HOOFDSTUK XVII.

Hoe was het intusschen den mannen vergaan, die uitgezonden waren, om den vermisten Black op te sporen?

Het begin van den tocht was vrij gemakkelijk: het spoor van de wilden was duidelijk, maar het werd erger, toen ze in het bosch kwamen. Van een bosch was eigenlijk geen sprake, want het waren meer groepjes boomen, gescheiden door open plekken van vijftig tot honderd meter.

Het spoor werd hier minder goed zichtbaar en de mannen kregen hoe langer hoe meer te lijden van de koude. De snerpende wind bemoeilijkte de ademhaling en drong door de dikke, wollen kleeding der zeelieden. Tot overmaat van ellende begon het te sneeuwen en daar ze niet over een kompas beschikten, dreigde er nu een nieuw gevaar: ze liepen kans aan het dwalen te raken, want de buien beletten hen uit te zien en den terugweg zouden ze onmogelijk kunnen weervinden, doordat hun spoor dadelijk onder de sneeuw werd verborgen.

Gelukkig was er bij het troepje een man, die in de Poolstreken gediend had. Hij had meer dergelijke gevaren doorstaan en hij raadde den luitenant aan, een man terug te zenden om de boomen te merken. Al voortgaande moesten ze hetzelfde doen, dan konden ze in ieder geval den afgelegden weg terugvinden.

De luitenant volgde den raad en droeg den matroos Roberts op, terug te gaan en van elken boom, op het pad, een stuk schors af te snijden. Het troepje vervolgde nu langzaam zijn moeilijken tocht, worstelend tegen wind- en sneeuwvlagen.

Eensklaps bulderde boven het geraas van den sneeuwstorm een bloeddorstig krijgsgeschreeuw uit de kelen van een honderdtal wilden en een hagelbui van trillende speren gierde door de lucht en sloeg neer op de verschrikte zeelieden.

Drie mannen stortten neer, zonder verder een teeken van leven te geven, terwijl nog twee andere licht gewond werden. De overige, van hun oogenblikkelijke ontzetting bekomen, grepen naar hun revolvers, maar vóór ze met hun verkleumde handen in de dikke, wollen wanten van hun wapens konden gebruik maken, hadden de vijanden zich reeds op hen geworpen.

Jack Stockton weerde zich dapper. Elkander hulp verleenen, daar was geen sprake van: ieder was geheel op eigen krachten aangewezen. Hij slaagde er in, zijn revolver te trekken en vuurde op een reusachtigen aanvaller, die hem met een knots bedreigde. De uitwerking van het schot was echter onbeduidend: de kleine kogel, die een zeer groote aanvangssnelheid had, doorboorde den schouder van den wilde, zonder hem pijn te veroorzaken, want de man gaf geen bewijs, dat hij gevoelde, getroffen te zijn.

Als een bliksemstraal vloog Jack de gedachte door het hoofd, dat kapitein Brookes wel andere middelen, dan zijn geluidloosvurende revolvers mocht gebruiken, als hij wilden tot eeuwigen vrede wilde dwingen. Maar veel tijd voor bespiegelingen werd hem niet gelaten; zijn tegenstander greep hem aan en er ontstond een verwoede worsteling. Jack was krachtig gebouwd en beschikte over veel spierkracht, maar nu gevoelde hij zich als een kind tegenover den Patagoniër met zijn stalen spieren. Hij voelde, dat hij het onderspit zou delven: zijn hoofd duizelde onder de slagen en hij kreeg een gevoel, of hem de ruggegraat gebroken werd. Hij viel op den grond en zag dreigende speerpunten en knotsen en toen verloor hij het bewustzijn.

Onderwijl had Slade zich manmoedig verweerd. Drie vijanden had hij met vuistslagen buiten gevecht gesteld: ondanks zijn wanten werkten zijn knuisten als stoomhamersen een oogenblik scheen het, of hij in het gevecht de baas zou blijven. Onverwacht echter werd hij van achteren aangevallen en kreeg een knotsslag op het hoofd. Hij had letterlijk en figuurlijk een harden kop en bij deze gelegenheid was dat nu eens een groot geluk voor hem, want voor ieder ander zou de slag doodelijk geweest zijn en bij hem was het gevolg slechts, dat hij bewusteloos in de sneeuw viel.

Toen Stockton weer bijkwam, bemerkte hij, dat hij met Slade en een matroos onder een overhangend rotsblok was neergelegd. Zij lagen vlak tegen elkander aan en dat was hun geluk, want ze deelden elkander van hun lichaamswarmte mee en ontkwamen daardoor aan het gevaar te bevriezen.

In het rond zaten wel een honderdtal Patagoniërs, waarvan er eenige luid aan het krakeelen waren over de verdeeling van den buit.

Langzamerhand kwamen hem nu de bijzonderheden van het gevecht weer voor den geest en hij kon het niet best verklaren, waarom de wilden hem en de beide andere gewonden niet den genadestoot hadden gegeven. Misschien waren ze van plan hun slachtoffers een marteldood te laten sterven. In deze weinig opbeurende overpeinzing werd hij gestoord door Slade, die begon te bewegen. De luitenant stond op, deed een paar stappen en rolde toen in de sneeuw. Een uitbundig en ruw gelach van de wilden beantwoordde deze vertooning en toen pakten twee van de kerels den luitenant op en legden hem weer op zijn vorige plaats.

"Hallo, Slade!" begon Jack, maar als eenig antwoord uitte de luitenant een reeks, meerendeels onverstaanbare woorden. Hij lag te ijlen en het was duidelijk, dat hij zich in de koortshitte verbeeldde aan boord te zijn, bezig met zijn gewone werkzaamheden. Plotseling ging hij overeind zitten en steunde om water, viel weer achterover en lag doodstil, alsof alle leven uit zijn lichaam was geweken.

