Het was tegen het vallen van de schemering, dat de Olijftak den noordelijken ingang van de Straat van Messina bereikte. In de verte, aan stuurboord, schitterden de lichten van de Siciliaansche stad Milazzo, terwijl aan de andere zijde een roodachtig schijnsel in de lucht de plaats aanwees, waar Stromboli lag.
"Dat is Kaap Faro," merkte Sinclair op, terwijl hij een voorgebergte aanduidde, dat zich wazig afteekende in het bleeke, vervloeiende licht. "Nu komen we gauw in het: drukste vaarwater."
"Hoe gauwer hoe beter," zei luitenant Palmer. "De kapitein heeft juist de mededeeling ontvangen, dat we nog maar twee uur varen kunnen."
"Licht aan bakboord, Sir," riep de uitkijk, toen een mat-roode ster langzaam van achter het voorgebergte te voorschijn kwam.
"Zorg ervoor dat ze geen achterdocht krijgen," zei kapitein Brookes, toen het vreemde schip de sirene liet werken. "Vraag naar het register-nummer."
Het code-boek wees aan, dat men te doen had met het Engelsche schip Bletchley Hall.
Men liet het schip voorbijvaren. Ook een tweede ontmoeting beantwoordde niet aan het doel, want dat vaartuig was de Pluto, van Zante naar Castellamare.
De toestand werd bij het oogenblik meer dreigend en om de laatste brandstof zooveel mogelijk te sparen, werden de machines van de Olijftak stopgezet.
Bij het aanbreken van den volgenden dag zou echter hetgeluk beter dienen, want een groot vrachtschip kwam langzaam de Straat binnenstoomen en het geoefende oog van den kapitein zag al gauw, dat hij nu gevonden had, wat hij zocht.
"Als dat geen olietank is," riep hij vroolijk, "dan mag ik een Duitscher zijn!"
Zonder iets kwaads te vermoeden gaf het vrachtschip zijn naam op, de haven van uitklaring en van bestemming en den aard van de lading: ruwe petroleum. Maar daarop volgde tot niet geringe verbazing van den gezagvoerder een bevel van de Olijftak om bij te draaien.
Tot eer van den Rus moeten we echter verklaren, dat hij maar niet onmiddellijk dat bevel opvolgde. Hij versnelde den gang van het schip en trachtte zoo snel mogelijk weg te komen. Het tooneel, dat nu volgde, deed denken aan een jacht van een hond op een stekelvarken, want de Olijftak had het, dank zij het bespaarde overschot van haar brandstof, gebracht tot een snelheid van dertig knoopen. Ze loste een kanonschot en toen een granaat op twintig meter afstand van den boeg voorbijgonsde, besloot de Rus te stoppen en bij te draaien.
"Laat een boot neer," beval kapitein Brookes. "Mr. Palmer, gij wilt de zaak wel in orde brengen, niet waar? Nadere bevelen behoef ik u niet te geven."
"Neen, sir," antwoordde de luitenant.
Zoodra de boot bij het schip was gekomen, begon de kapitein, een groote, breedgeschouderde Rus, uit te varen en hij slingerde den indringers scheldwoorden, ontleend aan alle Europeesche talen, naar het hoofd.
"Gooi eens een touw uit!" riep Palmer. "En maak je niet zoo dik, oude jongen. We komen alleen maar een beetje olie halen."
"Jullie hebt hier niets te halen," antwoordde de vertoornde schipper.
"We zullen er natuurlijk een goeden prijs voor betalen."
"Dank je wel, mijn olie is niet te koop."
"Dan zullen wij ze moeten nemen."
"Zoo, dus jullie zijn zeeroovers, dan weet ik wat me te doen staat. 'k Heb geschut aan boord en ik zal jullie een lesje geven, dat je lang zal heugen. Hoe heet eigenlijk je schip?"
"De Olijftak!"
De uitwerking van die mededeeling was wonderbaarlijk: de bemanning van het vrachtschip sprong van de verschansing, de kapitein verliet de brug en zorgde ervoor, dat onmiddellijk de valreep werd neergelaten.
In een ommezien waren Palmer en zijn mannen aan boord en namen bezit van het schip, terwijl de boot werd teruggezonden. Voorzichtig manoeuvreerend kwam nu de Olijftak langszijde en men begon dadelijk de olie over te laden.
Slangen werden aangeschroefd en zes groote centrifugaalpompen begonnen te werken en vulden de tanks van de Olijftak, die zes honderd ton konden bevatten.
Toen het werk was afgeloopen, stelde kapitein Brookes den gezagvoerder een wissel op een Engelsche bank ter hand, ruimschoots de waarde vertegenwoordigend van de overgenomen olie en ten overvloede gaf hij hem nog een kist whisky ten geschenke.
Zoodra de Olijftak zich nu op eenigen afstand van het vrachtschip bevond, deelde kapitein Brookes mee, dat het zijn plan was, den gezagvoerder nog even kennis te laten maken met de uitwerking van de Z-stralen.
Gerald maakte de opmerking, dat er dan misschien schade zou worden toegebracht aan den onderzeeschen kabel tusschen Reggio en Messina, maar de kapitein merkte op, dat men, als er stoornis ontstond, zeker wel aan andere oorzaken zou denken. Daar ginds immers lag de Etna en vulkanische verschijnselen konden ook invloed op den kabel hebben.
Gedurende tien minuten liet men de Z-stralen werken, terwijl de Olijftak de in de oudheid zoo beruchte Scylla en Charibdis voorbijvoer op weg naar de haven van Catania, zestig mijlen ten zuiden van de straat.
"Een wrak vooruit, Sir," riep de man op den uitkijk.
