HOOFDSTUK XIII.

Het vreemde schip in het dok trok zeer de aandacht van de bewoners van Talcahuano. Burgers en soldaten kwamen kijken naar den geheimzinnigen kruiser; ze toonden groote nieuwsgierigheid, maar er was niets te merken van kwaadwillige bedoelingen.

Niettemin waren alle voorzorgen genomen om het schip tegen elken overval te beveiligen. Twee van de kanonnen waren op het tolkantoor gericht, en de andere bestreken het tuighuis, de forten en verschillende openbare gebouwen in de stad. Een afdeeling matrozen was onder luitenant Sinclair geland en had het telegraafkantoor bezet om te verhinderen, dat er berichten omtrent het verblijf van de Olijftak werden verzonden, want de Z.-stralen konden nu geen dienst doen.

"Er nadert een sloep met officieren, Sir," meldde de officier van de wacht, juist toen men zich gereed maakte om aan tafel te gaan.

"Heel goed, laat dan de eerewacht aantreden. Heeren," zei de kapitein, "we zullen nog een oogenblik moeten wachten."

Hij begaf zich naar zijn hut, om zich in groot tenue te kleeden, welk voorbeeld door de andere officieren gevolgd werd.

Toen Gerald op het campagne-dek kwam, vond hij daar de eerewacht reeds aangetreden en hij zag aan den wal op de kade een troepenafdeeling met een muziekkorps opgesteld. De Chileensche soldaten waren blanken, kleurlingen en negers; ze droegen blauwe uniformen met rood uitgemonsterd en versierd met witte tressen, terwijl de shako's met glimmend metaal en een pluim waren opgetuigd.

De stadscommandant, die vergezeld was door den alcalde en een staf van officieren in prachtige uniformen, wachtte aan de valreep, tot de kapitein van de Olijftak zich op het dek zou vertoonen en zoodra dit gebeurde, presenteerden de soldaten op de kade het geweer en maakte het muziekkorps zich gereed te beginnen.

"'k Ben benieuwd, welk lied ze te onzer eere zullen spelen," merkte Gerald op.

"'k Zou 't ook niet weten te zeggen, want we behooren tot geen nationaliteit en dus kunnen ze niet ——."

Stockton kon zijn zin niet afmaken, want de muziek zette in en krachtig klonk het Engelsche volkslied, terwijl de Chileensche officieren zich aan boord begaven. Toen na het Engelsche ook het Chileensche volkslied was ten gehoore gebracht, volgde de begroeting van de vreemde gasten door de officieren van de Olijftak. Daarna begaven allen zich naar de groote kajuit en men zette zich aan den welvoorzienen disch.

Ondanks de moeilijkheid, dat men elkanders taal niet verstond, heerschte er toch een opgewekte stemming aan tafel. Men behielp zich, als 't noodig was, met gebaren en Sinclair maakte zich verdienstelijk als tolk. Dat was geen prettig werk, want het werd nog bemoeilijkt door het geraas, dat de werklieden maakten, die onmiddellijk met het herstellen van het schip waren begonnen.

Aan het dessert kwam de Chileensche overste, die een langen, prachtigen, Spaanschen naam droeg, tot de ontdekking, dat hij een vergissing had begaan. Tot op dat oogenblik had hij gedacht, dat de Olijftak een Engelsch oorlogsschip was, al voerde ze ook de groenwitte vlag aan den mast. En nu had kapitein Brookes hem op dat punt uit den droom geholpen.

"Ja, overste De Silva, volgens het zeerecht van de voornaamste Europeesche staten is dit schip een roofschip."

"Zijt ge een zeeroover?" stamelde de onthutste krijgsman. "En wat zijt ge dan van plan? Komt ge onze goede stad een schatting opleggen?"

"Geenszins, senor," antwoordde kapitein Brookes. "Onze bedoelingen ten opzichte van Talcahuano zijn vredelievend en oprecht. Zooals ik reeds gezegd heb, al wat we vragen, zullen we eerlijk tot den laatsten penning betalen en zoodra de herstellingen aan ons schip zijn afgeloopen, kiezen we weer zee. Intusschen moet ik u en den geëerden alcalde voorstellen, als mijn gasten hier te blijven, tot het oogenblik van ons vertrek."

"Wat, ge wilt ons hier gevangen houden? Maar dat is ongehoord!"

"Zoo moet ge het niet opvatten," antwoordde kapitein Brookes hoffelijk. "Ge zijt mijn hooggeachte gasten. Mijn eigen veiligheid maakt het noodig, u hier te houden als gijzelaars voor de vriendschappelijke houding van de bevolking van de stad."

Toen de overste inzag, dat tegenstand niet zou baten, schikte hij zich in zijn lot, te gemakkelijker, omdat hij wel op een goede behandeling aan boord meende te kunnen rekenen. Hem en den alcalde werden de vertrekken van kapitein Brookes zelf als tijdelijke verblijfplaats aangewezen.

Nadat deze zaak in orde was en de andere Chileensche officieren van boord waren gegaan, nam de kapitein alle verdere maatregelen, die de veiligheid van zijn schip vereischten.

Hij liet door een afdeeling van zijn manschappen het spoorweg-station bezetten en verbood het vertrek van treinen. Hij wilde de stad van het verkeer met de buitenwereld afsluiten, zoolang hij er zich ophield, maar dat gelukte hem niet volkomen. De vertrekkende treinen kon hij ophouden, maar hij beschikte niet over genoeg manschappen om alle uitgangen van de stad te bezetten en zoo kon hij niet verhinderen, dat men zich naar Lota, een kolenstation op ongeveer twintig mijlen van Talcahuano begaf, om vandaar telegraphisch het bericht te verspreiden van de voorvallenin de laatste haven. Dat zou echter tijd kosten en daardoor had hij een voorsprong, die hem misschien in staat zou stellen zijn schip zonder stoornis weer in orde te krijgen.