Stockton voelde een loome onverschilligheid voor wat er om hem heen gebeurde, over zich komen, toen zijn aandacht gewekt werd door de komst van een Patagoniër, die, te oordeelen naar de algemeene opschudding, die er ontstond, buitengewoon belangrijk nieuws bracht. De wilden trokken haastig af en lieten hun gevangenen alleen: ze wisten toch wel, dat deze niet in staat waren te vluchten. Wat was er gebeurd? De man, die daar even was aangekomen, had de tijding meegebracht, dat het schip met de blanke mannen vertrokken was. Achterdochtig als ze zijn, vertrouwden de wilden den boodschapper niet en gingen zich met eigen oogen overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.

Binnen het uur waren de meesten weer terug. Ze waren opgewonden vroolijk, want inderdaad was het groote schip vertrokken en de kreek dus vrij. Zij konden nu overvaren naar hun dorpje zonder gevaar te duchten. Vlug maakten ze drie eenvoudige draagbaren van speren en dierenhuiden, de blanke gevangenen werden erop gelegd en toen onder het bulderen van een ware zegezang werd de tocht aanvaard naar de kust.

Toen ze daar aangekomen waren, was het eerste werk de kano's om te keeren en te water te laten. Met moeite vonden alle mannen een plaats in de booten, die overvol, midscheeps niet meer dan 15 c.M. boven water uitstaken.

Stockton en zijn beide medegevangenen waren neergelegd op den bodem van een van de grootste kano's.

't Was gelukkig, dat de storm even snel was gaan liggen, als hij opgestoken was, en dat nu het water kalm was, want anders zouden de beweeglijke vaartuigjes alle kans geloopen hebben, om te slaan.

Door de krachtige slagen van een twintigtal pagaaien voortbewogen, schoot de boot van Stockton de andere een eind vooruit. Een eentonig gezang van de roeiers gaf de maat aan voor de regelmatige beweging van de pagaaien.

Eensklaps echter verstomde het gezang en er klonk een kreet van schrik. De roeiers lieten hun pagaaien vallen, sprongen overeind en stonden verlamd ten gevolge van een onuitsprekelijk afgrijzen; toen ze een oogenblik later weer tot bezinning kwamen, sprongen ze overboord.

Woestschommelde het vaartuig en hoog spatte het water op, dat weer in fijne druppels neerviel op de gekwetsten.

image: 05_speeren.jpg

image: 05_speeren.jpg

[Illustratie: dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig. Pag. 117]

[Illustratie: dat ze hun speeren wierpen naar het vreemde vaartuig. Pag. 117]

Vóór Jack een veronderstelling had kunnen maken, omtrent de reden van hetgeen er gebeurde, hoorde hij een stem, die hartelijk uitriep: "Gelukkig, daar zijn ze!" Op hetzelfde oogenblik sprongen er drie matrozen in de kano.

"Voorzichtig! Til ze eruit!" commandeerde iemand, dien Jack aan het geluid dadelijk als zijn vriend Gerald herkende. Hij voelde, hoe hij vlug, maar zorgzaam van den bodem van de boot werd opgetild en een oogenblik later bevond hij zich op het kleine platform van de duikboot van de Olijftak.

"Goddank, dat je gered bent!" fluisterde Gerald hartelijk.

De drie gewonden werden daarna door het voorste luik naar binnen gebracht en om meer ruimte te maken, besloot Gerald de boot te besturen van het platform dat den toren omgaf.

Er was geen reden om de boot te laten duiken. Ze was geheel onverwacht opgestegen uit de wateren van Desolation Inlet en dat verschijnen had een panischen schrik onder de wilden verwekt en nu stoof de onderzeeër op de kano's aan als een terriër onder een zwerm ratten.

Een deel van de Patagoniërs vermanden zich in zooverre, dat ze hun speren wierpen naar het vreemde vaartuig, maar die troffen geen doel of stuitten af op den wand van de duikboot.

Het was aan geen twijfel onderhevig, of de zwakke, houten vaartuigjes zouden een gemakkelijke prooi worden van het kleine, stalen monster. Na de eerste botsing, konden de wilden zich op het lot, dat hun wachtte, voorbereiden. De grootste kano werd, alsof hij van bordpapier was, middendoor gevaren. De inzittenden waren gedood, ernstig gewond of ze trachtten al zwemmende zich het leven te redden. De vrees deed den Patagoniërs alle voorzichtigheid uit het oog verliezen; in plaats van zich te verspreiden, brachten ze hun booten zoo dicht mogelijk bij elkander, waardoor ze het hun aanvaller gemakkelijk maakten, al hun kano's in den grond te boren.

Gedurende den korten strijd met de laatste boot, slaagde één van de inboorlingen erin op den kegelvormigen boeg van den onderzeeër te springen. Vlug als een kat sloop hij langs het dek en voor Gerald in staat was, zich tegen dezen onverwachten aanval te verdedigen, had de wilde hem om het middel gegrepen.

Gerald schreeuwde om hulp, maar door het geraas van den strijd, werd dat binnen niet gehoord en voor hij zijn kreet kon herhalen, had de wilde hem met de rechterhand bij de keel gegrepen, terwijl hij probeerde hem met den linkerarm van het platform af te werken. Gerald kon voor zijn verdediging slechts beschikken over zijn linkerhand, want met zijn rechter klemde hij zich vast aan 't stuurtoestel.

Liet hij dat eenmaal los, dan was het met hem gedaan.