Dadelijk grepen de officieren naar hun kijkers en spoedig hadden ze een voorwerp ontdekt, dat op het eerste gezicht veel geleek op een zeilboot, die op zijde lag.
"Als dat zoo is, dan is het een heel vreemde boot," merkte Stockton op.
"'t Is een monoplan," riep kapitein Brookes. "De vlieger is met zijn toestel in zee gevallen. Opgelet, vooruit!"
Er werd bevel gegeven de vaart van het schip te minderen, terwijl de bemanning de noodige maatregelen voor het reddingswerk nam. Na enkele minuten was de afstand al zooveel kleiner geworden, dat men van het schip af met het bloote oog duidelijk het verongelukte vliegtuig zien kon. Het dankte zijn behoud aan twee cilindervormige drijvers van aluminium, maar het lag toch voor het grootste deel onder water. Van de motor was niets meer te zien, de beide schroeven staken nog even uit boven 't watervlak en de toppen der vleugels doken onder bij iedere golving van de zee.
De vlieger, in een rubber overjas gestoken, zat tot aan zijn middel in het water. Hij had al begrepen, dat er redding kwam opdagen en dat had hem blijkbaar geheel op zijn gemak gesteld, want hij had met de grootste bedaardheid een kolossale sigaar uit zijn koker genomen. Een automatisch toestelletje verschafte hem een vlammetje en nu zat hij te rooken, zoo rustig, alsof een val met een vliegtuig in zee het meest alledaagsche avontuur is, dat een vlieger kan overkomen.
"Recht het roer!" commandeerde kapitein Brookes, toen de hooge romp van de Olijftak langzaam voort gleed aan de lijzijde van het drijvende vliegtuig en toen riep hij over de verschansing: "Ahoy, daar! Hoe lang zijn je vleugels?"
"Vijftien voet," klonk het antwoord.
Geruischloos draaide één van de groote kranen buitenboord en het blok met den haak, die door een electrisch werktuig werd bestuurd, zakte langzaam. Juist in het midden werd het vliegtuig gegrepen en een oogenblikzweefde het in de ruimte, terwijl een stroom van water en olie eraf gutste.
"Dat is een leelijk ongeval," merkte kapitein Brookes op, toen de vlieger met een vlugge beweging uit zijn toestel op het dek sprong.
"Niet noodig me dat te vertellen, Sir," zei de ander met sterk Amerikaansch accent, "en ik gaf er graag een paar dollars voor, als ik te weten kon komen, wat er eigenlijk de oorzaak van is. Mijn motor is van de Maxfield Universal Gold Star Motor Company te Petersburg, een prachtig stuk werk, waarop ik volkomen vertrouwde en die heeft me nu zulke parten gespeeld. Maar laat ik me eerst even voorstellen, Sir: Sidney P. Flew, van New-York; ik was met mijn vliegtuig op weg van Queenstown naar Cairo. En aan boord van welk schip ben ik nu, Sir?"
"Aan boord van de Olijftak!"
"De bekende zeeroover? Sir, laat ik u de hand drukken; wat een buitenkans!"
"Hebt u dan van de Olijftak gehoord?"
"Ervan gehoord? Heel Europa en de Vereenigde Staten waren er vol van. Toen ik New-York verliet, waren de laatste woorden, die mijn vader bij het afscheidnemen sprak: 'Sidney, jongen, blijf die ellendige Olijftak uit den koers en zorg, dat die je niet te pakken krijgt.' ''k Wou, dat het al zoo ver was,' zei ik, 'dat zou het mooiste oogenblik van mijn leven zijn en gij waartde beroemdste man van Broadway, als ge zoudt kunnen zeggen: mijn zoon is aan boord van de Olijftak.' En kijk, nu is mijn wensch vervuld."
"Dat is zeker," merkte kapitein Brookes op, "en ik hoop voor u, dat uw verblijf hier aan boord geen teleurstelling zal zijn. Eén van mijn officieren zal u naar onze kajuit brengen, waar ge alles zult vinden, wat men voor een stevig ontbijt kan wenschen."
"Dank u, Sir, 'k heb nog geen twee uur geleden te Cosenza ontbeten. Als ge het mij toestaat, wil ik liever mijn machine uit elkaar nemen en de motor nazien, voor hetzeewater er nadeelig op inwerkt. Die motor liep als een klok, tot ze opeens stopte en begon te gloeien. Als een aangeschoten vogel, gleed ik toen naar beneden."
"'k Geloof, dat ik de verklaring van uw ongeval geven kan," zei kapitein Brookes. "Om bepaalde redenen zag ik mij genoodzaakt een electrischen stroom af te geven en ongelukkigerwijze zijt ge onder den invloed daarvan gekomen."
"Ongelukkigerwijze, Sir? Integendeel tot mijn onuitsprekelijk groot geluk!" riep de jongeman geestdriftig uit. "Denk eens aan, Sir, wat een prachtig bericht voor de New-York Herald: Sidney P. Flew, van New-York werd getroffen door de electrische kanonnen van de Olijftak, de wereldberoemde kruiser."
"Wat een geestdrift!" zei kapitein Brookes met een glimlach tot Gerald, toen de aviateur met zijn gehavende machine bezig was. "Wilt u hem rondleiden en de gedeelten van het schip laten zien, die geen geheimen bevatten. Zoodra zijn vliegtuig weer in orde is, zullen we hem zijn reis laten vervolgen. En dan wilde ik u meteen nog vertellen, dat ik gehoord heb, dat de Turksche vlootkalm in den Gouden Hoornligt en dat er in de eerste dagen niets bijzonders te wachten is. Wat zoudt ge er van zeggen, als ik u in de gelegenheid stelde, om in dien tijd een bezoek te brengen aan het eiland Malta?"
"Als het geen last veroorzaakt, zou ik dat zeker heel graag doen."
