Op elk schip, van welke nationaliteit ook, is de kapitein koning. Tregarthen wist dit te goed, om in het verzoek, dat hem werd overgebracht, geen bevel te zien en daarom volgde hij zijn geleider zonder tegenspraak buiten de hut.
Ze liepen langs een gepantserd beschot, waartegen een wapenrek stond, gevuld met wapens, geheel overeenkomende met die van den schildwacht. Aan beide zijden van den doorgang waren een aantal deuren van hutten, waarvan sommige op een kier stonden, maar zware gordijnen maakten het onmogelijk naar binnen te zien.
Bij de hut van den kapitein liep een schildwacht rustig op en neer. Vlug bracht hij het saluut, dat door Geralds geleider beantwoord werd, waarop deze aanklopte en wachtte tot een zware stem hem verzocht binnen te komen.
"Mr. Tregarthen, Sir," kondigde de jonge officier aan en ging daarna heen.
Gerald trad binnen en bevond zich nu in een ruime, goed verlichte hut, gemakkelijk en weelderig ingericht. Op den vloer lag een dik tapijt en de wanden waren mat-olijfgroen geschilderd. Het meubilair bestond uit een groote mahoniehouten tafel, twee armstoelen, een goed gevulde boekenkast, een buffet en nog een kleinere tafel, overdekt met papieren en teekeningen.
Maar Tregarthen wijdde niet zoo heel veel aandacht aan de omgeving, zijn opmerkzaamheid werd geheel getrokken door den kapitein. Deze was niet groot, maar toch ging er kracht en overwicht van zijn persoon uit. Zijn gezicht was gebruind en zijn oogen lagen diep, zijn donkerbruinhaar was kort geknipt en zijn goed onderhouden snor en puntbaard gaven hem 't uiterlijk van een Britsch zeeofficier. Hij was in een donkerblauwe uniform gekleed, waarop zwart veterband de plaats innam van de gewone gouden galons. Dit was dan kapitein Brookes, de gezagvoerder van den geheimzinnigen kruiser.
Zwijgend stonden de beide officieren tegenover elkander en de kapitein maakte gebruik van dat oogenblik, om den jongen Engelschen luitenant op te nemen, die door een toeval in zijn macht geraakt was.
Gerald Tregarthen had zich in zijn volle lengte opgericht en keek den man, die hem gevangen hield, vast in de oogen, nadat hij hem 't saluut gebracht had, dat door den kapitein beantwoord was.
"Neem plaats, Mr. Tregarthen," begon kapitein Brookes, terwijl hij met een handbeweging een van de armstoelen aanduidde.
Gerald was liever blijven staan, maar de besliste toon van den kapitein deed hem gehoorzamen, al was 't dan ook half onwillig.
"U zijt, naar ik meen, luitenant bij de Koninklijke Marine? Het laatst aan boord van Z. M.'s torpedojager Calder?"
Gerald stond even verbluft, dat de kapitein zoo goed op de hoogte was, maar dadelijk viel hem in, dat Jack Stockton zeker al ondervraagd was. Kort antwoordde hij: "Ja, Sir."
"En ge wordt hier genoemd, als een veelbelovend jong officier," vervolgde de kapitein, terwijl hij wees op een ranglijst van de officieren der Britsche vloot, die vóór hem op tafel lag.
Zonder te letten op het vleiende van de laatste opmerking, antwoordde Tregarthen met de wedervraag: "Mag ik weten, Sir, waarom ik hier aan boord als een gevangene word behandeld en waarom ik dit verhoor moet ondergaan?"
"Door een toeval zijt ge op mijn schip gekomen, Sir,en daar ik in u een man zag, die mijn plannen dienen kon, besloot ik u vast te houden."
"Uw plannen dienen?"
"Zeker. Met een paar woorden zal ik u nader inlichten. Ge zijt aan boord van den kruiser de Olijftak, eigenlijk genaamd de Almirante Constant. Later zal ik u vertellen, hoe dit schip door de Braziliaansche regeering werd aangekocht. De Olijftak heeft geen nationaliteit, voert geen vlag van een bepaalden Staat, maar is in dienst van een wereldonderneming, die aan mij de uitvoering van haar plannen heeft opgedragen. Men zal mij zonder twijfel een dwaas, een waanzinnige noemen, maar dit is het lot van alle weldoeners der menschheid, en ik zal mij niet door het oordeel van de domme menigte van de wijs laten brengen. Mijn zending beoogt het waarborgen van een eeuwigen, algemeenen vrede en mijn titel is: Verdelger van den krijg."
De kapitein hield nu even op om te zien, welke uitwerking zijn woorden hadden, maar hij kon uit Gerald's houding niet opmaken, wat deze dacht bij de vreemde toespraak. De luitenant bleef hem scherp aankijken, als wilde hij ontdekken, of er achter het kalme uiterlijk van den spreker misschien toch werkelijk een gekrenkt verstand school. Maar de heldere oogen van den kapitein stonden zoo ernstig en zijn heele houding was zoo rustig, dat Gerald die gedachte als ongerijmd verwierp.
"Om verder te gaan: De Olijftak spreekt het laatste woord op het gebied van den scheepsbouw. Ik zeg dat niet ondoordacht, maar kan de waarheid van mijn woorden bewijzen. De oorlogsbodems nemen voortdurend toe in kracht van bewapening; als er een van stapel loopt, liggen er al plannen gereed voor een type van nog grootere gevechtswaarde. Wanneer we nu in aanmerking nemen de snelheid, waarmee men op dit gebied voortgaat, dan zullen er toch meer dan honderd jaren moeten verloopen, voordat er oorlogsschepen zullen zijn van dezelfde waarde voor aanval of verdediging als de Olijftak — indien ze dan tenminste nog noodig zijn."
"Ik ben ervan overtuigd, dat een zeeoorlog, gevoerd met schepen als de Olijftak, zoo verschrikkelijk zou zijn, dat er geen natie gevonden wordt, die daarvoor de verantwoordelijkheid op zich zal willen nemen. Ik zal waken over de veiligheid ter zee en zonder mededoogen zal ik de vloot vernietigen van iederen staat, die het wagen durft den wereldvrede te verstoren."