Krachtig sloeg hij van zich af, maar hij had dikke handschoenen aan, zoodat de Patagoniër tamelijk onverschillig voor zijn stompen bleek. Toen trachtte hij zijn tegenstander van zich af te schoppen, maar ook hierin slaagde hij niet. De Patagoniër besprong hem als een roofdier, sloeg zijn, beenen om Gerald's middel en greep hem met de handen, die hij nu beide vrij had, bij de keel.

Gerald gevoelde, dat zijn krachten hem gingen begeven zijn adem stokte en drong met benauwd, gorgelend geluid geluid naar buiten onder den krachtigen greep van de gespierde vuisten van den wilde. Er kwam een nevel voor zijn oogen, zijn handen lieten het stuurtoestel los en hij stortte met zijn aanvaller achterover.

In plaats van de aanraking met het ijskoude zeewater, voelde hij opeens een greep om zijn been, zóó krachtig, dat zijn enkel bijna brak. Onduidelijk kon hij zich later herinneren, dat hij toen naar binnen getrokken was in den toren, terwijl Watson, de machinist, bezig was aan het stuurtoestel met een grooten schroevendraaier.

De list van Gerald was geslaagd. Hij was bekend met de gewoonte van de Patagoniërs, om schepelingen, die in hun handen vielen, gevangen te houden en niet vrij te laten, dan tegen een beduidend losgeld. Zoo zou 't nu ook wel weer gaan, dacht hij. Inderdaad dachten de wilden op deze wijze met de blanke schepelingen te handelen; daarom wilden zij ze naar hun dorp overbrengen. Ook dat had Gerald voorzien en hij wilde de kano's bij hun tocht over het water met den onderzeeër verrassen.

Alles liep goed van stapel; de vijand werd vernietigd, maar we zagen ook, hoe de uitvoering van zijn plan Gerald zelf bijna het leven had gekost.

Toen hij weer bij kwam, lag hij in het vooronder van den onderzeeër met Slade, die bewegingloos lag uitgestrekt.

"Wel, oude jongen, hoe gaat het er mee?" vroeg Mr. Palmer.

"Zoo'n beetje geradbraakt, maar dat is gauw genoeg weer in orde."

"Een zaakje voor den dokter, hè!"

"'k Denk er niet aan. 't Was anders wel een duw, dien ik gekregen heb. En hoe ik er in geslaagd ben, dien woesteling van me af te werken, dat begrijp ik nog niet."

"Dat geloof ik ook best, want je hebt dat niet gedaan. Als Watson geen argwaan gekregen had, toen de boot recht op de kust bleef aanhouden en was gaan kijken, dan zou jij nu niet hier liggen. Hij heeft den schelm geducht met zijn schroevendraaier bewerkt en jou gegrepen, toen je bijna te water raakte."

"En waar zijn we nu?"

"We zijn op den terugweg, we hebben naar de Olijftak getelephoneerd en die komt terug."

Tien minuten later was de kruiser in zicht en spoedig lag de onderzeeër langszijde. Stockton, Slade en de gewonde matroos werden aan boord gebracht en aan de goede zorgen van den dokter overgelaten, terwijl Gerald onmiddellijk zijn rapport omtrent het gebeurde uitbracht aan kapitein Brookes.

"Goed," zei de kapitein, toen hij alles had aangehoord, "we zullen een lading dynamiet aan wal brengen en het dorp in de lucht laten springen."

"Moet dat ook nog gebeuren, Sir?" vroeg Gerald. "Is verdere wraakoefening niet overbodig?"

"Overbodig? Neen. Mijn zinspreuk is: doe nooit iets ten halve. En kunt ge wel een gezonde reden aanvoeren, waarom ik niet geheel met die schelmen zou afrekenen?"

"Die reden ligt nog al voor de hand. Laten we veronderstellen, dat de geheele trouwelooze bevolking van dit dorp wordt uitgeroeid, welke gevolgen zal dat hebben voor de toekomst? De toestand hier aan de kust zal dezelfde blijven, want de naburige stammen zullen nooit vernemen, waaraan hun ongelukkige broeders hun ellendig lot hebben te wijten. Beperken we ons tot een geduchte les, dan zullen ze daaraan later denken en zich beter gedragen."

Kapitein Brookes fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik dwaalde zijn blik langs de onherbergzame rotsen aan de kust en toen draaide hij zich met een snelle beweging om en keek Gerald scherp in de oogen.

"Mr. Tregarthen," sprak hij, "ge zijt de eenige hier aan boord, die mij durft tegenspreken. Hoe het komt, weet ik niet, maar van u hindert het me niet, uw rondborstigheid bevalt me. — Wat zoudt gij dan denken, dat we verder doen moesten?"

"We kunnen een proef nemen met de Z. Z.-stralen, Sir."

"Maar welk verschil maakt dat nu met mijn plan, Sir? De Z. Z.-stralen dooden onmiddellijk en pijnloos, maar deuitwerking is ten slotte dezelfde als die van een ontploffing, zooals ik voorstelde."

"Neen Sir, zoo bedoel ik het niet. We sturen een afdeeling van onze mannen aan wal om onze vermiste makkers op te sporen en die kunnen gemakkelijk een aantal Patagoniërs gevangen nemen."

"En dan?"

"We brengen een flinke hoeveelheid springstof onder gindsche rots, die uit het dorp goed zichtbaar is. De Olijftak vaart tot in den mond van Desolation Inlet en doet door middel van de Z. Z.-stralen de lading ontploffen."

"En de Patagoniërs dan?"

"We verhinderen ze te vluchten en zorgen ervoor, dat de gevangenen de vreeselijke uitbarsting zien. Ze zullen dat tooneel nooit vergeten en zich niet licht weer vergrijpen aan vreemde schepelingen, die genoodzaakt zijn, hier te landen. Ten slotte wilde ik u verzoeken, mij het bevel op te dragen over de mannen, die de inboorlingen zullen gevangen nemen en bewaken."

