Acht en Veertigste Hoofdstuk.De Overwinning.Geopenbaard teMedina—29 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Waarlijk, wij hebben u eene duidelijke overwinning geschonken1.2.Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde2moge vergeven3, en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en u richten op den rechten weg.3.En dat God u ondersteune met eene machtige hulp.4.Hij is het die in de harten der ware geloovigen volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn Godes, en God is alwetend en wijs).5.Dat hij de ware geloovigen van beiderlei kunne in tuinen leide,waardoor rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen.6.Hij zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen.7.Aan God behooren de heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs.8.Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede tijdingen en aankondiger van bedreigingen.9.Opdat gij, o menschen! in God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen, en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt.10.Waarlijk, zij die valsch zweren4onder u, zweren valsch bij God, en de hand van God rust op hunne handen5. Hij die zijn eed zal schenden, zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem eene heerlijke belooning schenken.11.De Arabieren van de woestijn, die achtergelaten6werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord: Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is wel bekend met hetgeen gij doet.12.Waarlijk, gij hebt u verbeeld, dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij zijt een verdorven volk.13.Zij die in God en zijn gezant gelooven, weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed gemaakt.14.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hijschenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig.15.Zij die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit te halen7, sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord te veranderen8. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand.16.Zeg tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met eene gestrenge kastijding straffen.17.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken; en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden.18.God was den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder den boom9, en hij kende datgene, wat in hunne harten was; daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloondehij hen met eene spoedige overwinning10.19.En den grooten buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs.20.God beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug11, opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om u op den rechten weg te leiden.21.Hij beloofde u ook anderen buit, dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien voor u ingesloten; en God is almachtig.22.Indien de ongeloovige bewoners vanMekkategen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner gevonden hebben.23.Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden.24.Hij was het die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de vallei vanMekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken12; en God zag hetgeen gij deedt.25.Zij die niet gelooven, verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het geofferd moest worden13. Ware het niet, dat gij verscheiden ware geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist, dan zou hij uwe handen van hen niethebben afgehouden; maar dit geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest, zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd hebben.26.Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede, de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht vast in hen14, en zij waren de waardigsten van hen, en zij die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen.27.Thans heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt15, zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den heiligen tempel vanMekkamet volkomen zekerheid binnentreden; met geschoren hoofden en gesneden haren16: gij zult niet vreezen; want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene spoedige overwinning toegezegd17.28.Hij is het, die zijnen gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden, om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor een toereikende getuige.29.Mahometis Gods gezant; en zij die met hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende, eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne herhaalde nederbuigingen18. Dit is hunne beschrijvingin den Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad, dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar; zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen, vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.1Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stadMekkawerd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bijMahometsterugkeer van de expeditie vanal Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes vanal Hodeibiyawas, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners vanMekkaden vrede wenschten, en daar een wapenstilstand metMahometsloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming vanMekkawerd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering vanKhaibarof de overwinning op de Grieken teMoeto, enz., wordt bedoeld.2Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.3Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.4Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.5Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo’ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.6Dit waren de stammen vanAslam,Joheinah,MozeinahenGhifar, die, nadat zij vermaand waren,Mahometen de expeditie vanal Hodeibiyate volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den Koreïshieten weerstand te bieden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).7Zijnde: In de expeditie vanKhaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, inDhoell’hajjavanal Hodeibiyaterug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin vanMoharramteMedina. Daarna trok hij tegen de Joden vanKhaibarop, doch alleen met hen, die hem naaral Hodeibiyahadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 87,etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beidâwi).8Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naaral Hodeibiyavolgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering vanMekkain dien tijd, door hen die vanKhaibardaarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoeldewoordde plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: “Gij zult niet met mij vertrekken,” enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadatKhaibarwas ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie vanTaboec(Al Beidâwi).9ToenMahometteal Hodeibiyaaankwam, zond hijJawwas Ebn Omeyya, den Khozaïet, om den bewoners vanMekkabekend te maken, dat hij met eene vredelievende bedoeling was gekomen, en wel om den tempel te bezoeken; maar zij, die volgens sommigen, wantrouwen koesterden, weigerden hem toe te laten. De profeet zond daaropOthman Ebn Affan, dien zij gevangen namen, terwijl het gerucht liep, dat zij hem gedood hadden, waaropMahometzijne manschappen om zich verzamelde. Zij zwoeren toen den eed van getrouwheid tot den dood gedurende welke plechtigheid hij onder een boom zat.10Namelijk de overwinning teKhaibar, of, zooals sommigen eerder aannemen, de inneming vanMekkaenz.11Zijnde de handen der bewoners vanKhaibar, of van hunne opvolgers, van de stammen vanAradenGhalfan, of van de bewoners vanMekka, door het sluiten van den vrede vanal Hodeibiya(Al Beidâwi).12Jallalo’ddinverhaalt, dat tachtig ongeloovigen, in het geheim, inMahometskamp tealHodeibiyakwamen, met het doel, sommigen zijner manschappen te verrassen. Zij werden echter gegrepen en voor den profeet gebracht die hun genade schonk en tevens beval, dat zij in vrijheid zouden gesteld worden. Deze edelmoedige daad was oorzaak van den wapenstilstand door de Koreïshieten metMahometgesloten; want daarop zonden zijSohail Ebn Amroeen nog eenige personen, om over den vrede te onderhandelen.Al Beidâwilegt deze plaats met een ander verhaal uit. Hij zegt namelijk, datAcrema Ebn Abi JahlvanMekka, aan het hoofd van vijfhonderd man, naaral Hodeibiyaoptrok, en datKhalid Ebn Al WaliddoorMahomettegen hem met eene legerafdeeling werd afgezonden, die de ongeloovigen tot het binnenste gedeelte vanMekkaterug dreef, en daarna, uit eerbied voor de stad, aftrok.13Mahometsbedoeling bij de expeditie vanal Hodeibiyawas namelijk alleen, om den tempel vanMekkaop vreedzame wijze te bezoeken, en een offer in het dal vanMinate brengen, overeenkomstig den aangenomen ritus. Hij voerde tot dat doel dieren met zich; maar de Koreïshieten veroorloofden hem noch den tempel binnen te gaan, noch zich naarMinate begeven.14Zijnde de Mahomedaansche geloofsbelijdenis of deBismillah, en de woorden:Mahomet, Gods gezant, welke door de ongeloovigen werden verworpen.15Of den droom dienMahometteMedinahad, alvorens hij naaral Hodeibiyatrok. Hij droomde toen, dat hij en zijne makkers de stadMekkaveilig binnen trokken, met geschoren hoofden en afgesneden haren. Deze droom, die door den profeet aan zijne volgelingen werd medegedeeld, veroorzaakte groote vreugde onder hen, en zij veronderstelden, dat het visioen nog in het zelfde jaar zou worden vervuld. Toen zij echter bemerkten, dat de wapenstilstand gesloten was, die hunne verwachting nopens dat tijdstip verijdelde, waren zij diep getroffen. Daarop werd, ter hunner vertroosting, deze plaats geopenbaard, die het visioen bevestigde, dat echter eerst een jaar later zou worden vervuld, toenMahomethet bezoek aflegde, onderscheiden door de bijvoeging vanal Kadaof voltooiing, omdat hij op dien tijd het bezoek van het vorige jaar voltooide, toen de Koreïshieten hem niet veroorloofdenMekkabinnen te gaan. Hij was toen genoodzaakt teal Hodeibiyazijne slachtoffers te dooden, en zich te scheren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. ZieAbu’lf.Vit. Moh.p. 84, 87).16Zijnde, dat sommigen geschoren waren, terwijl anderen alleen afgesneden haren hadden.17Zijnde de inneming vanKhaibar.18Hoewel de Mahomedanen zich bij hunne gebeden van tapijten of matten bedienen, is het echter de gewoonte, den harden en blooten grond met het voorhoofd aan te raken. Dikwijls dragen zij ronde of vierkante steentjes bij zich, waarop zij met hunne hoofden steunen, als zij zich ter aarde werpen.Negen en Veertigste Hoofdstuk.De Binnen-vertrekkenGeopenbaard te Medina—18 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet vooruit1, en vreest God; want God hoort en weet alles.2.O ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat gij het bemerkt.3.Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime belooning erlangen.4.Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien zij u verplicht zijn.5.Indien zij met geduld wachten, totdat gij onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar God is vergevensgezind en barmhartig.6.O ware geloovigen! Indien een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om hetgeen gij hebt gedaan2.7.Weet, dat Gods profeet onderu is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die den rechten weg bewandelen.8.Door barmhartigheid van God en genade en God is alwetend en wijs.9.Indien twee partijen der geloovigen met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij, die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen die rechtvaardig handelen.10.Inderdaad, de ware geloovigen zijn broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade moogt verwerven.11.O ware geloovigen! laat de menschen geene andere menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen, die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet, en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd, en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners3.12.O ware geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet tenieuwsgierigde feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid, kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig.13.O menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk wezengeschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld, opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend.14.De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd4;want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden5. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig.15.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die oprechtelijk spreken.16.Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst inlichten6? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op aarde bevindt; want God is alwetend.17.Zij verwijten u (als een weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten, dat hij u naar de waarheid heeft gericht7. Erkent dit, indien gij oprechtelijk spreekt.18.Waarlijk, God kent de geheimen van hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.1Dat is: waag het niet, uwe eigene beslissing in eenige zaak te nemen, alvorens gij het oordeel van God en zijn gezant ontvangen hebt.2Men zegt, dat deze plaats op de navolgende gebeurtenis berust:Al Walid Ebn Okbawerd doorMahometgezonden, om de aalmoezen bij den stam vanal Mostalekop te halen. Toen hij hen in grooten getale tot zich zag komen, vatte hij argwaan en vreesde voor boos opzet, wegens de vroegere vijandschap tusschen hem en hen, gedurende den tijd der onwetendheid. Hij keerde onmiddellijk terug, en verhaalde den profeet, dat zij weigerden hunne aalmoezen te geven en getracht hadden hem te dooden.Mahometwilde hen daarop met geweld tot hunnen plicht terugbrengen. Toen hij echterKhaled Ebn Al Walidtot hen zond, bevond deze, dat zijn voorganger hun onrecht had aangedaan, en dat zij even gehoorzaam als vroeger waren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).3Men zegt, dat dit vers werd geopenbaard, met het oog opSafiya Bint Hoyal, eene der vrouwen van den profeet. Deze kwam namelijk tot haren echtgenoot, en klaagde, dat de vrouwen tot haar zeiden: O, gij Jodin! de dochter van een jood en van eene jodin, waarop hij haar antwoordde: Kunt gij dan niet antwoorden:Aäronis mijn vader,Mozesmijn oom enMahometmijn echtgenoot?4Dat is: gij zijt geen ware geloovigen, maar slechts uiterlijke belijders van den waren godsdienst.5Het onderscheid dat door de Mahomedanen tusschen het geloof en het Islamisme wordt gemaakt, is, dat het eerste het innerlijk geloof, en het andere, het uiterlijke teeken van dat geloof door godsdienstige daden is.6Dit beteekent: Beroemt gij u hem te bedriegen, door te zeggen, dat gij ware geloovigen zijt?7De verplichting ligt namelijk niet aan Gods zijde, maar aan de uwe, omdat hij u zoozeer heeft begunstigd dat hij u tot het ware geloof leidt, indien gij oprechte geloovigen zijt.Vijftigste Hoofdstuk.K.Geopenbaard teMekka.—45 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Kaf1Bij den glorierijken Koran;2.Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak.3.Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer.4.Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht.5.Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tothen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort26.Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn?7.Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen3, en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten.8.Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt.9.En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst.10.En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen.11.Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen.12.Het volk vanNoach, en zij die teAl Rass4woonden, enThamoedenAdenPharaobeschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners vanMekka.13.Alsmede de broedersvanLothen de bewoners van het woud nabijMidianen het volk vanTobba5; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd.14.Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden.15.Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader.16.Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit.17.Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven6.18.En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt teontgaan.19.En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd.20.En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn.21.En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden.22.En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden.23.En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel.24.En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof;25.Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan.26.Zijn makker7zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling8.27.God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt.28.Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig.29.Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden9?30.En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden.31.En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde;32.Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam.33.Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid.34.Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn.35.Hoevele geslachten hebben wij vóór de bewoners vanMekkaverdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is.36.Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is.37.Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons10.38.Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang.39.Prijs hem in een gedeeltevan den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering11.40.Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen12.41.De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen.42.Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren.43.De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen.44.Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen.45.Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.1Sommigen beweren, dat deze letter bestemd is om den bergKafuit te drukken, die, in de verbeelding van een aantal oostersche schrijvers, de geheele wereld omringt. (Zied’Herbel.Bibl. Oriënt. Art. Caf.), Anderen zeggen, dat deze letterKada al amrbeteekent, zijnde: de zaak is besloten; namelijk de kastijding der ongeloovigen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Zie overigensHoofdstuk II, vers I, noot.2Niet wetende wat zij met zekerheid van den Koran moeten erkennen; daar zij het dan eens een dichtstuk, dan weder een tooverstuk noemen en dan weder een goddelijk werk, enz.3ZieHoofdstuk XVI, vers 15enHoofdstuk XXXI, vers 9.4ZieHoofdstuk XXV, vers 40.5ZieHoofdstuk XLIV, vers 36.6De bedoeling dezer plaats is de verkondiging van Gods alwetendheid. Hij behoeft de onderrichtingen niet van de wachtengelen, doch hij heeft het in zijne wijsheid geschikt geoordeeld, hun dat ambt op te dragen; want indien zij zoo nauwlettend zijn, dat zij ieder woord nederschrijven, dat over de lippen van den mensch komt, hoe zouden wij dan kunnen hopen de aandacht van hem te ontgaan, die onze meest verborgen gedachten kent! De Mahomedanen bezitten eene overlevering, volgens welke de engel, die de goede daden des menschen opteekent, het bevel voert over dengeen, die de slechte daden nederschrijft, en dat, wanneer een mensch een goede daad verricht, de engel aan de rechterhand, die tien malen nederschrijft. Bedrijft hij eene slechte daad, dan zegt die engel tot dien van de linkerhand: Wacht nog zeven uren, eer gij haar nederschrijft; misschien bidt hij of vraagt hij vergiffenis (Al Beidâwi).7Zijnde de duivel, die aan hem is vastgeketend.8Dit zal het antwoord wezen van den duivel, die door den zondaar als zijn verleider zal worden aangeklaagd; want de duivel heeft geene macht over een mensch, om hem te noodzaken kwaad te doen, dan alleen door hem datgene in te geven, wat met zijne verdorvene neiging strookt (ZieHoofdstuk XIV, vers 26en volg.).9Zijnde: Zijn er nog meer tot deze plaats gedoemd, of wordt mijne ruimte vergroot, om hen te ontvangen?10Dit werd geopenbaard ter beantwoording der Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, en zich op zijn troon, nederzette, als iemand die vermoeid is (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Dit zijn de twee nederbuigingen na het avondgebed, die niet noodzakelijk of voorgeschreven, maar naar willekeur geschieden en overbodig zijn. Men kan die dus naar verkiezing verrichten of achterwege laten.12Dat is: van eene plaats, van waar ieder schepsel de oproeping gelijkelijk hoore. Deze plaats wordt geacht de berg van den tempel vanJeruzalemte zijn, die door sommigen wordt verondersteld, nader bij den hemel te liggen, dan eenig ander deel der aarde. Van daar zal de trompet vanIsrafilklinken, terwijlGabriëlhet volgende zal afkondigen: O, gij verrotte beenderen, verscheurd vleesch en verspreide haren! God heeft bevolen, dat gij zult verzameld worden om geoordeeld te worden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
Acht en Veertigste Hoofdstuk.De Overwinning.Geopenbaard teMedina—29 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Waarlijk, wij hebben u eene duidelijke overwinning geschonken1.2.Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde2moge vergeven3, en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en u richten op den rechten weg.3.En dat God u ondersteune met eene machtige hulp.4.Hij is het die in de harten der ware geloovigen volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn Godes, en God is alwetend en wijs).5.Dat hij de ware geloovigen van beiderlei kunne in tuinen leide,waardoor rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen.6.Hij zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen.7.Aan God behooren de heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs.8.Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede tijdingen en aankondiger van bedreigingen.9.Opdat gij, o menschen! in God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen, en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt.10.Waarlijk, zij die valsch zweren4onder u, zweren valsch bij God, en de hand van God rust op hunne handen5. Hij die zijn eed zal schenden, zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem eene heerlijke belooning schenken.11.De Arabieren van de woestijn, die achtergelaten6werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord: Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is wel bekend met hetgeen gij doet.12.Waarlijk, gij hebt u verbeeld, dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij zijt een verdorven volk.13.Zij die in God en zijn gezant gelooven, weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed gemaakt.14.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hijschenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig.15.Zij die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit te halen7, sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord te veranderen8. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand.16.Zeg tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met eene gestrenge kastijding straffen.17.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken; en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden.18.God was den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder den boom9, en hij kende datgene, wat in hunne harten was; daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloondehij hen met eene spoedige overwinning10.19.En den grooten buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs.20.God beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug11, opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om u op den rechten weg te leiden.21.Hij beloofde u ook anderen buit, dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien voor u ingesloten; en God is almachtig.22.Indien de ongeloovige bewoners vanMekkategen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner gevonden hebben.23.Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden.24.Hij was het die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de vallei vanMekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken12; en God zag hetgeen gij deedt.25.Zij die niet gelooven, verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het geofferd moest worden13. Ware het niet, dat gij verscheiden ware geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist, dan zou hij uwe handen van hen niethebben afgehouden; maar dit geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest, zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd hebben.26.Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede, de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht vast in hen14, en zij waren de waardigsten van hen, en zij die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen.27.Thans heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt15, zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den heiligen tempel vanMekkamet volkomen zekerheid binnentreden; met geschoren hoofden en gesneden haren16: gij zult niet vreezen; want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene spoedige overwinning toegezegd17.28.Hij is het, die zijnen gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden, om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor een toereikende getuige.29.Mahometis Gods gezant; en zij die met hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende, eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne herhaalde nederbuigingen18. Dit is hunne beschrijvingin den Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad, dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar; zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen, vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.1Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stadMekkawerd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bijMahometsterugkeer van de expeditie vanal Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes vanal Hodeibiyawas, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners vanMekkaden vrede wenschten, en daar een wapenstilstand metMahometsloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming vanMekkawerd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering vanKhaibarof de overwinning op de Grieken teMoeto, enz., wordt bedoeld.2Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.3Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.4Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.5Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo’ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.6Dit waren de stammen vanAslam,Joheinah,MozeinahenGhifar, die, nadat zij vermaand waren,Mahometen de expeditie vanal Hodeibiyate volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den Koreïshieten weerstand te bieden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).7Zijnde: In de expeditie vanKhaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, inDhoell’hajjavanal Hodeibiyaterug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin vanMoharramteMedina. Daarna trok hij tegen de Joden vanKhaibarop, doch alleen met hen, die hem naaral Hodeibiyahadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 87,etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beidâwi).8Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naaral Hodeibiyavolgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering vanMekkain dien tijd, door hen die vanKhaibardaarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoeldewoordde plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: “Gij zult niet met mij vertrekken,” enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadatKhaibarwas ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie vanTaboec(Al Beidâwi).9ToenMahometteal Hodeibiyaaankwam, zond hijJawwas Ebn Omeyya, den Khozaïet, om den bewoners vanMekkabekend te maken, dat hij met eene vredelievende bedoeling was gekomen, en wel om den tempel te bezoeken; maar zij, die volgens sommigen, wantrouwen koesterden, weigerden hem toe te laten. De profeet zond daaropOthman Ebn Affan, dien zij gevangen namen, terwijl het gerucht liep, dat zij hem gedood hadden, waaropMahometzijne manschappen om zich verzamelde. Zij zwoeren toen den eed van getrouwheid tot den dood gedurende welke plechtigheid hij onder een boom zat.10Namelijk de overwinning teKhaibar, of, zooals sommigen eerder aannemen, de inneming vanMekkaenz.11Zijnde de handen der bewoners vanKhaibar, of van hunne opvolgers, van de stammen vanAradenGhalfan, of van de bewoners vanMekka, door het sluiten van den vrede vanal Hodeibiya(Al Beidâwi).12Jallalo’ddinverhaalt, dat tachtig ongeloovigen, in het geheim, inMahometskamp tealHodeibiyakwamen, met het doel, sommigen zijner manschappen te verrassen. Zij werden echter gegrepen en voor den profeet gebracht die hun genade schonk en tevens beval, dat zij in vrijheid zouden gesteld worden. Deze edelmoedige daad was oorzaak van den wapenstilstand door de Koreïshieten metMahometgesloten; want daarop zonden zijSohail Ebn Amroeen nog eenige personen, om over den vrede te onderhandelen.Al Beidâwilegt deze plaats met een ander verhaal uit. Hij zegt namelijk, datAcrema Ebn Abi JahlvanMekka, aan het hoofd van vijfhonderd man, naaral Hodeibiyaoptrok, en datKhalid Ebn Al WaliddoorMahomettegen hem met eene legerafdeeling werd afgezonden, die de ongeloovigen tot het binnenste gedeelte vanMekkaterug dreef, en daarna, uit eerbied voor de stad, aftrok.13Mahometsbedoeling bij de expeditie vanal Hodeibiyawas namelijk alleen, om den tempel vanMekkaop vreedzame wijze te bezoeken, en een offer in het dal vanMinate brengen, overeenkomstig den aangenomen ritus. Hij voerde tot dat doel dieren met zich; maar de Koreïshieten veroorloofden hem noch den tempel binnen te gaan, noch zich naarMinate begeven.14Zijnde de Mahomedaansche geloofsbelijdenis of deBismillah, en de woorden:Mahomet, Gods gezant, welke door de ongeloovigen werden verworpen.15Of den droom dienMahometteMedinahad, alvorens hij naaral Hodeibiyatrok. Hij droomde toen, dat hij en zijne makkers de stadMekkaveilig binnen trokken, met geschoren hoofden en afgesneden haren. Deze droom, die door den profeet aan zijne volgelingen werd medegedeeld, veroorzaakte groote vreugde onder hen, en zij veronderstelden, dat het visioen nog in het zelfde jaar zou worden vervuld. Toen zij echter bemerkten, dat de wapenstilstand gesloten was, die hunne verwachting nopens dat tijdstip verijdelde, waren zij diep getroffen. Daarop werd, ter hunner vertroosting, deze plaats geopenbaard, die het visioen bevestigde, dat echter eerst een jaar later zou worden vervuld, toenMahomethet bezoek aflegde, onderscheiden door de bijvoeging vanal Kadaof voltooiing, omdat hij op dien tijd het bezoek van het vorige jaar voltooide, toen de Koreïshieten hem niet veroorloofdenMekkabinnen te gaan. Hij was toen genoodzaakt teal Hodeibiyazijne slachtoffers te dooden, en zich te scheren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. ZieAbu’lf.Vit. Moh.p. 84, 87).16Zijnde, dat sommigen geschoren waren, terwijl anderen alleen afgesneden haren hadden.17Zijnde de inneming vanKhaibar.18Hoewel de Mahomedanen zich bij hunne gebeden van tapijten of matten bedienen, is het echter de gewoonte, den harden en blooten grond met het voorhoofd aan te raken. Dikwijls dragen zij ronde of vierkante steentjes bij zich, waarop zij met hunne hoofden steunen, als zij zich ter aarde werpen.Negen en Veertigste Hoofdstuk.De Binnen-vertrekkenGeopenbaard te Medina—18 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet vooruit1, en vreest God; want God hoort en weet alles.2.O ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat gij het bemerkt.3.Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime belooning erlangen.4.Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien zij u verplicht zijn.5.Indien zij met geduld wachten, totdat gij onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar God is vergevensgezind en barmhartig.6.O ware geloovigen! Indien een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om hetgeen gij hebt gedaan2.7.Weet, dat Gods profeet onderu is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die den rechten weg bewandelen.8.Door barmhartigheid van God en genade en God is alwetend en wijs.9.Indien twee partijen der geloovigen met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij, die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen die rechtvaardig handelen.10.Inderdaad, de ware geloovigen zijn broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade moogt verwerven.11.O ware geloovigen! laat de menschen geene andere menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen, die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet, en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd, en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners3.12.O ware geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet tenieuwsgierigde feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid, kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig.13.O menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk wezengeschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld, opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend.14.De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd4;want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden5. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig.15.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die oprechtelijk spreken.16.Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst inlichten6? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op aarde bevindt; want God is alwetend.17.Zij verwijten u (als een weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten, dat hij u naar de waarheid heeft gericht7. Erkent dit, indien gij oprechtelijk spreekt.18.Waarlijk, God kent de geheimen van hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.1Dat is: waag het niet, uwe eigene beslissing in eenige zaak te nemen, alvorens gij het oordeel van God en zijn gezant ontvangen hebt.2Men zegt, dat deze plaats op de navolgende gebeurtenis berust:Al Walid Ebn Okbawerd doorMahometgezonden, om de aalmoezen bij den stam vanal Mostalekop te halen. Toen hij hen in grooten getale tot zich zag komen, vatte hij argwaan en vreesde voor boos opzet, wegens de vroegere vijandschap tusschen hem en hen, gedurende den tijd der onwetendheid. Hij keerde onmiddellijk terug, en verhaalde den profeet, dat zij weigerden hunne aalmoezen te geven en getracht hadden hem te dooden.Mahometwilde hen daarop met geweld tot hunnen plicht terugbrengen. Toen hij echterKhaled Ebn Al Walidtot hen zond, bevond deze, dat zijn voorganger hun onrecht had aangedaan, en dat zij even gehoorzaam als vroeger waren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).3Men zegt, dat dit vers werd geopenbaard, met het oog opSafiya Bint Hoyal, eene der vrouwen van den profeet. Deze kwam namelijk tot haren echtgenoot, en klaagde, dat de vrouwen tot haar zeiden: O, gij Jodin! de dochter van een jood en van eene jodin, waarop hij haar antwoordde: Kunt gij dan niet antwoorden:Aäronis mijn vader,Mozesmijn oom enMahometmijn echtgenoot?4Dat is: gij zijt geen ware geloovigen, maar slechts uiterlijke belijders van den waren godsdienst.5Het onderscheid dat door de Mahomedanen tusschen het geloof en het Islamisme wordt gemaakt, is, dat het eerste het innerlijk geloof, en het andere, het uiterlijke teeken van dat geloof door godsdienstige daden is.6Dit beteekent: Beroemt gij u hem te bedriegen, door te zeggen, dat gij ware geloovigen zijt?7De verplichting ligt namelijk niet aan Gods zijde, maar aan de uwe, omdat hij u zoozeer heeft begunstigd dat hij u tot het ware geloof leidt, indien gij oprechte geloovigen zijt.Vijftigste Hoofdstuk.K.Geopenbaard teMekka.