Er werd hard gewerkt en de schade aan het schip was niet van zoo groote beteekenis, als men eerst had gedacht en daardoor was men er op den avond van den tweeden dag mee klaar en was alles in gereedheid gebracht om de Olijftak bij 't aanbreken van den volgenden dag weer uit het dok te brengen.

De goede gang van zaken verwekte een vroolijke stemming aan boord, die zich ook uitte aan de officierstafel, waar de vreemde gasten mee aanzaten.

"En weet ge nu ook al, Mr. Palmer, dat uw gevaarlijk werk om het mijnenveld op te ruimen, onnoodig was?" vroeg kapitein Brookes.

"Onnoodig, Sir?" riep de verbaasde luitenant. "Hoe dat, Sir, waren het dan soms doode mijnen?"

"Neen, doode mijnen waren het niet, maar wel electro-mechanische. En nu hadden, zooals de overste mij meedeelde, onze Z-stralen de ontploffingsinrichting buiten werking gesteld. Het is dom, dat ik die mogelijkheid niet heb verondersteld, maar ik heb er geen oogenblik aan getwijfeld, dat het contact-mijnen waren."

Tegen het einde van den maaltijd, verzocht de kapitein stilte en richtte het woord tot zijn gasten.

"En nu, overste, moet ik nog eens mijn verontschuldiging uitspreken voor mijn optreden tegenover u en den alcalde. Als alles goed gaat, zullen we morgenochtend van elkander scheiden en ik wilde u verzoeken, mij voor dien tijd een opgave te doen toekomen van alle onkosten, die wij hebben te betalen. En bovendien zult u mij verplichten door dit kleine geschenk van mij aan te nemen, als een bewijs van mijn achting en het te willen bewaren als een herinnering aan uw onvrijwillig verblijf aan boord van de Olijftak."

Dit zeggende overhandigde hij den overste, met een buiging, zóó sierlijk, dat geen Spaansche grande die zouverbeterd hebben, een fijn lederen étui. In het sierlijke doosje lag een prachtig Engelsch uurwerk in gouden kast, waarop een gouden olijftakje, rijk met diamanten versierd, was aangebracht. Dit zoo kostbare en geheel onverwachte geschenk bracht den overste in verwarring, zoodat hij niet dadelijk een passend woord vond om zijn blijde verrassing te uiten.

Den alcalde bood kapitein Brookes een juweelen gesp aan voor zijn sjerp, waarop ook het gouden olijftakje was bevestigd. Het was aan geen twijfel onderhevig, of de beide heeren waren zeer in hun schik met de geschenken en te oordeelen naar hun dankbetuigingen, zouden ze er geen bezwaar tegen hebben gehad, als er iederen dag zoo'n vreemd schip de haven binnenviel.

De wisseling van beleefdheden tusschen gastheer en gasten werd eensklaps ruw gestoord.

De officier van de wacht kwam, bleek van opwinding, de kajuit binnenstormen, "We zijn in een hinderlaag gevallen, Sir!" riep hij uit.

"Er ligt een Engelsch eskader voor de haven, dat zijn zoeklichten op ons gericht heeft. Zoo even kwam er een sein van het vlaggeschip, waarbij onze onvoorwaardelijke overgave tegen morgenochtend geëischt wordt."

"Blijf bedaard, Mr. Sinclair," zei kapitein Brookes, "we moeten onze gasten niet verontrusten. Sein als antwoord, dat we het signaal begrepen hebben; meer niet. En bericht mij zoo meteen, wanneer precies het schip het dok zal kunnen verlaten."

Toen de luitenant vertrokken was, wendde de kapitein zich tot zijn officieren.

"Dit is een onaangename geschiedenis, mijne heeren, maar we moeten nu eenmaal voorbereid zijn op dergelijke onverwachte ontmoetingen. Ik had in geen geval een Engelsch eskader in deze wateren verwacht en er moet zonder twijfel een telegraphisch bericht uit Lota of Coronel verzonden zijn om de Engelsche vloot op onze aanwezigheid hier opmerkzaam te maken. In alle gevalle zijn ze er wel vlug bij geweest."

"En wat denkt ge nu te doen, Sir?" vroeg luitenant Slade

"We zullen probeeren ongemerkt uit de haven te komen. Mr. Tregarthen," voegde hij er bij, "ik zal me houden aan de belofte, die ik u gedaan heb en wat nog meer zegt, ik heb me voorgenomen geen enkele vijandige daad tegen de Engelschen te verrichten. Ik zou u aanraden, een rapport te schrijven van uw avonturen; als ze ons morgenochtend een boot willen zenden, hebt u dan een prachtige gelegenheid, om het aan de Admiraliteit te doen toekomen."

"Het is al klaar, Sir," antwoordde Gerald. "Wilt u het soms inzien?"

"Neen, volstrekt niet. Ik heb het grootste vertrouwen inuw eerlijkheid en ik zou het een beleediging voor u achten, wanneer ik mij van uw correspondentie op de hoogte wilde stellen."

"Daar kan ik niets tegen inbrengen ——."

"Goed laten we dan verder van deze zaak zwijgen. Ha, daar is Sinclair!"