"Heelemaal geen last. We zetten u met uw vriend Stockton af in de haven van Catania, vanwaar een geregelde stoombootdienst op La Valette onderhouden wordt."
De twee vrienden hadden nu ongeveer vijftien uur voor hun bezoek en ze gebruikten dien tijd goed: ze lieten geen minuut verloren gaan. Gerald wist den weg op het eiland en deed dus dienst als gids bij het tochtje. Een voorname reden, waarom hij 't aanbod van den kapitein zoo gretig had aangenomen, was, dat hij wilde trachten op Malta een uniform te krijgen. Nu de Admiraliteit geen bezwaarmaakte tegen zijn verblijf aan boord van de Olijftak, meende hij ook gerechtigd te zijn tot het dragen van een Britsche uniform met de onderscheidingsteekenen van zijn rang. Inderdaad slaagde hij erin een militairen kleermaker te vinden, die zich verbond, zulk een uniform binnen twaalf uren te leveren, natuurlijk tegen een veel verhoogd tarief.
Toen Gerald van zijn uitstapje terugkeerde, werd hij door kapitein Brookes ontvangen met de mededeeling, dat de Turksche vloot de Dardanellen verlaten had. "We zullen spoedig de handen vol hebben," zei hij, "ga eerst naar kooi en slaap een paar uur, want dat zult ge wel noodig hebben."
"Een oogenblikje nog, Sir — hoe gaat het met onzen vlieger."
"Ja, dat wordt een vervelende geschiedenis. Hij is er niet in geslaagd, zijn machine zoo ver te herstellen, dat hij ze weer gebruiken kan, maar ik geloof, dat hij praatjes verkoopt en dat het er hem alleen om te doen is, hier te kunnen blijven. En zoo zijn we met hem opgescheept: ik heb de onderdeelen van het vliegtuig laten bergen onder het pantserdek. Als we onze zaken hier hebben afgedaan, kunnen we hem ergens aan land zetten, als hij nog in staat is te vliegen. Kijk, daar is hij in gezelschap van Palmer: hij lijkt zich bijzonder aangetrokken te gevoelen tot dien jongeman. — Maar ga nu rusten, Mr. Tregarthen, want morgen vroeg gaan we aan den dans."
De smalle Straat tusschen de eilanden Negropont en Andros vertoonde een ongewoon schouwspel aan de bemanning van de Olijftak.
Vier Turksche slagschepen: de Azizieh, Mahmoudieh, Orkanieh en Osmanieh kwamen aanstoomen met een snelheid van negen knoopen. Alle krachten moesten worden ingespannen om deze uiterste grens van snelheid door de oude schepen te doen bereiken. Op de flanken van de flottielje, zeker om haar te beschermen, voeren de kruisers Abdul Mejid, Fezibahri en Hamidieh, die wel vlugger vooruit hadden gekund, maar haar gang moesten matigen met het oog op de slagschepen. De slagschepen waren opgeknapt en schoongemaakt en uiterlijk was er niets te zien van de gebreken, die moesten zijn ontstaan in den langen tijd, dien ze ongebruikt en verwaarloosd in den Gouden Hoorn hadden doorgebracht. Of ze opgewassen zouden zijn tegen de kleinere, maar meer zeewaardige Grieksche schepen, stond wel te bezien.
De Helleensche vloot bestond uit drie slagschepen:de Hydra, de Psara en de Sparaibenevens drie moderne kruisers. Tot op zeven mijlen waren de vijandelijke machten elkander genaderd en aan beide zijden maakte men zich gereed, den strijd te beginnen.
Met een groote, witte vlag in top, verscheen plotseling de Olijftak tusschen de twee vloten en stopte op ongeveer drie kabels lengte van het Turksche vlaggeschip, de Azizieh.
Ieder was op zijn post. Op de brug en in den commando-toren bevonden zich kapitein Brookes, Gerald, Slade eneen bootsman met twee maats voor het hijschen van de signalen.
Met de grootste snelheid rezen en daalden de signaal-vlaggen en deelden het volgende mee:
"Van den kapitein van de Olijftak aan de bevelhebbers van de Turksche en de Grieksche vloot.
Valt niet aan, maar keert terug naar uw havens. Ieder schip, dat mijn bevel niet opvolgt, doch het vuur opent, zal worden vernietigd."
De Turksche Admiraal was buiten zich zelf van woede.
Hij had van de Olijftak gehoord en hij wist, hoe ze tegen de Peruaansche vloot was opgetreden, maar zijn trots als Muzelman liet niet toe, dat hij zich liet bevelen door een Giaour. Langzaam draaide de toren voor den mast van de Azizieh rond, totdat het 9,2 Krupp-kanon dreigend gericht was op de Psara. Tien seconden bleef de vuurmond in dien stand: de Admiraal aarzelde blijkbaar het bevel tot vuren te spreken.
Toen kwam er weer beweging in den toren en een oogenblik later was nu het kanon op de Olijftak gericht.
"Zoekt dekking, heeren," zei kapitein Brookes volmaakt bedaard, "De oude heer daarginds schijnt heelemaal buiten westen te geraken."
Daar viel het vijandelijk schot. De Turksche kanonnier was echter niet op de hoogte van de kwaliteit van de lading: hij had gerekend op slecht kruit en nu was het toevallig veel beter dan de gewone soort.
Het gevolg daarvan was, dat de granaat zonder eenige schade aan te richten over de Olijftak heen vloog, maar op zoo geringen afstand, dat de mannen, die zich op de brug bevonden, door den luchtdruk op den grond werden geworpen.
"Voorste toren: laden met projectiel n°. 2," commandeerde kapitein Brookes en zich tot Gerald wendend, ging hij voort: "die kanonnier daar weet beslist niet, wat hij wil, maar wij zullen hem laten zien, dat het hier anders gesteld is."