—45 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Kaf1Bij den glorierijken Koran;2.Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak.3.Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer.4.Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht.5.Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tothen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort26.Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn?7.Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen3, en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten.8.Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt.9.En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst.10.En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen.11.Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen.12.Het volk vanNoach, en zij die teAl Rass4woonden, enThamoedenAdenPharaobeschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners vanMekka.13.Alsmede de broedersvanLothen de bewoners van het woud nabijMidianen het volk vanTobba5; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd.14.Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden.15.Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader.16.Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit.17.Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven6.18.En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt teontgaan.19.En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd.20.En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn.21.En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden.22.En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden.23.En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel.24.En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof;25.Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan.26.Zijn makker7zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling8.27.God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt.28.Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig.29.Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden9?30.En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden.31.En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde;32.Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam.33.Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid.34.Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn.35.Hoevele geslachten hebben wij vóór de bewoners vanMekkaverdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is.36.Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is.37.Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons10.38.Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang.39.Prijs hem in een gedeeltevan den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering11.40.Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen12.41.De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen.42.Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren.43.De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen.44.Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen.45.Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.1Sommigen beweren, dat deze letter bestemd is om den bergKafuit te drukken, die, in de verbeelding van een aantal oostersche schrijvers, de geheele wereld omringt. (Zied’Herbel.Bibl. Oriënt. Art. Caf.), Anderen zeggen, dat deze letterKada al amrbeteekent, zijnde: de zaak is besloten; namelijk de kastijding der ongeloovigen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Zie overigensHoofdstuk II, vers I, noot.2Niet wetende wat zij met zekerheid van den Koran moeten erkennen; daar zij het dan eens een dichtstuk, dan weder een tooverstuk noemen en dan weder een goddelijk werk, enz.3ZieHoofdstuk XVI, vers 15enHoofdstuk XXXI, vers 9.4ZieHoofdstuk XXV, vers 40.5ZieHoofdstuk XLIV, vers 36.6De bedoeling dezer plaats is de verkondiging van Gods alwetendheid. Hij behoeft de onderrichtingen niet van de wachtengelen, doch hij heeft het in zijne wijsheid geschikt geoordeeld, hun dat ambt op te dragen; want indien zij zoo nauwlettend zijn, dat zij ieder woord nederschrijven, dat over de lippen van den mensch komt, hoe zouden wij dan kunnen hopen de aandacht van hem te ontgaan, die onze meest verborgen gedachten kent! De Mahomedanen bezitten eene overlevering, volgens welke de engel, die de goede daden des menschen opteekent, het bevel voert over dengeen, die de slechte daden nederschrijft, en dat, wanneer een mensch een goede daad verricht, de engel aan de rechterhand, die tien malen nederschrijft. Bedrijft hij eene slechte daad, dan zegt die engel tot dien van de linkerhand: Wacht nog zeven uren, eer gij haar nederschrijft; misschien bidt hij of vraagt hij vergiffenis (Al Beidâwi).7Zijnde de duivel, die aan hem is vastgeketend.8Dit zal het antwoord wezen van den duivel, die door den zondaar als zijn verleider zal worden aangeklaagd; want de duivel heeft geene macht over een mensch, om hem te noodzaken kwaad te doen, dan alleen door hem datgene in te geven, wat met zijne verdorvene neiging strookt (ZieHoofdstuk XIV, vers 26en volg.).9Zijnde: Zijn er nog meer tot deze plaats gedoemd, of wordt mijne ruimte vergroot, om hen te ontvangen?10Dit werd geopenbaard ter beantwoording der Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, en zich op zijn troon, nederzette, als iemand die vermoeid is (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Dit zijn de twee nederbuigingen na het avondgebed, die niet noodzakelijk of voorgeschreven, maar naar willekeur geschieden en overbodig zijn. Men kan die dus naar verkiezing verrichten of achterwege laten.12Dat is: van eene plaats, van waar ieder schepsel de oproeping gelijkelijk hoore. Deze plaats wordt geacht de berg van den tempel vanJeruzalemte zijn, die door sommigen wordt verondersteld, nader bij den hemel te liggen, dan eenig ander deel der aarde. Van daar zal de trompet vanIsrafilklinken, terwijlGabriëlhet volgende zal afkondigen: O, gij verrotte beenderen, verscheurd vleesch en verspreide haren! God heeft bevolen, dat gij zult verzameld worden om geoordeeld te worden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
Acht en Veertigste Hoofdstuk.De Overwinning.Geopenbaard teMedina—29 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Waarlijk, wij hebben u eene duidelijke overwinning geschonken1.2.Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde2moge vergeven3, en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en u richten op den rechten weg.3.En dat God u ondersteune met eene machtige hulp.4.Hij is het die in de harten der ware geloovigen volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn Godes, en God is alwetend en wijs).5.Dat hij de ware geloovigen van beiderlei kunne in tuinen leide,waardoor rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen.6.Hij zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen.7.Aan God behooren de heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs.8.Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede tijdingen en aankondiger van bedreigingen.9.Opdat gij, o menschen! in God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen, en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt.10.Waarlijk, zij die valsch zweren4onder u, zweren valsch bij God, en de hand van God rust op hunne handen5. Hij die zijn eed zal schenden, zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem eene heerlijke belooning schenken.11.De Arabieren van de woestijn, die achtergelaten6werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord: Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is wel bekend met hetgeen gij doet.12.Waarlijk, gij hebt u verbeeld, dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij zijt een verdorven volk.13.Zij die in God en zijn gezant gelooven, weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed gemaakt.14.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hijschenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig.15.Zij die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit te halen7, sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord te veranderen8. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand.16.Zeg tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met eene gestrenge kastijding straffen.17.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken; en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden.18.God was den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder den boom9, en hij kende datgene, wat in hunne harten was; daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloondehij hen met eene spoedige overwinning10.19.En den grooten buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs.20.God beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug11, opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om u op den rechten weg te leiden.21.Hij beloofde u ook anderen buit, dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien voor u ingesloten; en God is almachtig.22.Indien de ongeloovige bewoners vanMekkategen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner gevonden hebben.23.Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden.24.Hij was het die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de vallei vanMekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken12; en God zag hetgeen gij deedt.25.Zij die niet gelooven, verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het geofferd moest worden13. Ware het niet, dat gij verscheiden ware geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist, dan zou hij uwe handen van hen niethebben afgehouden; maar dit geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest, zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd hebben.26.Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede, de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht vast in hen14, en zij waren de waardigsten van hen, en zij die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen.27.Thans heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt15, zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den heiligen tempel vanMekkamet volkomen zekerheid binnentreden; met geschoren hoofden en gesneden haren16: gij zult niet vreezen; want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene spoedige overwinning toegezegd17.28.Hij is het, die zijnen gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden, om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor een toereikende getuige.29.Mahometis Gods gezant; en zij die met hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende, eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne herhaalde nederbuigingen18. Dit is hunne beschrijvingin den Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad, dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar; zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen, vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.1Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stadMekkawerd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bijMahometsterugkeer van de expeditie vanal Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes vanal Hodeibiyawas, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners vanMekkaden vrede wenschten, en daar een wapenstilstand metMahometsloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming vanMekkawerd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering vanKhaibarof de overwinning op de Grieken teMoeto, enz., wordt bedoeld.2Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.3Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.4Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.5Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo’ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.6Dit waren de stammen vanAslam,Joheinah,MozeinahenGhifar, die, nadat zij vermaand waren,Mahometen de expeditie vanal Hodeibiyate volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den Koreïshieten weerstand te bieden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).7Zijnde: In de expeditie vanKhaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, inDhoell’hajjavanal Hodeibiyaterug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin vanMoharramteMedina. Daarna trok hij tegen de Joden vanKhaibarop, doch alleen met hen, die hem naaral Hodeibiyahadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 87,etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beidâwi).8Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naaral Hodeibiyavolgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering vanMekkain dien tijd, door hen die vanKhaibardaarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoeldewoordde plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: “Gij zult niet met mij vertrekken,” enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadatKhaibarwas ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie vanTaboec(Al Beidâwi).9ToenMahometteal Hodeibiyaaankwam, zond hijJawwas Ebn Omeyya, den Khozaïet, om den bewoners vanMekkabekend te maken, dat hij met eene vredelievende bedoeling was gekomen, en wel om den tempel te bezoeken; maar zij, die volgens sommigen, wantrouwen koesterden, weigerden hem toe te laten. De profeet zond daaropOthman Ebn Affan, dien zij gevangen namen, terwijl het gerucht liep, dat zij hem gedood hadden, waaropMahometzijne manschappen om zich verzamelde. Zij zwoeren toen den eed van getrouwheid tot den dood gedurende welke plechtigheid hij onder een boom zat.10Namelijk de overwinning teKhaibar, of, zooals sommigen eerder aannemen, de inneming vanMekkaenz.11Zijnde de handen der bewoners vanKhaibar, of van hunne opvolgers, van de stammen vanAradenGhalfan, of van de bewoners vanMekka, door het sluiten van den vrede vanal Hodeibiya(Al Beidâwi).12Jallalo’ddinverhaalt, dat tachtig ongeloovigen, in het geheim, inMahometskamp tealHodeibiyakwamen, met het doel, sommigen zijner manschappen te verrassen. Zij werden echter gegrepen en voor den profeet gebracht die hun genade schonk en tevens beval, dat zij in vrijheid zouden gesteld worden. Deze edelmoedige daad was oorzaak van den wapenstilstand door de Koreïshieten metMahometgesloten; want daarop zonden zijSohail Ebn Amroeen nog eenige personen, om over den vrede te onderhandelen.Al Beidâwilegt deze plaats met een ander verhaal uit. Hij zegt namelijk, datAcrema Ebn Abi JahlvanMekka, aan het hoofd van vijfhonderd man, naaral Hodeibiyaoptrok, en datKhalid Ebn Al WaliddoorMahomettegen hem met eene legerafdeeling werd afgezonden, die de ongeloovigen tot het binnenste gedeelte vanMekkaterug dreef, en daarna, uit eerbied voor de stad, aftrok.13Mahometsbedoeling bij de expeditie vanal Hodeibiyawas namelijk alleen, om den tempel vanMekkaop vreedzame wijze te bezoeken, en een offer in het dal vanMinate brengen, overeenkomstig den aangenomen ritus. Hij voerde tot dat doel dieren met zich; maar de Koreïshieten veroorloofden hem noch den tempel binnen te gaan, noch zich naarMinate begeven.14Zijnde de Mahomedaansche geloofsbelijdenis of deBismillah, en de woorden:Mahomet, Gods gezant, welke door de ongeloovigen werden verworpen.15Of den droom dienMahometteMedinahad, alvorens hij naaral Hodeibiyatrok. Hij droomde toen, dat hij en zijne makkers de stadMekkaveilig binnen trokken, met geschoren hoofden en afgesneden haren. Deze droom, die door den profeet aan zijne volgelingen werd medegedeeld, veroorzaakte groote vreugde onder hen, en zij veronderstelden, dat het visioen nog in het zelfde jaar zou worden vervuld. Toen zij echter bemerkten, dat de wapenstilstand gesloten was, die hunne verwachting nopens dat tijdstip verijdelde, waren zij diep getroffen. Daarop werd, ter hunner vertroosting, deze plaats geopenbaard, die het visioen bevestigde, dat echter eerst een jaar later zou worden vervuld, toenMahomethet bezoek aflegde, onderscheiden door de bijvoeging vanal Kadaof voltooiing, omdat hij op dien tijd het bezoek van het vorige jaar voltooide, toen de Koreïshieten hem niet veroorloofdenMekkabinnen te gaan. Hij was toen genoodzaakt teal Hodeibiyazijne slachtoffers te dooden, en zich te scheren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. ZieAbu’lf.Vit. Moh.p. 84, 87).16Zijnde, dat sommigen geschoren waren, terwijl anderen alleen afgesneden haren hadden.17Zijnde de inneming vanKhaibar.18Hoewel de Mahomedanen zich bij hunne gebeden van tapijten of matten bedienen, is het echter de gewoonte, den harden en blooten grond met het voorhoofd aan te raken. Dikwijls dragen zij ronde of vierkante steentjes bij zich, waarop zij met hunne hoofden steunen, als zij zich ter aarde werpen.