"Uw bevel is uitgevoerd. — Het schip is te middernacht gereed om het dok te verlaten," meldde de officier van de wacht.

"Very good — carry on," was het stereotype antwoord.

En toen begaf de kapitein zich weer naar de groote kajuit, waar het gezelschap nog langen tijd rustig en gezellig bijeen bleef.

Eerst omstreeks elf uur gaf de kapitein het sein om op te breken en begaven de officieren zich aan dek.

De krachtige lichtbundels van de zoeklichten van het insluitings-eskader speelden onophoudelijk op de stad en de haven. Naar het aantal van die stralenbundels te oordeelen, waren er vier schepen, maar omtrent grootte en bewapening kon men door de duisternis niets te weten komen.

Ondanks de zelfbewuste houding van kapitein Brookes, heerschte er toch aan boord onder officieren en manschappen een gedrukte stemming. Iedereen zag heel goed in, dat 't welhaast onmogelijk zou zijn aan de Engelsche schepen te ontkomen, zonder geweld te gebruiken.

Precies te middernacht kondigde het geluid van instroomend water aan, dat de sluizen, die de tunnels afsloten, waren opengezet en drie kwartier later lag het schip, geheel gereed om zee te kiezen, midden in de haven.

De overste De Silva en de alcalde waren aan wal gebracht, alle onkosten en verteringen waren betaald en voorzien van den noodigen voorraad levensmiddelen en drinkwater, schommelde de Olijftak zachtjes aan de ankerkabels in afwachting van het aanbreken van den dag.

"Kent ge de schepen daarginds Mr. Tregarthen?" vroeg kapitein Brookes, toen de zonneschijf zich liet zien boven de bergruggen van de Andes.

"Ja, Sir; het vlaggeschip is de Niobe, een gepantserde kruiser; de andere zijn de Melampus, de Cambrian en de Amethyst."

"Alle vier van een verouderd type, ze zijn niet veel meer waard," merkte kapitein Brookes op. "Ze zijn nog net geschikt voor den gewonen dienst, voor vlagvertoon maar als 't op vechten aan zou komen, zou 't er slecht voor deze schepen uitzien. 't Is tenminste gelukkig, dat ik niet van plan ben van onze krachten gebruik te maken. 't Is me echter een raadsel, hoe de commandant er toe gekomen is met zulke schepen een aanval te willen doen op de Olijftak. De man moet gek zijn, of hij weet niet, over welke strijdmiddelen wij beschikken."

"Moet men gek zijn, als men een bevel van zijn meerderen opvolgt?" vroeg Gerald rustig.

"In sommige gevallen wel, en hier had de commandant zich stellig moeten verzetten tegen zulk een onmogelijke opdracht. — Maar, daar is een boot."

Werkelijk naderde een stoompinas, die de witte vlag voerde, de haven.

"Laat de groote valreep neer," commandeerde de officier van de wacht.

"Verzoek den officier in mijn hut te komen," zei kapitein Brookes, terwijl hij zich gereed maakte, het campagne-dek te verlaten.

De pinas draaide bij en een luitenant in groot tenue, vergezeld door een onderluitenant, kwam aan boord. Onberispelijk, maar een beetje onwillig, beantwoordde hij den militairen groet, die hem werd gebracht.

"Duivels, Tregarthen, wat voer jij hier uit?" riep de Britsche officier in de uiterste verbazing. — "Zeg eens, je kent me toch nog wel?"

"Dat zou ik denken, Blake."

"Maar beste kerel, hoe kom jij nu hier in burgerkleeren onder zeeroovers?"

"Buiten mijn schuld," antwoordde Gerald. "Eigenlijk ben ik hier een gevangene, maar alleen in naam. En danheb ik op het oogenblik verlof, maar ik twijfel er wel aan, of ik binnen drieëntwintig dagen weer aan boord van de Calder zal kunnen zijn."

"Daar behoef je niet bang voor te zijn; we zullen je spoedig je vrijheid weer teruggeven."

"Daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik zou je nog heel veel over mijn lotgevallen kunnen meedeelen, maar hier is een brief, daar staat de heele geschiedenis in verhaald. Ga nu naar den kapitein, die je in zijn hut wacht."

Dit zeggende, overhandigde Gerald den luitenant het schrijven, dat hij had gereed gemaakt en zocht toen weer zijn vriend Stockton op, die met gemengde gevoelens stond te kijken naar de pinas van de Niobe, die langszijde lag.

Binnen het kwartier verscheen de Britsche luitenant weer met kapitein Brookes op het campagnedek. Na een kort afscheid begaf hij zich aan boord van de pinas, die met volle kracht terugstoomde naar de Niobe.

Kapitein Brookes verzamelde zijn officieren om zich heen en sprak: "Mijne heeren, gij hebt het recht, geheel op de hoogte te zijn van den waren stand van zaken. Ik heb er op gewezen, dat ik nimmer vijandig ben opgetreden tegen de Britsche regeering, alleen van mijn handelwijze ten opzichte van Mr. Tregarthen en Mr. Stockton zou ze verantwoording kunnen vorderen. Daarenboven heb ik mijn twijfel uitgesproken, of de commandant van het eskader wel het recht heeft, de overgave van ons schip te eischen. Bij het volvoeren van de taak, die ik mij zelf gesteld heb, ben ik ongelukkiger wijze verplicht geweest, krasse maatregelen te nemen tegenover de Afrika, maar dat is een zaak, die alleen de Duitsche overheid en mij aangaat. Op dien grond heb ik protest aangeteekend tegen de handelwijze van den commandant."