De kapitein dacht er blijkbaar niet aan, het Turksche schip te sparen. Het schot was door den Turkschen admiraal met voorbedachten rade afgevuurd en toen er geen antwoord kwam, maakte hij zich gereed voor de tweede maal te vuren.
Vóór het echter zoo ver kwam, zou de Olijftak ook een woord spreken Het rechtsche kanon van den voorsten toren sloeg even achteruit en een blauwig rookwaas steeg omhoog, terwijl de granaat den weg naar het Turksche vlaggeschip doorliep.
De Azizieh was een oud schip, gebouwd aan de Clyde in 1864. De pantsergordel had een dikte van 5 1/2 c.M. en de Turken dachten, dat dit voldoende was om het schip tegen elken aanval te beveiligen.
De granaat van de Olijftak trof juist midscheeps. Een klein gat werd slechts in den wand van het schip geslagen, maar een oogenblik later volgde de ontploffing waarvan de uitwerking verschrikkelijk was. Inwendige deelen van het vaartuig werden hoog de lucht ingeslingerd en een zware rookzuil warrelde omhoog.
Met hun gewone zorgeloosheid hadden de Turken niet voor reddingsmiddelen gezorgd. De houten booten stonden in vlam, voor ze konden worden uitgezet en de mannen sprongen voor 't grootste deel in zee, toen ze zagen dat de ondergang van het slagschip zeker was. Redding vonden ze echter niet, want ze konden niet vrij komen uit het woest bewogen water om het zinkende schip. Eerst zakte het achterschip, maar plotseling werd dit met de woest rondslaande schroeven hoog opgeheven en met den kop vooruit verdween het gevaarte in de golven, de ongelukkige drenkelingen meesleepend in de warreling van het water. Een brullend geluid steeg omhoog, toen het zeewater in aanraking kwam met de stoomketels en toen werd het doodstil. De Azizieh had haar graf in de golven gevonden.
Daarmee was de zaak afgedaan. De andere Turksche schepen wendden onmiddellijk den steven en zetten koers naar de Dardanellen. De bevelhebber van de Griekschevloot betuigde door een signaal zijn dank aan kapitein Brookes, doch deze deed alsof hij het niet opmerkte; daarna verdwenen ook de Grieksche schepen, maar in zuidelijke richting.
Zoo was dan de verwikkeling in het Oosten onbegrijpelijk vlug opgelost, maar daarmee was nog volstrekt niet alle gevaar voor een Europeeschen oorlog verdwenen. Er bestond veel kans, dat de brand op een ander punt zou uitslaan.
Een paar dagen, nadat het gevecht met de Mazizieh was geleverd, werd Gerald door den Amerikaanschen vlieger aangesproken. "Ik zou toch zoo graag eens een kijkje nemen in dien geheimzinnigen commando-toren, Mr. Tregarthen," zei hij. "Kunt u mij daartoe niet in de gelegenheid stellen?"
"Ik ben bang, dat het niet gaan zal, Mr. Flew; stellig niet zonder de toestemming van kapitein Brookes. Vraag het hem zelf maar."
"Dank u; dat wilde ik juist liever niet. — Spreek er ook maar niet over met den kapitein."
Vijf minuten later kwam kapitein Brookes aan dek.
"Waarom zou die Yankee toch zoo nieuwsgierig zijn naar het inwendige van onzen toren,Mr. Tregarthen?" vroeg hij.
Gerald kreeg een kleur van verrassing, nu het bleek dat de kapitein wist, wat de Amerikaan hem had gevraagd. 't Was onbegrijpelijk, hoe hem dat bekend kon zijn.
"Kijk maar niet zoo beteuterd, Mr. Tregarthen. Ge zijt niet de eerste, wien de jongeman met zoo'n vraag aan boord komt. Het begint me te vervelen, hij is lang genoeg hier aan boord geweest en ik denk er hard over hem zijn congé te geven. 't Is best mogelijk, dat hij te goeder trouw is, maar hij speurt me te veel rond."
"Die speurzin is een karaktertrek van de Amerikanen, Sir."
"Dat zal ik niet tegenspreken. Maar waarom komt hij met zijn verzoeken niet rechtstreeks bij mij?"
image: 06_duizelingwekkende.jpg
image: 06_duizelingwekkende.jpg
[Illustratie: en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden Pag. 151]
[Illustratie: en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden Pag. 151]
Flew wandelde met luitenant Palmer het campagnedek op en neer en kapitein Brookes wenkte hem om nader te komen.
"Hoe lang denkt ge noodig te hebben, om den motor voor uw vertrek in orde te maken?"
"Een paar uur, Sir. Waarom vraagt u dat zoo?"
"Kijk, daar ligt de kust van Syrië; ik wilde u voorstellen van dat punt uw reis per vliegmachine voort te zetten Onze vaart langs de kust van Syrië en Palestina is weinig belangwekkend voor u en spoedig zullen we het oostelijk deel van de Middellandsche zee verlaten en dan raakt u heelemaal van uw weg."
Ofschoon deze woorden door den kapitein op vriendelijken toon werden gesproken, maakten ze toch op den vlieger den indruk van een bevel, waartegen hij geen bedenkingen durfde opperen.
Eerbiedig antwoordde hij dan ook: "Zeer goed, Sir. 'k Zal mij zoo spoedig mogelijk gereedmaken."
Binnen anderhalf uur was de eendekker in elkaar gezet en de motor in orde gemaakt, terwijl de Olijftak steeds zuidwaarts voer, evenwijdig aan de kust van Syrië.
"Alles is in orde, Sir."
