"Het zoeklicht kunnen we wel dooven," zei Gerald.
"Het is ons verder van geen nut en we moeten zuinig zijn met de lucht."
"We hebben nog zuurstof voor twee uur," merkte Palmer op, "we moesten de motoren maar met volle kracht vooruit laten werken; schaden kan dat niet en hoe langer we stil blijven liggen, des te dieper zinken we in de modder."
De motoren werden aangezet, maar een gunstige uitwerking had dit niet; de toestand bleef even gevaarlijk.
Palmer stelde nog voor, alle torpedo's uit te werpen, om daardoor het gewicht van de boot te doen verminderen, maar Gerald toonde hem aan, dat dit een zeer gevaarlijk middel zou blijken, doordat er alle kans bestond, dat er dan water in de luchtkamer zou stroomen. Dit plan werd dus ook opgegeven.
"Neem me niet kwalijk, Sir," riep één van de matrozen, "maar zullen we hier voor goed moeten blijven?"
"'t Begint er wel naar te lijken," antwoordde Palmer openhartig.
"Laat mij er dan uit door de luchtklep; ik wil het er op wagen en neem een kabel mee omhoog. We hebben wel honderd vademen touw aan boord."
"Onmogelijk, man, je zoudt worden doodgedrukt."
"We zullen er toch iets op moeten vinden, Sir. De zuurstof lijkt op te raken, want de muizen worden slaperig."
"Ik dacht, dat we nog voor twee uur genoeg hadden."
"Ik ook, Sir, maar dat is bepaald een vergissing geweest."
"Dan moeten we onze toevlucht nemen tot de zuurstofmaskers. Haal ze te voorschijn. Daarmee kunnen we tenminste ons leven een paar uur verlengen, ofschoon ik niet inzie, wat dit ons eigenlijk geeft."
Langzaam kropen de minuten om. Een enkel gloeilampje verlichtte het treurige tooneel, dat het inwendige van de duikboot te zien gaf. De bemanning begreep, dat ze levend begraven waren.
"We moeten toch probeeren, in verbinding te komen met de Olijftak," zei Gerald, met een krachtige poging om zich te verzetten tegen de loomheid en slaperigheid, die over hem kwamen. "Laten we een rapport opmaken van onze wederwaardigheden; we kunnen het in één van de torpedo's sluiten en die naar boven schieten."
"Waartoe kan dat dienen?" vroeg Palmer. "Ze kunnen ons toch niet helpen."
"Ze zullen dan tenminste weten, wat we hier ontdekt hebben en dat we onzen plicht hebben gedaan."
"Vooruit dan maar; ik blijf het echter als vergeefsche moeite beschouwen."
Gerald maakte nu een kort verslag op, van hetgeen ze hadden ondervonden, dat door hem en Palmer onderteekend werd. Het stuk werd in een torpedo gesloten, die daarna werd gelanceerd.
Toen er niets meer te doen was, bereidde de bemanning zich voor op het ergste. Een eigenaardig gevoel maakte zich van hen meester. Oogenschijnlijk onverschillig voor het dreigende gevaar, zaten ze bij elkaar met het hoofd gebogen op de armen, die gekruist op tafel rusten. Zoo gevoelden ze de slaap over zich komen, die den dood zou voorafgaan. De witte muizen, zoo uiterst gevoelig voor onzuiverheid in de lucht, waren gestorven en het eenige geluid, dat men hoorde in deze schrikwekkende omgeving, was het gerucht van de dynamo en de moeilijke ademhaling van de ongelukkige zeelieden.
Hoe lang Gerald in dien staat van halve verdooving had doorgebracht, wist hij zich later niet meer te herinneren;begrip van tijd en plaats had hij niet meer. Hij wist welk lot hem wachtte en toch was hij er onverschillig voor.
Plotseling werd zijn oor getroffen door een geluid van twee stukken metaal, die tegen elkander bonsden; hij hoorde het, maar lette er verder niet op. Er schoof iets langs de buitenzijde van de boot en dat bracht hem aan het droomen van één van die reusachtige zeemonsters, die alleen op zeer groote diepte leven en een enkele maal op het strand worden geworpen.
Langzaam begon de voorsteven van het vaartuig te rijzen.
Met een schok richtte Gerald zich op; hij kon niet gelooven aan de juistheid van hetgeen hij meende op te merken. Zijn makkers, die geheel bezwijmd waren, rolden van hun zitplaatsen op den vloer. Hij greep zich vast aan de onderste sport van de ladder, die naar den commando-toren voerde en probeerde zijn gedachten meester te worden en een verklaring te vinden voor het wonderlijke verschijnsel, dat de boot, die hulpeloos op den zeebodem lag, plotseling omhoog steeg.
En weer voelde hij over zich komen, maar nu sterker dan straks, dat gevoel van doffe slaperigheid. Zijn kracht begon hem te begeven, hij zou de ladder moeten loslaten en hij was op het punt neer te vallen bij zijn makkers, die daar over elkaar op den vloer lagen — dood misschien — toen er eensklaps een stem duidelijk riep: "Maak de ballasttanks ledig!"
Het geluid kwam uit den ontvanger van de draadlooze telephoon en de boot moest wel een flink stuk gestegen zijn, om het toestel weer geschikt te maken voor zijn dienst.
Met groote inspanning sleepte Gerald zich naar de tank midscheeps en greep den hefboom van de pomp. Hij haalde de stang over en de pomp begon te werken.
