Achtste Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.De Buit1.Gegeven teMedina2.—76 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt.2.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen.3.Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken.4.Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen.5.Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren.6.Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt3; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien4.7.En herinner u,toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven5, en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien6aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden7.8.Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn.9.Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd8, en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen.10.En dit deed God alleen als goede berichten9voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs.11.Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen.12.Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af10.13.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden.14.Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan.15.O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet,in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af.16.Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf!17.En gij dooddet hen niet, welke teBedrwerden verslagen; maar God doodde hen11. Gij slingerdet niets, oMahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het12om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles.18.Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen.19.Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen.20.O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort.21.En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren.22.Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen.23.Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben.24.O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst13, en dat gij voor hem zult verzameld worden.25.Hoedt u voor de verzoeking14; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is.26.En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart15, gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn.27.O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmeruw geloof met uw weten.28.En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is.29.O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot.30.En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen16; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen.31.En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden17.32.En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op.33.Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen.34.Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken18, hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet.35.En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap19. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest.36.Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God20te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden.37.En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden.38.God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn.39.Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan uaan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast.40.Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen.41.Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper.42.En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers21indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig.43.Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden22; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben.44.Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles.45.Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen23; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben24, maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.46.En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren.47.O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn.48.En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden.49.En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralenonder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen.50.En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte25en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen26.51.Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen27. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is.52.En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen28en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding?53.Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is.54.Hun lot gelijkt dat van het volk vanPharaoen der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen.55.Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet.56.Zij hebben gehandeld evenals het volk vanPharaoen evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk vanPharao; want zij waren allen zondaren.57.Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven.58.Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen.59.Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn.60.Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemintde verraders niet.61.En denkt niet29dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen.62.Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld.63.Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles.64.Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs.65.O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen30.66.O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt.67.God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend31overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden.68.Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben32. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs.69.Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen teBedr33hebt verkregen.70.Eet dus van hetgeen gij hebt verworven,van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig.71.O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig.72.Maar indien zij trachten u te bedriegen34, waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs.73.Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd35. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet.74.Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen.75.Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten,en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen.76.En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.1Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag vanBedrbehaald (zieHoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Mahometdeelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.2Behalve zeven verzen (30–36), die, volgens sommigen, teMekkawerden geopenbaard.3Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenoverAboe Juhlen de Koreïshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.4De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de Koreïshieten honderd paarden bezaten (Al Beidâwi, enAbulfed.Vit. Moh.p. 56).5Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden vanMekka. Marracci verwartal irenal nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van Koreïshieten, welke nooit bekend waren en door hemAirensesenNaphirensesgenaamd worden (MarracciinAlc. p. 297.)6Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.7Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.8ToenMahometsmanschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beidâwi,Abulfed,Vit. Moh. p. 38.)9ZieHoofdstuk III, vers 145.10Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij teBedrgevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.11ZieHoofdstuk III, vers II, in de noot.12Zie de zoo even aangeduide plaats.13Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.14Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.15Zijnde teMekka. De hier aangesproken personen zijn deMohajerinof uitgewekenen, die van toen af naarMedinavluchtten.16Door hunne samenzwering aanMahomette openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag vanBedrte brengen.17ZieHoofdstuk VI, vers 25.18Bij de expeditie vanAl Hodeibiya.19Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om eenCaaba-tempel te gaan (ZieHoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel,Mahomette storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beidâwi.)20De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf Koreïshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie vanBedr.21Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.22Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.23Met welk visioenMahometzijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.24Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.25Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.26Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.27Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.28Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen teBedrdoodden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.29Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.30Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte,al Beidagenaamd, tusschenMekkaenMedina, gedurende de expeditie vanBedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid datOmarhet Mahomedanisme omhelsde.31Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.32Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.33Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoordenAl Abbas, een van de ooms vanMahomet, enOkail, de zoon vanAboe Taleben broeder vanAli; toen zij voorMahometwerden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen.Aboe Bekrwaser voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maarOmarwas er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren.Mahometnam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, datAboe BekropAbrahamgeleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en datOmaropNoachgeleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop gingOmarin de tent van den profeet, waar hij dezen enAboe Bekrweenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeideMahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleenOmarenSaad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (ZieHoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag vanOhodjuist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, teBedrprijs gemaakt (zieHoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.34Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.35En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat deMohajerinenAnsarsgerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.De Buit1.Gegeven teMedina2.