Acht en Veertigste Hoofdstuk.De Overwinning.Geopenbaard teMedina—29 verzen.
Geopenbaard teMedina—29 verzen.
Geopenbaard teMedina—29 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Waarlijk, wij hebben u eene duidelijke overwinning geschonken1.2.Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde2moge vergeven3, en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en u richten op den rechten weg.3.En dat God u ondersteune met eene machtige hulp.4.Hij is het die in de harten der ware geloovigen volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn Godes, en God is alwetend en wijs).5.Dat hij de ware geloovigen van beiderlei kunne in tuinen leide,waardoor rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen.6.Hij zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen.7.Aan God behooren de heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs.8.Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede tijdingen en aankondiger van bedreigingen.9.Opdat gij, o menschen! in God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen, en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt.10.Waarlijk, zij die valsch zweren4onder u, zweren valsch bij God, en de hand van God rust op hunne handen5. Hij die zijn eed zal schenden, zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem eene heerlijke belooning schenken.11.De Arabieren van de woestijn, die achtergelaten6werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord: Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is wel bekend met hetgeen gij doet.12.Waarlijk, gij hebt u verbeeld, dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij zijt een verdorven volk.13.Zij die in God en zijn gezant gelooven, weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed gemaakt.14.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hijschenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig.15.Zij die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit te halen7, sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord te veranderen8. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand.16.Zeg tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met eene gestrenge kastijding straffen.17.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken; en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden.18.God was den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder den boom9, en hij kende datgene, wat in hunne harten was; daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloondehij hen met eene spoedige overwinning10.19.En den grooten buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs.20.God beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug11, opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om u op den rechten weg te leiden.21.Hij beloofde u ook anderen buit, dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien voor u ingesloten; en God is almachtig.22.Indien de ongeloovige bewoners vanMekkategen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner gevonden hebben.23.Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden.24.Hij was het die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de vallei vanMekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken12; en God zag hetgeen gij deedt.25.Zij die niet gelooven, verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het geofferd moest worden13. Ware het niet, dat gij verscheiden ware geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist, dan zou hij uwe handen van hen niethebben afgehouden; maar dit geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest, zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd hebben.26.Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede, de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht vast in hen14, en zij waren de waardigsten van hen, en zij die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen.27.Thans heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt15, zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den heiligen tempel vanMekkamet volkomen zekerheid binnentreden; met geschoren hoofden en gesneden haren16: gij zult niet vreezen; want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene spoedige overwinning toegezegd17.28.Hij is het, die zijnen gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden, om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor een toereikende getuige.29.Mahometis Gods gezant; en zij die met hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende, eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne herhaalde nederbuigingen18. Dit is hunne beschrijvingin den Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad, dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar; zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen, vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.Waarlijk, wij hebben u eene duidelijke overwinning geschonken1.2.Dat God u uwe voorgaande en uwe toekomstige zonde2moge vergeven3, en zijne gunst omtrent u moge volmaken, en u richten op den rechten weg.3.En dat God u ondersteune met eene machtige hulp.4.Hij is het die in de harten der ware geloovigen volkomen gerustheid nederzendt, opdat zij in geloof mogen toenemen boven hun vroeger geloof (de heerscharen van hemel en aarde zijn Godes, en God is alwetend en wijs).5.Dat hij de ware geloovigen van beiderlei kunne in tuinen leide,waardoor rivieren stroomen, om daarin voor eeuwig te wonen, en dat hij hen reinige van hunne slechte daden. Dit zal eene groote gelukzaligheid van God wezen.6.Hij zal de huichelachtige mannen en de huichelachtige vrouwen straffen, en de afgodendienaars en de afgodendienaressen, die eene slechte meening van God hebben. Zij zullen den tegenspoed ondervinden, en God zal toornig omtrent hen zijn en hen vloeken; hij heeft de hel voor hen gereed gemaakt, dat zal een ellendig verblijf wezen.7.Aan God behooren de heerscharen van hemel en aarde; en God is machtig en wijs.8.Waarlijk, wij hebben u gezonden, om een getuige te wezen, een brenger van goede tijdingen en aankondiger van bedreigingen.9.Opdat gij, o menschen! in God en zijnen gezant zoudt gelooven, hem bijstaan en eerbiedigen, en hem des ochtends en des avonds prijzen zoudt.10.Waarlijk, zij die valsch zweren4onder u, zweren valsch bij God, en de hand van God rust op hunne handen5. Hij die zijn eed zal schenden, zal die slechts ten nadeele zijner eigene ziel schenden; maar hij die doet, waartoe hij zich tegenover God heeft verbonden. God zal hem eene heerlijke belooning schenken.11.De Arabieren van de woestijn, die achtergelaten6werden, zullen tot u zeggen: Ons vermogen en onze gezinnen eischen onze tegenwoordigheid, zoodat wij niet met u ten krijg trekken; vraag dus vergiffenis voor ons. Zij spreken datgene met hunne tongen, wat niet in hunne harten is. Antwoord: Wie zal in staat zijn, eenig tegenovergesteld ding voor u van God te verkrijgen, indien het hem behaagt, u te bedroeven, of zoo het hem behaagt, barmhartig omtrent u te zijn? Ja, waarlijk, God is wel bekend met hetgeen gij doet.12.Waarlijk, gij hebt u verbeeld, dat de gezant en de ware geloovigen nimmer tot hunne gezinnen zouden terugkeeren, en dit was voor uwe harten behagelijk gemaakt; maar gij zijt een verdorven volk.13.Zij die in God en zijn gezant gelooven, weten, dat wij een brandend vuur voor de ongeloovigen hebben gereed gemaakt.14.Aan God behoort het koninkrijk van hemel en aarde; hijschenkt dengene vergiffenis die hem behaagt, en hij straft naar zijn welbehagen; en God is geneigd tot vergeven en barmhartig.15.Zij die achtergelaten werden, zullen zeggen, als gij weggaat om den buit te halen7, sta ons toe u te volgen. Zij trachten Gods woord te veranderen8. Zeg: Gij zult ons niet volgen: zoo heeft God vroeger gezegd. Zij zullen hernemen: Neen, gij benijdt ons een deel van den buit. Doch zij zijn lieden van beperkt verstand.16.Zeg tot de Arabieren van de woestijn, die achtergelaten werden: Gij zult tegen een machtig en oorlogszuchtig volk worden opgeroepen; en gij zult tegen hen kampen, tot zij den Islam zullen belijden. Indien gij gehoorzaamt, zal God u eene glansrijke belooning geven; maar indien gij u afwendt, zooals gij u vroeger hebt afgewend, zal hij u met eene gestrenge kastijding straffen.17.Het zal geene misdaad voor den blinde, noch zal het eene misdaad voor den lamme, noch zal het eene misdaad voor den zieke zijn, indien zij niet ten oorlog trekken; en wie God en zijn gezant zal gehoorzamen, zal door hem in tuinen geleid worden, waardoor rivieren stroomen; maar wie zich afwendt, zal door hem met eene gestrenge kastijding gestraft worden.18.God was den waren geloovigen genegen, toen zij u getrouwheid zwoeren onder den boom9, en hij kende datgene, wat in hunne harten was; daarom zond hij gerustheid des gemoeds op hen neder, en beloondehij hen met eene spoedige overwinning10.19.En den grooten buit dien zij bemeesterden; want God is machtig en wijs.20.God beloofde u, dat gij een grooten buit zoudt verkrijgen, en hij gaf u dezen werkelijk en hij hield de handen der menschen van u terug11, opdat het een teeken voor de ware geloovigen zou zijn, en om u op den rechten weg te leiden.21.Hij beloofde u ook anderen buit, dien gij nog niet in staat waart te verkrijgen; maar nu heeft God dien voor u ingesloten; en God is almachtig.22.Indien de ongeloovige bewoners vanMekkategen u hadden gevochten, waarlijk, zij zouden u hunne ruggen toegewend, en zouden geen beschermer of ondersteuner gevonden hebben.23.Overeenkomstig het bevel van God, dat vroeger op de tegenstanders der profeten werd ten uitvoer gebracht; want gij zult geenerlei verandering in Gods gebod vinden.24.Hij was het die hunne handen van u afhield, en hen voor de uwe beschermde, in de vallei vanMekka, nadat hij u de overwinning over hen had geschonken12; en God zag hetgeen gij deedt.25.Zij die niet gelooven, verhinderen u den heiligen tempel te bezoeken, en houden u zoodoende van het offeren terug, opdat het niet op de plaats aankome waar het geofferd moest worden13. Ware het niet, dat gij verscheiden ware geloovigen van beiderlei kunne met voeten hadt getreden, daar zij met de ongeloovigen ondereen verzameld waren, en dat daarom eene misdaad ten hunnen opzichte op u zou hebben gerust, zonder dat gij het wist, dan zou hij uwe handen van hen niethebben afgehouden; maar dit geschiedde, opdat God dengeen die hem behaagde, in zijne genade zou kunnen leiden. Indien zij van elkander afgescheiden waren geweest, zonden wij diegenen hunner, welke niet geloofden, streng gekastijd hebben.26.Terwijl de ongeloovigen in hunne harten een blinde woede, de woede der onwetenden koesterden, zond God vrede op den profeet en de geloovigen neder, en bevestigde het woord der godsvrucht vast in hen14, en zij waren de waardigsten van hen, en zij die dit het meest verdienden; want God kent alle dingen.27.Thans heeft God het visioen van zijnen gezant in waarheid verwezenlijkt15, zeggende: Gij zult zekerlijk, indien het Gode behaagt, den heiligen tempel vanMekkamet volkomen zekerheid binnentreden; met geschoren hoofden en gesneden haren16: gij zult niet vreezen; want God kent wat gij niet weet, en hij heeft u, buitendien, eene spoedige overwinning toegezegd17.28.Hij is het, die zijnen gezant met de leiding en den godsdienst der waarheid heeft gezonden, om die boven elken anderen godsdienst te verheffen; en God is daarvoor een toereikende getuige.29.Mahometis Gods gezant; en zij die met hem zijn, zijn vreeselijk omtrent de ongeloovigen, maar barmhartig omtrent elkander. Gij zult hen zien, nederbuigende en knielende, eene belooning van God en zijne gunst trachten te verkrijgen. Hunne teekenen zijn in hunne aangezichten en zijn kenmerken van hunne herhaalde nederbuigingen18. Dit is hunne beschrijvingin den Pentateuchus en hunne beschrijving in het Evangelie; zij zijn als zaad, dat zijne stengels voortbrengt, en krachtig; wordt en zwelt in de aar; zich op den steel verheft en den zaaier verrukt. Zoo worden de Moslems beschreven; opdat de ongeloovigen met afgunst omtrent hen mogen vervuld zijn. God heeft diegenen hunner welke gelooven, en goede werken doen, vergiffenis en eene ruime belooning toegezegd.
1Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stadMekkawerd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bijMahometsterugkeer van de expeditie vanal Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes vanal Hodeibiyawas, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners vanMekkaden vrede wenschten, en daar een wapenstilstand metMahometsloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming vanMekkawerd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering vanKhaibarof de overwinning op de Grieken teMoeto, enz., wordt bedoeld.2Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.3Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.4Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.5Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo’ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.6Dit waren de stammen vanAslam,Joheinah,MozeinahenGhifar, die, nadat zij vermaand waren,Mahometen de expeditie vanal Hodeibiyate volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den Koreïshieten weerstand te bieden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).7Zijnde: In de expeditie vanKhaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, inDhoell’hajjavanal Hodeibiyaterug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin vanMoharramteMedina. Daarna trok hij tegen de Joden vanKhaibarop, doch alleen met hen, die hem naaral Hodeibiyahadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 87,etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beidâwi).8Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naaral Hodeibiyavolgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering vanMekkain dien tijd, door hen die vanKhaibardaarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoeldewoordde plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: “Gij zult niet met mij vertrekken,” enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadatKhaibarwas ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie vanTaboec(Al Beidâwi).9ToenMahometteal Hodeibiyaaankwam, zond hijJawwas Ebn Omeyya, den Khozaïet, om den bewoners vanMekkabekend te maken, dat hij met eene vredelievende bedoeling was gekomen, en wel om den tempel te bezoeken; maar zij, die volgens sommigen, wantrouwen koesterden, weigerden hem toe te laten. De profeet zond daaropOthman Ebn Affan, dien zij gevangen namen, terwijl het gerucht liep, dat zij hem gedood hadden, waaropMahometzijne manschappen om zich verzamelde. Zij zwoeren toen den eed van getrouwheid tot den dood gedurende welke plechtigheid hij onder een boom zat.10Namelijk de overwinning teKhaibar, of, zooals sommigen eerder aannemen, de inneming vanMekkaenz.11Zijnde de handen der bewoners vanKhaibar, of van hunne opvolgers, van de stammen vanAradenGhalfan, of van de bewoners vanMekka, door het sluiten van den vrede vanal Hodeibiya(Al Beidâwi).12Jallalo’ddinverhaalt, dat tachtig ongeloovigen, in het geheim, inMahometskamp tealHodeibiyakwamen, met het doel, sommigen zijner manschappen te verrassen. Zij werden echter gegrepen en voor den profeet gebracht die hun genade schonk en tevens beval, dat zij in vrijheid zouden gesteld worden. Deze edelmoedige daad was oorzaak van den wapenstilstand door de Koreïshieten metMahometgesloten; want daarop zonden zijSohail Ebn Amroeen nog eenige personen, om over den vrede te onderhandelen.Al Beidâwilegt deze plaats met een ander verhaal uit. Hij zegt namelijk, datAcrema Ebn Abi JahlvanMekka, aan het hoofd van vijfhonderd man, naaral Hodeibiyaoptrok, en datKhalid Ebn Al WaliddoorMahomettegen hem met eene legerafdeeling werd afgezonden, die de ongeloovigen tot het binnenste gedeelte vanMekkaterug dreef, en daarna, uit eerbied voor de stad, aftrok.13Mahometsbedoeling bij de expeditie vanal Hodeibiyawas namelijk alleen, om den tempel vanMekkaop vreedzame wijze te bezoeken, en een offer in het dal vanMinate brengen, overeenkomstig den aangenomen ritus. Hij voerde tot dat doel dieren met zich; maar de Koreïshieten veroorloofden hem noch den tempel binnen te gaan, noch zich naarMinate begeven.14Zijnde de Mahomedaansche geloofsbelijdenis of deBismillah, en de woorden:Mahomet, Gods gezant, welke door de ongeloovigen werden verworpen.15Of den droom dienMahometteMedinahad, alvorens hij naaral Hodeibiyatrok. Hij droomde toen, dat hij en zijne makkers de stadMekkaveilig binnen trokken, met geschoren hoofden en afgesneden haren. Deze droom, die door den profeet aan zijne volgelingen werd medegedeeld, veroorzaakte groote vreugde onder hen, en zij veronderstelden, dat het visioen nog in het zelfde jaar zou worden vervuld. Toen zij echter bemerkten, dat de wapenstilstand gesloten was, die hunne verwachting nopens dat tijdstip verijdelde, waren zij diep getroffen. Daarop werd, ter hunner vertroosting, deze plaats geopenbaard, die het visioen bevestigde, dat echter eerst een jaar later zou worden vervuld, toenMahomethet bezoek aflegde, onderscheiden door de bijvoeging vanal Kadaof voltooiing, omdat hij op dien tijd het bezoek van het vorige jaar voltooide, toen de Koreïshieten hem niet veroorloofdenMekkabinnen te gaan. Hij was toen genoodzaakt teal Hodeibiyazijne slachtoffers te dooden, en zich te scheren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. ZieAbu’lf.Vit. Moh.p. 84, 87).16Zijnde, dat sommigen geschoren waren, terwijl anderen alleen afgesneden haren hadden.17Zijnde de inneming vanKhaibar.18Hoewel de Mahomedanen zich bij hunne gebeden van tapijten of matten bedienen, is het echter de gewoonte, den harden en blooten grond met het voorhoofd aan te raken. Dikwijls dragen zij ronde of vierkante steentjes bij zich, waarop zij met hunne hoofden steunen, als zij zich ter aarde werpen.
1Deze overwinning, waaraan dit hoofdstuk zijnen naam ontleent, was, overeenkomstig de meest algemeene uitlegging, die, waarbij de stadMekkawerd ingenomen. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, bijMahometsterugkeer van de expeditie vanal Hodeibiya. Zij bevat eene belofte of eene voorzegging van deze bijzonder glansrijke overwinning, die nog geene twee jaren later plaats had. Overeenkomstig den profetischen stijl, is hier de verledene voor den toekomenden tijd gebruikt (Al Zamakhshari, Al Beidâwi, enz.). Desniettegenstaande zijn er sommigen, die veronderstellen, dat het hier bedoelde voordeel, de stichting des vredes vanal Hodeibiyawas, welke hier eene overwinning wordt genoemd, dewijl de bewoners vanMekkaden vrede wenschten, en daar een wapenstilstand metMahometsloten; zij verbraken dien echter, waardoor de inneming vanMekkawerd veroorzaakt. Anderen gelooven, dat hier de verovering vanKhaibarof de overwinning op de Grieken teMoeto, enz., wordt bedoeld.
2Zijnde: Alles wat gij gedaan hebt, en hetgeen verschooning verdient: of uwe zonden, zoowel diegene, welke gij in den tijd uwer onwetendheid, als later hebt bedreven.
3Dit wil zeggen: God moge eene gelegenheid schenken, om de vergiffenis te verdienen, door den afgodendienst uit te roeien, zijnen waren godsdienst te verheffen en de zwakken uit de handen der goddeloozen te verlossen, enz.
4Het oorspronkelijke woord beteekent, het openlijk erkennen of inhuldigen van een vorst, door hem onderwerping en getrouwheid te zweren.
5Dat is: hij ziet van boven neder, en is getuige van de plechtigheid, waarin gij blijken geeft van uw geloof aan zijn gezant; en hij zal u daarvoor beloonen (Jallalo’ddin). Deze uitdrukking doelt op de wijze, waarop bij die gelegenheden de gelofte wordt afgelegd.
6Dit waren de stammen vanAslam,Joheinah,MozeinahenGhifar, die, nadat zij vermaand waren,Mahometen de expeditie vanal Hodeibiyate volgen, nochtans achterbleven. Zij verontschuldigden zich, door te zeggen, dat zij door hunne afwezigheid te veel te lijden zouden hebben, en van het weinige dat zij bezaten, beroofd zouden worden; want deze stammen behoorden tot de minvermogende Arabieren terwijl zij werkelijk standvastigheid in hun geloof betoonden en moed om den Koreïshieten weerstand te bieden (Jallalo’ddin, Al Beidâwi).
7Zijnde: In de expeditie vanKhaibar. De profeet keerde in het zesde jaar der hedjira, inDhoell’hajjavanal Hodeibiyaterug, en bleef gedurende het overige gedeelte dier maand en het begin vanMoharramteMedina. Daarna trok hij tegen de Joden vanKhaibarop, doch alleen met hen, die hem naaral Hodeibiyahadden gevolgd. Nadat hij zich van de plaats met al de kasteelen en sterkten op dat grondgebied gelegen, had meester gemaakt (ZieAbulf.Vit. Moh.p. 87,etc.), vergaderde hij een grooten buit, dien hij verdeelde tusschen hen, welke bij den slag tegenwoordig waren, zonder iemand anders daarvan te doen genieten (Al Beidâwi).
8Hetgeen zijne belofte was aan hen, die den profeet naaral Hodeibiyavolgden; namelijk, dat hij hun schadeloosstelling zou geven, voor het missen der plundering vanMekkain dien tijd, door hen die vanKhaibardaarvoor in de plaats te geven. Sommigen denken, dat het hier bedoeldewoordde plaats in het negende hoofdstuk is, luidende: “Gij zult niet met mij vertrekken,” enz. welke echter werd geopenbaard, lang nadatKhaibarwas ingenomen, en wel bij gelegenheid van de expeditie vanTaboec(Al Beidâwi).