"In de jaren, die achter ons liggen, heeft Engeland de zeeën beheerscht en het heeft die heerschappij uitgeoefend krachtig en wijs. Maar de tijden veranderen ——"
"Daar moet ik tegen opkomen, Sir," riep Tregarthen heftig.
"Dat kunt u doen of laten," antwoordde kapitein Brookes met eenige scherpte in zijn stem. "Beschouw de feiten met een koel hoofd, en ge zult moeten toestemmen, dat wat ik zeg, waar is. Waarom gaan andere volken, die heel goed weten, dat ze zonder hinder of last hun zeehandel kunnen drijven, machtige oorlogsvloten bouwen? Waarom willen ze met de Engelsche marine wedijveren? Niet omdat het noodig is, maar omdat ze de heerschappij ter zee van Engeland willen overnemen. Is dat niet zoo?"
"Zijt ge zelf een Engelschman?"
"Ik ben een wereldburger — een paria zoo ge wilt. Tot welke natie ik behoor, houd ik liever voor me. En om nu tot de hoofdzaak te komen: wilt ge uw lot aan het mijne verbinden gedurende de volgende twee jaren?"
"Neen. Mijn verplichtingen als Engelsch officier —."
"Dan zal ik verplicht zijn u te dwingen."
"Mij dwingen! Onmogelijk."
"Mr. Tregarthen, voor we op deze wijze verder gaan, geef ik u in overweging de zaak van alle kanten te beschouwen. Door een plechtigen eed hebt ge u verbonden uw wettigen vorst, koning George V, te dienen en kunt ge dat beter dan door kennis te nemen van de inrichting van dit vaartuig, waardoor het zulk een onweerstaanbare macht verkrijgt? De Admiraliteit moet er alles voor overhebben, om achter de geheimen van de Olijftak te komen. Nu stelik in 't kort het volgende voor: ge verbindt u, hier aan boord gedurende twee jaar te dienen, — ge geeft uw eerewoord mij in alles te gehoorzamen, onder voorbehoud, dat van u geen enkele vijandelijke daad tegen uw vaderland zal gevergd worden. Zijn de twee jaren verstreken, of vroeger, als mijn zending is volbracht, dan kunt ge naar huis terugkeeren en moogt ge vrij beschikken over de wetenschap, die ge hier aan boord hebt opgedaan."
"En als ik weiger?"
"Dat geval zullen we niet nader bespreken."
En om te voorkomen, dat Tregarthen een besliste weigering uitsprak, ging kapitein Brookes voort: "Zeg of doe vooral niets ondoordachts. Neem den tijd, om over mijn voorstel na te denken. Morgen ochtend wacht ik u weer bij mij en dan hoop ik uw antwoord te vernemen."
Precies om tien uur werd Gerald Tregarthen den volgenden morgen weer naar de hut van den kapitein gebracht.
"Wel, Sir, welk besluit hebt ge genomen?" vroeg deze.
"Nog geen besluit, Sir," antwoordde Tregarthen beslist.
"Vóór alles moet ik weten, wat ge met mijn vriend denkt te doen."
"Met Mr. Stockton? Ge denkt zeker, dat ik een zeeroover ben en dat ik hem als gijzelaar wil vast houden voor uw goed gedrag. Maar wees gerust, ik zal hem laten overstappen op het eerste het beste schip met bestemming naar Engeland, dat we tegenkomen."
"Dan zou ik gaarne een paar minuten met hem spreken, voor ik mijn besluit neem."
"Dat verzoek lijkt me volstrekt niet onredelijk; ik geef u een kwartier voor een onderhoud."
Terwijl kapitein Brookes dit zei, had hij op den knop van een electrische schel gedrukt en onmiddellijk verscheen er een onderofficier.
"Geleid dezen heer naar zijn kwartier en vraag aan Mr. Black, of hij Mr. Stockton bij hem wil brengen."
"Zeer goed, Sir," antwoordde de zeeman en nadat hij het zware gordijn op zijde had geschoven, verzocht hij Tregarthen, hem voor te gaan.
Geen vijf minuten later was Jack Stockton bij hem.
"Hallo, Jack! Hoe gaat het jou hier?"
"Daar heb ik niet over te klagen. Ze hebben mij verteld, dat jij weer heelemaal beter waart, ondanks die wond aan je hoofd. Over jou had ik me dus niet meer ongerust temaken, maar ik tob nog over het verlies van mijn jacht."
"Ja, 't is ons wel tegengeloopen. Maar je boot was toch verzekerd, niet waar?"
"Zeker, maar wat doet dat er toe? Ik krijg nooit weer zoo'n zeiler terug, en ik was er zoo aan gehecht."
"Je zult wel gauw een ander hebben."
"Wat? Hoe weet je dat?"
"Omdat je zult overstappen op het eerste schip, dat we tegenkomen."
"Zonder jou?"
"Juist. Daar zit hem de knoop. Jij wordt naar huis gestuurd, maar mij willen ze hier houden, met of tegen mijn zin."
"Weet je dat zeker? Wat voor schip is het eigenlijk — een zeeroover?"
"'k Weet het niet. Alleen kan ik je zeggen, dat ik beslissen moet, of ik hier aan boord gedurende twee jaar dienen wil of niet."
"En als je het niet doet?"
"Dan staat me niet veel goeds te wachten, denk ik."
Toen vertelde Gerald de bijzonderheden van zijn gesprek van den vorigen avond met den kapitein en hoe deze erop stond, dat hij een beslist antwoord geven zou.
"En wat denk je te antwoorden?" vroeg Jack.
"Daarover wilde ik met je praten. Je begrijpt nu, hoe ik ervoor sta. Als ik niet binnen drie-en-dertig dagen op mijn post terugkeer, word ik als deserteur aangemerkt, of men moet de goedheid hebben, mij als vermist op te geven. Dat gebeurt dus in ieder geval, want ze houden me hier en als ik het voorstel van den kapitein aanneem, zal ik waarschijnlijk in staat zijn mijn vaderland een goeden dienst te bewijzen en ik zal nog voorwaarden kunnen stellen ook."
"Waarom zou je het aanbod dan niet aannemen? En als je voorwaarden stelt, laat dan bepalen, dat ik ook hier aan boord mag blijven."
"Jij?"
"Ja zeker. 'k Weet heel goed, dat ik niet zooveel kennisbezit als jij, maar 'k ben toch ook wel wat waard aan boord."