—76 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt.2.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen.3.Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken.4.Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen.5.Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren.6.Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt3; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien4.7.En herinner u,toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven5, en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien6aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden7.8.Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn.9.Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd8, en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen.10.En dit deed God alleen als goede berichten9voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs.11.Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen.12.Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af10.13.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden.14.Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan.15.O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet,in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af.16.Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf!17.En gij dooddet hen niet, welke teBedrwerden verslagen; maar God doodde hen11. Gij slingerdet niets, oMahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het12om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles.18.Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen.19.Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen.20.O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort.21.En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren.22.Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen.23.Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben.24.O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst13, en dat gij voor hem zult verzameld worden.25.Hoedt u voor de verzoeking14; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is.26.En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart15, gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn.27.O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmeruw geloof met uw weten.28.En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is.29.O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot.30.En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen16; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen.31.En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden17.32.En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op.33.Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen.34.Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken18, hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet.35.En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap19. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest.36.Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God20te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden.37.En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden.38.God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn.39.Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan uaan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast.40.Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen.41.Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper.42.En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers21indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig.43.Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden22; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben.44.Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles.45.Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen23; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben24, maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.46.En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren.47.O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn.48.En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden.49.En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralenonder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen.50.En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte25en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen26.51.Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen27. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is.52.En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen28en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding?53.Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is.54.Hun lot gelijkt dat van het volk vanPharaoen der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen.55.Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet.56.Zij hebben gehandeld evenals het volk vanPharaoen evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk vanPharao; want zij waren allen zondaren.57.Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven.58.Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen.59.Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn.60.Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemintde verraders niet.61.En denkt niet29dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen.62.Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld.63.Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles.64.Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs.65.O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen30.66.O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt.67.God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend31overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden.68.Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben32. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs.69.Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen teBedr33hebt verkregen.70.Eet dus van hetgeen gij hebt verworven,van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig.71.O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig.72.Maar indien zij trachten u te bedriegen34, waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs.73.Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd35. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet.74.Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen.75.Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten,en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen.76.En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.1Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag vanBedrbehaald (zieHoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Mahometdeelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.2Behalve zeven verzen (30–36), die, volgens sommigen, teMekkawerden geopenbaard.3Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenoverAboe Juhlen de Koreïshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.4De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de Koreïshieten honderd paarden bezaten (Al Beidâwi, enAbulfed.Vit. Moh.p. 56).5Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden vanMekka. Marracci verwartal irenal nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van Koreïshieten, welke nooit bekend waren en door hemAirensesenNaphirensesgenaamd worden (MarracciinAlc. p. 297.)6Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.7Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.8ToenMahometsmanschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beidâwi,Abulfed,Vit. Moh. p. 38.)9ZieHoofdstuk III, vers 145.10Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij teBedrgevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.11ZieHoofdstuk III, vers II, in de noot.12Zie de zoo even aangeduide plaats.13Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.14Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.15Zijnde teMekka. De hier aangesproken personen zijn deMohajerinof uitgewekenen, die van toen af naarMedinavluchtten.16Door hunne samenzwering aanMahomette openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag vanBedrte brengen.17ZieHoofdstuk VI, vers 25.18Bij de expeditie vanAl Hodeibiya.19Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om eenCaaba-tempel te gaan (ZieHoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel,Mahomette storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beidâwi.)20De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf Koreïshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie vanBedr.21Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.22Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.23Met welk visioenMahometzijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.24Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.25Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.26Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.27Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.28Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen teBedrdoodden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.29Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.30Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte,al Beidagenaamd, tusschenMekkaenMedina, gedurende de expeditie vanBedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid datOmarhet Mahomedanisme omhelsde.31Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.32Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.33Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoordenAl Abbas, een van de ooms vanMahomet, enOkail, de zoon vanAboe Taleben broeder vanAli; toen zij voorMahometwerden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen.Aboe Bekrwaser voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maarOmarwas er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren.Mahometnam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, datAboe BekropAbrahamgeleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en datOmaropNoachgeleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop gingOmarin de tent van den profeet, waar hij dezen enAboe Bekrweenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeideMahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleenOmarenSaad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (ZieHoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag vanOhodjuist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, teBedrprijs gemaakt (zieHoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.34Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.35En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat deMohajerinenAnsarsgerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.De Buit1.Gegeven teMedina2.