9ToenMahometteal Hodeibiyaaankwam, zond hijJawwas Ebn Omeyya, den Khozaïet, om den bewoners vanMekkabekend te maken, dat hij met eene vredelievende bedoeling was gekomen, en wel om den tempel te bezoeken; maar zij, die volgens sommigen, wantrouwen koesterden, weigerden hem toe te laten. De profeet zond daaropOthman Ebn Affan, dien zij gevangen namen, terwijl het gerucht liep, dat zij hem gedood hadden, waaropMahometzijne manschappen om zich verzamelde. Zij zwoeren toen den eed van getrouwheid tot den dood gedurende welke plechtigheid hij onder een boom zat.
10Namelijk de overwinning teKhaibar, of, zooals sommigen eerder aannemen, de inneming vanMekkaenz.
11Zijnde de handen der bewoners vanKhaibar, of van hunne opvolgers, van de stammen vanAradenGhalfan, of van de bewoners vanMekka, door het sluiten van den vrede vanal Hodeibiya(Al Beidâwi).
12Jallalo’ddinverhaalt, dat tachtig ongeloovigen, in het geheim, inMahometskamp tealHodeibiyakwamen, met het doel, sommigen zijner manschappen te verrassen. Zij werden echter gegrepen en voor den profeet gebracht die hun genade schonk en tevens beval, dat zij in vrijheid zouden gesteld worden. Deze edelmoedige daad was oorzaak van den wapenstilstand door de Koreïshieten metMahometgesloten; want daarop zonden zijSohail Ebn Amroeen nog eenige personen, om over den vrede te onderhandelen.Al Beidâwilegt deze plaats met een ander verhaal uit. Hij zegt namelijk, datAcrema Ebn Abi JahlvanMekka, aan het hoofd van vijfhonderd man, naaral Hodeibiyaoptrok, en datKhalid Ebn Al WaliddoorMahomettegen hem met eene legerafdeeling werd afgezonden, die de ongeloovigen tot het binnenste gedeelte vanMekkaterug dreef, en daarna, uit eerbied voor de stad, aftrok.
13Mahometsbedoeling bij de expeditie vanal Hodeibiyawas namelijk alleen, om den tempel vanMekkaop vreedzame wijze te bezoeken, en een offer in het dal vanMinate brengen, overeenkomstig den aangenomen ritus. Hij voerde tot dat doel dieren met zich; maar de Koreïshieten veroorloofden hem noch den tempel binnen te gaan, noch zich naarMinate begeven.
14Zijnde de Mahomedaansche geloofsbelijdenis of deBismillah, en de woorden:Mahomet, Gods gezant, welke door de ongeloovigen werden verworpen.
15Of den droom dienMahometteMedinahad, alvorens hij naaral Hodeibiyatrok. Hij droomde toen, dat hij en zijne makkers de stadMekkaveilig binnen trokken, met geschoren hoofden en afgesneden haren. Deze droom, die door den profeet aan zijne volgelingen werd medegedeeld, veroorzaakte groote vreugde onder hen, en zij veronderstelden, dat het visioen nog in het zelfde jaar zou worden vervuld. Toen zij echter bemerkten, dat de wapenstilstand gesloten was, die hunne verwachting nopens dat tijdstip verijdelde, waren zij diep getroffen. Daarop werd, ter hunner vertroosting, deze plaats geopenbaard, die het visioen bevestigde, dat echter eerst een jaar later zou worden vervuld, toenMahomethet bezoek aflegde, onderscheiden door de bijvoeging vanal Kadaof voltooiing, omdat hij op dien tijd het bezoek van het vorige jaar voltooide, toen de Koreïshieten hem niet veroorloofdenMekkabinnen te gaan. Hij was toen genoodzaakt teal Hodeibiyazijne slachtoffers te dooden, en zich te scheren (Al Beidâwi, Jallalo’ddin. ZieAbu’lf.Vit. Moh.p. 84, 87).
16Zijnde, dat sommigen geschoren waren, terwijl anderen alleen afgesneden haren hadden.
17Zijnde de inneming vanKhaibar.
18Hoewel de Mahomedanen zich bij hunne gebeden van tapijten of matten bedienen, is het echter de gewoonte, den harden en blooten grond met het voorhoofd aan te raken. Dikwijls dragen zij ronde of vierkante steentjes bij zich, waarop zij met hunne hoofden steunen, als zij zich ter aarde werpen.
Negen en Veertigste Hoofdstuk.De Binnen-vertrekkenGeopenbaard te Medina—18 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet vooruit1, en vreest God; want God hoort en weet alles.2.O ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat gij het bemerkt.3.Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime belooning erlangen.4.Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien zij u verplicht zijn.5.Indien zij met geduld wachten, totdat gij onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar God is vergevensgezind en barmhartig.6.O ware geloovigen! Indien een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om hetgeen gij hebt gedaan2.7.Weet, dat Gods profeet onderu is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die den rechten weg bewandelen.8.Door barmhartigheid van God en genade en God is alwetend en wijs.9.Indien twee partijen der geloovigen met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij, die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen die rechtvaardig handelen.10.Inderdaad, de ware geloovigen zijn broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade moogt verwerven.11.O ware geloovigen! laat de menschen geene andere menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen, die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet, en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd, en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners3.12.O ware geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet tenieuwsgierigde feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid, kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig.13.O menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk wezengeschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld, opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend.14.De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd4;want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden5. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig.15.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die oprechtelijk spreken.16.Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst inlichten6? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op aarde bevindt; want God is alwetend.17.Zij verwijten u (als een weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten, dat hij u naar de waarheid heeft gericht7. Erkent dit, indien gij oprechtelijk spreekt.18.Waarlijk, God kent de geheimen van hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.1Dat is: waag het niet, uwe eigene beslissing in eenige zaak te nemen, alvorens gij het oordeel van God en zijn gezant ontvangen hebt.2Men zegt, dat deze plaats op de navolgende gebeurtenis berust:Al Walid Ebn Okbawerd doorMahometgezonden, om de aalmoezen bij den stam vanal Mostalekop te halen. Toen hij hen in grooten getale tot zich zag komen, vatte hij argwaan en vreesde voor boos opzet, wegens de vroegere vijandschap tusschen hem en hen, gedurende den tijd der onwetendheid. Hij keerde onmiddellijk terug, en verhaalde den profeet, dat zij weigerden hunne aalmoezen te geven en getracht hadden hem te dooden.Mahometwilde hen daarop met geweld tot hunnen plicht terugbrengen. Toen hij echterKhaled Ebn Al Walidtot hen zond, bevond deze, dat zijn voorganger hun onrecht had aangedaan, en dat zij even gehoorzaam als vroeger waren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).3Men zegt, dat dit vers werd geopenbaard, met het oog opSafiya Bint Hoyal, eene der vrouwen van den profeet. Deze kwam namelijk tot haren echtgenoot, en klaagde, dat de vrouwen tot haar zeiden: O, gij Jodin! de dochter van een jood en van eene jodin, waarop hij haar antwoordde: Kunt gij dan niet antwoorden:Aäronis mijn vader,Mozesmijn oom enMahometmijn echtgenoot?4Dat is: gij zijt geen ware geloovigen, maar slechts uiterlijke belijders van den waren godsdienst.5Het onderscheid dat door de Mahomedanen tusschen het geloof en het Islamisme wordt gemaakt, is, dat het eerste het innerlijk geloof, en het andere, het uiterlijke teeken van dat geloof door godsdienstige daden is.6Dit beteekent: Beroemt gij u hem te bedriegen, door te zeggen, dat gij ware geloovigen zijt?7De verplichting ligt namelijk niet aan Gods zijde, maar aan de uwe, omdat hij u zoozeer heeft begunstigd dat hij u tot het ware geloof leidt, indien gij oprechte geloovigen zijt.
Negen en Veertigste Hoofdstuk.De Binnen-vertrekkenGeopenbaard te Medina—18 verzen.
Geopenbaard te Medina—18 verzen.
Geopenbaard te Medina—18 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet vooruit1, en vreest God; want God hoort en weet alles.2.O ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat gij het bemerkt.3.Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime belooning erlangen.4.Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien zij u verplicht zijn.5.Indien zij met geduld wachten, totdat gij onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar God is vergevensgezind en barmhartig.6.O ware geloovigen! Indien een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om hetgeen gij hebt gedaan2.7.Weet, dat Gods profeet onderu is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die den rechten weg bewandelen.8.Door barmhartigheid van God en genade en God is alwetend en wijs.9.Indien twee partijen der geloovigen met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij, die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen die rechtvaardig handelen.10.Inderdaad, de ware geloovigen zijn broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade moogt verwerven.11.O ware geloovigen! laat de menschen geene andere menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen, die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet, en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd, en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners3.12.O ware geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet tenieuwsgierigde feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid, kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig.13.O menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk wezengeschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld, opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend.14.De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd4;want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden5. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig.15.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die oprechtelijk spreken.16.Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst inlichten6? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op aarde bevindt; want God is alwetend.17.Zij verwijten u (als een weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten, dat hij u naar de waarheid heeft gericht7. Erkent dit, indien gij oprechtelijk spreekt.18.Waarlijk, God kent de geheimen van hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.O ware geloovigen! loopt de bevelen van God en zijn gezant niet vooruit1, en vreest God; want God hoort en weet alles.2.O ware geloovigen! verheft uwe stem niet boven de stem van den profeet, en spreekt niet luid tot hem, zooals gij luide onder elkander spreekt, opdat uwe werken niet ijdel worden, zonder dat gij het bemerkt.3.Waarlijk, degenen die hunne stemmen in de tegenwoordigheid van Gods gezant doen dalen, zijn zij, wier harte God tot vroomheid heeft geneigd; zij zullen vergiffenis en eene ruime belooning erlangen.4.Wat hen betreft die uit de binnenste vertrekken om u roepen, het meerendeel huner begrijpen den eerbied niet, dien zij u verplicht zijn.5.Indien zij met geduld wachten, totdat gij onder hen verschijnt, zal dit zekerlijk beter voor hen zijn; maar God is vergevensgezind en barmhartig.6.O ware geloovigen! Indien een zondig mensch met een verhaal tot u komt, doet dan nauwkeurig onderzoek naar de waarheid daarvan, opdat gij anderen niet door onwetendheid benadeelt, en naderhand berouw zoudt gevoelen, om hetgeen gij hebt gedaan2.7.Weet, dat Gods profeet onderu is. Indien hij u in vele dingen zou gehoorzamen, zoudt gij zekerlijk schuldig zijn aan eene misdaad, door hem in dwaling te brengen. Maar God heeft het geloof aanlokkend voor u gemaakt; hij heeft dat in uwe harten behagelijk gemaakt, en heeft ontrouw, oneerlijkheid en ongehoorzaamheid verachtelijk voor u doen worden. Dit zijn zij die den rechten weg bewandelen.8.Door barmhartigheid van God en genade en God is alwetend en wijs.9.Indien twee partijen der geloovigen met elkander twisten, tracht hen dan te vereenigen. Indien de een den ander eene beleediging aandoet, strijdt dan tegen de partij, die de beleediging heeft aangedaan, tot zij tot Gods voorschriften terugkeert. Indien zij terugkeeren, maak dan vrede tusschen hen met eerlijkheid, en handel rechtvaardig; want God bemint hen die rechtvaardig handelen.10.Inderdaad, de ware geloovigen zijn broeders; verzoent dus uwe broeders, en vreest God, opdat gij genade moogt verwerven.11.O ware geloovigen! laat de menschen geene andere menschen bespotten en uitlachen, die misschien beter dan zij zelven zijn; en laat de vrouwen even min andere vrouwen spottend uitlachen, die mogelijk beter dan zij zelve zijn. Lastert elkander ook niet, en geeft elkander geene kwetsende bijnamen. Een slechte naam is het, met zonde te zijn beladen, na het geloof te hebben omhelsd, en zij die geen berouw gevoelen, zijn boosdoeners3.12.O ware geloovigen! vermijdt zorgvuldig elkander te verdenken; want sommige verdenkingen zijn eene misdaad. Onderzoekt niet tenieuwsgierigde feilen eens anderen, en laat geen uwer, in des andere afwezigheid, kwaad spreken. Zou een van u begeeren het vleesch van zijn dooden broeder te eten? Zekerlijk, gij zoudt er afschuw van koesteren. Vreest dus God; want God is gezind tot verzoening en genadig.13.O menschen! waarlijk, wij hebben u uit een mannelijk en een vrouwelijk wezengeschapen, en wij hebben u in volkeren en stammen verdeeld, opdat gij elkander zoudt kennen. Waarlijk, de achtingwaardigste uwer in Gods oog, is de vroomste, en God is wijs en alwetend.14.De Arabieren van de woestijn zeggen: Wij gelooven. Antwoord: Gij gelooft volstrekt niet, maar zeg: Wij hebben den Islam omhelsd4;want het geloof is uwe harten nog niet binnengetreden5. Indien gij God en zijn gezant gehoorzaamt, zal hij u van geen deel der verdienste uwer werken berooven; want God is vergevensgezind en barmhartig.15.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij alleen, die in God en zijn gezant gelooven en later niet twijfelen, en die hunne bezittingen en personen voor de verdediging van Gods waren godsdienst gebruiken: dit zijn zij die oprechtelijk spreken.16.Zeg: Wilt gij God nopens uwen godsdienst inlichten6? Maar God kent alles, wat zich in den hemel en op aarde bevindt; want God is alwetend.17.Zij verwijten u (als een weldaad), dat zij den Islam hebben omhelsd. Antwoord: Verwijt mij niet, dat gij den Islam hebt omhelsd; God kon u veeleer verwijten, dat hij u naar de waarheid heeft gericht7. Erkent dit, indien gij oprechtelijk spreekt.18.Waarlijk, God kent de geheimen van hemel en aarde, en God ziet wat gij doet.