"All right," antwoordde Gerald. "Dan is mijn besluit genomen. Maar het kwartier is om en dus moet ik heengaan."
"Wel, Sir," vroeg kapitein Brookes, "zijt ge tot een besluit gekomen?"
"Ik stem toe, maar wensch enkele voorwaarden te stellen."
"En die zijn ——?"
"Dat ik behandeld word met den eerbied, waarop een Britsch zeeofficier aanspraak kan maken; dat ik niets zal behoeven te ondernemen, dat in strijd is met de belangen van mijn land ——"
"Dat hebben we immers vooropgesteld."
"Dat mij wordt toegestaan aan de Admiraliteit te melden, op welke wijze ik hier ben vastgehouden en dat Jack Stockton, volgens zijn eigen verlangen, ook hier aan boord zal mogen blijven."
"Al die verzoeken kunnen worden ingewilligd," antwoordde kapitein Brookes, waarbij Tregarthen opmerkte, dat hij het woord verzoeken gebruikte inplaats van voorwaarden.
"Zeer goed, Sir,"
"En ge begrijpt, dat al mijn bevelen blindelings gehoorzaamd moeten worden?"
"Zoolang ze niet in strijd zijn met de belangen van mijn land."
"Dat heb ik al herhaaldelijk toegestemd."
"Te veel nadruk kan niet gelegd worden op die voorwaarde, Sir."
"Wilt ge erin toestemmen, de uniform te dragen van de officieren van de Olijftak?"
"Neen, Sir. De eenige uniform, waarop ik recht heb, is die van de Engelsche marine. Maken de omstandigheden het onmogelijk, die te dragen, dan moet ik me in politiek kleeden."
"Goed, ik zal er niet op aandringen. Laten we nu onzen rondgang over het schip beginnen, om u een denkbeeld te geven van de inrichting."
Dit zeggende, ging de kapitein hem voor naar het half dek en Gerald merkte op, dat het schip veel overeenkwam met het Dreadnought-type, maar daarvan in enkele opzichten afweek. De dienst leek geheel op Engelsche wijze ingericht.
Wat de grootte van het schip aangaat, hij schatte de waterverplaatsing op niet minder dan 10000 ton, dus iets meer dan de helft van die van een moderne Dreadnought. Bij een lengte van 300 voet, bedroeg de breedte, naar zijn meening, 60 voet. Verder merkte hij op: één slanken schoorsteen, een stevigen commando-toren, enkele kleinere torentjes, verscheidene luiken en eenige lantarens. In de torentjes stonden geen kanonnen, hoewel elk voorzien was van twee schietgaten.
Op gelijke afstanden stonden aan beide zijden van het dek dunne, stalen platen, die met een hoek van 45° waren omgebogen.
"Dat zijn windschermen," merkte kapitein Brookes op.
"Ze zijn onontbeerlijk, daar kan ik u de verzekering van geven."
"Ge behoeft er niet tegen op te zien, mij inlichtingen te vragen," ging hij voort. "Het is in ons beider belang, dat ge geheel op de hoogte komt. Ik zag u daareven naar de torentjes kijken. Die zijn nu nog onbewapend, maar binnen een paar dagen hoop ikde kanonnen in positiete hebben."
"Dus op 't oogenblik zijt ge zonder middelen van verdediging."
"Ge zult die gevolgtrekking niet meer maken, wanneer ge het schip geheel gezien hebt. Maar hoe groot, denkt ge, dat de snelheid is, waarmee we nu varen?"
Tregarthen keek aandachtig over de verschansing.
"Vijf en veertig," raadde hij.
"Doe er nog twintig bij en ge zult dichter bij de waarheid zijn. Mr. Gimlette," zei hij tot den officier van de wacht, "hoeveel knoopen?"
"Zeven en zestig, Sir."
Het antwoord werd gegeven op een toon, waaruit vielaf te leiden, dat dit niets bijzonders was. Tregarthen stond verstomd. De Olijftak legde dus in één uur een afstand af, die gelijk stond met vijf en zeventig landmijlen. Hij begreep nu, dat alleen de windschutten het mogelijk maakten, op het dek staande te blijven: de luchtstroom, die door den snellen gang van 't schip ontstond, zou anders alles hebben neergeworpen.
"Ge zult zeker wel opgemerkt hebben, dat er bijna geen golf voor den boeg ontstaat," ging de kapitein voort. "Door een vernuftige vinding wordt het verplaatste water geleidelijk langs de zijden van het schip afgevoerd, waardoor ook de schroeven beter kunnen werken. En nu zullen we den commando-toren bezoeken."
"Maar welke beweegkracht gebruikt ge?" vroeg Gerald.
"Petroleum, paraffine of eigenlijk een ontvlambare olie, die uit een mengsel bestaat en gemakkelijk door de vaporisators dringen kan. De motoren, die elk door tien ingenieurs worden bediend, brengen zes schroeven in beweging. Stokers hebben we in 't geheel niet noodig en door toepassing van de nieuwste vindingen op machine-gebied, hebben we slechts een bemanning van 105 koppen noodig, de officieren meegerekend."
Al pratende hadden de beide mannen den toren bereikt, een ronde, gepantserde ruimte, die ongeveer vijf voet boven het dek uitstak en een middellijn had van vijfentwintig voet. Tegen de wanden waren electrische schakelborden aangebracht en een net van verschillend gekleurde draden, zooals men ze ook vindt aan boord van Engelsche oorlogsschepen.
Doch de aandacht van Gerald werd dadelijk getrokken door een bord, dat uit koperen en zinken platen bestond, zoodat het wel een groot dambord geleek. In elk van de hoeken was een wijzer aangebracht. Het geheele toestel kon draaien langs stalen draden, die bijna een cirkel vormden, met een kleine gaping, die naar het achterschip was gekeerd.
"Nu, Mr. Tregarthen, waartoe zou dat wel dienen, denkt ge?"
"'t Is een toestel om de plaats van een vijandelijk schip te bepalen, denk ik."
"Daar lijkt het veel op, maar we kunnen er meer mee doen. Voor ik u daarvan op de hoogte breng, moet ge me eerst eens vertellen, of ge, voor uw vertrek uit de haven van Poole, ook een bericht gelezen hebt in de bladen over een avontuur van den kruiser Zieten."