Helder zonlicht stroomde plotseling door de venstertjes van den commando-toren. Gerald strompelde tegen de ladder op en schoof den zwaren grendel weg, maar hij was niet in staat de metalen afsluitplaat opzij te krijgen. Het duizelde hem en er kwam een waas voor zijn oogen; dochdat duurde maar een oogenblik. De onderzeeër had de oppervlakte bereikt en een onderofficier van de Olijftak had den sprong naar 't dek van het kleine vaartuig gewaagd. Hij had den commando-toren opengerukt en Gerald naar buiten getrokken, waar deze in de frissche lucht weer tot zich zelf kwam.
"Breng vlug de mannen over!" riep kapitein Brookes. "'t Is te hopen, dat ze nog niet allen dood zijn."
Gerald was het eerst op het dek van de Olijftak en geleund op den arm van zijn vriend Stockton strompelde hij naar de campagneladder om zijn hut op te zoeken.
"'t Is een mooie geschiedenis," hoorde hij kapitein Brookes zeggen. "'k Had nooit gedacht, dat Palmer zich niet aan mijn bevelen zou houden en er is tenslotte niets mee gewonnen ook."
Gerald liet zijn vriend los, richtte zich op uit zijn gebogen houding, liep naar den kapitein en zei: "Neen, Sir, er is wel wat mee gewonnen. Het vermiste deel van de marconigraaf hangt onder de boot."
Deze laatste inspanning had zijn krachten geheel uitgeput en als luitenant Sinclair hem niet gegrepen had, zou hij op het dek zijn neergevallen.
"We dachten, dat het met jullie allemaal gedaan was, toen het uur verstreken was en de boot niet bovenkwam," zei Stockton den volgenden morgen.
"Dat begreep ik wel, maar hoe zijn ze erin geslaagd ons omhoog te krijgen?"
"Vooreerst doordat de fortuin gunstig was en dan door het flink optreden van kapitein Brookes. Zoodra we vreesden, dat er iets met de duikboot gebeurd was, zond hij een paar mannen naar het kabelruim, om de groote dreg gereed te houden. De dynamometer gaf slechts een zeer zwakken stroom aan. ——"
"Dat moet dan geweest zijn, nadat wij het zoeklicht hadden gedoofd en de motors hadden stopgezet."
"In elk geval was de aanwijzing voor ons voldoende om de ligging van de duikboot te bepalen. Driemalenwerd de dreg zonder eenig gevolg neer gelaten en terwijl we daarmee bezig waren, kwam er een torpedo boven."
"Ja, we hebben er één afgeschoten en wel zóó, dat de schroef van het projectiel niet kon werken, waardoor het bijna loodrecht omhoog ging."
"Toen de torpedo boven water kwam en dat gebeurde op een bootlengte van de sloep af, vloog ze nog wel twintig voet de lucht in. Als ik er niet bij geweest was, zou ik het niet hebben willen gelooven. We hebben het projectiel daarna aan boord gehaald en onderzocht, waarbij het schrijven, dat erin geborgen was, te voorschijn kwam."
"We wisten nu, dat jullie waarschijnlijk allemaal dood waart en dat de boot niet door den waterdruk bezweken was, zooals kapitein Brookes gevreesd had. Eensklaps greep de dreg vast en door een ontzettend groote kracht aan te wenden, kregen we den last omhoog. Angstige oogenblikken volgden nog, omdat we niet wisten, of de kabel het wel uithouden zou. Maar alles is goed afgeloopen, zooals je weet."
"Hoe gaat het met Palmer?"
"Slecht. Hij was ook nog niet heelemaal hersteld van die opium-vergiftiging en daarop weer deze geschiedenis. De andere mannen knappen flink op; maar Gerald, neem je scheerspiegel eens en houd hem zóó, dat je je achterhoofd zien kunt."
Tregarthen deed, wat zijn vriend zei, en tot zijn groote verbazing zag hij in zijn donkerbruin haar een witte plek, ter groote van een manshand.
"Dat is vreemd, Jack. Ik herinner me, dat ik naar mijn hoofd gegrepen heb, toen de boot begon te stijgen."
"Je hebt voor je verder leven tenminste een herinnering aan je verblijf op een diepte van tachtig vademen onder het zeevlak."
"Daar heb ik geen uiterlijke herinnering aan noodig," zei Gerald, terwijl hem een rilling overviel.
"Komaan, 't is alles nu voorbij en goed afgeloopen ook. Maar weet je, wat heel vreemd was in de beschrijving van jullie wederwaardigheden, die in de torpedo naar boven kwam? Dat er met geen enkel woord gesproken werd over de seingevers van het marconi-toestel en daar was toch alles om begonnen."
De teruggevonden seingevers hadden niet geleden van het water, dank zij de stalen cylinders, waarin ze besloten waren.
Een duiker had ze met het lijk van den aviateur naar boven gebracht en daarna liet men de beschadigde vliegmachine, waarvan men toch geen nut kon hebben, weer zinken. Den ongelukkigen Flew wilde men met de plechtigheden, die aan boord gebruikelijk zijn, een graf in de golven geven maar voor men daartoe overging, werd er nog een belangrijke ontdekking gedaan. Tusschen de beide lagen van zijn rubber-overjas werden papieren gevonden, waaruit bleek, dat hij geen Amerikaan was. Hij stond als politiek agent in dienst van een van de groote mogendheden van het Europeesche vasteland en had een opdracht, om zich zooveel mogelijk op de hoogte te stellen van alle bijzonderheden omtrent de Olijftak. Zijn vlucht over de Straat van Messina was een onderdeel van een vooraf beraamd plan en hoewel de val van zijn machine onder invloed van de Z.-stralen niet was voorzien, had die hem toch goede diensten bewezen voor het bereiken van zijn doel.