—76 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt.2.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen.3.Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken.4.Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen.5.Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren.6.Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt3; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien4.7.En herinner u,toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven5, en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien6aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden7.8.Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn.9.Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd8, en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen.10.En dit deed God alleen als goede berichten9voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs.11.Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen.12.Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af10.13.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden.14.Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan.15.O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet,in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af.16.Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf!17.En gij dooddet hen niet, welke teBedrwerden verslagen; maar God doodde hen11. Gij slingerdet niets, oMahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het12om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles.18.Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen.19.Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen.20.O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort.21.En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren.22.Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen.23.Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben.24.O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst13, en dat gij voor hem zult verzameld worden.25.Hoedt u voor de verzoeking14; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is.26.En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart15, gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn.27.O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmeruw geloof met uw weten.28.En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is.29.O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot.30.En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen16; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen.31.En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden17.32.En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op.33.Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen.34.Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken18, hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet.35.En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap19. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest.36.Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God20te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden.37.En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden.38.God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn.39.Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan uaan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast.40.Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen.41.Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper.42.En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers21indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig.43.Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden22; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben.44.Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles.45.Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen23; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben24, maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.46.En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren.47.O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn.48.En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden.49.En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralenonder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen.50.En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte25en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen26.51.Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen27. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is.52.En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen28en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding?53.Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is.54.Hun lot gelijkt dat van het volk vanPharaoen der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen.55.Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet.56.Zij hebben gehandeld evenals het volk vanPharaoen evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk vanPharao; want zij waren allen zondaren.57.Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven.58.Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen.59.Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn.60.Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemintde verraders niet.61.En denkt niet29dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen.62.Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld.63.Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles.64.Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs.65.O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen30.66.O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt.67.God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend31overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden.68.Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben32. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs.69.Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen teBedr33hebt verkregen.70.Eet dus van hetgeen gij hebt verworven,van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig.71.O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig.72.Maar indien zij trachten u te bedriegen34, waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs.73.Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd35. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet.74.Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen.75.Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten,en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen.76.En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.1Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag vanBedrbehaald (zieHoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Mahometdeelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.2Behalve zeven verzen (30–36), die, volgens sommigen, teMekkawerden geopenbaard.3Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenoverAboe Juhlen de Koreïshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.4De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de Koreïshieten honderd paarden bezaten (Al Beidâwi, enAbulfed.Vit. Moh.p. 56).5Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden vanMekka. Marracci verwartal irenal nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van Koreïshieten, welke nooit bekend waren en door hemAirensesenNaphirensesgenaamd worden (MarracciinAlc. p. 297.)6Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.7Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.8ToenMahometsmanschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beidâwi,Abulfed,Vit. Moh. p. 38.)9ZieHoofdstuk III, vers 145.10Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij teBedrgevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.11ZieHoofdstuk III, vers II, in de noot.12Zie de zoo even aangeduide plaats.13Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.14Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.15Zijnde teMekka. De hier aangesproken personen zijn deMohajerinof uitgewekenen, die van toen af naarMedinavluchtten.16Door hunne samenzwering aanMahomette openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag vanBedrte brengen.17ZieHoofdstuk VI, vers 25.18Bij de expeditie vanAl Hodeibiya.19Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om eenCaaba-tempel te gaan (ZieHoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel,Mahomette storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beidâwi.)20De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf Koreïshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie vanBedr.21Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.22Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.23Met welk visioenMahometzijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.24Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.25Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.26Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.27Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.28Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen teBedrdoodden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.29Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.30Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte,al Beidagenaamd, tusschenMekkaenMedina, gedurende de expeditie vanBedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid datOmarhet Mahomedanisme omhelsde.31Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.32Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.33Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoordenAl Abbas, een van de ooms vanMahomet, enOkail, de zoon vanAboe Taleben broeder vanAli; toen zij voorMahometwerden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen.Aboe Bekrwaser voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maarOmarwas er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren.Mahometnam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, datAboe BekropAbrahamgeleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en datOmaropNoachgeleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop gingOmarin de tent van den profeet, waar hij dezen enAboe Bekrweenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeideMahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleenOmarenSaad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (ZieHoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag vanOhodjuist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, teBedrprijs gemaakt (zieHoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.34Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.35En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat deMohajerinenAnsarsgerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.De Buit1.Gegeven teMedina2.—76 verzen.