Bij deze vraag kwam het Tregarthen plotseling in de gedachte, dat het schip, waardoor de Zieten op zoo'n geheimzinnige wijze machteloos was gemaakt, den naam droeg van Almirante Constant en dat hij zich dus aan boord bevond van dat wonderlijke vaartuig. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij geen woord kon uitbrengen en de kapitein, die de verrassende uitwerking van zijn vraag bemerkte, bleef zwijgend het antwoord van Geralds afwachten.
"Ja, ik heb het gelezen," begon deze eindelijk. "Maar hoe hebt ge dat gedaan?"
"In een paar woorden zal ik het u duidelijk maken. Dit bord is, zooals ge ziet, verdeeld in een en tachtig vierkanten; ieder van die vierkanten vertegenwoordigt eene vierkante mijl. Zoo staat een gezichtsveld van negen mijlen in het vierkant tot mijn dienst. Laten we nu aannemen, dat een vijandelijk schip nadert. De plaats van het vaartuig wordt op de gewone wijze bepaald en nu heb ik slechts de wijzers uit twee tegenovergestelde hoeken te brengen in het vierkant, dat het ligvlak van den vijand voorstelt. De wijzers kunnen daartoe, zooveel als noodig is, worden verlengd. Zoodra dit gedaan is, richt zich een draadlooze stroom, dien ik de Z. straal zal noemen, op het vijandelijk vaartuig. Onmiddellijk wordt nu de geheele electrische installatie daar aan boord in de war gebracht en ge weet, wat dat beteekent voor een modern oorlogsschip. Ge hebt opgemerkt, dat er twee paar wijzers op het bord zijn aangebracht; die met de witte schijven doen de Z. straal ontstaan. Wanneer een vaartuig na de les, die het hiermee ontvangen heeft, nog voortgaat een vijandige houding aan te nemen worden de wijzers met de roode schijf in werking gebracht en dan is de tegenstander van de Olijftak tot een wissen ondergang gedoemd."
"Hoe dan?" vroeg Gerald met de grootste belangstelling.
"De wijzers met de roode schijf veroorzaken een stroom van nog veel grootere kracht, de Z. Z. straal genoemd, waardoor dadelijk de munitievoorraden van het vijandelijke schip ontploffen."
"En waarom wilt ge dan kanonnen aan boord nemen? Ik meen toch, dat ge gezegd hebt, dat de bewapening van de Olijftak binnen enkele dagen in orde kan zijn."
"Alleen als voorzorgsmaatregel. Het kleinste gebrek in de geleiding kan de werking van alle electrische toestellen hier aan boord verlammen en dan moet ikmijn toevlucht tot kanonnenkunnen nemen. Maar er dreigt ook nog een ander gevaar. Ik moet niet alleen om me heen, maar ook naar omhoog kijken — uit de lucht kan de vijand ook een aanval beproeven. Het toestel, dat ge hier ziet, heeft me vijftien jaar arbeid gekost, om het zoo volmaakt te krijgen, als het nu is, maar in den laatsten tijd hebben het luchtschip en de vliegtuigen een ommekeer gebracht in den strijd ter zee. Nu is de gewone afstand van zoo'n luchtschip of vliegtuig 1000 voet; zou ik op dien afstand de Z-stralen of de ZZ-stralen willen laten werken, dan moest de stroom zoo sterk zijn, dat hij stellig noodlottig zou worden voor ons eigen schip. In dat geval dien ik dus ook over verdragend geschut te kunnen beschikken. En nu kent ge de geheimen van den commando-toren en kunnen we onze wandeling voortzetten."
"Maar waarvoor dient dat?" vroeg Tregarthen, terwijl hij wees naar drie rijen metalen knoppen, aangebracht opeen mahoniehouten bordtegen den wand van den toren.
"Om de uitwerking van het geschutvuur na te gaan. Als de kanonnen er zijn, zal ik u de werking verklaren. Laten we nu naar de brug gaan."
Op de brug gierde de wind als een orkaan en Gerald was blij, dat hij beschutting kon vinden in een hokje, waar zeekaarten werden bewaard. Hier bevond zich ook het electrische stuurtoestel, maar tot zijn groote verbazing hield daar niemand toezicht. Op de brug stonden alleen eenofficier en een matroos, die met kijkers den horizon afzochten.
"Moet er niemand aan het roer staan?" vroeg Gerald.
Kapitein Brookes schuddehet hoofd. "Bij lange zeereizen is dat niet noodig," zei hij. "Dan stuurt het schip zich zelf. Zooals de meeste vraagstukken is ook dit heel eenvoudig, als men de oplossing weet. Het stuurtoestel van de Olijftak is ingericht als een Whitehead-torpedo. De koers wordt aangewezen door een wijzer op het kompas en bij de minste afwijking wordt een klep geopend, waardoor het roer automatisch in werking komt. In begrensd water, of wanneer we in strijd zijn, gebruiken we het stuurtoestel in den commando-toren. — En nu hebt ge de voornaamste wonderen van de Olijftak gezien."
Gerald moest toegeven, dat hij haast niet kon gelooven dat al, wat hij hier gezien had, werkelijkheid was.
"Een oogenblik nog, Sir," zei Gerald toen ze op hun terugweg voorbij een troepje matrozen kwamen, die met het geweer exerceerden. "Waarvoor dient die cylinder aan den mond van de loop."
"Dat is een geluid-demper. Het is een uitvinding van mijzelf en ik heb er patent op gevraagd. Mr. Ball, breng mij eens één van de geweren, als u wilt."
Het bleek, dat Gerald goed gezien had, want het geweer verschilde weinig van het Lee-Enfield type.
"Het magazijn kan tien ronden munitie bevatten," zei kapitein Brookes, terwijl hij het sluitstuk uittrok en een patroon in de kamer legde. "Luister nu."
Hij bracht het geweer aan den schouder en haalde den trekker over. Geen knal werd gehoord en dat er inderdaad een schot gelost was, bleek alleen uit den zwakken terugslag van het wapen, het fluiten van den kogel en het uitvallen van de patroonhuls.
"Deze vinding heb ik op alle wapenen aan boord toegepast, ook op de revolvers. Het is een groot voordeel in den strijd, wanneer de vijand overvallen wordt met een geluidloos salvo," voegde de kapitein erbij, terwijl hij het geweer teruggaf.
