord vernield waren, zoodat men de motoren had moeten stopzetten. De drie overige, onbeschadigde schroeven konden dus maar alleen werken en de snelheid van het schip was teruggebracht tot vijftien knoopen.
"Daar zullen ze voor boeten!" zei kapitein Brookes volmaakt kalm. "Als het heelemaal dag is, zullen we eens laten zien, waartoe de Olijftak wel in staat is."
De schemering duurde maar kort en toen eenmaal de zon boven de kim stond, zag men duidelijk de Peruaansche vloot op een afstand van zeven mijlen naar het oosten.
Ze bestond uit vier pantserkruisers, de Santa Rosa, Lima, Independencia en de Restauracion, en drie kanonneerbooten. Met de matige snelheid van zoowat veertien knoopen verwijderden zich de schepen in oostelijke richting.
Plotseling echter tot groote verrassing van de bemanning van de Olijftak, wendde de Independencia den steven, zonder twijfel met het doel een aanval te doen. Op drie kabelslengte volgde de Restauracion.
Alles was gedurende den nacht aan boord van de Olijftakgereed gemaakt voor het gevecht, zoodat de matrozen en officieren niets anders te doen hadden dan op de hun aangewezen posten te gaan.
image: 04_ongelukkige.jpg
image: 04_ongelukkige.jpg
[Illustratie: Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen. Pag. 77]
[Illustratie: Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen. Pag. 77]
"De afstand is niet groot genoeg, om gebruik te kunnen maken van onze ZZ-stralen," zei kapitein Brookes tot Gerald, die zich bij hem in den uitkijktoren bevond. "Ik zal bevel geven tot afzonderlijk vuren uit de verschillende torens."
Met volle kracht kwam de Independencia aanstoomen, zoodat het schuimende water hoog opspatte voor den boeg. Dikke, zwarte rook golfde uit de schoorsteenen en wel vijf roodwitte nationale vlaggen wapperden van de masten.
Eensklaps opende ze het vuur uit een 12 c.M. kanon en een 45 ponder huilde door de lucht. Gerald stond onbeweeglijk bij de nadering van het projectiel, dat recht op den toren afkwam en hij kon er niet toe besluiten de opening in de pantsering te verlaten. Het was niet de eerste maal, dat hij een projectiel met de oogen in zijn loop volgde, maar dan stond hij achter het kanon, waaruit het was afgevuurd; nu was echter de toestand een geheel andere.
Een oogenblik later hoorde hij een vreeselijken slag boven zijn hoofd, gevolgd door een regen van staalsplinters en een dikken, verstikkenden rook.
"De brug is getroffen," zei kapitein Brookes even kalm, alsof hij de meest gewone zaak van de wereld besprak. Even drukte hij op een knop, waardoor het bevel gegeven was, het vuur te openen uit den voorsten toren.
De beide 15 c.M. kanonnen werden tegelijk afgeschoten, zonder dat er eenig geluid werd gehoord. Met wiskundige zekerheid troffen de granaten haar doel en de uitwerking was verschrikkelijk. Het ongelukkige schip was uit elkaar geslagen en toen de zwakke rook geheel was opgetrokken, duidde alleen de beweging in het water aan, waar de kruiser in de golven was verdwenen.
De Restauracion wilde blijkbaar niet eenzelfde lot ondergaan: ze wendde den steven en zocht haar heil in een overhaaste vlucht. Ook de andere kruisers volgden dat voorbeelden lieten de kanonneerbooten, die niet zoo snel voort konden, aan haar lot over. Kapitein Brookes, die tevreden was met de behaalde overwinning, zag echter van alle vervolging van zijn vijanden af.
"Het ziet er mooi voor ons uit," zei Gerald, toen hij zich weer bij zijn vriend Stockton gevoegd had, "een beschadigd schip en alle havens onherroepelijk voor ons gesloten."
"Zouden ze de schade kunnen herstellen?" vroeg Jack. "En als ze het niet kunnen, is dan de toestand gevaarlijk?"