1Dat is: waag het niet, uwe eigene beslissing in eenige zaak te nemen, alvorens gij het oordeel van God en zijn gezant ontvangen hebt.2Men zegt, dat deze plaats op de navolgende gebeurtenis berust:Al Walid Ebn Okbawerd doorMahometgezonden, om de aalmoezen bij den stam vanal Mostalekop te halen. Toen hij hen in grooten getale tot zich zag komen, vatte hij argwaan en vreesde voor boos opzet, wegens de vroegere vijandschap tusschen hem en hen, gedurende den tijd der onwetendheid. Hij keerde onmiddellijk terug, en verhaalde den profeet, dat zij weigerden hunne aalmoezen te geven en getracht hadden hem te dooden.Mahometwilde hen daarop met geweld tot hunnen plicht terugbrengen. Toen hij echterKhaled Ebn Al Walidtot hen zond, bevond deze, dat zijn voorganger hun onrecht had aangedaan, en dat zij even gehoorzaam als vroeger waren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).3Men zegt, dat dit vers werd geopenbaard, met het oog opSafiya Bint Hoyal, eene der vrouwen van den profeet. Deze kwam namelijk tot haren echtgenoot, en klaagde, dat de vrouwen tot haar zeiden: O, gij Jodin! de dochter van een jood en van eene jodin, waarop hij haar antwoordde: Kunt gij dan niet antwoorden:Aäronis mijn vader,Mozesmijn oom enMahometmijn echtgenoot?4Dat is: gij zijt geen ware geloovigen, maar slechts uiterlijke belijders van den waren godsdienst.5Het onderscheid dat door de Mahomedanen tusschen het geloof en het Islamisme wordt gemaakt, is, dat het eerste het innerlijk geloof, en het andere, het uiterlijke teeken van dat geloof door godsdienstige daden is.6Dit beteekent: Beroemt gij u hem te bedriegen, door te zeggen, dat gij ware geloovigen zijt?7De verplichting ligt namelijk niet aan Gods zijde, maar aan de uwe, omdat hij u zoozeer heeft begunstigd dat hij u tot het ware geloof leidt, indien gij oprechte geloovigen zijt.
1Dat is: waag het niet, uwe eigene beslissing in eenige zaak te nemen, alvorens gij het oordeel van God en zijn gezant ontvangen hebt.
2Men zegt, dat deze plaats op de navolgende gebeurtenis berust:Al Walid Ebn Okbawerd doorMahometgezonden, om de aalmoezen bij den stam vanal Mostalekop te halen. Toen hij hen in grooten getale tot zich zag komen, vatte hij argwaan en vreesde voor boos opzet, wegens de vroegere vijandschap tusschen hem en hen, gedurende den tijd der onwetendheid. Hij keerde onmiddellijk terug, en verhaalde den profeet, dat zij weigerden hunne aalmoezen te geven en getracht hadden hem te dooden.Mahometwilde hen daarop met geweld tot hunnen plicht terugbrengen. Toen hij echterKhaled Ebn Al Walidtot hen zond, bevond deze, dat zijn voorganger hun onrecht had aangedaan, en dat zij even gehoorzaam als vroeger waren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
3Men zegt, dat dit vers werd geopenbaard, met het oog opSafiya Bint Hoyal, eene der vrouwen van den profeet. Deze kwam namelijk tot haren echtgenoot, en klaagde, dat de vrouwen tot haar zeiden: O, gij Jodin! de dochter van een jood en van eene jodin, waarop hij haar antwoordde: Kunt gij dan niet antwoorden:Aäronis mijn vader,Mozesmijn oom enMahometmijn echtgenoot?
4Dat is: gij zijt geen ware geloovigen, maar slechts uiterlijke belijders van den waren godsdienst.
5Het onderscheid dat door de Mahomedanen tusschen het geloof en het Islamisme wordt gemaakt, is, dat het eerste het innerlijk geloof, en het andere, het uiterlijke teeken van dat geloof door godsdienstige daden is.
6Dit beteekent: Beroemt gij u hem te bedriegen, door te zeggen, dat gij ware geloovigen zijt?
7De verplichting ligt namelijk niet aan Gods zijde, maar aan de uwe, omdat hij u zoozeer heeft begunstigd dat hij u tot het ware geloof leidt, indien gij oprechte geloovigen zijt.
Vijftigste Hoofdstuk.K.Geopenbaard teMekka.—45 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Kaf1Bij den glorierijken Koran;2.Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak.3.Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer.4.Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht.5.Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tothen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort26.Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn?7.Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen3, en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten.8.Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt.9.En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst.10.En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen.11.Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen.12.Het volk vanNoach, en zij die teAl Rass4woonden, enThamoedenAdenPharaobeschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners vanMekka.13.Alsmede de broedersvanLothen de bewoners van het woud nabijMidianen het volk vanTobba5; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd.14.Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden.15.Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader.16.Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit.17.Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven6.18.En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt teontgaan.19.En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd.20.En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn.21.En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden.22.En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden.23.En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel.24.En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof;25.Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan.26.Zijn makker7zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling8.27.God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt.28.Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig.29.Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden9?30.En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden.31.En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde;32.Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam.33.Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid.34.Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn.35.Hoevele geslachten hebben wij vóór de bewoners vanMekkaverdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is.36.Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is.37.Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons10.38.Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang.39.Prijs hem in een gedeeltevan den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering11.40.Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen12.41.De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen.42.Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren.43.De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen.44.Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen.45.Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.1Sommigen beweren, dat deze letter bestemd is om den bergKafuit te drukken, die, in de verbeelding van een aantal oostersche schrijvers, de geheele wereld omringt. (Zied’Herbel.Bibl. Oriënt. Art. Caf.), Anderen zeggen, dat deze letterKada al amrbeteekent, zijnde: de zaak is besloten; namelijk de kastijding der ongeloovigen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Zie overigensHoofdstuk II, vers I, noot.2Niet wetende wat zij met zekerheid van den Koran moeten erkennen; daar zij het dan eens een dichtstuk, dan weder een tooverstuk noemen en dan weder een goddelijk werk, enz.3ZieHoofdstuk XVI, vers 15enHoofdstuk XXXI, vers 9.4ZieHoofdstuk XXV, vers 40.5ZieHoofdstuk XLIV, vers 36.6De bedoeling dezer plaats is de verkondiging van Gods alwetendheid. Hij behoeft de onderrichtingen niet van de wachtengelen, doch hij heeft het in zijne wijsheid geschikt geoordeeld, hun dat ambt op te dragen; want indien zij zoo nauwlettend zijn, dat zij ieder woord nederschrijven, dat over de lippen van den mensch komt, hoe zouden wij dan kunnen hopen de aandacht van hem te ontgaan, die onze meest verborgen gedachten kent! De Mahomedanen bezitten eene overlevering, volgens welke de engel, die de goede daden des menschen opteekent, het bevel voert over dengeen, die de slechte daden nederschrijft, en dat, wanneer een mensch een goede daad verricht, de engel aan de rechterhand, die tien malen nederschrijft. Bedrijft hij eene slechte daad, dan zegt die engel tot dien van de linkerhand: Wacht nog zeven uren, eer gij haar nederschrijft; misschien bidt hij of vraagt hij vergiffenis (Al Beidâwi).7Zijnde de duivel, die aan hem is vastgeketend.8Dit zal het antwoord wezen van den duivel, die door den zondaar als zijn verleider zal worden aangeklaagd; want de duivel heeft geene macht over een mensch, om hem te noodzaken kwaad te doen, dan alleen door hem datgene in te geven, wat met zijne verdorvene neiging strookt (ZieHoofdstuk XIV, vers 26en volg.).9Zijnde: Zijn er nog meer tot deze plaats gedoemd, of wordt mijne ruimte vergroot, om hen te ontvangen?10Dit werd geopenbaard ter beantwoording der Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, en zich op zijn troon, nederzette, als iemand die vermoeid is (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Dit zijn de twee nederbuigingen na het avondgebed, die niet noodzakelijk of voorgeschreven, maar naar willekeur geschieden en overbodig zijn. Men kan die dus naar verkiezing verrichten of achterwege laten.12Dat is: van eene plaats, van waar ieder schepsel de oproeping gelijkelijk hoore. Deze plaats wordt geacht de berg van den tempel vanJeruzalemte zijn, die door sommigen wordt verondersteld, nader bij den hemel te liggen, dan eenig ander deel der aarde. Van daar zal de trompet vanIsrafilklinken, terwijlGabriëlhet volgende zal afkondigen: O, gij verrotte beenderen, verscheurd vleesch en verspreide haren! God heeft bevolen, dat gij zult verzameld worden om geoordeeld te worden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
Vijftigste Hoofdstuk.K.Geopenbaard teMekka.—45 verzen.
Geopenbaard teMekka.—45 verzen.