Een uur later keerde de pinas terug en de luitenant bracht een mondelinge boodschap van den commandant. Deze verklaarde, dat hij hier was om een bevel uit te voeren en niet om te twisten over het al of niet rechtmatig zijn van de opdracht. Wel was hij bereid, het protest van den kapitein bij de Admiraliteit te steunen, indien de overgave van het schip onmiddellijk plaats had.

De boodschap was door den luitenant uitgesproken ten aanhoore van alle officieren, in de hoop, dat ze op deze den gewenschten indruk zou maken.

Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen en zijn donkere oogen flikkerden onheilspellend.

"Ga heen, Sir!" bulderde hij. "Zeg aan uw commandant, dat ik zijn eischen niet zal inwilligen. Hier ligt de Olijftak. Als hij haar hebben wil, laat hij ze dan komen halen."

Een goedkeurend gemompel klonk in den kring der officieren en de Britsche luitenant begreep, dat hem niets overschoot, dan naar zijn schip terug te keeren.

"Ik begin berouw te krijgen over de belofte, die ik u heb gedaan, Mr. Tregarthen," zei de kapitein. "Maar in ieder geval zal ik woordhouden. Voor het oogenblik hebben we niets te vreezen, want ze zullen ons nooit in de haven durven aanvallen zonder machtiging van de Chileensche regeering. Vóór die verkregen is, hoop ik weg te kunnen komen in de duisternis, als een krachtige wind van de zeezijde onze aanvallers noodzaakt het ruime sop te kiezen."

Den geheelen dag en den volgenden nacht viel er niets van belang voor en kwam er niet de minste verandering in den toestand. Scherp hielden de schepen van het Britsche eskader de Olijftak in het oog. Maar toen het weer dag werd, bood de haven en de zee een geheel ander schouwspel dan de vorige, zonnige dagen. De wind was gedraaid en nam snel in kracht en hevigheid toe.

Wind en water beukten de kust en hoog op sloegen de schuimende golven van de branding. De hemel was grauw en onophoudelijk kletterden regenvlagen neer. De Engelsche schepen kregen het hard te verantwoorden en als ze geen gevaar wilden loopen te stranden, moesten ze wel zeewaarts stoomen, toen tegen den middag de storm in kracht toenam en de golven steeds hooger werden opgezweept. Toch gaven ze hun plan niet op en toen het donker werd,wierpen ze de bundels van hun zoeklichten weer over de haven van Talcahuano.

Kapitein Brookes begreep wel, dat hij aan geen poging tot ontsnappen kon denken, zoolang de vijand hem op deze wijze in het oog kon houden. Daarom besloot hij er een einde aan te maken en wendde zich tot Tregarthen met de vraag: "Hoe denkt ge er over, Mr. Tregarthen, verbiedt onze overeenkomst me ook, gebruik te maken van de Z.-stralen tegen de Engelsche schepen?"

Gerald wist niet dadelijk, wat hij antwoorden zou. Van een vijandelijke daad kon men eigenlijk in dit geval niet spreken, want er werd geen blijvende schade aangericht: noch de bemanning, noch de schepen hebben ervan te lijden.

"Ge schijnt er even als ik over te denken," vervolgde de kapitein, "en we zullen het dus maar wagen."

Hij gaf bevel, alles gereed te maken voor het vertrek en spoedde zich daarop naar den toren.

Wat hij ging uitvoeren was een wanhoopsdaad, dat zag hij wel in, toen hij zijn blik liet weiden over de kokende zee, zilverig lichtend in de stralenbundels van de vijandelijke zoeklichten. Midden tusschen de Engelsche schepen door moest hij zijn koers nemen, een afwijking van een halve kabellengte zou noodlottig zijn, want dan kwam hij in ondiep water en als de Olijftak strandde, was bij dit weer geen redding mogelijk.

Plotseling, als door den greep van een geheimzinnige hand, werden de zoeklichten gedoofd. Kapitein Brookes had de Z.-stralen laten werken.

De ankers werden geheschen, de telegraaf naar de machine kamer bracht het bevel over: "met volle kracht vooruit" en met haar grootste snelheid gleed de Olijftak zeewaarts; iedere slag van haar schroeven bracht haar nader bij het Britsche eskader.

Ze moest door de spitsroeden. Onbekende gevaren dreigden vooruit en aan beide zijden. Binnen enkele minuten zou haar lot beslist zijn.

In duizelingwekkende vaart kliefde de Olijftak de wild bewogen watervlakte. Geen duimbreed week ze af van den gestelden koers en het leek wel, of geen menschenhand, maar een doode, ongevoelige machine haar bestuurde.

De geheele bemanning was op haar post, want de kruiser was gereed voor het gevecht, al was vast besloten onder geen omstandigheid een schot te lossen. Gerald bevond zich bij den kapitein in den donkeren toren in gespannen afwachting, of de ijzeren wil van dien man krachtig genoeg zou blijken om hem zijn zelfbeheersching te doen bewaren, dan of de verleiding hem te sterk zou worden, om gebruik te maken van één van die machtige hefboomen, die op armlengte van hem verwijderd waren. Één beweging van zoo'n hefboom en iedere aanvaller zou vernietigd worden. Zou iemand in staat zijn, door de spitsroeden te loopen onder het vuur van vier schepen, bewapend met modern snelvuurgeschut, als hij beschikt over verdedigingsmiddelen, zooals hier aan boord waren?