"Als het er alleen maar om ging, de beschadigde schroeven door andere te vervangen, dan zou het wel in orde komen, doch de assen zijn vernield en dat maakt de zaak bezwaarlijk."
"Laten we ons maar niet bezorgd maken; ik houd me ervan overtuigd, dat kapitein Brookes er wel wat op vinden zal. Maar weet je, waarnaar ik erg benieuwd ben? Hoe het gaan zal, wanneer we worden aangehouden door een Britsch oorlogsschip. Als de kapitein zijn woord houd, dan mag hij geen gebruik maken van zijn verdedigingsmiddelen en als hij wil vluchten, dan worden we stellig ingehaald, nu we drie van onze schroeven kwijt zijn."
"Het is wel te hopen, dat we niet op de proef zullen worden gesteld. Maar heb je de uitwerking gezien van het schot, dat ons straks getroffen heeft. De heele brug is weggerukt, alsof hij van bordpapier vervaardigd was. Het stuurstoel is daardoor geheel vernietigd en we zijn dus voor het besturen van het schip aangewezen op de inrichting in den commando-toren, totdat de schade zal hersteld zijn. Maar laten we wat uit den weg gaan: daar komt kapitein Brookes."
De kapitein ging voorbij, maar hij was zoo in zijn gedachten verdiept, dat hij de twee vrienden niet opmerkte. Het was stellig een moeilijk vraagstuk, dat zijn geest vervulde en dat hij wilde gaan uitwerken in de rustige eenzaamheid van zijn hut.
"Hoe is de koers, Mr. Slade?" vroeg Gerald aan den officier van de wacht.
"We zullen spoedig een aanval doen op de Chileensche vloot."
"Weer een vuurgevecht?"
"Daar kan ik niets van zeggen."
Al heel gauw kreeg men nu den nieuwen vijand in zicht. Terstond werd de aanval begonnen en gevolgd door een zeer gemakkelijke overwinning, die geen menschenlevens kostte. Door middel van de Z. stralen werd de vijandelijke vloot machteloos gemaakt en daarop zond men een bericht naar het vlaggeschip van admiraal Zaetos, waardoor deze op de hoogte kwam van den ondergang van de Independencia. De geschiedenis van de Olijftak was dus geen fabeltje en de Chileensche vlootvoogd stemde er in toe, terug te keeren naar Iquique om nieuwe bevelen aan den President te vragen. Zoo was dus de Olijftak meester van de zee.
"En nu zullen we onze schade gaan herstellen," zei kapitein Brookes vroolijk. "Zijt ge bekend met de haven van Talcahuano, Mr. Tregarthen?"
"Neen, Sir."
"Jammer genoeg, want geen van mijn officieren is er ooit geweest, en toch moeten we er binnenvallen, want er is een droogdok, het eenige aan de westkust van Zuid-Amerika, dat groot genoeg is, om ons schip op te nemen. En of ze er in zin hebben of niet, ik ben van plan daar de Olijftak weer geheel zeewaardig te laten maken."
Vroeg in den volgenden morgen kwam de haven van Talcahuano in zicht. Kapitein Brookes begon met de stad te isoleeren, door met de Z. stralen alle telegraphische verbindingen te verstoren. Buiten de haven bevond zich ook een klein koopvaardijschip en de kapitein liet den gezagvoerder daarvan bij zich aan boord komen en verzocht hem als loods dienst te doen om de Olijftak binnen te brengen.
"Dank u wel, senor, dat durf ik niet!" riep de man doodelijk verschrikt. "De havenmond ligt vol mijnen; daarom ben ik ook buitengaats gebleven."
"Zijt ge daar zeker van?"
"Ja, senor."
"Nu heeren, ge hoort, wat de man zegt," vervolgde kapitein Brookes, zich tot zijn officieren wendend. "Wat moet er gebeuren?"
"We laten de beslissing geheel aan u over, Sir," antwoordde luitenant Sinclair.
"Dat had ik wel verwacht. En nu, senor, aan het roer, we gaan vooruit, of er één of vijftig mijnen liggen, voor zonsondergang moeten we in het droogdok zijn. Mr. Palmer, maak de duikboot gereed."