"Ge stelt meer vertrouwen in mijn uitvinding dan ik zelf, Mr. Tregarthen. Bedenk wel, een kleine fout in de berekening van den afstand, kan u en de wacht het leven kosten."

"Als de voorzorgen nauwkeurig genomen worden, ben ik daar geen oogenblik bevreesd voor, Sir."

"Goed dan, als u het wagen wilt, zullen we het beproeven. Alleen stel ik als voorwaarde, dat de mannen, die met u de wacht bij de gevangenen houden, zich vrijwillig daarvoor moeten aangeven, nadat ze geheel op de hoogte zijn gebracht van de gevaren, waaraan ze zich daarbij blootstellen."

Intusschen was de duikboot weer op haar gewone plaats gebracht en de werkzaamheden voor het aanbrengen van de herstelde schroef waren flink gevorderd.Er werd dadelijk begonnenmet toebereidselen voor de landing, die den volgenden dag zou plaats hebben.

Bij het eerste ochtendgloren scheepte de landingsdivisie zich in onder bevel van kapitein Brookes, die zelf den tochtwilde meemaken. In de boot werd de zware lading springstof meegevoerd, met de noodige voorzorgen zóó geplaatst, dat geen onverwachte schok een noodlottige ontploffing zou kunnen veroorzaken.

Zonder eenig ongeval had de overvaart naar de oostelijke kust van de kreek en de ontscheping van de afdeeling plaats, die uit tachtig goed gewapende mannen bestond. Het plan was, eerst de plaats op te zoeken, waar de ongelukkige krijgsmakkers in de hinderlaag gevallen waren. Heel gemakkelijk ging dat niet, want het had gesneeuwd, en dus waren alle voetsporen verdwenen en geen van de overlevenden was genoegzaam hersteld om dezen tocht mee te maken. Eindelijk vond men echter een van de merkteekens, die op de boomen waren aangebracht en daardoor was de kapitein zeker van den te volgen weg.

Ofschoon er, na hetgeen er met de kano's was gebeurd, niet te vreezen was voor een overval, achtte kapitein Brookes het toch noodzakelijk, de grootste voorzichtigheid te betrachten. Er werd een kleine voor- en achterhoede gevormd en langzaam trok de troep voorwaarts, den vinger aan den trekker van het geweer, waarvan men den geluiddemper had afgenomen.

Na een poosje zoo te zijn voortgetrokken, maakte de voorhoede halt. Ze hadden iets gevonden, waardoor hun belangstelling in hooge mate was opgewekt. Ze durfden zich blijkbaar niet te lang ophouden, om de marschorde niet te verstoren. Toen de hoofdmacht met kapitein Brookes aan dezelfde plek was gekomen, begrepen ze dadelijk, wat de reden was geweest van het oponthoud van de voorhoede. Half onder de sneeuw bedolven, lagen daar de lichamen van hun ongelukkige kameraden, die gevallen waren als slachtoffers van den verraderlijken overval. Een kreet van woede getuigde van de verbittering, die de matrozen tegen de Patagoniërs gevoelden. Kapitein Brookes had spijt, dat hij zijn voornemen om wraak te oefenen, had opgegeven, maar hij troostte zich met de gedachte, dat de wilden toch een les kregen, die ze niet licht vergeten zouden.

In der haast werd van kleine rotsblokken een grafkelder samengesteld, waarin de lijken van de gesneuvelde matrozen werden neergelegd en toen marcheerde de troep terug naar de kust. Vlug scheepten ze zich in en voeren naar de overzijde. Nu zou de verrassing van het dorp worden uitgevoerd. Het was bijna geheel door rotsen omgeven, die slechts aan één kant een opening lieten, die toegang gaf tot den vlakken bodem van het dal eener kleine rivier. Die opening moest bezet worden door luitenant Sinclair, die met twintig man daarheen werd afgezonden. De overige matrozen beklommen de rotsen en zouden vandaar het dorp aanvallen, zoodra Sinclair door een afgesproken teeken berichtte, dat hij op zijn post aangekomen was.

Alles ging naar wensch, met ongeduld wachtten de mannen op de rotsen het bevel voor den aanval. Daar klonk in de verte een geweerschot: luitenant Sinclair had stelling genomen. "Voorwaarts, mannen!" riep kapitein Brookes en in woeste vaart stortten de mannen zich van de rotsen en bestormden de hutten, waaruit liet dorp bestond.

Zóó onverwacht had de aanval plaats, dat de overgroote meerderheid van de bevolking niet dacht aan tegenweer; slechts enkele mannen grepen naar hun wapens, maar ze werden onmiddellijk neergeschoten. De overigen ijlden in wilde vlucht in de richting van het rivierdal, maar daar bij de opening in de rotsen stuitten ze op de dreigende geweerloopen van de mannen van Sinclair. Tusschen twee vuren, zagen ze geen uitweg meer; jammerend in wanhopigen angst liepen ze dooreen, in onverstaanbare klanken smeekend om lijfsbehoud. De insluiting door de aanvallers werd steeds nauwer en terwijl een deel van de matrozen met hun geweren de wilden in ontzag hield, grepen andere de mannen aan en bonden hun stevig de handen op den rug, bij de vrouwen en kinderen achtte men die voorzorg niet noodig.