Kapitein Brookes sprak geen woord. In een ijzeren greep klemde hij het electrische stuurtoestel, terwijl zijn blik door de nauwe spleet in den pantsering drong in de zwarte duisternis daar buiten. Hij stond onbeweeglijk, als een steenen beeld.

't Leek Tregarthen een onmogelijkheid nu zonder kompas het schip te sturen, want de duisternis van den nacht werd nog verhoogd door de dichte regenbuien, die neerkletsten, maar de kapitein scheen den weg, dien hij niet kon zien, bij instinct te voelen.

Juist vier minuten na het vertrek uit de haven blonk opeens aan stuurboord in 't zwarte duister een lichtflikkering, onmiddellijk gevolgd door een knal, die 't geraas van wind en zee overstemde. En daarna gierde met een langgerekt gefluit een granaat over het schip.

Dadelijk daarna kwam van de andere zijde een projectiel aangonzen en viel geen 20 M. voor den boeg in zee, waardoor een zuil van schuimend water boven de golven werd opgeworpen.

Ongestoord vervolgde de Olijftak haar weg met ongelooflijke snelheid. De Engelsche schepen kregen eenigszins een aanduiding van de plaats waar ze zich bevond door de witte streep, die ze trok door de golven. Alle vier openden zij het vuur: de donderslagen van het zware scheepsgeschut brulden door den stormnacht en de projectielen gierden over het vluchtende schip.

"Krak!"

Een granaat sloeg een stuk van de verschansing weg en op hetzelfde oogenblik sloeg een tweede tegen het onderste deel van de pantsering van den toren, zoodat er een trilling liep door het geheele machtige gevaarte.

Gerald moest een oogenblik de oogen sluiten, maar spoedig was die onwillekeurige angst geweken en kalm, maar met gespannen aandacht, volgde hij het gevecht, dat slechts van één zijde gevoerd werd.

Onafgebroken bulderden de kanonnen van de aanvallers en telkens weer werd de Olijftak getroffen door granaten van verschillend kaliber. In den toren was het bijna niet meer uit te houden: de stormwind raasde naar binnen door de gaten der pantsering en vulde de ruimte met scherpen rook en een gewarrel van kleine gloeiende staaldeeltjes.

De bemanning was goed geborgen, zoodat er nog niet viel te treuren over het verlies van menschenlevens, totdat eensklaps een kwartiermeester, die zich onvoorzichtig te ver waagde buiten zijn veilige schuilplaats, door een doodelijk schot werd getroffen. Hij zakte ineen en bij zijn val greep hij krampachtig één van de hefboomen, die zich in dentoren bevonden en waarvoor de pantsering door een granaat was weggeslagen.

Gerald zag wat er gebeurde, snelde toe en rukte den stalen stang los uit de vuist van den gesneuvelde. Maar hij kwam te laat; de neergerukte hefboom had zijn werking al verricht. Langzaam rezen de schoorsteen, de windschutten en de bergplaatsen met de booten boven het dek uit. De uitstekende voorwerpen waren echter niet bestand tegen den reusachtigen luchtdruk, die het gevolg was van de snelheid van het schip en binnen enkele minuten was er van dat alles niet veel meer over, dan stukken van stalen platen, die door den wind waren verscheurd, alsof ze van papier waren geweest.

Kapitein Brookes verliet zijn plaats in den toren om uit te kijken, niet naar de schade die de gesneuvelde kwartiermeester zonder het te willen, had veroorzaakt, maar omdat er een ander en veel grooter gevaar dreigde: de Olijftak naderde het gebied, dat onder den invloed van haar Z.-stralen stond. Met een vlugge handbeweging schoof hij de wijzers uit elkaar en nam toen zijn plaats weer in bij het stuurtoestel. Het roer werd snel omgezet en het schip beschreef een scherpen boog, zonder ook maar eenigszins zijn vaart te verminderen, waardoor het verontrustend sterk naar één zijde overhelde. Op hetzelfde oogenblik werden de Engelsche schepen bevrijd van den invloed van de Z.-stralen en helder en zilverig gleden de stralenbundels van de zoeklichten langs het woelige zeevlak, totdat ze den vermetelen vluchteling gevonden hadden.

Kapitein Brookes stuurde Zuidwaarts: in die richting meende hij kans te zien, tusschen zijn aanvallers door te komen, maar bij die beweging keerde de Olijftak voor een oogenblik één van haar zijden geheel naar de Niobe. Onmiddellijk donderde een volle laag van acht 15 c.M. kanonnen van het Engelsche schip, waaraan de Olijftak slechts door een prachtig uitgevoerde wending wist te ontkomen.

Wel werd er veel van de zelfbeheersching van kapitein Brookes gevergd, om in dezen strijd zijn woord te houden.Met één van zijn eigen 15 c.M. kanonnen had hij gemakkelijk de niet gepantserde Niobe in splinters kunnen schieten, maar hij maakte geen gebruik van zijn wapens, hij wilde slechts beproeven aan zijn belagers te ontkomen door de ongeëvenaarde snelheid van zijn vaartuig. En werkelijk slaagde hij erin. Een goed kwartier, nadat hij de haven van Talcahuano had verlaten, was hij zoover van het Engelsche eskader verwijderd, dat het geluid van de laatste kanonschoten in de verte wegstierf als het gebrul van een roofdier.

Toen kapitein Brookes het roer had overgegeven aan een kwartiermeester en het bevel in den toren had overgedragen aan een luitenant, ging hij een ronde doen om te zien, waar en hoe het schip onder de beschieting had geleden. Wel was de schade niet tot in bijzonderheden te overzien, want al de booglampen waren vernield, maar de gloeilichten waren toch voldoende om op te merken, dat de Olijftak er alles behalve zonder kleerscheuren afgekomen was.