"Goed, ga dan naar beneden, om nog wat te eten, voor ge u inscheept. En, wat ik nog zeggen wil, is de afstand van hier tot de kust niet te groot voor een vlucht?"
"Volstrekt niet, Sir."
"En zal er op het dek ruimte genoeg zijn om op te stijgen?"
"Daar ben ik niet bang voor, Sir. Ik heb niet zoo heel veel ruimte noodig en kan zeer steil omhoog vliegen; 't eenige waarvoor ik bang ben, is, dat ik de verf hier en daar zal beschadigen, maar ik zal er zooveel mogelijk voor oppassen."
Toen de kapitein verder niets opmerkte, begaf de vlieger zich met Palmer naar de kajuit, waar ze zich nog een goed half uur ophielden in gezelschap van de andere officieren, die geen dienst hadden. En daarna ging hij zich gereed maken voor de vlucht. Toen hij weer aan dek verscheen,was hij in zijn vliegersuitrusting gestoken; alleen had hij zijn rubber-overjas niet aangetrokken, omdat het te warm was, zooals hij zeide.
De geheele bemanning was op het dek gekomen, om hem te zien opstijgen. Nadat hij alle officieren hartelijk de hand had gedrukt, nam Sidney P. Flew plaats in zijn machine. De motor werd aangezet; een paar schokjes vooruit en toen schoot de eendekker als een reusachtige vogel omhoog onder geestdriftig gejuich van matrozen en officieren.
Met gespannen aandacht volgden allen de beweging van het vliegtuig, toen eensklaps groote opschudding ontstond, want luitenant Palmer kwam doodsbleek en duizelig als een beschonken man de campagne-trap opscharrelen.
"Houdt hem tegen!" riep hij. "Hij heeft de seingevers van onze marconigraaf gestolen!" Meer kon hij niet uitbrengen, hij viel bewusteloos op het dek neer.
Kapitein Brookes verloor bij de algemeene verwarring, die deze mededeeling veroorzaakte, geen oogenblik zijn kalmte.
"Naar den toren, Mr. Tregarthen! De Z.-stralen!"
Gerald volgde onmiddellijk het gegeven bevel. Het vliegtuig moest door middel van den electrischen stroom naar beneden gehaald worden en wilde dat gelukken, dan moest men er voor zorgen dat het niet buiten de zone van de Z.-stralen kon komen, vóór men ze in werking had gebracht. Alles kwam dus aan op snel handelen. De opeengedrongen zeelieden maakten van zelf den weg naar den toren vrij en Gerald snelde er heen.
Vlug, maar bedaard en omzichtig richtte hij de wijzers. Er sprong geen vonk over. Hij probeerde het in een ander vierkant en in nog één, maar nergens vertoonde zich de vonk om het bewijs te leveren, dat de electrische stroom werkte. Het toestel voor de Z.-stralen was dus ook in de war gebracht.
Gerald begreep wel, dat op dit oogenblik een onderzoek naar de oorzaak van de storing tot niets zou leiden. Hij verliet dus den toren en stelde kapitein Brookes op de hoogte van hetgeen hij had ervaren.
De kapitein keek met aandacht naar het verdwijnende vliegtuig en commandeerde: "Laad dien zesponder."
Onmiddellijk waren de mannen, die het stuk moesten bedienen, op hun post en schoven de groote granaat erin.
"Vierduizend meter," riep luitenant Sinclair, zonder bevel af te wachten. Met zijn zak-toestel had hij den afstand tot het vliegtuig opgenomen.
"Vuur!"
"Prachtig schot," riepen eenige officieren tegelijk, toen ze door hun kijkers zagen, dat de granaat sprong vlak boven den vluchteling.
Nog tien seconden vervolgde het vliegtuig zijn weg, maar toen maakte het, als een aangeschoten vogel, een buiteling en stortte met duizelingwekkende vaart naar beneden.
"Full speed vooruit," commandeerde kapitein Brookes, terwijl hij zich naar de brug begaf.
Een paar minuten waren voor de Olijftak voldoende om de plek te bereiken, waar de vliegmachine in de golven verdwenen was en die aangewezen werd door de drijvende kap van den vlieger.
Het dieplood werd uitgeworpen en wees tachtig vademen aan.
"Breng de sloep uit. Laat de bemanning zich inschepen en drie dreggen met de noodige lijnen meenemen," beval kapitein Brookes en daarna wendde hij zich weer tot zijn officieren en zei: "Voor we ons moeite geven, om onze verloren toestellen terug te krijgen, moeten we eerst hier aan boord een onderzoek instellen. Mr. Slade, wilt ge zoo goed zijn de marconi-kamer te inspecteeren en mij meedeelen, wat ge er voor bijzonders hebt opgemerkt.' En Mr. White, mag ik u verzoeken, naar Mr. Palmer te gaan zien; die zal stellig uw zorgen wel noodig hebben. Doe uw best, om hem spoedig zoo ver op te knappen, dat hij ons het een en ander kan vertellen, van hetgeen hem overkomen is. En Mr. Tregarthen, laten wij eens nagaan wat er eigenlijk aan het toestel voor de Z.-stralen hapert."
Het laatste was al heel gauw gevonden. Er was een klein gat geboord in den stalen mantel, die de draden beschermde, die van de batterijen naar het wijzerbord liepen. In dat gat was een metalen staafje gestoken, dat contact tusschen de draden veroorzaakte, waardoor de stroom was afgeleid.
't Was echter onbegrijpelijk, hoe iemand onbemerkt in den toren was kunnen komen en hoe hij daar zoo lang had kunnen blijven, als noodig was, om een gat te boren in de dikke, stalen plaat. Er zouden toch uren noodig zijn geweest, om dat werk te verrichten. Of het toestel voor de Z.Z.-stralen nog in orde was, kon men niet dadelijk zeggen; eerst moest er een gelegenheid komen om er een proef mee te nemen.