De schade, die aan de inrichting voor de Z.-stralen was toegebracht, bleek zeer belangrijk. Om ze te herstellen moest het groote bord in den commando-toren worden losgebroken, om de draden tusschen de dynamo en den toren te kunnen bereiken. Gedurende die werkzaamheden zou er ook geen gebruik kunnen gemaakt worden van de Z.Z.-stralen, zoodat het geen wonder was, dat kapitein Brookes aanspoorde tot den grootsten spoed bij den arbeid, om zoogauw mogelijk weer over al zijn krachten te kunnen beschikken.
Men bevond zich in de nabijheid van de Santorineilanden en de kapitein besloot daar voor anker te gaan, om dan meteen van dit oponthoud gebruik te maken om de kiel van het vaartuig te reinigen.
De eilandengroep was van vulcanischen oorsprong, wat duidelijk bleek uit de aanwezigheid van talrijke zwavelbronnen. Een groot voordeel was het, dat het water van die bronnen uitstekend geschikt was om het zeewier en de schaaldieren, die zich aan de kiel hadden gehecht, te dooden en weg te nemen. Langer dan anderhalf etmaal zou men niet noodig hebben voor de reiniging van het schip.
"Wat zoudt ge zeggen van een bezoek aan het grootste eiland, mijne heeren?" vroeg kapitein Brookes in den kring van zijn officieren. "De krater op Megalos moet zeer belangwekkend zijn."
"Ik zal graag van de partij zijn," riep Sinclair, "als ik tenminste van boord kan gemist worden."
Gerald, Stockton, Temple en Slade meldden zich ook aan, om deel te nemen aan het uitstapje.
"Best," zei de kapitein, "maar denkt eraan niet te dicht in de nabijheid van de heete springbronnen te komen. Blijft ook zooveel mogelijk in zicht van ons schip en keer dadelijk terug, wanneer ik daartoe een sein geef."
Na een moeilijken en afmattenden tocht van twee uur hadden de officieren den rand van den krater bereikt. Ze zetten zich neer om uit te rusten en kwamen onder den indruk van de doodsche stilte en verlatenheid te midden van dit woeste natuurtooneel.
Eensklaps echter sprong Jack Stockton op en riep: "Kijk eens, wat is dat daarginds?" Hij wees naar een langwerpig geelachtig voorwerp, dat op een afstand van eenige honderden meters in een diepe vallei in de lucht zweefde.
"Dat is een luchtschip — een van het Zeppelin-type," zei Gerald. "Wat zou dat ding hier komen uitvoeren?"
"Je hebt gelijk," riep Sinclair, die zijn zeekijker gebruikte."Dat is wel een zonderlinge ontdekking. Het luchtschip ligt blijkbaar voor anker."
"Kijk en daar komen een paar mannen dezen kant uit; ze kwamen langs een touwladder naar beneden. 'k Ben benieuwd, of ze ons hebben opgemerkt."
"Dat denk ik niet. Ze doen anders wel geheimzinnig! 'k Geloof niet, dat ze veel goeds in den zin hebben. We moesten ons verdekt opstellen, om te zien, wat ze in hun schild voeren."
De eenige dekking van beteekenis werd gevormd door een boschje verdorde doornstruiken. Er zaten geen bladeren aan, maar als de officieren er achter gingen liggen, plat op den grond tusschen de verspreide rotsblokken, dan waren ze vrij goed verborgen en konden de bewegingen volgen van de mannen van het vreemde luchtschip.
Deze hadden het blijkbaar ook op het doornboschje gemunt. Ze waren met hun drieën, zwaar gebouwde mannen in bruine uniformen. Eén van hen droeg een revolver in een foudraal op zijde, terwijl de anderen ongewapend schenen te zijn en alle drie droegen ze veldkijkers aan een riempje om den hals.
Zonder iets kwaads te vermoeden, kwamen ze naar het doornboschje en plaatsten zich ervoor, zoodat ze slechts door enkele takken van Gerald en zijn vrienden gescheiden waren. Ze namen hun kijkers ter hand en richtten die nieuwsgierig op de Olijftak. Doordat ze zich voor het boschje geplaatst hadden, staken ze niet af tegen de heldere lucht en liepen dus geen gevaar door de schepelingen te worden opgemerkt.
"Daar ligt dan het schip," riep een van de vreemdelingen in een taal, die Gerald en Sinclair gemakkelijk aan de keelklanken herkenden. "Adolf heeft dus wel gelijk gehad."
"Zoo gezien lijkt het schip niet bijzonder sterk."
"'t Uiterlijk bedriegt dikwijls, kapitein Dorge. Maar laten we daar niet over twisten. In allen gevalle ligt daar het schip en hebben we een prachtige gelegenheid om het uit den weg te ruimen."
"Zou veertig kilogram van de springstof voldoende zijn?"
"Genoeg om het schip geheel te vernietigen. Vóór de maan om twee uur opkomt moeten we klaar zijn."
"En als we missen?"