De stalen pantsering was niet bestand geweest tegen de kracht van de granaten en op vier plaatsen doorboord.

Drie officiershutten waren geheel uit elkaar geslagen en de waterbergplaats en de bakkerij waren ook beschadigd. De boeg was op eenzelfde plaats door twee granaten getroffen en door het gat was een derde projectiel in het binnenste van het schip doorgedrongen en had een deel van de inrichting voor draadlooze telegrafie vernield.

Behalve de kwartiermeester, die gesneuveld was, had niemand van de bemanning eenig letsel van beteekenis bekomen, wel klaagden velen gedurende eenige volgende dagen over doofheid.

"Dat hebben we nu te danken aan ons lijdelijk verzet," merkte kapitein Brookes niet zonder bitterheid op. "We zullen wel een maand hard moeten werken om ons schip weer in orde te krijgen."

Toen Gerald zich met zijn vriend in hun hut bevond, om naar kooi te gaan, zei hij: "De kapitein is een man van zijn woord, dat moet gezegd worden. 'k Zou er geen kwaadvan hebben durven zeggen, als hij het onder deze omstandigheden niet gehouden had."

De Olijftak bleef ook den volgenden dag haar vlucht in zuidelijke richting voortzetten, maar ze had haar snelheid aanzienlijk verminderd, zoodra ze zich veilig voelde voor haar vervolgers. Bij het daglicht bleek de schade, die het schip geleden had, nog veel grooter, dan men den vorigen avond meende. De uitwerking van het Britsche geschutvuur was over het geheele vaartuig waar te nemen.

"En Mr. Tregarthen," vroeg de kapitein, "hoe vindt ge, dat de Olijftak haar zending ten opzichte van den algemeenen vrede volbrengt?"

"Nu ge er naar vraagt, Sir, wil ik u openhartig zeggen, dat ze, naar mijn meening, nog niet veel goeds heeft uitgewerkt. In den oorlog tusschen Chili en Peru hebben wij het eerste schot gelost en een kruiser in den grond geboord."

"Toegegeven. Maar ge moet met de gevolgen rekenen. Door de Independencia op te offeren hebben we een strijd tusschen de twee vijandelijke vloten verhinderd. Ik ken die Zuid-Amerikanen: ze vechten als tijgers en we kunnen gerust aannemen, dat we door ons optreden minstens twintig maal zooveel menschen het leven hebben gered, als er nu bij de ramp van de Independencia zijn omgekomen. Jammer, dat het Engelsche eskader ons genoodzaakt heeft te vluchten, want dat is een aanmoediging voor de twee republieken om elkander naar de keel te vliegen. — Maar daar komt Mr. Selkirk! Wat ziet hij er ontsteld uit."

"Wel, Mr. Selkirk, wat voor jobstijding brengt ge?"

Selkirk was het hoofd van de machine-kamer, en ging geheel op in zijn vereerde motoren.

"Schroef n°. 3 aan bakboordszijde, Sir, onvoldoende werking."

"Schakel die dan maar uit," antwoordde kapitein Brookes.

"Wilt ge het schip voor een poos laten stoppen, Sir? We kunnen dan de schroef aan boord halen, om te zien wat er aan mankeert. 'k Weet dat nu niet zeker, maar ik geloof,dat uitschakelen alleen niet voldoende zal zijn: we krijgen er dan stellig nog meer last van."

"Dan zit er niets anders op, dan uw raad op te volgen. Mr. Selkirk. Hoe lang denkt ge, dat de geschiedenis duren zal?"

"Minstens twee uur, Sir."

"Goed, ik zal bevel geven te stoppen. Mr. Slade wilt u den bootsmansmaat opdragen de duikers te laten aantreden?"

De Olijftak bevond zich nu buiten het gebied van den storm, maar de barometer was nog zeer onrustig, wat ruw weer voorspelde.De zee was onstuimig, zoodat de opdracht, om de schroef aan boord te brengen, niet gemakkelijk was uit te voeren en veel moeite gaf aan de duikers en aan de mannen, die op het dek moesten meewerken.

Eindelijk kwam men er toch mee klaar en lag het bronzen gevaarte op het dek. Maar nu was mr. Selkirk ook bijna wanhopend, toen hij zag, dat één van de bladen van de schroef een diepe barst vertoonde. 't Was een wonder, dat er geen stuk was afgeslagen.

"Dat is een vervelende geschiedenis," merkte kapitein Brookes op, "want hier aan boord kunnen we onmogelijk de schroef herstellen. We moeten een veilige ligplaats onder de kust opzoeken, daar de schroef aan land brengen en de twee deelen aan elkaar gieten. We kunnen niets beter doen dan koers te zetten naar de Desolation Inlet."

Desolation Inlet is een weinig bezochte kreek aan de kust van Patagonië bij Straat Magelaan. Een enkele stoutmoedige walvischvaarder verscheen er wel eens, maar verder trok deze ligplaats geen schepen. De kreek verdiende haar naam wel, want het was daar een verlaten en vergeten oord. Zij geleek veel op een Noordsche fjord: onregelmatig van vorm, met zeer diep water en omgeven door hooge bergen met besneeuwde toppen. Maar ze miste alles, wat de fjorden zoo schoon maakt; de dalen waren troosteloos van aanblik: geen vriendelijke menschenwoningen en bijna geen plantengroei; alleen enkele verschrompelde dennen en grauw mos.