Met de gevangenen werd nu de tocht naar de kust aangevangen. Op een plek, vanwaar de rots, die Gerald had aangewezen, goed zichtbaar was, werd halt gehouden en aan de Patagoniërs beduid zich neer te zetten, de mannenin een kring en daarbinnen de vrouwen en kinderen. Eerst hadden de ongelukkige wilden niets anders gedacht, of hun laatste uur had geslagen, maar die gedachte lieten ze los, hetgeen bleek uit het verdwijnen van de uitdrukking van wilden angst uit hun oogen: onverschillig zaten ze toe te kijken, naar hetgeen de blanke menschen uitvoerden.

Zeven bussen, elk inhoudende 16 1/2 pond dynamiet, werden in holten van de rots gebracht en toen Gerald den vrijwilligers, die zich hadden aangemeld, hun plaatsen had aangewezen, was men met de voorbereiding geheel gereed.

"En nu zullen we de proef met de Z.Z.-stralen nemen, Mr. Tregarthen," zei kapitein Brookes, toen hij afscheid nam van Gerald. "Het is half elf. Precies om twaalf uur zal ik den stroom van de Olijftak vrij laten, op een afstand van negen zeemijlen van de rots. Blijf hier wachten tot ik terugkom en houdt de gevangenen tot zoo lang vast. Ik hoop om half één terug te zijn."

"Zeer goed, Sir," antwoordde Gerald met een militair saluut en toen gaf de kapitein aan de overige mannen bevel af te marcheeren.

Intusschen had men op de Olijftak hard gewerkt, zoodat, toen de kapitein weer aan boord kwam, de duikers met hun arbeid gereed waren en de schroef weer dienst kon doen.

De ankers werden gelicht en het schip zette koers naar den mond van Desolation Inlet.

De bewaking van zijn gevangenen gaf Gerald weinig moeite, zoodat hij al den tijd had, om na te denken over hetgeen hij begonnen was. In zijn ijver om de Patagoniërs van een wissen ondergang te redden, had hij wel wat overijld een plan gevormd en nu de uitvoering zoo nabij was, kwamen de bezwaren van kapitein Brookes zich met groote kracht aan hem opdringen.

De Z.Z.-stralen konden wel eens op grooteren afstand werken, dan de uitvinder veronderstelde; de straal van haar gebied kon wel eens grooter zijn, dan de wijzer op het bord aangaf, de afstand en de ligging van de rots ten opzichte van de Olijftak konden wel eens niet zuiver zijn bepaald; — en wat dan?

Tregarthen keek op zijn horloge.Het was een kwartier vóór elven.

"Smith!" riep hij, zich richtend tot één van de onderofficieren.

"Sir?"

"Gelast den mannen hun bandelieren af te doen en de magazijnen van hun geweren leeg te maken en stop de patronen in den grond bij dien boom daar."

Zonder eenige toelichting te vragen bij dit oogenschijnlijk zoo zonderlinge bevel, bracht Smith het aan zijn mannen over: aan blinde gehoorzaamheid waren ze op de Olijftak gewoon.

Nu had Gerald alle voorzorgen genomen, die te bedenken waren en kalm wachtte hij den loop der dingen af.

Langzaam kropen de minuten om en de spanning van den bewakingstroep werd bij ieder seconde grooter; ook de Patagoniërs schenen te gevoelen, dat er iets bijzonders zou gaan gebeuren.

Met zijn uurwerk in de hand wachtte Gerald en toen de groote wijzer één minuut voor de twaalf stond, riep hij: "let op!" en strekte den arm in de richting van de rots.

Wel verstonden de Patagoniërs den uitroep niet, maar ze volgden met de oogen de aangeduide richting. Een benauwende, doodelijke stilte hing in de lucht.

Precies om twaalf uur deed een vreeselijke ontploffing den harden bodem schudden en de rots ging schuil in een zware wolk van damp en rook. Toen die wolk was opgetrokken, was de rots geheel verdwenen: alleen wees een hoop steenklompen de plaats aan, waar ze gestaan had.

De uitwerking op de inboorlingen was niet te beschrijven. In doodsangst wentelden ze zich stuiptrekkend over den grond, gillend en kermend op een erbarmelijke manier.

Hun ontzetting was zoo groot, omdat juist déze rots voor hun oogen vernietigd werd. Daar was, zooals ze geloofden, de verblijfplaats van hun krijgsgod, die hen beschermdebij hun verraderlijke aanvallen op de bemanningen van vreedzame koopvaarders of visschersvaartuigen, die hier een schuilplaats zochten tegen zwaar weer. En nu bleken die blanke mannen op hun drijvend dorp sterker dan hun machtige oorlogsgod; dit maakte, dat hun vrees groeide tot wanhoop.

Om half één, precies op den afgesproken tijd, landde kapitein Brookes. Door middel van gebaren werd den Patagoniërs duidelijk gemaakt, dat men hun leven zou sparen, op voorwaarde, dat ze zich in de toekomst zouden onthouden van elke vijandelijke daad tegenover de bemanning van schepen, die Desolation Inlet aandeden. Ze schenen te begrijpen, wat van hen gevergd werd en gaven ook door teekens te kennen, dat ze de bevelen van hun overwinnaars getrouw zouden volgen.

"Laat ze nu heengaan," beval kapitein Brookes en zich toen tot Gerald richtend, zei hij: "Dat is prachtig gegaan. De Z.Z.-stralen hebben uitstekend de proef doorstaan en we kunnen er voortaan met alle gerustheid gebruik van maken, daar we zeker zijn omtrent de uitwerking. Dat is een groote gerustheid, want we zullen ze spoedig noodig hebben. Zoo even ontving ik een draadloos bericht, dat onze tegenwoordigheid in de Middellandsche Zee noodzakelijk maakt. Ik ken nog geen nadere bijzonderheden en kan dus niets verder zeggen, maar één ding weet ik wel en dat is, dat onze avonturen van de laatste maanden kinderspel zullen blijken bij hetgeen we daar zullen beleven."