Het onderzoek van den toren was dus spoedig afgeloopenen ook luitenant Slade was gauw gereed met zijn inspectie van de marconi-kameren bracht nu zijn rapport uitaan den kapitein.
"Al de seingevers zijn weg, Sir, behalve die naar Plougastel."
"Is de ontvanger beschadigd?"
"Neen, Sir; ik kon in verbinding komen met Plougastel."
"Daar mogen we wel dankbaar voor zijn. Door het verlies van onze seingevers zijn we van alle verbindingen afgesneden, maar met onzen Britschen agent kunnen we nu toch de gemeenschap onderhouden. — Laten wij nu hooren, wat Mr. Palmer ons zal kunnen zeggen."
"Mr. Palmer is weer in zoo verre hersteld, dat hij kan ondervraagd worden, Sir," zei de dokter. "Hij is nog een beetje soezerig door de werking van een bedwelmende stof, volgens de verschijnselen opium."
"Zeer goed, Mr. White, dan zal ik hem in zijn hut gaan opzoeken."
Luitenant Palmer zag er nog bleek en ontdaan uit. Hij stond met zichtbare inspanning op van zijn stoel en maakte het saluut voor zijn commandant.
"Ga zitten, Mr. Palmer," zei deze vriendelijk, "en vertel me, wat ge van de geschiedenis weet." Rustig ging hij op een stoel zitten en wachtte, tot de luitenant zijn gedachten zou verzameld hebben en onderwijl keek hij eens rond in de hut. In de kleine ruimte stonden de gewone meubels en de eenige bijzonderheid was een seintoestel aan den wand, waarin nu een blauw licht gloeide. Dit duidde aan, dat de marconigraaf niet in werking was, doch zoodra het blauwe in rood licht veranderde, wist Palmer, dat hij zich naar de marconi-kamer moest begeven.
Op de tafel stond een koffiepot, waarvan de inhoud dienst gedaan had bij de behandeling van de opiumvergiftiging en op den grond een galvanische batterij, die ook door Dr. White gebruikt was.
"Komaan, Mr. Palmer, vertel nu eens op."
"Het spijt mij, Sir, meer dan ik zeggen kan, dat dit nu gebeuren moest."
"Zoo ver ik kan nagaan, is er niets, waarover ge spijt dient te hebben. Vertel nu maar rustig, wat ge u nog van de zaak herinnert."
"Dat is niet zoo heel veel, Sir. De Yankee kwam in mijn hut, om afscheid te nemen en bood me een sigaret aan. Toen ik een paar trekken gedaan had, voelde ik eensklaps een groote loomheid over me komen en was het net, of ik alles door een nevel zag. Flauwtjes herinner ik mij, dat Flew mij op mijn slaapbank neerlei. Hoe lang ik daar heb gelegen, weet ik niet, maar ik ben toch weer overeind gescharreld en ben er in geslaagd de deur open te maken en door de frissche lucht, die binnenstroomde, kwam ik weer wat tot mijzelf. Het eerste, wat ik toen opmerkte, was, dat de sleutel van de marconi-kamer niet meer op zijn plaats hing. Dadelijk begreep ik, dat er een schurkenstreek was uitgehaald en ik besloot aan dek te gaan om alarm te maken. Toen ik daar kwam, hoorde ik dat de vlieger al weg was."
"Hoe waren de seingevers vastgemaakt?"
"Ze bevonden zich elk in een kleinen cylinder, waaraan een ring zat, terwijl door die ringen een stalen ketting liep, die aan den wand was bevestigd."
"Zouden ze losgemaakt zijn, toen ze zijn weggenomen?"
"Dat denk ik niet, Sir!"
"Dat maakt het werk heel wat eenvoudiger, wanneer we ernaar gaan dreggen. Nu ga ik weer eens aan dek kijken, hoever men daar gevorderd is."
De sloep was al afgevaren en beschreef langzaam voortdurend kleinere kringen om de ankerboei, die de plaats aanwees, waar het vliegtuig gezonken was. Aan den voorsteven hing aan een stevig touw de dreg.
Op een gegeven oogenblik stopte de sloep en de bemanning begon het touw in te palmen, maar toen eenmaal de kabel strak stond, kon men onmogelijk verder komen: de dreg wilde niet omhoog. Alle krachten werden ingespannenmaar alle pogingen waren vergeefsch. Toen besloot men een boei vast te maken aan de lijn van de dreg en het dieplood op te halen. Dit was ingericht voor diepzee-onderzoek, drong met een punt door in den bodem en bracht dan in een kegelvormig bakje eenige deeltjes van dien bodem mee naar boven. Toen het toestel boven water kwam, werd met de grootste nauwkeurigheid de inhoud van het bakje onderzocht, die tot groote verwondering van de officieren bleek te bestaan uit ijzerschilfers, die met roest bedekt waren.
Kapitein Brookes kon die vreemde vondst niet verklaren en gaf bevel de tweede dreg een eind verder uit te werpen. Het dieplood werd opnieuw neergelaten en wees nu aan, dat er zich op vierenzeventig vademen een dikke modderlaag bevond. Met de tweede dreg ging het precies als met de eerste, ze raakte in iets verward en kon niet worden opgehaald. Een poging met de derde dreg was even vruchteloos.
"Daar beneden moet iets bijzonderszijn," zei kapitein Brookes,"en ik ben bang, dat we onze seingevers niet zullen terugzien."
"Mag ik u wat vragen, Sir?"
De kapitein draaide zich snel om en stond nu tegenover Palmer, die nog wel bleek zag, maar overigens geheel hersteld was.
"Wel?"