Het was in het begin van September, toen de Olijftak ankerde in de kreek; de winter op het Zuidelijk halfrond liep ten einde. Het watervlak in de kreek was zoo glad als een spiegel, maar een lang verblijf in die schijnbaar zoo veilige schuilplaats was toch niet geraden. Het kwam voor, dat geheel onverwacht een stormwind kwam neergieren langs de berghellingen, die vooral voor een zwaar vaartuig noodlottig kon worden.

Bij het invaren van de kreek gaf het dieplood meer dan zeventien vademen aan, maar de zeebodem was zeer oneffen, zoodat het bevel gegeven werd te ankeren bij een diepte van acht vademen, terwijl het schip naar alle zijden ongeveer twee kabellengten uit den wal lag.

Nauwelijks lag de Olijftak voor anker, of er verschenen aan de kust een aantal inboorlingen, die met verbazing en nieuwsgierigheid den grooten kruiser opnamen. Zij warenrijzig en krachtig gebouwd en maakten een woesten indruk, hun kleeding was schamel ondanks het ruwe klimaat. Zij waren gewapend met lange, dunne speeren, die ze dreigend schudden, toen op het schip een witte vlag geheschen werd.

Daar bij het gevecht de kleine booten waren verloren gegaan, moest de verbinding met de kust verkregen worden door middel van de motorkotter, en de pinas die zonder veel moeite met een kraan werden neergelaten. Een aantal manschappen maakten zich gereed om met deze vaartuigen aan land te gaan en daar een noodsmidse in te richten, waar de schroef zou kunnen worden hersteld.

Gerald en Jack vroegen verlof mee te gaan en de kapitein stond het hun gaarne toe, maar hij drukte hun toch op het hart, zich vooral niet te ver van de boot te verwijderen en er voor te zorgen, dat ze de inboorlingen geen aanleiding gaven, vijandig op te treden. Gewapend met hun revolver begaven ze zich in de boot.

Bij de nadering van het vaartuig, waarvan de motoren geheel geruischloos werkten, namen de inboorlingen de vlucht en zochten een schuilplaats in een dennenboschje.

Na veel moeite gelukte het door middel van geruststellende gebaren een der mannen naar het strand te krijgen. Telkens nog weer aarzelde hij en toonde neiging om terug te gaan, maar de verleiding van een blinkend stuk koper, dat men hem voorhield, was te sterk. Zoodra hij dit geschenk te pakken had, ging hij echter terug naar zijn makkers. Toen kwamen er twee anderen te voorschijn, die ook, nadat ze elk een wollen deken in ontvangst genomen hadden, dadelijk wegvluchtten. Nu het bleek, dat er van de vreemdelingen geen kwaad te duchten was, vatten de overigen moed en weldra waren de mannen van de Olijftak omringd door een groot aantal inboorlingen, die met teekenen van blijdschap en dankbaarheid de verschillende geschenken aannamen, die hun werden aangeboden.

Nadat men zich op deze wijze van de goede stemming der Patagoniërs verzekerd had, werd een begin gemaaktmet het bouwen van de smidse. Toen men met dat lichte bouwwerk gereed was, werd het beschadigde schroefblad geplaatst in een zandbed, waarin het gesmolten metaal moest gegoten worden. Voor dit gedeelte van het werk had men twee dagen noodig en ook 's nachts bleef een aantal mannen in tenten aan den wal, om er voor te waken, dat de inboorlingen niet in donker het metaal wegvoerden. Het leek echter wel, of die voorzorgen geheel overbodig waren, want de Patagoniërs bleven voortdurend bewijzen geven van een vredelievende gezindheid.

Terwijl het gieten aan den gang was, maakten Gerald en Jack met een gewapend geleide uitstapjes in het binnenland. De sneeuwbuien maakten die tochten zeer bezwaarlijk en de koude was vaak zoo doordringend, dat men er niet aan kon denken te gaan zitten om uit te rusten, zonder gevaar van bevriezen te loopen.

"'k Zou wel eens willen weten, waar die arme Patagoniërs eigenlijk slapen," zei Jack, terwijl ze met moeite vorderden door sneeuw, die wel een voet hoog lag.

"In holen of ruwe hutten," antwoordde Gerald. "Het zijn geharde klanten. Hun eenig voedsel lijkt wel te bestaan in schaaldieren, die ze hier in groote hoeveelheid vinden."

"Wat zou dat daar zijn?" riep Jack en wees naar een aantal met sneeuw bedekte heuveltjes, die ongeveer een voet boven den grond uitstaken aan den oever van een kleine kreek.

"Kano's, met den bodem omhoog," zei Gerald, nadat hij geruimen tijd door zijn veldkijker had getuurd. "En aan den anderen kant van de kreek ligt een dorpje; 'k zie wel menschen, maar ik kan niet nagaan, wat ze eigenlijk uitvoeren."

"Misschien zijn ze hierheen getrokken, omdat ze zich in dit verborgen hoekje veiliger gevoelen, dan zoo dicht in onze nabijheid."

Toen ze weer bij de landingsplaats terugkwamen, was de herstelling van de schroef reeds geëindigd en had men het metalen gevaarte al aan boord van den kotter gebracht.

"We hebben al een half uur op jullie gewacht," merkte Mr. Slade scherp op; de koude en het onnoodige oponthoud hadden zijn humeur bedorven. "Komt mannen, aantreden! Nummeren!"

Tot ieders verbazing en schrik bleek nu, dat één van de mannen ontbrak en spoedig werd er uitgemaakt, dat het Black moest zijn, een officier van administratie, die aan den tocht van Gerald had deelgenomen.