Toen Gerald dit bevel hoorde, maakte zich een eigenaardige gewaarwording van hem meester. 't Was een verrassing voor hem, dat de Olijftak ook zulk een krachtig wapen bezat, maar die bevreemding werd geheel overstemd door de onstuimige begeerten om aan de avontuurlijke tocht van zoo'n vaartuig deel te nemen.
Maanden geleden reeds had hij zich opgegeven voor den dienst aan boord van een onderzeeër en hij was op de lijst van vrijwilligers geplaatst, maar zijn hoop, om aan de beurt te komen, was nog niet verwezenlijkt.
"Mag ik Mr. Palmer vergezellen, Sir?" vroeg hij.
"'k Denk niet, dat het gaan zal. Dit is alleen werk voor geoefende mannen."
Gerald voelde zich heel onaangenaam getroffen door de weigering, maar gewend, zich te schikken naar de bevelen van zijn meerderen, liet hij niets van zijn teleurstelling blijken.
De Olijftak bevond zich nu op ongeveer twee mijlen van den ingang van de haven, die aan weerszijden beschermd werd door steenen forten en aarden werken, waarboven de Chileensche vlag wapperde; rood, wit en blauw met een witte ster in den rechter bovenhoek. Daar achter zag men de stad en aan den horizon in een blauwig waas de Andes, waarvan de besneeuwde toppen zich verhieven tot een hoogte van 1400 voet.
"Denkt ge, dat ze zullen vuren, Mr. Sinclair?" vroeg kapitein Brookes, wijzende naar de forten.
"Daar ben ik niet bang voor, Sir; ze zullen het wel op de mijnen laten aankomen. Sedert den laatsten oorlog hebben ze hier den grootsten eerbied voor pantserschepen en ze zullen zich tweemaal bedenken, vóór ze zich aan een artillerie-duel wagen."
"Goed, daar zullen we dan op rekenen. Zijn uw mannen klaar, Mr. Palmer?"
"Ja, Sir."
"Denk er dan om, dat we vóór zonsondergang in het dok moeten zijn. — Wat ik zeggen wil, Mr. Tregarthen, hebt ge wel eens deelgenomen aan oefeningen in sluipgevechten?"
"Dikwijls, Sir, toen ik diende aan boord van de Vernon."
"Dan kunt ge toch Mr. Palmer vergezellen."
In gezelschap van Stockton, wien het speet niet in de gevaren te kunnen deelen, nu zijn vriend aan de expeditie zou deelnemen, volgde Gerald den luitenant en een twaalftal manschappen naar het middendek.
Ongeveer midscheeps bevond zich daar een ovale, stalen kast, die drie voet boven het dek uitstak. Een van de mannen schoof een zwaren grendel weg, drukte op een knop en langzaam draaide het reusachtige deksel om zijn scharnieren omhoog.
Nu werd er een tweede kast zichtbaar, in vorm gelijk aan de buitenste, maar iets kleiner; dat was de toren van de duikboot.
Het deksel van den toren werd ook geopend en vijf van de matrozen daalden af in het kleine vaartuig. Palmer noodigde Gerald uit, hem voor te gaan en met een snel handgebaar nam deze stilzwijgend afscheid van zijn vriend Stockton.
Palmer volgde en voor de toren gesloten was, zag Stockton bij het heldere schijnsel van electrisch licht een samenstel van allerlei machines.
"Ga wat op zij, als u wilt, Sir!" zei een van de mannen, die op het dek waren achtergebleven.
Het deksel van de buitenste kast daalde neer, de grendelwerd zorgvuldig dichtgeschoven, en Stockton hoorde een zacht geruisch van instroomend water.
"Nu zijn ze weg, Sir," vervolgde de matroos van daar even. "Als u naar het dek gaat, kunt u misschien iets zien, van hetgeen ze gaan uitvoeren."
Stockton volgde dien raad op en vond bij den commando-toren een aantal officieren bijeen. Met belangstelling volgden ze den loop van de periscoop, die zich langzaam voortbewoog aan de oppervlakte van het water. Duidelijk teekende zij den weg af, dien de duikboot volgde, recht op den havenmond toe.