"Laten we nu ——"
"Schip in zicht!" werd er van de brug geroepen.
"Waar?" vroeg de kapitein.
"Recht vooruit, Sir."
"Dat is de Puma. Mr. Tregarthen, ik moet u nu verder in den steek laten. Zeg aan uw vriend Stockton, dat hijzich over het geheele schip vrij bewegen mag; alleen de commando-toren is verboden terrein voor hem."
Dit zeggende, verliet kapitein Brookes snel de brug. De gang van de Olijftak was tot minder dan twintig knoopen teruggebracht en er werden toebereidselen gemaakt om met de Puma in verbinding te komen. Toen Tregarthen heenging om zijn vriend op te zoeken, was de afstand tusschen de beide schepen nog ongeveer vijf mijlen.
"'t Is in orde, Jack; je moogt aan boord van de Olijftak blijven," riep hij.
"Ja, dat weet ik al, ik dank je voor de moeite. En ze hebben me verteld, dat we samen deze hut zullen bewonen."
"Laten we eens aan dek gaan kijken, Jack," stelde Gerald voor.
"Goed, maar vertel me nu eerst eens, wat je eigenlijk van de Olijftak denkt. Zijn we hier onder zeeroovers?"
"'k Geloof het niet, maar we zullen toch goed doen, met flink uit onze oogen te kijken."
Toen ze het halfdek betraden, presenteerde de schildwacht het geweer. De man wist dus al, dat Gerald niet meer als gevangene beschouwd werd, maar als officier een plaats onder de bemanning had ingenomen.
De Olijftak en de Puma lagen evenwijdig op een kabellengte afstand van elkander. Het was volkomen windstil, de zee was zoo effen als een spiegel en de zon flikkerde op het vlakke water.
De bootsmansmaat had gefloten: "klaar op het benedendek" en op het bovendek hadden enkele mannen trossen uitgelegd om aan het andere schip te bevestigen.
De Puma was een schip van ongeveer 6000 ton, met twee stompe masten, en een zwarten schoorsteen. Aan een vlaggestok hing de Amerikaansche vlag, met de sterren en strepen, slap neer in de stille lucht. De Olijftak voerde geen kleuren.
"Nu is er toch geen sprake van zeerooverij," merkte Jack op. "De matrozen zijn niet eens gewapend."
"Dat denk ik ook niet," stemde Gerald mee in. "Voorzoover ik er nu al over oordeelen kan, is de bemanning een bevaren en goed geoefende troep. 'k Zou wel eens willen weten, hoe die eigenlijk bij elkaar zijn gebracht en hoe ze hier aan boord zijn gekomen. Ze doen voor onze beste Britsche matrozen niet onder."
Gerald had niet te veel goeds van de mannen gezegd. Vlug en behendig volgden ze de bevelen op, die kort en zonder de minste drukte gegeven werden.
Vlug werd de Olijftak langszijde van de Puma gebracht en er werd begonnen met het lossingswerk. In minder dan twee uur waren acht kanonnen van 15 c.M. overgebracht uit het ruim van het vrachtschip op het dek van den kruiser, benevens een flinke hoeveelheid snelvuurgeschut van kleiner kaliber, een aantal kisten en een groote voorraad granaten.
Toen het werk afgeloopen was, kwam de gezagvoerder van de Puma, een echte Amerikaan, aan boord van de Olijftak, gewapend met een bundel papieren. Nadat hij ongeveer een half uur bij kapitein Brookes had doorgebracht, verliet hij het schip en de trossen werden weer losgeworpen.
Tregarthen had opgemerkt, dat intusschen de vlag op den kruiser geheschen was: een groene olijftak op een wit veld.
Toen de beide schepen weer in beweging kwamen, werd er van weerszijden met de vlag gesalueerd en een uur later was de Puma in noord-westelijke richting geheel uit het gezicht verdwenen.
Het overige deel van den dag werd gebruikt om de kanonnen te stellen en dat werk ging verwonderlijk vlug, dank zij de vernuftige werktuigen, waarover men daarbij kon beschikken. Men was al een heel eind gevorderd, toen het sein voor het middagmaal gegeven werd, dat Gerald en Jack in gezelschap van de andere officieren zouden gebruiken. Vóór ze aan tafel gingen, werden de beide vrienden aan hun nieuwe makkers voorgesteld door kapitein Brookes.
Er waren vijftien officieren bij elkaar, waarvan Geralder al een paar kende, namelijk White, den dokter en Christoffel Weeks, den jongen luitenant, die hem naar de hut van den kapitein had gebracht. Het waren knappe, vroolijke menschen, die gemakkelijk over allerlei onderwerpen praatten. Alleen vermeden ze zorgvuldig te spreken, over hetgeen ze vroeger geweest waren. Met één uitzondering echter: Taylor, die het opzicht had over het laboratorium, waar de granaten werden gevuld, praatte zonder terughouding, zonder acht te slaan op de teekenen van afkeuring van zijn dischgenooten.
Na den maaltijd begaven Gerald en Jack zich weer naar het dek, waar nu bij 't heldere licht van een aantal booglampen hard werd doorgewerkt. Kapitein Brookes was overal tegenwoordig om tot spoed aan te zetten, aanwijzingen te doen en te helpen. Hij leek geen vermoeienis te kennen.
"Waartoe dient die buitengewone haast, Mr. Sinclair?" vroeg Tregarthen aan den dienstdoenden officier op de brug.
"Weet u dat niet? Heeft de kapitein u het nieuws nog niet verteld? In den namiddag is er een draadloos bericht ontvangen, dat de oorlog verklaard is tusschen twee Zuid-Amerikaansche republieken. Daar zullen we aan meedoen."
"'k Zou wel eens willen zien, hoe hier de inrichting voor draadlooze telegraphie in elkaar zit," zei Stockton, toen ze samen in hun hut zaten.
"Ja, dat zal wel weer wat bijzonders zijn, maar aan boord van dit schip verwonder ik me over niets meer. Toch ben ik benieuwd, hoe het eindelijk met dit vaartuig zal afloopen. De Olijftak kan toch niet eeuwig in volle zee blijven. De voorraden moeten worden aangevuld en het schip moet van tijd tot tijd dokken om te worden schoongemaakt en gerepareerd. Dat kost alles schatten en waar komt al dat geld vandaan? En dan vraag ik mezelf af: "Wie is eigenlijk die kapitein Brookes? Is hij een millionnair — een fantastisch plannenmaker, — wat is hij?""