"Onmogelijk. Ik zal de 'Vorwärts' vlak boven het vaartuig brengen en laten dalen tot op dertig meter afstand van het dek. Ze zullen daar aan boord op deze plaats geen aanval verwachten en stellig niet uit de lucht."
Gerald stootte Sinclair veelbeteekenend aan en deze waarschuwde Temple met een gebaar, dat geen naderen uitleg behoefde en dat ook door Stockton begrepen werd.
"Vooruit!" fluisterde Sinclair.
Tegelijk sprongen de vier mannen overeind, drongen door de struiken en wierpen zich op de verbaasde vreemdelingen.
De man, die als kapitein Dorge was aangesproken, probeerde zijn revolver te trekken, maar Gerald had zijn armen om hem heen geslagenen Jack Stockton maaktezich meester van het wapen. Hij werd op den grond geworpen, waar Stockton hem gemakkelijk in bedwang hield.
Temple, een pootige Schot, had het gauw klaargespeeld met zijn tegenstander, maar Sinclair had meer moeite en deze slaagde eerst na een woedend vuistgevecht erin zijn vijand neer te vellen.
"Wat moeten we nu doen?" hijgde Gerald, terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd wischte.
"De kerels naar boord brengen," meende Sinclair. "We hebben dan drie gijzelaars in handen, die ons een goed gedrag van de verdere bemanning van het luchtschip waarborgen."
"Gemakkelijker gezegd dan gedaan."
"'t Zal meevallen. Maar we moeten op onze hoede zijn, want die vriend daar begint ook al bij te komen, 't lijkt dat de opstoppers, die ik hem toegediend heb, hebben uitgewerkt."
Al pratende had Sinclair den twee gevangenen beduid, dat ze moesten opstaan. Hij plaatste ze vlak naast elkaaren bond toen den rechterarm van den een met een riem aan den linkerarm van den ander. Als meerdere voorzorg bond hij nog de duimen aan elkaar met een dun touwtje.
Intusschen hadden Gerald en Stockton den nog half bezwijmden officier op de been geholpen en tusschen hen in genomen, en toen werd de terugtocht naar het schip ondernomen. Temple hield met de revolver in de vuist, de gevangenen scherp in het oog, zoodat ze niet aan eenig verzet denken konden.
Twee uren hadden de vrienden noodig gehad om den krater te bereiken, maar den terugweg legden ze af in twintig minuten en toen ze het strand bereikten, vonden ze daar een boot om hen naar boord terug te brengen.
"Wat is er aan de hand heeren?" vroeg kapitein Brookes, toen het gezelschap het campagne-dek bereikte. "Ik had al door den kijker gezien, dat er iets bijzonders gebeurde."
Gerald bracht een kort verslag uit, van hetgeen ze ondervonden hadden.
De kapitein fronste de wenkbrauwen en zei: "dat is slecht nieuws. Het versterkt me in mijn vermoeden, dat er in Europa iets broeit. Toch bericht onze agent in Swanage nog daareven in een marconigram, dat alles rustig is en er geen onmiddellijk oorlogsgevaar dreigt. Maar in allen gevalle is het uitstekend, dat ge het helsche plan van deze lieden verijdeld hebt. Ik zal nu eerst eenige vragen stellen aan uw gevangenen."
Op een desbetreffende vraag, gaf de oudste der drie vreemde officieren te kennen, dat hij Hans von Rippach heette, doch kapitein Brookes meende alle reden te hebben, te veronderstellen, dat hij een lid van een der voornaamste Europeesche vorstenhuizen vóór zich had.
"En," vervolgde hij, "mag ik de reden weten, waarom ge van plan waart, mijn vaartuig verraderlijk te overvallen in neutraal zeegebied?"
"Aan een zeeroover geef ik geen verklaring van mijn daden," antwoordde de ander op onbeschofter toon.
De kapitein brak toen dadelijk het gesprek af en gaf bevelde gevangenen naar beneden te brengen en ze onder gewapend toezicht in een hut op te sluiten.
"En moet nu het luchtschip geen lesje hebben?" vroeg luitenant Sinclair. "We kunnen zonder veel moeite een zesponder aan wal brengen."
"Dan komt de bevolking van het eiland in rep en roer. Ik denk me tegenover de Zeppelin alleen tot verdediging te bepalen. Durven ze ons aanvallen, dan kunnen ze op een warme ontvangst rekenen, maar wij moeten alle krachten inspannen om zoo gauw mogelijk klaar te komen. Onmiddellijk zetten we dan koers naar de Engelsche wateren, want ik heb een voorgevoel, dat er heel spoedig een oorlog in Europa zal uitbarsten."
Vóór de nacht viel had de Olijftak Santorin verlaten en was op weg naar de Straat van Gibraltar. Onophoudelijk werd er naar den agent te Swanage geseind om inlichtingen, zoodat de man eindelijk kort en goed antwoordde, dat er niets gebeurde en dat hij dus verder niets zeggen kon.
Vier uren na het doorvaren van de Straat kwam er echter een marconigram binnen, dat groote opschudding verwekte. Het luidde: "Duitschland en Oostenrijk zijn de vijandelijkheden tegen Engeland begonnen."
Binnen een paar uren was de geheele bemanning op de hoogte van den staat van zaken, tenminste voor zoover de Engelsche agent die kon meedeelen. Er hadden belangrijke gebeurtenissen plaats, maar over het geheel was men onkundig omtrent de eerste voorvallen op het tooneel van den strijd.