Een week later kliefde de Olijftak de golven van het noordelijk deel van den Atlantischen Oceaan. Haar uiterlijk voorkomen was veel veranderd sedert ze Desolation Inlet had verlaten, want alle sporen van haar ontmoeting met de Engelsche kruisers waren verdwenen. Alle schade, door de granaten aangericht, was hersteld, alleen het automatische stuurtoestel had men niet weer in orde kunnen krijgen en daarom stonden nu voortdurend een kwartiermeester en twee matrozen aan het groote stuurrad, terwijl vroeger een uitkijkpost voldoende was, wanneer het schip, als een bezield wezen, een vasten koers volgde.

Omstreeks dezen tijd was het bestaan van de tot nu toe zoo geheimzinnige Olijftak algemeen bekend en de voornaamste Europeesche staten hadden wel ingezien, dat men voortaan met haar strijdkracht zou moeten rekenen. Het rapport van Gerald aan de Britsche Admiraliteit had een zeer gunstig gevolg gehad, waarvan kapitein Brookes en zijn officieren niets wisten. Aan de talrijke schepen, die de Engelsche vlag over alle zeeën voeren, waren code-telegrammen gezonden, die het bevel inhielden de Olijftak ongemoeid te laten, zoolang deze zich onthield van vijandelijkheden tegen Britsche vaartuigen. De wijze, waarop kapitein Brookes was opgetreden bij Talcahuano, was zeker ook van grooten invloed geweest op deze vriendschappelijke gezindheid.

Aan boord van de Olijftak was, zooals we zeiden, van deze gunstige wending niets bekend en de kapitein deed al het mogelijke, om een ontmoeting met Engelsche schepen tevermijden. Zeer moeilijk zou dit gaan bij het doorvaren van de Straat van Gibraltar. Een andere weg om in de Middellandsche Zee te komen was er niet, want aan het Suez-kanaal kon in geen geval gedacht worden en daarom zag kapitein Brookes zich genoodzaakt zeer bijzondere voorzorgen te nemen. Hij had vernomen, dat een groot deel van de Russische, vrijwillige vloot den tocht zou maken van Libau naar Sebastopol en nu besloot de kapitein zijn schip het voorkomen te geven van een Russisch oorlogsvaartuig. Op die wijze hoopte hij ongehinderd voorbij Gibraltar te komen.

In de eerste plaats werden twee hooge schoorsteenen van zeildoek opgericht, verder werd er een mast bijgeplaatst met een nagemaakt toestel voor draadlooze telegraphie. Het geheele schip werd groen geschilderd, de kleur van de vaartuigen van de Keizerlijke Russische Marine en de naam Jekaterinoslav werd in Russische letters op den boeg gezet. De Russische vlag, het blauwe St. Andrieskruis op een wit veld, die aan den mast wapperde, voltooide de vermomming.

"Ik denk, dat we er zóó prachtig zullen doorkomen," zei kapitein Brookes tevreden, toen alles klaar was. "Alleen is het te hopen, dat we geen krachtigen wind krijgen in de Straat, want dan liggen onze mooie, nieuwe schoorsteenen dadelijk tegen het dek."

"En dan is onze verdere vermomming niets meer waard," voegde luitenant Sinclair er bij. "We hebben ze zoo stevig mogelijk bevestigd, maar toch bewegen ze nog door den wind."

"We moeten maar een beetje op ons goed gesternte vertrouwen. In allen gevalle reken ik er op, dat we wel op een geschikte manier door de Straat zullen heenkomen. Wilt ge in de machinekamer verzoeken de vaart terug te brengen tot vijftien knoopen en wilt ge de windstutten inspecteeren?"

Tegen zonsondergang veranderde de Olijftak, die in noordelijke richting langs de Spaansche kust voer, haar koers en voer naar het Z.O.

Het was een warme avond: Gerald zocht met zijn vriend Stockton een beetje koelte op het dek. Jack was onder de goede zorgen van Dr. White snel in beterschap toegenomen, zijn wond was wel heel gevaarlijk geweest, maar er deden zich gelukkig geen complicaties voor.

"Daar hebben we kaap Tarifa," zei Gerald, toen er aan bakboord een rood licht zichtbaar werd. "Spoedig zullen we nu wel het witte licht van Europa Point in het oog krijgen. Ik ben wel benieuwd naar de gebeurtenissen, die ons wachten. Het zal nog wel gaan, de Middellandsche zee binnen te komen, maar hoe moet het, als we weer terug willen. Door zoo'n paar kruisers als bij Talcahuano kom je wel heen, maar hier krijgen we de heele Britsche Middellandsche zeevloot aan den hals: dat is wat anders."

"Laten we geen zorgen maken voor den tijd. Tot nu toe gaat alles best, we zijn al in de Straat en worden niet opgemerkt."

"Ja, onze vermomming helpt er ons voor 't oogenblik doorheen, maar als het eenmaal bekend is, dat de Olijftak in de Middellandsche zee is, dan worden we van alle kanten aangevallen."

"Als zij —."

Den volzin, dien Jack wilde uitspreken, kon hij niet voleindigen, want eensklaps blies er een rukwind uit de richting van Carnero Point, greep de Olijftak aan stuurboord en wierp de twee schoorsteenen van zeildoek in zee. Het doek raakte verward in de roerkettingen, en daardoor was de werking van het roer verlamd.

Even snel als de wind was opgestoken, ging hij ook weer liggen.

Kapitein Brookes verloor geen oogenblik zijn kalmte en nam dadelijk zijn maatregelen. De motors werden stopgezet, om te voorkomen, dat de schroeven door het zeildoek onklaar zouden worden en dadelijk werden de noodige mannen aan het werk gezet om de hinderlijke doekmassa's uit den weg te ruimen.