"Ik ben aansprakelijk voor al wat er gebeurd is en ik hoop in staat te zijn, mijn fout te herstellen. Mag ik met de duikboot dalen?"
"Met de duikboot? Maar ben je niet wijs? Weet je wel, hoe diep het hier is? Tachtig vademen, zoodat de druk op een vierkanten centimeter 224 pond bedraagt."
"De duikboot is bestand tegen een druk van 230 pond, Sir."
"Ik stel uw ijver zeer op prijs, en ik had gaarne onze marconigraaf weer in orde, maar het waagstuk, dat ge voorstelt, mag ik niet toelaten."
"Sir, ik ken de gevaren, waaraan ik mij ga blootstellenen we zullen alle mogelijke voorzorgen nemen. Het zal ook niet noodig zijn, dat we tot op den zeebodem dalen, want we kunnen immers gebruik maken van de electrische dreg."
"Mr. Palmer, ik ken u als een koelbloedig en bekwaam officier en als ge mij wilt beloven, zoo voorzichtig mogelijk te handelen, dan zal ik me verder niet verzetten tegen de uitvoering van het plan. Ge zult vijf man noodig hebben, om de boot te bemannen; we zullen vrijwilligers vragen, dan kunt ge daaruit een keus doen."
"Ik ga mee," zei Gerald vastbesloten.
"Dank je," antwoordde Palmer en stak hem de hand toe, die Gerald hartelijk drukte.
De oproep van vrijwilligers werd niet te vergeefs gedaan, want alle mannen, die wel eens een tocht met de duikboot hadden meegemaakt, meldden zich aan en het was niet zoo gemakkelijk, daaruit een keus te doen. Maar eindelijk kwam men er toch mee klaar en Palmer, Gerald en drie matrozen maakten zich gereed om den avontuurlijken tocht te wagen.
Kapitein Brookes wees hen nog eens op het gevaarlijke van de onderneming en raadde hun aan goed na te denken over den stap, dien ze gingen doen. Hij verzocht Palmer, in geen geval langer weg te blijven dan een uur; was na verloop van dien tijd de boot niet weer boven, dan zou hij het ervoor houden, dat hun een ongeluk was overkomen. En ten slotte gaf hij hun in overweging, eerst een kwartier rust te nemen. Mocht iemand in dien tijd van gedachte veranderen, dan kon hij zich altijd nog terugtrekken.
Toen het kwartier om was, waren de mannen echter nog even vastbesloten en met een krachtigen handdruk namen ze afscheid van hun makkers en scheepten ze zich in.
Langs een spiraalvormige baan met groote kromming daalde de duikboot. Voortdurend zwakker werd de bleek-groene lichtschemering, die door het water drong en de toenemende druk bemoeilijkte meer en meer de beweging van de schroef. Er werd bijna geen woord gesproken, alleen hoorde men de stem van Palmer, die door middel vande draadlooze telephoon kapitein Brookes op de hoogte hield van de vorderingen, die de duikboot bij de daling maakte.
Toen een diepte van vijf en dertig vademen bereikt was, werd het zoo donker, dat men zijn toevlucht moest nemen tot het krachtige electrische zoeklicht. Er was niets te zien, dan een onbegrensde watermassa, die door haar onbeweeglijkheid en verlatenheid een beangstigenden indruk maakte. Zestig vademen! De motor werkte krachtig en er werden groote vonken gevormd, wanneer de schroef door den druk van het water op de bladen, geheel stilstond.
"Wat is dàt?" fluisterde Palmer, terwijl hij naar een dikke streep wees, die de stralen van het zoeklicht doorsneed.
Gerald keek uit en haalde vlug het roer om, ten einde de boot om de lijn heen te sturen.
"'t Is het touw van één van de dreggen."
"Onmogelijk!"
"Toch wel, je hebt niet gedacht aan het gezichtsbedrog, waardoor alles onder water grooter lijkt. We weten nu meteen, dat we niet uit den koers zijn geraakt."
"Is alles in orde beneden, Halliday?"
"Ja, Sir."
"Meld me dadelijk, als er aan 't een of ander te zien is, dat de wanden gebogen worden."
De matroos was even bedaard, als hij geweest zou zijn, wanneer hij veilig en wel op het dek van de Olijftak gezeten had. Hij stelde onvoorwaardelijk vertrouwen in de beide officieren in den toren, ofschoon hij heel goed wist, dat de stalen boot ieder oogenblik in elkaar kon gedrukt worden als een eierschaal door de ontzaglijke kracht van het water.
Plotseling, op een diepte van vijfenzestig vademen, bracht Palmer de boot tot stilstand. Hij en Gerald zagen een tooneel, dat hen beide met vrees vervulde.
Hun vaartuig lag tegenover den top van een berg van zeegras en schaaldieren, waarvan de kern bestond uit het wrak van een prachtig stoomschip.
Palmer bracht de boot in beweging, die nu langzaam rond het sombere gevaarte voer. Spookachtig speelden de stralen van het zoeklicht langs de massa roestig ijzer en staal, overdekt met zeewier. Donker gaapte een geschutspoort, waaruit de loop van het stuk dreigend naar buiten stak, een vervaarlijke toren teekende zijn omtrek af en toonde den loop van twee monsterkanonnen, terwijl een eind verder de overblijfselen van de brug te zien waren, dragend de voor eeuwig zwijgende semaphoren.
Spookachtig was de indruk, die het gezonken vaartuig maakte daar op den bodem der zee. Twee groote schoorsteenen half in elkaar gezakt, hingen nog aan stevige metalen draden en een mast met twee marsen stak omhoog.
Palmer bracht de duikboot achteruit, om niet in aanraking te komen met de gevaarlijke brokstukken van het wrak, die in den omtrek verspreid lagen en de beide officieren riepen tegelijk: "De Victoria!"