Drie groote Europeesche Staten hadden een geheim verbond gesloten tegen Engeland en zoo geheimzinnig was men te werk gegaan, dat het Ministerie van Buitenlandsche zaken van het Britsche rijk er niets van te weten was gekomen. Om in staat te zijn den gemeenschappelijken vijand onverwacht op het lijf te vallen, hadden de bondgenooten gelijktijdig groote herfst-manoeuvres aangekondigd voor hun vloten in den Atlantischen Oceaan. Zoo konden ze zonder argwaan te wekken, een groote scheepsmacht bijeenbrengen op een afstand van twaalf uur stoomens van de zuidkust van Engeland.
Terwijl dit plaats had, kruiste het grootste gedeelte van de Britsche vloot op de westkust van Schotland en Ierland en een grooter aantal schepen dan gewoonlijk lag in de havens om de schade te herstellen, die ze bij onvoorziene ongevallen hadden beloopen. Daarover kon dus de opperbevelhebber, Sir Protheroe Hobbes niet beschikken.
In de week, die vooraf ging aan het uitbreken van den oorlog, waren er verschillende dingen gebeurd, waarvan men toen de beteekenis niet overzag.
Een groot vrachtschip, dat op naam stond van een Engelsche reederij en geladen met Noorsch graniet voor dehavenwerken, raakte bij het binnenvaren van de haven van Portsmouth aan den grond. Dit gebeurde juist tegenover de Round Tower, waar de invaart het smalst is. Onder den invloed van den krachtigen vloedstroom zwaaide het schip rond en tegelijkertijd had er midscheeps een zoo hevige ontploffing plaats, dat het in tien minuten zonk. Hierdoor was het vaarwater versperd en lagen er zes krachtige eskaders van de Britsche marine in de haven opgesloten.
Op denzelfden dag had er een geheimzinnige aanslag plaats in Schotland; de middelste bogen van de brug over de Forth werden opgeblazen. Deze misdaad werd toegeschreven aan anarchisten, die in den laatsten tijd bijzonder krachtig optraden. Gelukkig gingen er geen menschenlevens bij verloren, maar de gevolgen waren ernstig genoeg, want zoolang de vergruizelde steenmassa niet was weggeruimd, was de maritieme basis van Rosyth geheel onbruikbaar.
Den volgenden avond verlieten de gezanten van de verbonden staten Londen en zonder voorafgaande oorlogsverklaring begonnen de vijandelijkheden.
Begunstigd door de duisternis deed een vijandelijke luchtvloot een aanval op de voornaamste zeemagazijnen voor de Engelsche strijdmacht. De aanval op Priddy's Hard Magazine mislukte door het koelbloedig optreden van een jongen luitenant-aviateur, die het luchtschip aanviel en verdreef, maar de vijand slaagde er in de magazijnen van Bedenham, Chattenden en Bull Point te bombardeeren. Het luchtschip, dat den aanval op het laatste punt deed, daalde zoo laag, dat het zelf beschadigd werd door de ontploffingen, die het veroorzaakte en genoodzaakt was te landen. De bemanning werd onmiddellijk gevangen genomen.
Een klein kustvaartuig, dat Plymouth Sound binnenvoer, stootte op een onderzeesche mijn op een paar kabels lengte van de Mewstone en verging met man en muis. Bij onderzoek bleek nu, dat er in het Kanaal een groot aantal drijvende mijnen waren gestrooid,zoodat een oorlogsschip, dat de haven van Plymouth wilde verlaten, een zekeren ondergang tegemoet ging.
Intusschen trachtten de Verbondenen, die beschikten over een meerderheid van zeven Dreadnoughts en super-Dreadnoughts, elf gepantserde kruisers en ruim twintig torpedovernielers, de vloot van Admiraal Hobbes van haar basis af te snijden en te noodzaken tot het aannemen van een zeestrijd. Was de vloot vernietigd, dan zou een gering aantal landingstroepen voldoende zijn om het Koninkrijk in enkele weken te veroveren en dan zouden zeker de ondergang en verdeeling van het rijk volgen.
Admiraal Hobbes kreeg per marconigram bericht van het uitbreken van den oorlog en gaf onmiddellijk bevel aan zijn vloot, koers te zetten naar het Engelsche Kanaal.
Zijn bekende moed en doortastendheid deden hem niet rekenen met de meerdere sterkte van den vijand: hij besloot aan te vallen en wilde trachten een beslissenden slag te slaan.
Bij het aanbreken van den dag, volgende op het vertrek van de Britsche vloot van Bantry Bay, brachten twee kleine torpedojagers, die op verkenning waren uitgeweest, de tijding, dat de vijandelijke schepen zich in slagorde bevonden in noordwestelijke richting.
Deze inlichtingen waren wel juist, maar onvolledig, want een andere krachtige vijandelijke divisie stoomde in het zuid-westen evenwijdig aan de waargenomen scheepsmacht. De Engelsche vloot zou zich dus tusschen twee vuren bevinden, zoodra de strijd zou aanvangen.
Admiraal Bloch, die bevel voerde over de vereenigde vijandelijke vloten, had zijn maatregelen dus op uitstekende wijze genomen, maar hij had geen rekening gehouden met de Olijftak. Hij was de man die het plan gevormd had, om dat machtige schip te doen vernietigen door een Zeppelin.
De bemanning van het luchtschip had wel telegraphisch bericht gezonden van het mislukken der onderneming, maar ongelukkigerwijze had een Grieksch postbeambte het codewoord voor "ontsnapt" verwisseld met dat voor "vernield."