Vlug togen ze aan den gang, maar nog geen tien minutenwaren ze bezig, of daar grepen met de grootste juistheid de verblindende stralen van een zoeklicht de Olijftak.

"Een schip," sprak kapitein Brookes, "ieder op zijn post, mannen."

Toen hij den commando-toren had bereikt, was het zoeklicht gedoofd en door middel van een signaallicht in den mast, riep het vreemde schip de Olijftak aan, die bewegingloos wachtte, op hetgeen er volgen zou.

"Geef antwoord," beval de kapitein kort en daarop volgden van de brug van het andere schip korte lichtschitteringen, die beduidden: "Welk schip?"

"We zullen maar geen schuilevinkje spelen, Tregarthen. Ik wil mijn eigen, geliefde vlag toonen en als ze maar eenigszins hun veiligheid liefhebben, dan zullen ze daar wel afblijven."

Daarna gaf hij bevel te antwoorden: "De kruiser, de Olijftak."

Een oogenblik later volgde van het andere schip de vraag: "Is kapitein-luitenant Tregarthen aan boord?"

"Zoo, Mr. Tregarthen, hoort ge wel, ge zijt in rang verhoogd, laat me u van harte gelukwenschen."

Er werd bevestigend geantwoord en nu seinde het Britsche schip — want het was ontwijfelbaar een Engelsch vaartuig —:

"Ik heb u een mededeeling te doen; ik zend u een boot."

"Als die boot langszijde ligt hebben we niets meer te vreezen," merkte kapitein Brookes op, "maar we zullen toch op onze hoede moeten zijn. Laat de schroeven een paar slagen doen, dan kunnen we zien of ze te gebruiken zijn en laat flink voortmaken met het opruimingswerk."

Nauwelijks was de valreep neergelaten, of men hoorde het geluid van riemen en de omtrek van de naderende boot werd zichtbaar.

"Twee brieven, Sir; één voor den commandant van dit schip en één voor kapitein-luitenant Tregarthen. Wilt uzoo goed zijn mij voor beide een bewijs van ontvangst te geven?" zei de officier, die de sloep commandeerde, "Ge zult me toch zeker wel de eer aandoen, een oogenblik aan boord te komen," sprak kapitein Brookes hoffelijk en terwijl de officieren naar de campagne gingen, vervolgde hij: "Mag ik zoo onbescheiden zijn, te vragen, hoe het mogelijk is, dat ge brieven voor mij aan boord hadt?"

"Het gevolg van een algemeene order, Sir," antwoordde de luitenant van de Galatea, één van de nieuwste super-Dreadnoughts. "Ten gevolge van uw ongelooflijke snelheid, is men altijd in het onzekere omtrent de plaats, waar uw schip zich bevindt. We zijn zoo gelukkig geweest in uw vaarwater te komen."

Er was een groot verschil tusschen de wijze, waarop de kapitein zijn brief in ontvangst nam en die, waarop Gerald hetzelfde deed.

Terwijl de eerste bedaard de enveloppe met een vouwbeen opensneed, scheurde Gerald de zijne in koortsachtige haast stuk.

Hij vond erin het afschrift van een besluit, waarbij luitenantTregarthen tot kapitein-luitenant bevorderd werd, terwijl hij voor onbepaalden tijd voor speciale diensten werd aangewezen. Wat zijn verblijf op de Olijftak aangaat, daarover sprak de Admiraliteit zich niet duidelijk uit, toch lag er in haar woorden een aanmoediging voor hem om aan boord te blijven. Het bericht wentelde een grooten last van Geralds gemoed, maar door de opwinding van het oogenblik was het hem niet mogelijk, het voordeel, dat het hem bracht, geheel te overzien.

Intusschen had ook kapitein Brookes de lezing van zijn brief ten einde gebracht, maar geen trek op zijn gezicht verraadde den indruk, dien de inhoud op hem gemaakt had. Met zorg koos hij een veeren pen, versneed die en begon te schrijven.

Deze voorliefde voor veeren pen was een van de zonderlingheden van den kapitein. Overal op zijn schip waren zijneigen nieuwste vindingen toegepast en hij schreef met de ouderwetsche ganzeveer.

Hij schreef keurig zijn antwoord, sloot zijn brief met een zuiver gevormd lakstempel en overhandigde dien met een hoffelijke buiging aan den Britschen officier.

Toen Gerald ook gereed was met het schrijven van zijn bericht van ontvangst, noodigde de kapitein zijn bezoeker uit, een fijne flesch Madera te blijven drinken en gezellig bleven de drie mannen nog een half uur bij elkander.

Nadat de sloep naar de Galatea was teruggekeerd, was men ook gereed met het wegruimen van de overblijfselen van de verongelukte schoorsteenen en na een vriendschappelijk afscheid met lichtsignalen, verlieten de beide schepen elkander. De Galatea keerde terug naar de haven van Gibraltar en de Olijftak zette, met een snelheid van vijf en veertig knoopen, koers naar het oostelijk deel van de Middellandsche zee.

Vroeg in den volgenden morgen stond de geheele bemanning aangetreden op het campagnedek. Alleen zij, die elders onmisbaar waren, ontbraken in de gelederen.

Toen Gerald aan dek kwam, bemerkte hij, dat de Russische vlag was neergehaald en dat een man gereed stond om de groene-witte van de Olijftak op een gegeven teeken te hijschen.

Iedereen gevoelde, dat er iets bijzonders aan de hand was.

Het was wel algemeen bekend, dat er een belangrijk bericht was ingekomen, maar bijzonderheden kende niemand en het was dus niet te verwonderen, dat alle oogen zich nieuwsgierig richtten op kapitein Brookes, toen deze, in groot tenue gekleed, aan dek verscheen.