Geopenbaard teMekka.—45 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Kaf1Bij den glorierijken Koran;2.Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak.3.Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer.4.Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht.5.Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tothen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort26.Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn?7.Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen3, en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten.8.Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt.9.En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst.10.En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen.11.Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen.12.Het volk vanNoach, en zij die teAl Rass4woonden, enThamoedenAdenPharaobeschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners vanMekka.13.Alsmede de broedersvanLothen de bewoners van het woud nabijMidianen het volk vanTobba5; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd.14.Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden.15.Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader.16.Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit.17.Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven6.18.En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt teontgaan.19.En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd.20.En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn.21.En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden.22.En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden.23.En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel.24.En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof;25.Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan.26.Zijn makker7zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling8.27.God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt.28.Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig.29.Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden9?30.En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden.31.En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde;32.Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam.33.Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid.34.Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn.35.Hoevele geslachten hebben wij vóór de bewoners vanMekkaverdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is.36.Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is.37.Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons10.38.Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang.39.Prijs hem in een gedeeltevan den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering11.40.Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen12.41.De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen.42.Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren.43.De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen.44.Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen.45.Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.Kaf1Bij den glorierijken Koran;2.Waarlijk, gij verwondert u, dat een prediker uit hun midden, tot hen is gekomen, en de ongeloovigen zeggen: Dit is eene wonderlijke zaak.3.Nadat wij dood en tot stof zullen wezen, zullen wij in het leven terugkeeren. Dit is een ver van de gedachte verwijderde terugkeer.4.Nu weten wij wat de aarde van hen verteert, en wij bezitten een boek dat ons daarvan onderricht.5.Maar zij beladen de waarheid met leugen, nadat de eerste tothen is gekomen; daarom zijn zij in een verwarde zaak gestort26.Zien zij niet op, tot den hemel boven hen; en overwegen zij niet, hoe wij dien verheven en opgetooid hebben, en dat daarin geene gebreken zijn?7.Wij hebben ook de aarde uitgespreid, en daarop vastgewortelde bergen geworpen3, en wij doen elke schoone soort van planten daarop voortspruiten.8.Als een onderwerp ter overweging, en eene vermaning voor iederen mensch, die zich tot ons wendt.9.En wij zenden den regen als eene zegening van den hemel neder; waardoor wij tuinen doen voortspruiten en het graan dat men oogst.10.En de rijzige palmboomen met takken vol dadels, die boven elkander hangen.11.Als een voorraad voor den mensch. Wij verkwikken daardoor een dood land; zoo zal de opstanding der dooden uit hunne graven wezen.12.Het volk vanNoach, en zij die teAl Rass4woonden, enThamoedenAdenPharaobeschuldigden de profeten van bedrog voor de bewoners vanMekka.13.Alsmede de broedersvanLothen de bewoners van het woud nabijMidianen het volk vanTobba5; die allen beschuldigden de profeten van bedrog; daarom werden de vonnissen, waarmede ik dreigde, hun rechtvaardig opgelegd.14.Is onze kracht door de eerste schepping uitgeput? daar zij verbaasd zijn, omdat hun eene nieuwe schepping is voorgesteld: namelijk de opwekking der dooden.15.Wij schiepen den mensch en weten wat zijne ziel hem influistert, en wij zijn hem nader dan zijne strotader.16.Als de twee engelen welke hij afvaardigt, om rekenschap te vragen van het gedrag van een mensch, dit verrichten, terwijl de een aan de rechter- en de andere aan de linkerhand zit.17.Uit hij niet een woord, of er is een bespieder bij hem, gereed om het op te schrijven6.18.En de bewusteloosheid des doods zal in waarheid komen: dat is, o mensch! wat gij getracht hebt teontgaan.19.En de trompet zal klinken: dit zal de dag zijn, waarmede gedreigd werd.20.En iedere ziel zal komen; en bij haar zal een geleider en een getuige zijn.21.En de eerste zal tot den ongeloovige zeggen: Gij waart vroeger achteloos omtrent dezen dag; maar wij hebben uwen sluier van u afgenomen, en uw gezicht is heden helderziende geworden.22.En zijne makkers zullen zeggen: Dit is wat gereed is, verklaard te worden.23.En God zal zeggen: Werp elken ongeloovige en ieder verdorven mensch in de hel.24.En iedereen die het goede verbood, en iederen zondaar en twijfelaar omtrent het geloof;25.Die een anderen god naast den waren God oprichtte. Doe hem eene gestrenge marteling ondergaan.26.Zijn makker7zal zeggen: O Heer! ik heb hem niet verleid; maar hij verkeerde in eene groote dwaling8.27.God zal zeggen: Twist niet in mijne tegenwoordigheid, nu ik u vooraf heb bedreigd met de martelingen, welke gij thans voor u ziet gereed gemaakt.28.Het vonnis is niet bij mij veranderd; even weinig behandel ik mijne dienaren onrechtvaardig.29.Op dien dag zullen wij tot de hel zeggen: Zijt gij vol? en zij zal antwoorden: Moet er nog iets bijgevoegd worden9?30.En het paradijs zal den vromen nader gebracht worden.31.En men zal tot hen zeggen: Dat is wat u beloofd werd; en een iedereen die zich tot God wendde, en zijne bevelen volgde;32.Die den Barmhartige heimelijk vreesde, en met een bekeerd hart tot hem kwam.33.Treedt hier in vrede binnen; dit is de dag der eeuwigheid.34.Daar zullen zij alles hebben wat zij begeeren, en daar zal eene meer dan overvloedige bijvoeging van gelukzaligheid met ons zijn.35.Hoevele geslachten hebben wij vóór de bewoners vanMekkaverdelgd, die machtiger dan zij in sterkte waren? Trekt daarom door de streken der aarde, en ziet of er eene schuilplaats tegen mijne wraak is.36.Waarlijk, hierin is eene vermaning voor hem, die een hart heeft om te begrijpen, of zijn oor leent, en met een aandachtig gemoed aanwezig is.37.Wij schiepen de hemelen en de aarde en alles wat er tusschen is, in zes dagen, en geene vermoeienis bereikte ons10.38.Verdraag dus geduldig wat zij zeggen, en verkondig den lof van uwen Heer voor zonsopgang en voor zonsondergang.39.Prijs hem in een gedeeltevan den nacht, en volbreng de toegevoegde deelen der vereering11.40.Luister naar den dag, waarop de uitroeper de menschen, van eene nabijgelegen plaats, tot het oordeel zal oproepen12.41.De dag, waarop zij den klank der trompet in waarheid zullen hooren, zal de dag zijn, waarop de menschen uit hunne graven zullen voortkomen.42.Wij geven leven en doen sterven. Tot ons zullen alle schepselen terugkeeren.43.De dag, waarop de aarde plotseling zal worden gespleten, zal de dag der verzameling zijn. Het is gemakkelijk voor ons, hen te verzamelen.44.Wij weten wel, wat de ongeloovigen zeggen; en gij zijt niet gezonden, om hen met geweld tot het geloof te dwingen.45.Waarschuw dus door den Koran hem, die mijne bedreiging vreest.
1Sommigen beweren, dat deze letter bestemd is om den bergKafuit te drukken, die, in de verbeelding van een aantal oostersche schrijvers, de geheele wereld omringt. (Zied’Herbel.Bibl. Oriënt. Art. Caf.), Anderen zeggen, dat deze letterKada al amrbeteekent, zijnde: de zaak is besloten; namelijk de kastijding der ongeloovigen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Zie overigensHoofdstuk II, vers I, noot.2Niet wetende wat zij met zekerheid van den Koran moeten erkennen; daar zij het dan eens een dichtstuk, dan weder een tooverstuk noemen en dan weder een goddelijk werk, enz.3ZieHoofdstuk XVI, vers 15enHoofdstuk XXXI, vers 9.4ZieHoofdstuk XXV, vers 40.5ZieHoofdstuk XLIV, vers 36.6De bedoeling dezer plaats is de verkondiging van Gods alwetendheid. Hij behoeft de onderrichtingen niet van de wachtengelen, doch hij heeft het in zijne wijsheid geschikt geoordeeld, hun dat ambt op te dragen; want indien zij zoo nauwlettend zijn, dat zij ieder woord nederschrijven, dat over de lippen van den mensch komt, hoe zouden wij dan kunnen hopen de aandacht van hem te ontgaan, die onze meest verborgen gedachten kent! De Mahomedanen bezitten eene overlevering, volgens welke de engel, die de goede daden des menschen opteekent, het bevel voert over dengeen, die de slechte daden nederschrijft, en dat, wanneer een mensch een goede daad verricht, de engel aan de rechterhand, die tien malen nederschrijft. Bedrijft hij eene slechte daad, dan zegt die engel tot dien van de linkerhand: Wacht nog zeven uren, eer gij haar nederschrijft; misschien bidt hij of vraagt hij vergiffenis (Al Beidâwi).7Zijnde de duivel, die aan hem is vastgeketend.8Dit zal het antwoord wezen van den duivel, die door den zondaar als zijn verleider zal worden aangeklaagd; want de duivel heeft geene macht over een mensch, om hem te noodzaken kwaad te doen, dan alleen door hem datgene in te geven, wat met zijne verdorvene neiging strookt (ZieHoofdstuk XIV, vers 26en volg.).9Zijnde: Zijn er nog meer tot deze plaats gedoemd, of wordt mijne ruimte vergroot, om hen te ontvangen?10Dit werd geopenbaard ter beantwoording der Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, en zich op zijn troon, nederzette, als iemand die vermoeid is (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).11Dit zijn de twee nederbuigingen na het avondgebed, die niet noodzakelijk of voorgeschreven, maar naar willekeur geschieden en overbodig zijn. Men kan die dus naar verkiezing verrichten of achterwege laten.12Dat is: van eene plaats, van waar ieder schepsel de oproeping gelijkelijk hoore. Deze plaats wordt geacht de berg van den tempel vanJeruzalemte zijn, die door sommigen wordt verondersteld, nader bij den hemel te liggen, dan eenig ander deel der aarde. Van daar zal de trompet vanIsrafilklinken, terwijlGabriëlhet volgende zal afkondigen: O, gij verrotte beenderen, verscheurd vleesch en verspreide haren! God heeft bevolen, dat gij zult verzameld worden om geoordeeld te worden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
1Sommigen beweren, dat deze letter bestemd is om den bergKafuit te drukken, die, in de verbeelding van een aantal oostersche schrijvers, de geheele wereld omringt. (Zied’Herbel.Bibl. Oriënt. Art. Caf.), Anderen zeggen, dat deze letterKada al amrbeteekent, zijnde: de zaak is besloten; namelijk de kastijding der ongeloovigen (Al Beidâwi, Jallalo’ddin). Zie overigensHoofdstuk II, vers I, noot.
2Niet wetende wat zij met zekerheid van den Koran moeten erkennen; daar zij het dan eens een dichtstuk, dan weder een tooverstuk noemen en dan weder een goddelijk werk, enz.
3ZieHoofdstuk XVI, vers 15enHoofdstuk XXXI, vers 9.
4ZieHoofdstuk XXV, vers 40.
5ZieHoofdstuk XLIV, vers 36.
6De bedoeling dezer plaats is de verkondiging van Gods alwetendheid. Hij behoeft de onderrichtingen niet van de wachtengelen, doch hij heeft het in zijne wijsheid geschikt geoordeeld, hun dat ambt op te dragen; want indien zij zoo nauwlettend zijn, dat zij ieder woord nederschrijven, dat over de lippen van den mensch komt, hoe zouden wij dan kunnen hopen de aandacht van hem te ontgaan, die onze meest verborgen gedachten kent! De Mahomedanen bezitten eene overlevering, volgens welke de engel, die de goede daden des menschen opteekent, het bevel voert over dengeen, die de slechte daden nederschrijft, en dat, wanneer een mensch een goede daad verricht, de engel aan de rechterhand, die tien malen nederschrijft. Bedrijft hij eene slechte daad, dan zegt die engel tot dien van de linkerhand: Wacht nog zeven uren, eer gij haar nederschrijft; misschien bidt hij of vraagt hij vergiffenis (Al Beidâwi).
7Zijnde de duivel, die aan hem is vastgeketend.
8Dit zal het antwoord wezen van den duivel, die door den zondaar als zijn verleider zal worden aangeklaagd; want de duivel heeft geene macht over een mensch, om hem te noodzaken kwaad te doen, dan alleen door hem datgene in te geven, wat met zijne verdorvene neiging strookt (ZieHoofdstuk XIV, vers 26en volg.).
9Zijnde: Zijn er nog meer tot deze plaats gedoemd, of wordt mijne ruimte vergroot, om hen te ontvangen?
10Dit werd geopenbaard ter beantwoording der Joden, die zeiden, dat God op den zevenden dag van zijn werk rustte, en zich op zijn troon, nederzette, als iemand die vermoeid is (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).
11Dit zijn de twee nederbuigingen na het avondgebed, die niet noodzakelijk of voorgeschreven, maar naar willekeur geschieden en overbodig zijn. Men kan die dus naar verkiezing verrichten of achterwege laten.
12Dat is: van eene plaats, van waar ieder schepsel de oproeping gelijkelijk hoore. Deze plaats wordt geacht de berg van den tempel vanJeruzalemte zijn, die door sommigen wordt verondersteld, nader bij den hemel te liggen, dan eenig ander deel der aarde. Van daar zal de trompet vanIsrafilklinken, terwijlGabriëlhet volgende zal afkondigen: O, gij verrotte beenderen, verscheurd vleesch en verspreide haren! God heeft bevolen, dat gij zult verzameld worden om geoordeeld te worden (Al Beidâwi, Jallalo’ddin).