Plotseling werd een waterkolom tot een hoogte van 50 voet opgeworpen. Stockton slaakte onwillekeurig een kreet van schrik, want hij dacht niet anders of de boot was in botsing gekomen met een van de verschrikkelijke mijnen.
Een minuut van angstige spanning ging voorbij. Kapitein Brookes staarde donker voor zich uit: de periscoop was verdwenen.
Weer spoot een machtige waterstraal omhoog en de angst uit de blikken der toeschouwers verdween. Viermalen nog herhaalde zich hetzelfde schouwspel kort achter elkaar en daarna gebeurde er niets meer, en de onzekerheid over het lot van hun onverschrokken kameraden deed de mannen bij den toren in bange verwachting de kijkers richten op den ingang van de haven. En eensklaps, op een kabellengte afstand van de Olijftak, verscheen de grijze romp van de duikboot aan de oppervlakte. Zij wilde blijkbaar door haar verschijning alleen haar behouden terugkeer aankondigen, want dadelijk verdween ze weer in de golven en gleed onder de kiel van het moederschip.
Een half uur later kwam haar bemanning aan dek van de Olijftak.
"Alles is in orde, Sir," meldde luitenant Palmer, "alle mijnen zijn gesprongen, zes in het geheel."
"Zeer goed," antwoordde kapitein Brookes en in den klank van die twee woorden uitte zich duidelijk zijn grootetevredenheid over de houding van de bemanning van de duikboot.
"We zullen over een uur de haven binnenvaren, want dan staat er voldoende water volgens de inlichtingen van onzen loods. Ik ga zoolang naar beneden. Wilt u mij dadelijk bericht zenden, als er iets bijzonders gebeurt, Mr. Sinclair?"
"En hoe is het gegaan, oude jongen?" vroeg Stockton, toen de twee vrienden hun hut hadden opgezocht.
"Prachtig!" antwoordde Gerald met geestdrift. "Deze duikboot is een meesterstuk. Zij was het geheimzinnige toestel, waarvan de kapitein sprak, toen we de Marconi-kamer bezochten. Ik geloof wel, dat ik de inrichting begrijp. Ze is ongeveer 30 voet lang en 8 voet breed en ze bevindt zich in een holte onder in ons schip, die juist groot genoeg is, om de bovenste helft van de duikboot te bevatten, zoodat de onderste helft een voortzetting van de kiel van de Olijftak vormt. Je hebt gezien, hoe we in de duikboot afdaalden, nietwaar?"
"Ja, door een luik in het middendek, dat hermetisch gesloten kan warden en door een dergelijk luik in den toren van de duikboot."
"Nu, toen ik in het kleine vaartuig was afgedaald, merkte ik dadelijk op, dat het werd voortbewogen door electrische motoren, van naar schatting 35 P.K. In het voorste gedeelte bevond zich een buis, van 10 cM. doorsnede, die twintig kleine torpedos kon bevatten. Ik merkte op, dat onze boot door middel van waterballast tot zinken werd gebracht."
"Zoodra alle mannen aan boord waren, opende Palmer een klep, en ik zag een bleek, groen licht schijnen door het glas van den toren, waaruit bleek, dat we vrij gekomen waren van de kiel van de Olijftak. We daalden tot 80 voet diepte, tot dicht bij den zeebodem, zooals bleek uit het troebele aanzicht van het water, waarin door de kracht van de eb heel wat slib werd meegevoerd. Toen we ons op eenigen afstand van de Olijftak bevonden, werden de motoren stopgezet en luitenant Palmer heesch de periscoop."
"Weet ge hoe een mijn eruit ziet?" vroeg hij mij. En toen ik daarop bevestigend antwoordde, verzocht hij mij in den toren plaats te nemen en uit te kijken. Hij zou den loop van het schip bepalen door middel van den periscoop.
Hij daalde een stalen laddertje af en nam plaats voor een tafel, die met gepolijst zilver was bekleed. Deze spiegel gaf een scherp en zuiver beeld te zien van den horizon, zooals die zich voordeed aan de wateroppervlakte.