"Ik denk — Hallo, wie is daar? Binnen!"
Een bescheiden tikje op de deur had Jack verhinderd zijn meening uit te spreken.
Een kleine man, met een rond, blozend gezicht kwam stilletjes binnen en sloot behoedzaam de deur achter zich.
Het was Taylor, de scheikundige.
"Wel, Mr. Taylor, waarmee kunnen we u van dienst zijn?" vroeg Gerald.
"Zacht wat, Sir, niet zoo luid, als ik u verzoeken mag," zei de kleine man, terwijl hij zenuwachtig met de hand door zijn kortgeknipt, grijzend haar streek. "Mijn naam is niet Taylor, maar Schneider. Ik ben onderwijzer in talen en andere wetenschappen. U kwaamt van Poole, niet waar? Hebt u daar soms kolonel Mortebeque gekend? Ik ben gouverneur van zijn zoon geweest ——"
"Neem me niet kwalijk, Mr. Schneider," viel Tregarthen hem ongeduldig in de rede, "ik ken dien kolonel Dinges niet, en ik stel geen belang in uw levensgeschiedenis. Kom tot de zaak, wat wenscht ge van ons?"
"Ach! zuchtte de man, terwijl hij een treurig gezicht zette, ik ben erin geloopen en ze hebben me hier onder valsche voorspiegelingen aan boord gehaald. Ik zou scheikundige onderzoekingen doen en nu moet ik granaten vullen. Dat bevalt me heelemaal niet. — Hij is een zeeroover."
"Hoe weet u dat?"
"Ja, ziet u, misschien is dat de goede naam niet. Hoe noemt u dat in 't Engelsch? Ha! Nu weet ik het — een toovenaar. U verkeert dus beiden in groot gevaar. Vraag in de eerste de beste haven verlof om aan land te gaan en neem mij dan mee. We vluchten dan en zijn weer veilig."
"'t Spijt me, Mr. Schneider, maar ge zijt hier aan het verkeerde adres. Als ge wat te klagen hebt, waarom wendt ge u dan niet tot den kapitein zelf? En als ge zoo zeker weet, dat hij een toovenaar is, dan zal hij nu ook wel gehoord hebben, wat ge ons hebt verteld. Ge kunt dus wel heengaan."
Mr. Schneider, die wel begreep, dat hij hier geen troostzou vinden, volgde den raad op, die hem zoo zonder complimenten gegeven was.
"Dat is een gluiper, dien ik voor niets vertrouw," zei Jack, toen de deur van de hut weer dicht was. "'t Zijn natuurlijk allemaal praatjes, die hij ons heeft willen wijsmaken."
"Ik geloof tenminste niet, dat we bij een toovenaar aan boord zijn," zei Gerald lachend, terwijl hij zich gereed maakte om naar kooi te gaan. "In allen gevalle moeten we ons er maar zoo goed mogelijk in schikken, nu we eenmaal hier zijn. En om je de waarheid te zeggen, ik ben er niet rouwig om, dat het toeval ons aan boord van de Olijftak gebracht heeft."
Gedurende verscheidene dagen vervolgde de Olijftak haar onstuimige vaart in zuidelijke richting met het doel Straat Magelaan te bereiken, die de Atlantische met de Groote Oceaan verbindt.
In dien tijd had Tregarthen weinig gelegenheid om met kapitein Brookes te spreken, die letterlijk nacht en dag werkte.
Toen men de Linie passeerde, werd er niet aan gedacht de oude gewoonte, om den klassieken zeegod met zijn gevolg te ontvangen, in eere te houden. Naar het scheen, was de oude Neptunus daarover verbolgen, want vóór de streek der windstilten bereikt was, werd de Olijftak door een verschrikkelijken orkaan beloopen.
Het leek wel, of de zee en de lucht samenwerkten bij deze wraakoefening op het schip. De golven werden bergenhoog opgezweept en de bulderende stormwind joeg witte schuimvlokken door de grijze, laaghangende wolken. De regen viel als een stortvloed neer en midden op den dag was het zoo grauw en schemerig, dat men niet verder dan een kabellengte voor zich uit kon zien.
Maar ondanks de woede der elementen, joeg de Olijftak met een vaart van ongeveer dertig knoopen voort door het kokende en bruischende water. Het leek wel, of het schip niet langer door de golven gedragen werd, maar of het er dwars doorheen boorde.
Geweldige watermassa's werden over het dek geworpen en sloegen bij oogenblikken tot hoog boven de brug, maar daarbij bleef het schip verwonderlijk goed in evenwicht.
Gerald moest, evenals de overige bemanning, beneden blijven en sprak zijn verbazing uit, over den rustigen gang van het schip in zoo'n woest bewogen zee.
"Ja, dat is een wonder!" stemde Alex Sinclair toe. "Het is niet mijn doel u ongerust te maken, maar we danken dezen rustigen gang alleen aan de lage ligging van het zwaartepunt, onze groote snelheid waarborgt onze veiligheid. Zoolang we recht tegen den golfslag ingaan, hebben we geen gevaar te duchten, maar als een golf ons van terzij aangreep, zouden we er anders voor staan: dan gaf ik niet zóó veel voor mijn leven."
Gelukkig duren zulke hevige stormen betrekkelijk kort en daar de Olijftak zulk een buitengewone snelheid had, was men spoedig door het gebied der orkanen heen en bereikte het schip ongedeerd kalmer streken.
Met vreugde begroette het scheepsvolk het oogenblik, toen de luiken weer werden geopend en ze op het dek frissche lucht konden inademen.
"Zeil aan stuurboord!"
Toen de officier van de wacht dezen uitroep hoorde, haastte hij zich kapitein Brookes te waarschuwen. Gedurende de reis waren er meermalen schepen in zicht geweest, maar de Olijftak had ze steeds zorgvuldig vermeden, behalve de Puma, waarmee een ontmoeting op een bepaalde lengte en breedte vooraf was vastgesteld. Het verwekte dan ook algemeene verwondering, toen de kapitein bevel gaf koers te zetten in de richting van het vreemde schip.