Nu meende admiraal Bloch, dat er van de Olijftak geengevaar meer te duchten was en hij aarzelde niet langer een ontmoeting te zoeken met de Britsche vloot, die wel sterk, maar in aantal schepen zijn mindere was.
Intusschen kliefde de Olijftak de baren van de Golf van Biscaye. Op een afstand van tweehonderd mijlen haalde ze een transportschip in, dat, onbekend met de dreigende gevaren, naar het vaderland stoomde. Kapitein Brookes bracht den commandant op de hoogte van den oorlogstoestand, waarop het vaartuig den steven wendde en onder daverend "hoezee" van de troepen, die het aan boord had, koers zette naar Gibraltar.
Wat er aan de electrische toestellen van de Olijftak ontbrak, was weer geheel in orde gebracht. De 15 c.M. granaten waren geladen met de verschrikkelijke ontploffingsstof en alle waterdichte schotten gesloten. Niets was verzuimd om het schip gereed te doen zijn voor het moeilijke werk, dat wachtte.
Eindelijk werd in de verte in het noordwesten het doffe gerommel van een kanonnade gehoord; de voorhoede van de vloot van admiraal Bloch was in aanraking met den vijand gekomen.
Het werd een langdurige en hevige strijd. De Britsche vloot, die in dubbele linie een frontaanval deed, leed groote verliezen. Admiraal Bloch week onder krachtig vuren terug, gebruik makend van mijnen en torpedo's, totdat de tweede divisie de Engelsche vloot in de flank kon aanvallen.
Binnen twintig minuten waren de Engelsche Orion en Thunderer in den grond geboord, terwijl de Princess Royal, Vanguard, Inflexible en Foudroyant buiten gevecht gesteld waren. Ondanks het uitstekende stelsel van waterdichte schotten maakten de schepen veel water en waren de krachtige centrifugaal-pompen bijna niet in staat ze drijvende te houden. Vooral de Foudroyant was zoo ernstig beschadigd, dat het schip onmogelijk verder aan den strijd kon deelnemen.
Admiraal Hobbes kon er niet aan denken zijn beschadigde schepen te beschermen. Hij moest ze aan hun lot overlatenen gaf den kapiteins het bevel, te trachten Haulbowline te bereiken en een ontmoeting met zwervende kruisers van den vijand te vermijden.
Deze had ook zware verliezen geleden. Het groote slagschip Kronprins Gustav was ernstig beschadigd in een strijd met de King George V en bevond zich in zinkenden toestand. De Askoldin en de Trodet waren ondergegaan en in de diepte verdwenen, terwijl de Styx, de Von der Flack en Gelion, tot wrakken geschoten, met moeite de andere schepen volgden. Ze werden door de Engelsche vloot ingehaald en gaven zich onvoorwaardelijk over, doch admiraal Hobbes kon er niet aan denken, ze in bezit te nemen.
Eensklaps sprong met donderend geraas een kleine kruiser uit elkaar, die op een afstand van twee kabelslengte achter de Donetz — het vlaggeschip van Bloch — aanstoomde. Admiraal Hobbes had niet meer verheugd kunnen zijn, wanneer één van de super-Dreadnoughts van den vijand was ondergegaan, want het verongelukte schip was de Hekla, een bekende, gevaarlijke mijnenlegger.
Zoo hadden de Verbondenen dus één schip meer verloren dan de Engelschen, maar die uitslag was voor de laatsten verre van bevredigend. Bleven gedurende den verderen strijd de verliezen in dezelfde verhouding, dan zouden de vijanden, na geheele vernietiging van de Engelsche vloot, nog beschikken over een overschot van elf schepen, ongerekend de divisie van Vice-Admiraal Neboff.
Tegen den middag bevonden de vijandelijke vloten zich met een front van ongeveer twaalf mijlen in de nabijheid van kaap Lizard. De Britsche vlootvoogd keek verlangend uit naar versterking voor zijn scheepsmacht en hoopte, dat een eskader uit Devonport een flankaanval zou doen op den vijand. Daar de installatie voor draadlooze telegraphie gedurende den strijd van zijn schip overboord was geschoten, was zijn verbinding met den wal verbroken en kon hij dus niet om hulp vragen.
Zijn hoop werd niet verwezenlijkt. Er kwam geen versterking, maar wel kreeg hij van één van de kleine vaartuigen, die als verkenners dienst deden, het onrustbarende bericht, dat een nieuwe vijandelijke divisie de vloot naderde.
Een half uur later openden de schepen van Admiraal Neboff het vuur.
Admiraal Hobbes begreep nu, dat hij zich in een hoogst gevaarlijken toestand bevond, tusschen twee vuren. Hij zou moeten kiezen tusschen een smadelijke vlucht, of een strijd op leven en dood. De keus viel hem niet moeilijk: hij besloot te strijden, zoolang er nog een enkel schip zich boven water houden kon.
In dit gevaarvolle oogenblik naderde uit het zuidoosten een kruiser, die de golven met verbijsterende snelheid doorsneed. Admiraal Hobbes volgde het vreemde vaartuig met zijn kijker in gespannen verwachting. Toen het op een afstand van ongeveer een mijl voorbij de half ontredderde Herzog voer, loste deze een kanonschot. Onmiddellijk volgde het antwoord: de Herzog werd als een kaartenhuis in elkaar geschoten en verdween in een wolk van rook en stoom onder de oppervlakte der zee.