"Hij moet op den terugtocht zijn achtergebleven," merkte één van de mannen op, "want daarvóór heb ik hem nog gezien."

"Goed," zei Slade, "maar of we nu hier al staan praten, daar heeft de man niet veel aan; we moeten hem gaan opzoeken. Mij is het bevel over den landingstroep opgedragen en ik acht me er dus verantwoordelijk voor. Mr. Tregarthen, wilt u het bevel over den kotter overnemen en de schroef aan boord brengen, dan ga ik met een half dozijn mannen onzen vriend Black opzoeken."

Jack Stockton wilde Slade vergezellen om den vermiste op te sporen; twaalf man zouden de smidse bewaken en de overigen den kotter bemannen. Terwijl Gerald zijn opdracht uitvoerde en den kotter naar de Olijftak stuurde, volgde luitenant Slade de duidelijk zichtbare voetstappen in de sneeuw.

Het korte tochtje met den kotter liep niet zoo heel gemakkelijk af, want plotseling schoot er een rukwind langs de bergen over de kreek. Zoo krachtig was die windstoot, dat de Olijftak draaide en dwars kwam te liggen, zoodat haar lengtezijde naar het land was gekeerd, terwijl de golven over het dek van den kotter sloegen. Gerald kon zijn boot niet langszijde van den kruiser brengen, voor hij het vrij rustige water aan de luwe zijde had bereikt.

Hij keek wel vreemd op, dat de mannen aan boord heel geen aandacht over hadden voor den kotter: niemand vertoonde zich en niemand dacht er blijkbaar aan, den mannen bij het aan boord komen behulpzaam te zijn. Toen Gerald aan dek kwam, begreep hij dadelijk, wat de oorzaak was van deze vreemde houding der bemanning. Alle schepelingen bevonden zich aan de andere zijde van het schip en tuurden naar den wal, waar zich gebeurtenissen afspeelden, die wel de algemeene aandacht waard waren.

De wacht, die bij de tijdelijk opgerichte gebouwen was achtergebleven, had een schuilplaats gezocht tegen den wind achter de smidse en was nu geheel onkundig, van wat er zich op een twee honderd meter afstand van hen afspeelde.

En de bemanning van de Olijftak, die het wel zag, was niet bij machte om tusschenbeide tekomen.

Eén van de mannen van Slade was van zijn makkers afgeraakt en trachtte nu, wadend door de rulle sneeuw, te ontkomen aan een troep Patagoniërs, die hem vervolgden. Ze zaten hem vlak op de hielen en ieder oogenblik leek het, of ze hem de scherpe, lange speren in den rug drijven zouden, maar dan hielden ze zich weer in, om het genot van de woeste jacht nog wat langer te kunnen smaken. De matroos zou niet veel kans hebben, te ontkomen aan de vlugge vervolgers, die ongeschoeid als ze waren, geen last schenen te hebben van de rulle, zachte sneeuw. Op eens echter keerde hij zich om, richtte zijn revolver en vuurde. Eén van de wilden viel en de uitwerking van het geluidlooze schot deed de andere een oogenblik afdeinzen. Maar toen er verder niets noodlottigs gebeurde, hadden ze spoedig hun vrees voor het kleine, onaanzienlijke wapen overwonnen en drongen weer vooruit.

Klaarblijkelijk was het zijn laatste patroon, die de man verschoten had, want hij slingerde de revolver, die hem verder tot niets nut was, den voorsten van zijn vervolgers naar het hoofd en zette toen weer zijn hopelooze vlucht voort, totdat hij op een twintig meters van zijn niets kwaads vermoedende makkers, struikelde en viel. Hij slaakte een kreet om hulp en dat was zijn geluk. De mannen bij de smidse grepen hun geweren en snelden toe ter bescherming van hun kameraad en de uitslag van den strijd, die nu volgde, was niet twijfelachtig: de lansen moesten wijken voor de geweren, de Patagoniërs zochten in wilde vlucht een schuilplaats in hun dennenbosch.

"Hijsch het signaal om de mannen terug te roepen en breng den voorsten toren in gereedheid voor het gevecht," commandeerde kapitein Brookes. "We zullen dien troep schelmen een geduchte les geven."

De mannen van de bewakingspatrouilles kwamen met de pinas langszijde. Drie van hen waren licht gewond in het gevecht aan de kust en dat wekte de woede der geheele bemanning van de Olijftak op. Ze wilden aan wal gaan om hun vermiste makkers te bevrijden en wraak te nemen op de Patagoniërs. Maar de kapitein wilde daar niet van hooren, hij was van oordeel, dat men het er niet op mocht wagen, nog meer verliezen te lijden en was besloten van zijn kanonnen gebruik te maken.

"Een oogenblik, Sir," riep Gerald. "Als we het vuur openen met onze 15 c.M, kanonnen, dan worden vriend en vijand vernietigd, tenminste als onze kameraden nog in leven zijn."

"Wat zoudt ge dan willen doen?" vroeg de kapitein en wenkte den luitenant ter zijde. Er volgde een kort gesprek, waarin Gerald blijkbaar zijn plan uiteenzette en dat eindigde met de verklaring van den kapitein, dat hij vond, dat men het probeeren kon. Tot groote verbazing van de overige officieren en de bemanning werd het bevel gegeven, de ankers te lichten en zeewaarts te stevenen.

Twintig minuten later had de Olijftak haar ligplaats in de weinig gastvrije wateren van Desolation Inlet verlaten.


Back to IndexNext