Snel naderde de Olijftak het vaartuig, dat een Duitsche vrachtboot bleek te zijn van ongeveer 4000 ton. Hulpeloos dreef het rond als een speelbal van de golven: aan de groote mast wapperde de signaalvlag, die beteekent, dat het roer is weggeslagen.
Met de noodige voorzorgen om een aanvaring te voorkomen, naderde de Olijftak zoo dicht mogelijk het schip, dat in nood verkeerde en door middel van een megaphoon deelde kapitein Brookes den Duitschen gezagvoerder mee, dat hij het schip op sleeptouw zou nemen naar Pernambuco.
"Heb ik te doen met een Engelsch oorlogsschip?" vroeg de Duitscher, die heel goed wist, dat hij in dat geval geen bergloon te betalen had.
"Neen," antwoordde kapitein Brookes kortaf.
"Hoeveel moet ik dan betalen?"
"Evenveel als aan een schip van de Britsche regeering — niemendal. Breng nu maar een tros uit."
Toen vroeg de ander nog naar den naam van den kruiser, maar kapitein Brookes deed, alsof hij die vraag niet gehoord had. Of hij bijzondere redenen had voor die geheimzinnigheid, kon Gerald natuurlijk niet beoordeelen.
Het uitbrengen van een tros was geen gemakkelijk werk, want tweemaal brak de kabel af, maar de derde maal slaagde men beter en toen zette de Olijftak koers naar Pernambuco met een snelheid van twaalf knoopen, terwijl het vrachtschip er achter dreef als een geharpoeneerde bruinvisch.
"En laten we nu samen het schip nog eens nader bekijken, Mr. Tregarthen," zei kapitein Brookes, "deze ontmoeting maakt, dat ik mijn werkzaamheden moet onderbreken, ik heb dus weer eens tijd; laat Mr. Stockton ons vergezellen."
"Tot uw dienst, Sir, heel gaarne," antwoordde Gerald en een paar minuten later daalde de kapitein met zijn beide vrienden langs een ijzeren ladder af naar het gedeelte van het schip onder het pantser-dek.
Deze ruimte, die onder de waterlijn lag, was geheel electrisch verlicht, en dat was niet overbodig, want overal liepen bundels draden, beschermd door metalen kokers, die in verschillende kleuren geschilderd waren.
Ze kwamen voor een stalen schuifdeur, die door kapitein Brookes geopend werd, terwijl hij de beide vrienden uitnoodigde binnen te gaan. Ze kwamen in een portaaltje, dat aan de andere zijde afgesloten was door een tweede deur, die volkomen gelijk was aan die, welke ze reeds waren doorgegaan. Zorgvuldig sloot de kapitein de buitenste deur en maakte daarna de binnenste open, die toegang gaf toteen klein donker vertrek, dat nu en dan verlicht werd door den blauwachtigen schijn van vonken, die door de werking van een electrische machine ontstonden. Een jonge officier zat over het toestel gebogen, het hoofd zorgvuldig beschermd door een metalen kap, die voorzien was van ontvangers, zooals men gebruikt bij een telephonisch gesprek.
"Dit is onze Marconi-kamer," zei de kapitein, zijn stem verheffende om zich verstaanbaar te maken bij de snel opeenvolgende, krakende geluiden, die aan het knallen van een zweep deden denken. "Onze draadlooze berichten gaan niet door de lucht, maar ze worden overgebracht door een electrischen stroom, die door het water gaat. Deze manier van doen is slechts een uitbreiding van het systeem, waarop het seinen-wisselen tusschen duikbooten berust. Wij staan op deze wijze in verbinding met onze agenten te Swanage in Engeland, Plougastel in Frankrijk, Kaap Cod in de vereenigde Staten, Sydney in Nieuw Zuid-Wales en Antofagasta in Chili. Zoo worden we dus uitstekend ingelicht, omtrent omstandigheden, die het noodig kunnen maken, dat wij tusschen beide komen."
"En zoo hebt u ook den uitslag vernomen van uw proefneming met de Zieten, niet waar?" vroeg Tregarthen.
"Dat is een heel slimme gissing, maar het is toevallig niet waar. Bij gelegenheid zal ik u echter wel eens vertellen, hoe dat in zijn werk is gegaan."
Nadat ze de Marconi-hut hadden bezichtigd, bracht de kapitein hen naar het voorste deel van het schip. Ze gingen door de kabelbergplaatsen en bereikten toen een klein luik. Hierdoor daalden ze af in het lagere gedeelte van het scheepsruim en traden een wigvormig vertrek binnen, dat in verbinding stond met den boeg van het schip. In het midden van de kamer stond een tafel, waarop verscheidene opgerolde electrische kabels lagen en een paar toestellen stonden, die veel op galvanometers geleken.
"En wat denkt ge nu hiervan?" vroeg de kapitein. "Waarvoor zouden deze toestellen dienen?"
"'k Weet het niet," zei Gerald, die na zijn vergissing van straks, voorzichtiger was geworden.
"Dit toestel waarschuwt ons, wanneer we over een onderzeeschen telegraafkabel varen. We weten allen, dat het haast onmogelijk is, de ligging van die kabels te vinden, maar met ons toestel kunnen we ze ontdekken op iedere diepte tot honderd vademen toe. En dan is het een kleinigheid om ze op te visschen en af te leiden. Een groot nadeel echter is het, dat het schip bijna geen vaart moet hebben, wil de aanwijzer werken en bij 't opvisschen van den kabel moet het heelemaal stil liggen."
"Dan hebt u zeker den kabel tusschen Borkum en Lowestoft afgesneden — ik herinner me, dat in de krant van een storing in die verbinding werd melding gemaakt."
"Neen, dat heb ik niet gedaan, dat was het gevolg van een ongelukkig toeval. Wat zou ik er ook aan hebben een kabel onbruikbaar te maken: 't is me juist te doen om de berichten op te vangen, die erlangs geseind worden? Niet den kabel van Borkum naar Lowestoft hebben we afgetapt, maar die van Middelkerke naar Dumpton Gap en zoo kwamen we precies op de hoogte van hetgeen met de Zieten was gebeurd."
Nadat ze nu nog een bezoek hadden gebracht aan de machine-kamer, merkte kapitein Brookes op, dat ze nu wel de voornaamste bijzonderheden van het schip kenden. "We beschikken nog over een uitvinding, waarop ik werkelijk een beetje trotsch ben. Maar het toestel is nog niet geheel klaar en tot zoo lang zullen we wachten, vóór ik u de werking verklaar."