De kapitein haalde het schrijven, dat hij den vorigen avond ontvangen had, voor den dag en begon, na een korte inleiding, het stuk voor te lezen.

"Van My Lords, uitoefenend het gezag van Opper-Admiraal van Z.M.'s hoogzeevloot aan den officier, commandeerende den kruiser (nationaliteit onbekend) de Olijftak."Sir, — Hierbij berichten we u, dat het decreet, waarbij ge als zeeroover werd aangeduid, d.d. 29.8, is ingetrokken. Dit besluit is van kracht, overal waar Z. M.'s Regeering geëerbiedigd wordt. Aangenomen wordt verder, dat ge u zult onthouden van elke vijandige daad tegen onderdanen, schepen, gebouwen en verdere eigendommen van de Kroon — (Was geteekend) Balderstowe, Secretaris van My Lords, enz., enz."

"Van My Lords, uitoefenend het gezag van Opper-Admiraal van Z.M.'s hoogzeevloot aan den officier, commandeerende den kruiser (nationaliteit onbekend) de Olijftak.

"Sir, — Hierbij berichten we u, dat het decreet, waarbij ge als zeeroover werd aangeduid, d.d. 29.8, is ingetrokken. Dit besluit is van kracht, overal waar Z. M.'s Regeering geëerbiedigd wordt. Aangenomen wordt verder, dat ge u zult onthouden van elke vijandige daad tegen onderdanen, schepen, gebouwen en verdere eigendommen van de Kroon — (Was geteekend) Balderstowe, Secretaris van My Lords, enz., enz."

De eerste oogenblikken, die volgden op de lezing, bleef het doodstil. De officieren toch waren te phlegmatisch om hun gevoelens op luidruchtige wijze te uiten en de manschappen zagen niet dadelijk in, hoe belangrijk de inhoud van het schrijven was. Toen dit tot hen doordrong, uitten ze hun vreugde in een krachtig hoezee. Niets zou de trouw aan hun kapitein kunnen schokken, maar ze bleven toch steeds gevoelen Engelschen te zijn en het verwekte een groote vreugde, dat ze niet langer door de zeelieden van hun vaderland als zeeroovers zouden worden opgejaagd en aangevallen.

"Ge hebt zeker wel opgemerkt, mannen," sprak kapitein Brookes, "dat er meer uit dit stuk te lezen is, dan de Britsche Admiraliteit erin heeft willen neerschrijven. Wij zijn erkend ais een belangrijke factor voor het bewaren van den wereldvrede. En we kunnen gerust nog verder gaan, we kunnen verklaren, dat, mochten voor Engeland uren van beproeving aanbreken, de Olijftak zich zonder bedenken zal scharen aan de zijde van den kampioen voor waarachtige vrijheid.

"Aan den politieken horizon komen dreigende wolken opzetten. Welk aandeel de Olijftak zal hebben in de gebeurtenissen, die in de eerstvolgende weken kunnen verwacht worden, wil ik u meteen meededen.

"Eenigen tijd geleden zijn er ernstige moeilijkheden gerezen tusschen Turkije en Griekenland en verschillendeomstandigheden wijzen er op, dat het geschil niet tot deze twee staten zal beperkt blijven, maar dat het leiden zal tot een algemeenen Europeeschen oorlog.

"Er loopen stellige geruchten omtrent het bestaan van een geheim verdrag tusschen Griekenland en Rusland, waarbij bepaald is, dat de Russische Zwarte-zee-vloot de Dardanellen zal forceeren, zoodra het eerste schot in den Grieksch-Turkschen oorlog wordt gelost. Tevens zullen Oostenrijk en Italië zich voegen aan de zijde van Turkije. Rusland zal dus zijn legers over de Karpathen zenden en wanneer we de noodige aandacht schenken aan de bondsverhouding tusschen Duitschland en Oostenrijk, dan moeten we wel aannemen, dat het eerste land niet zal toelaten, dat Rusland reusachtige troepenmassa's samentrekt op Duitschlands oostgrens. Frankrijk wacht slechts op een gelegenheid om de verloren provincies Elzas en Lotharingen terug te krijgen en zal dus stellig Rusland, waarmee het verbonden is, steunen.

"Het geschil tusschen Griekenland en Turkije mag dus niet tot uitbarsting komen. De ontmoeting tusschen de beide vijandelijke vloten mag niet plaats hebben; en die te verhinderen is de taak van de Olijftak."

Toen de kapitein zijn rede geëindigd had, klonk er nogmaals een luid hoezee en de bemanning marcheerde af.

Kapitein Brookes maakte zich juist gereed de campagne te verlaten, toen Mr. Selkirk, de chef van de machinekamer hem een niet zeer welkome mededeeling kwam doen. Er dreigde namelijk gebrek aan brandstof. Mr. Selkirk meende, dat men met de grootste zuinigheid nog voor twee dagen genoeg zou hebben.

De kapitein ontveinsde zich de moeilijkheid van het geval niet. In de motoren zat de kracht van de Olijftak, als die niet voldoende gevoed konden worden, was het geheele schip machteloos. Er moest dus dadelijk naar een middel worden uitgezien, om den voorraad brandstof aan te vullen.

Malta zou men nog wel kunnen bereiken, maar de kapitein had er groot bezwaar tegen nu reeds dadelijk Engelsche hulp in te roepen en daarom vormde hij een ander plan.

De Olijftak zou koers zetten naar de Straat van Messina en daar goed- of kwaadschiks bezit nemen van de lading van één van de vele olie-tankschepen, die uit Baku naar de Fransche havens aan de Middellandsche zee varen.


Back to IndexNext