Inderdaad hadden ze daar de treurige overblijfselen gezien van een prachtig slagschip, dat twintig jaar vroeger was ondergegaan. Een groot verlies had die ondergang veroorzaakt voor de Britsche vloot. Op een diepte van tachtig vademen rustte de Victoria, nadat ze geramd was door de Camperdown en door een zonderlingen samenloop van omstandigheden was de duikboot van de Olijftak op dezelfde plek gedaald.
"Als de seingevers tusschen de overblijfselen van het wrak zijn terecht gekomen, zijn we ze stellig kwijt," zei Palmer.
"Daardoor konden we de dreggen niet ophalen, ze raakten hier vast," voegde Gerald erbij. "Maar, wat de seingevers aangaat, ik geloof niet, dat ze op het wrak zijn terecht gekomen, want de vliegmachine zal bij 't zinken door den weerstand van de vleugels wel een spiraalvormiger weg gevolgd zijn. We moeten maar goed in de omgeving rondkijken. Zijn we ver genoeg achteruit gegaan om te keeren?"
"Ik denk het wel," antwoordde Palmer, die nu bevelgaf langzaam vooruit te gaan, terwijl hij het roer omzette.
Vijf en zeventig vademen; nog maar dertig voet van den zeebodem! Het zoeklicht, hoe sterk ook, kon slechts een zwak lichtschijnsel doen dringen door de modderlaag, die den bodem vormde van deze water-woestijn.
"De boot houdt zich prachtig," zei Palmer met voldoening. "Er is nergens een zwakke plaats te vinden."
"Ja, we behoeven niet bang te zijn. Laten we nu maar goed uitkijken."
In groote cirkels ronddraaiend, zette de boot haar onderzoekingstocht voort.
Het zoeklicht bescheen een plek, die de meest denkbare verlatenheid te aanschouwen gaf. In niets kwam het hier overeen met de afbeeldingen, die kunstenaars maken van de ruimte onder den zeespiegel. Geen zacht, groenig licht, geen wapperend zeewier en zilver- of goudgeschubde visschen, maar een uitgestrekt gebied van dikken modder en daarboven donker water, dat geen licht doorliet.
Gerald begon te wanhopen aan den uitslag van hun onderneming, want ze dwaalden op goed geluk in den doolhof van modder, zonder eenige aanwijzing voor den weg, dien ze hadden te volgen. Hij keek op zijn horloge en zag, dat het kwartier vóór vijven was. Binnen vijf en twintig minuten zou de boot weer aan de oppervlakte moeten zijn, anders zou kapitein Brookes gaan denken, dat er een ongeluk gebeurd was.
"Hoe is het met de lucht beneden?" riep Palmer.
"Zuiver genoeg, Sir; de muizen zijn zoo vroolijk als 't kan," antwoordde een van de matrozen.
Gerald greep op dat oogenblik Palmer bij den arm en wees naar buiten en toen de luitenant de aangewezen richting met de oogen volgde, bemerkte hij een verwarde hoop gebogen aluminiumstangen en zeildoek. Daar lag het vernielde vliegtuig. Tusschen de overblijfselen van zijn machine lag het lijk van den aviateur.
De eerste opwelling, die de beide jongemannen kregen, was er een van afschuw van dit treurige tooneel en onwillekeurig wendden ze het hoofd af, maar ze begrepen toch, dat ze moesten uitkijken naar de seingevers, hoezeer het hun ook tegenstond. De boot was tot stilstand gebracht en rustte met de kiel op de modderlaag, terwijl het koude zoeklicht strak gericht bleef op het beklagenswaardig slachtoffer van het treurspel.
"Daar zijn ze, geloof ik; daar onder zijn jas. Zie je die bobbels wel?" riep Palmer.
"Dat zal wel zoo zijn," stemde Gerald mee in. "En wat moeten we nu doen, denk je?"
"Recht boven de vliegmachine zien te komen, de electrische dreg in werking brengen en dan de ballast-tank laten leegloopen."
"Ben je niet bang, dat we er tegenaan varen en dat de schroef erin verward zal raken?"
"We zullen voorzichtig zijn. Vooruit, daar gaan we!"
Langzaam bereikte de boot haar doel; de dreg werd neergelaten en greep het verongelukte vliegtuig.
"Langzaam omhoog!"
De motoren, die den druk van het water op de schroefbladen moesten overwinnen, hadden spoedig de grenzen van haar kracht bereikt, maar hoe ze ook werkten, de duikboot bleef onbeweeglijk aan den zeebodem verankerd. Een poosje later zakte ze met korte rukken hulpeloos in de modderlaag.
"Maak de voorste ballast-tank leeg," commandeerde Palmer bedaard.
Twee mannen wilden het bevel uitvoeren, maar al hun inspanning was vergeefsch, want de druk van buiten was zoo sterk, dat het water niet uit de pomp kon worden gestuwd.
"Schei er maar mee uit," zei Palmer, toen hij zag, dat dit middel niet kon worden toegepast. "Wat moeten we nu beginnen?" fluisterde hij tot Gerald.
"Laat met alle kracht achteruit werken."
Een oogenblik scheen het, of deze beweging gunstige gevolgen hebben zou: de boot ging omhoog, maar spoedigkwam de teleurstelling, want ze zakte weer terug naar haar vorige plaats.
"Ook al vergeefsch!" riep Palmer spijtig. "Nu zijn al onze middelen uitgeput; zeg niets, waardoor de mannen den moed zouden kunnen verliezen, maar ik heb geen hoop meer op redding."
Gerald antwoordde niet. Werktuiglijk keek hij op zijn horloge: er was een uur en twintig minuten verloopen, sedert ze de Olijftak hadden verlaten.