"Mag ik dan nog één ding vragen?" zei Gerald. "'k Hoop niet, dat u het onbescheiden vindt, maar ik zou graag weten, hoe u aan uw officieren gekomen zijt."
De kapitein antwoordde niet dadelijk. "De meeste van hen zijn mannen van eer," merkte hij op, "maar er is in hun leven 't een of ander gebeurd, waarom ze liever niet over het verleden spreken. Enkele gevallen wil ik u meedeelen, maar zooals vanzelf spreekt, geheel vertrouwelijk.Mr. Palmer, bijvoorbeeld, één van onze luitenants, was tot voor eenige jaren commandant vaneen Engelsch oorlogsschip.Zijn vaartuig liep op de rotsen, hij werd voor een zee-krijgsraad gebracht en moest zijn loopbaan opgeven. Zijn vrienden leven in de overtuiging, dat Mr. Palmer — maar dat is zijn ware naam niet — voor drie jaar op reis is naar de Rockies. En dan White, de dokter — dat is ook een pseudoniem tusschen twee haakjes — die was dorpsgeneesheer met een uitgebreide, bloeiende praktijk. Bij een lijkschouw verzuimde hij een onbeduidende kleinigheid, waardoor hij met den rechter in aanraking kwam. In Engeland was hij nu verder onmogelijk."
"En de matrozen?"
"Voor het meerendeel zijn ze slachtoffers van het korte dienstverband, dat de Britsche Admiraliteit slechts toestaat, waardoor de mannen op betrekkelijk jeugdigen leeftijd worden afgedankt en verder zijn er nog vroegere koopvaardij-matrozen bij van verschillende naties."
"Zijt u niet bang, dat er enkelen bij zijn, die op een goeden dag zullen deserteeren en de geheimen van de Olijftak verraden."
"Dat zou niets hinderen, zoolang ze niet allen tegelijk wegliepen; maar daarbij komt, dat ze op zulke voordeelige voorwaarden zijn aangemonsterd, dat ik me in 't geheel niet bezorgd behoef te maken voor desertie. En dan is geen van de mannen op de hoogte van de geheele inrichting van het schip. Zoo is 't ook met de officieren: zij zijn alleen bekend met het onderdeel, dat onder hun leiding staat. Neem bijvoorbeeld Sinclair, die het geschut bedient, hij, zou geen raad weten met de Z-stralen; Taylor — o! nu heb ik toch nog iets vergeten. Eigenlijk is het wonder, dat ik niet meer vergeet, bij alles wat op mij neerkomt. — Taylor, de scheikundige, beheert met behulp van Guy Temple het laboratorium. Ik heb u zijn heiligdom nog niet laten zien. We kunnen er dadelijk nog even heengaan."
Het laboratorium was een ruim vertrek, gelegen aan stuurboordzijde, onder den voorsten toren, door een luikin verbinding met het middendek. In één van de hoeken stond een groote werktafel, overdekt met reageerbuisjes, retorten en meer dergelijke voorwerpen, die men gebruikt bij scheikundige onderzoekingen, terwijl op den vloer ongeveer honderd cilinders in rijen waren neergezet.
"Waar is Mr. Taylor?" vroeg kapitein Brookes aan een jong officier, verdiept in een scheikundige proefneming.
"De laatste twee uur heb ik hem niet gezien, Sir."
"H'm!"
"Wil ik hem laten roepen, Sir?"
"Neen, dat is niet noodig. Nu, Mr. Tregarthen, hier zijn de ontplofbare ladingen voor de 15 c.M, granaten. De projectielen worden afgevuurd door middel van Whaddiet, een verbeterden vorm van cordiet; maar waaruit bestaat de springlading, denkt ge? 'k Zal het u maar zeggen: vloeibare lucht. Met deze springstof heeft een 15 c.M. granaat grooter uitwerking dan een 35 c.M. met lyddiet. Geen pantserplaat is er tegen bestand. Zoodra we het vrachtschip kwijt zijn, dat we op sleeptouw hebben, zal ik u de kracht laten zien." — Hier werd de kapitein gestoord door de komst van een luitenant, die bleek zag van blijkbare opwinding, ondanks de donkere tint van zijn gebruind gelaat.
"Sir," riep hij uit. "Wilt u dadelijk aan dek komen? De officier van de wacht zendt mij hierheen, om u te zeggen, dat er verraad wordt gepleegd aan boord van de Olijftak."
"Zoo?" zei kapitein Brookes heel kalm op vragenden toon en zich daarna tot Tregarthen wendende, noodigde hij dezen uit hem te vergezellen naar het campagne-dek.
"Wel, Mr. Sinclair, wat is er gaande?" vroeg de kapitein aan den officier van de wacht, die hem te gemoet kwam.
"Ik bemerkte op het schip daar ginds iemand, die van de brug seinen gaf, Sir. Onmogelijk kon ik de beteekenis van die signalen vaststellen, maar ik kreeg de stellige overtuiging, dat de man, die ze gaf, trachtte zoo min mogelijk de aandacht te trekken van lieden, die er niet mee te makenhadden. Toen ik naar den achtersteven slenterde hield het spelletje dan ook geheel op. Daarop zond ik Mr. Weeks naar uw hut, om u op de hoogte te stellen. Hij vond u daar niet, maar kwam mij berichten, dat Mr. Taylor bezig was op het achterschip seinen te wisselen met den Duitscher."
"Heel goed, Mr. Sinclair; doe verder alsof er niets aan de hand is."
Daarna zocht kapitein Brookes een plaatsje bij den achtersten toren, waar hij, zonder zelf te worden opgemerkt, alles zien kon, wat er op het vreemde schip gebeurde.
"Verstaat u Duitsch?" vroeg hij.
"Ja Sir," antwoordde Gerald.
"Zeg dan eens, wat dat daar beteekent," en hij wees naar de snelle bewegingen van een vlag daarginds.
"Beproef van nacht het schip te verlaten; wij zullen u wachten," las Gerald af.
"Juist," bevestigde kapitein Brookes. "Ze hebben blijkbaar voor 't oogenblik niets meer te zeggen, maar ik weet genoeg."