"Onze vaart bedroeg zes knoopen, maar de kracht van de eb liet zich geducht voelen, zoodat we slechts vorderden met een snelheid van drie knoopen. Deze matige voortgang had meteen het voordeel, dat we nu, zoodra er een hinderpaal in den weg kwam, naar de oppervlakte konden stijgen."
"En hoe ver kon-je wel omhoog zien?"
"Zoowat 100 voet, want het water was zeer doorschijnend door het heldere zonlicht. Als het donker weer geweest was, zouden we gebruik hebben kunnen maken van een krachtig zoeklicht, dat we aan boord hadden."
"Op eens kreeg ik een tonvormig voorwerp in het oog, voorzien van een anker, dat er met een kabel aan verbonden was, waardoor het geheel deed denken aan een reusachtigen paddestoel. Ik waarschuwde Palmer, die dadelijk bevel gaf de motoren stop te zetten. De torpedo's werden weggeschoten op dezelfde wijze als hier aan boord het geschut wordt afgevuurd. Ik zag, hoe het slanke, als een visch gevormde projectiel de buis verliet en zich voortbewoog in de richting van de mijn. Het schot miste: de torpedo ging rakelings langs het doel, zeker doordat dit zoo klein was en niet stil lag.
"Het tweede schot was beter gericht en al konden we de ontploffing van de mijn niet hooren, ze was duidelijk vast te stellen door de hevige schommeling van onze duikboot.
"We herhaalden onzen torpedo-aanval op de mijnen eenige malen, tot we ons in de haven bevonden. Aan de oevers zag het zwart van de menschen, die kwamen kijkennaar het vreemde slagschip, dat voor de stad verschenen was."
"En is het nu zeker, dat alle mijnen vernietigd zijn?"
"Stellig, we hebben het vaarwater, dat naar de haven leidt, nauwkeurig afgezocht en er was niets meer te vinden. Maar laten we nu weer aan dek gaan, daar is zeker meer te beleven dan hier."
Op het voorschip troffen ze den Chileenschen schipper aan, die met behulp van luitenant Sinclair, die goed thuis was in het Spaansch, de richting aangaf, die het schip volgen moest. De luitenant bracht de bevelen van den loods over aan den kwartiermeester, die zich in den commando-toren bevond om den Olijftak te besturen.
Langzaam bewoog zich het reusachtige slagschip voort door het ondiepe vaarwater, klaar voor het gevecht met het oog op mogelijken tegenstand van de forten. Dat men daar echter niet aan strijd dacht, bleek duidelijk, toen een eerbiedige groet werd gebracht door het neerhalen van de vlaggen, welke plichtpleging onmiddellijk op dezelfde wijze door de Olijftak werd beantwoord.
"Mr. Sinclair," zei nu kapitein Brookes, "laat een van de booten strijken en bemannen. Ga aan wal en overhandig dit schrijven aan het stadsbestuur. Met uw kennis van het Spaansch, zult u goede diensten kunnen bewijzen, wanneer ze den inhoud niet verstaan. Ik heb erin meegedeeld, wat we verlangen en tevens de verklaring afgelegd, dat we alle onkosten tot den laatsten penning eerlijk zullen betalen. U hebt dan meteen gelegenheid te vertellen, hoe de zaken tusschen de beide republieken staan en welk aandeel wij hebben gehad in den strijd."
Een uur later keerde luitenant Sinclair terug met het bericht, dat het verzoek van kapitein Brookes was ingewilligd en dat het schip dadelijk in het dok kon gaan. Ook deelde hij mede, dat de alcalde en de commandant van de stad voornemens waren een plechtig bezoek aan boord te komen brengen.
"Prachtig," zei kapitein Brookes, "het kan niet beter. Dietwee heeren zullen we hier houden als gijzelaars, zoolang we in het dok liggen."
Zonder verdere avonturen bereikte de Olijftak het dok. Het water werd uitgepompt en zooals de kapitein voorspeld had: vóór zonsondergang was alles in orde.