"De hemel zij gedankt!" riep de Britsche Admiraal in geestdrift uit, "daar is de Olijftak!"
Gedurende de drie dagen en nachten, die aan de verschijning van de Olijftak op het tooneel van den strijd voorafgingen, was kapitein Brookes haast niet uit de kleeren geweest. Hij had zich tevreden gesteld met een nachtrust van hoogstens twee uur en het leek wel, of hij niet meer slaap noodig had. De ontzettende lichamelijke en geestelijke inspanning, die in deze dagen van hem gevergd werden, deden zich echter van dag tot dag meer gevoelen.
Gerald spoorde hem herhaaldelijk aan, toch meer rust te nemen, maar dan was zijn gewone antwoord: "als we deze zaak hebben afgedaan, zal ik tijd in overvloed hebben om te rusten, dan zal mijn levenstaak volbracht zijn."
Na een van die gesprekken noodigde hij Gerald uit, hem te vergezellen bij een bezoek, dat hij aan de gevangenen wilde brengen.
Vóór de hut, waarin de officieren van het luchtschip waren opgesloten, stonden twee gewapende matrozen. Bij de komst van den kapitein schoven ze de grendels weg en volgden hem naar binnen, maar deze beduidde hen door een gebaar heen te gaan.
"Goede morgen, Herr Hans von Rippach," sprak kapitein Brookes. "Het spijt me, dat ik u lastig moet vallen met het verzoek, te willen verhuizen naar een hut op het hoofddek, met het oog op mogelijke gebeurtenissen in de eerstvolgende dagen."
"Onder het pantserdek, denk ik?" vroeg de officier in vloeiend Engelsch met een spoor van vreemd accent. "Dat wil dus zeggen, dat ge denkt aan een zeestrijd deel te nemen?"
De kapitein knikte toestemmend.
"En mag ik dan meteen deze gelegenheid waarnemen," vervolgde de officier, "om mijn spijt uit te drukken over de ruwe wijze, waarop ik u heb bejegend bij mijne komst hier aan boord?"
"Gaarne neem ik die verontschuldiging aan, Sir."
"En laat ik dan uw oorspronkelijke vraag ook beantwoorden en mij zelf voorstellen als —"
"Prins E. von Bülow von Ratalewitz, tweede zoon van —," vulde de kapitein aan.
"Dank u, Lord Stanningborough," viel de prins hem in de rede, met een gezicht als van een schermer, die handig een stoot heeft afgeweerd. "Het is me een behoefte u nog eens te herinneren aan uw welgeslaagde meeting te Weenen in 1909."
"Ge hebt gehoord, wat de Prins zei," sprak de kapitein, toen hij tien minuten later met Gerald de gevangenen verliet. "Houd die wetenschap voor u zelf, want tot elken prijs wil ik vooralsnog onbekend blijven."
Gerald had bijna met een "ja, mylord" geantwoord, maar hij bezon zich nog bijtijds en zei: "ja Sir." Hij had den naam van Lord Stanningborough vaak gehoord en wist dat deze een invloedrijk lid van den Raad voor de Verdediging van het Rijk was geweest. In dien Raad had Stanningborough krachtig gestreden tegen de richting, die men daar volgen wilde en dat maakte hem bij velen gehaat. Zijn persoonlijke vrienden beschouwden hem als een verblinden doordrijver, terwijl de regeering geen aandacht schonk aan zijn ernstige waarschuwingen. Geheel teleurgesteld, nam hij toen ontslag en wilde een onderzoekingstocht maken door Uganda. Een maand na zijn aankomst in Afrika was hij echter spoorloos verdwenen.
Er klonk een hoornsignaal: "Aan de stukken!" Uit den commandotoren kon Gerald de talrijke masten zien van de divisie van Admiraal Neboff, die aan den horizon kwam opdagen.
"Afzonderlijk vuren, voorste toren," commandeerde kapitein Brookes, toen een granaat van een beschadigd, vijandelijk schip op honderd meter voor den boeg van de Olijftak in zee viel.
"Prachtig," riep de kapitein, toen één schot uit den voorsten toren den vermetelen aanvaller in den grond boorde. "Nu naar de schepen, die den flankaanval ondernemen."
Neboff was nog geheel onkundig van de komst van de Olijftak. Hij verkeerde in den waan, dat het schip vernietigd was en dacht er dus niet aan, dat het zich in dezen strijd zou kunnen mengen. Zoodra hij echter zijn dwaling bemerkte, besloot hij vóór alles dezen nieuwen, machtigen vijand te vernietigen. Hij gaf het bevel aan alle schepen van zijn divisie om tegelijk uit alle beschikbare 11 c.M. kanonnen het vuur te openen op de Olijftak.
Gedurende twaalf seconden gierden meer dan vijftig zware granaten door de lucht met een snelheid van ongeveer duizend meter per seconde. Maar de kanonniers hadden niet gerekend met een zeer belangrijke omstandigheid: ze hadden er niet aan gedacht, dat hun vijand zich met een fabelachtige snelheid verplaatste. Het gevolg daarvan was, dat de projectielen, uitgezonderd één, achter de Olijftak in zee vielen, zonder eenige schade aan te richten.
De eenige treffer sloeg in het achterschip en deed het heele vaartuig schokken en trillen.
"Laat een bootsman de schade opnemen," commandeerde kapitein Brookes, "en begin onmiddellijk het lek te stoppen."
"De afstand?" ging hij voort, zich buigend over de wijzers voor de Z.Z.-stralen.
"Veertien duizend meter, Sir," antwoordde Gerald.
Een oogenblik later was het, alsof de horizon in vlammen stond, terwijl een dikke rookmassa omhoog warrelde en het doffe gerommel van een groot aantal ontploffingen bromde in de verte.
"Hoezee!" riep Gerald, meegesleept door de opwinding van den strijd. "De ——"
De woorden bestierven hem op de lippen, want toen hij achter zich keek, zag hij, dat de kapitein in elkaar was gezakt met het hoofd op het wijzerbord.
"Wat is er, Sir?" riep hij angstig.
Er kwam geen antwoord. Vlug tilde hij den kapitein op en legde hem voorzichtig neer op den vloer van den commandotoren. Hij riep om hulp en twee matrozen kwamen in den toren, en droegen den kapitein naar beneden, waar ze hem aan de goede zorgen van Dr. White overlieten.
"Verzoek Mr. Sinclair het bevel over te nemen." beval Gerald en zonder de komst van den luitenant af te wachten, gelastte hij den kwartiermeester aan te houden op de linkerflank van de hoofdmacht van den vijand.
Een enkele blik op het toestel voor de Z.Z.-stralen was voldoende om tot de overtuiging te komen, dat dit machtige strijdmiddel voor het oogenblik onbruikbaar was. Toen de kapitein het bewustzijn verloor, waren de wijzers blijven staan, zooals hij ze gesteld had en daardoor waren de bronnen, die de electriciteit leverden, geheel uitgeput. Met de uiterste inspanning van de dynamo's zouden er toch nog zes uren noodig zijn om aan de Z.Z.-stralen haar normale kracht terug te geven.
De Olijftak was dus alleen op de kracht van haar kanonnen aangewezen om den strijd tot een beslissend einde te brengen.
"Afzonderlijk vuren!" commandeerde de luitenant. Door de ontploffing van de granaat in het achterschip was de electrische geleiding tusschen de geschuttorens beschadigd, zoodat elke toren afzonderlijk werken moest.
Binnen een kwartier was het lot van den vijand beslist: zijn aanvankelijke overwinning was overgegaan in een ordelooze vlucht. Verscheidene schepen werden in den grond geboord en de andere, ingehaald door de snelle Britsche stoomers, heschen de witte vlag.
"Waar is Sinclair?" vroeg Tregarthen, toen de bemanning na het einde van den strijd aan dek gekomen was.
"Beneden, Sir; gevaarlijk gewond."
"En de kapitein?"
"Hij is dood, Sir," antwoordde Dr. White, bijna niet in staat zijn ontroering meester te blijven.
Gerald stond sprakeloos, zoo trof hem de droeve tijding en eerst na eenige oogenblikken was hij in staat te vragen: "En waar werd hij geraakt?"
"Hij werd niet getroffen door een kogel van den vijand, maar hij is overleden tengevolge van de inspanning van de laatste dagen. De opwinding gedurende het gevecht heeft zijn dood veroorzaakt."
"Verzoek den officieren op het campagne-dek te komen," gelastte nu kapitein-luitenant Tregarthen.
In enkele korte woorden deed hij mededeeling van het groote verlies, dat de bemanning geleden had door den dood van hun commandant en toen haalde hij een schrijven te voorschijn, dat de kapitein hem had ter hand gesteld en las de beschikkingen voor, die deze gemaakt had voor 't geval, dat hij mocht sneuvelen of ongeschikt worden, het bevel te blijven voeren.
Toen de lezing was afgeloopen, haalde hij zelf de groene vlag neer en heesch de blauwe halfstok. Als laatste hulde spreidde hij het dundoek, waaronder kapitein Brookes gevaren en gezegevierd had, in tegenwoordigheid van de overige officieren over het lijk van hun beminden aanvoerder, dat in een van de hutten aan dek was neergelegd.
"De Admiraal komt aan boord, Sir."
Tregarthen keek uit en zag dat een sloep, die de admiraalsvlag voerde, in aantocht was.
Met de gewone eerbewijzen werd Admiraal Hobbes aan boord ontvangen.
Gerald in zijn uniform van kapitein-luitenant der Engelsche marine begroette den hoogen bezoeker en deed hem mededeeling van het overlijden van kapitein Brookes. Volgens een opdracht, vervat in de laatste wilsbeschikking vanden doode, droeg hij de Olijftak over aan de Britsche Admiraliteit.
"Ik schaam me niet te bekennen," sprak de Admiraal, toen hij met Gerald voor de baar stond, waarop de overledene rustte, "dat zonder den bijstand van de Olijftak onze toestand hopeloos zou zijn geweest. En nu, dank zij kapitein Brookes, is alle gevaar voorbij en Engeland behoudt rustig de heerschappij ter zee, waardoor het in staat is er vrede en veiligheid te doen heerschen. Meer dan dat, voor altijd is die heerschappij bevestigd. De les voor de aanvallers is hard geweest, maar zal haar uitwerking niet missen. Alle eer voor den man, die zijn zending tot het einde heeft volbracht en door één krachtig optreden allen verderen oorlog ter zee onmogelijk heeft gemaakt."
Met een eerbiedig, militair saluut bracht de oude admiraal hulde aan den "Koning der zee", die viel als een offer van den plicht, dien hij zich zelf had opgelegd.