Gegeven teMedina2.—76 verzen.

Gegeven teMedina2.—76 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt.2.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen.3.Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken.4.Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen.5.Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren.6.Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt3; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien4.7.En herinner u,toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven5, en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien6aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden7.8.Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn.9.Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd8, en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen.10.En dit deed God alleen als goede berichten9voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs.11.Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen.12.Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af10.13.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden.14.Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan.15.O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet,in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af.16.Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf!17.En gij dooddet hen niet, welke teBedrwerden verslagen; maar God doodde hen11. Gij slingerdet niets, oMahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het12om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles.18.Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen.19.Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen.20.O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort.21.En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren.22.Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen.23.Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben.24.O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst13, en dat gij voor hem zult verzameld worden.25.Hoedt u voor de verzoeking14; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is.26.En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart15, gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn.27.O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmeruw geloof met uw weten.28.En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is.29.O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot.30.En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen16; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen.31.En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden17.32.En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op.33.Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen.34.Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken18, hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet.35.En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap19. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest.36.Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God20te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden.37.En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden.38.God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn.39.Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan uaan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast.40.Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen.41.Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper.42.En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers21indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig.43.Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden22; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben.44.Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles.45.Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen23; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben24, maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.46.En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren.47.O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn.48.En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden.49.En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralenonder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen.50.En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte25en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen26.51.Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen27. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is.52.En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen28en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding?53.Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is.54.Hun lot gelijkt dat van het volk vanPharaoen der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen.55.Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet.56.Zij hebben gehandeld evenals het volk vanPharaoen evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk vanPharao; want zij waren allen zondaren.57.Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven.58.Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen.59.Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn.60.Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemintde verraders niet.61.En denkt niet29dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen.62.Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld.63.Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles.64.Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs.65.O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen30.66.O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt.67.God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend31overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden.68.Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben32. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs.69.Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen teBedr33hebt verkregen.70.Eet dus van hetgeen gij hebt verworven,van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig.71.O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig.72.Maar indien zij trachten u te bedriegen34, waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs.73.Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd35. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet.74.Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen.75.Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten,en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen.76.En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.Zij zullen u vragen nopens den buit. Antwoord: De verdeeling van den buit behoort Gode en zijn gezant. Vreest dus God, en tracht uwe geschillen in der minne te schikken. Gehoorzaam God en zijn gezant, indien gij ware geloovigen zijt.2.Waarlijk, de ware geloovigen zijn zij, wier harten vreezen als God wordt genoemd, en wier geloof vermeerderd wordt, zoo hun zijne teekens worden herinnerd en die op God vertrouwen.3.Die de bepaalde tijden van het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven van hetgeen wij hun hebben geschonken.4.Deze zijn waarlijk geloovigen; zij zullen hoogere graden van gelukzaligheid van hunnen Heer genieten, en vergiffenis en een overvloedig vermogen.5.Toen uw Heer u van uw huis wegvoerde, met waarheid, en een deel der geloovigen afkeerig van uwe leiding waren.6.Twistten zij met u nopens de waarheid, nadat die hun was kenbaar gemaakt3; op geene andere wijze dan alsof men hen ter dood had gevoerd, en zij dit met hunne oogen hadden gezien4.7.En herinner u,toen God u een der twee deelen beloofde, dat het u zou worden gegeven5, en gij begeerdet dat het deel, hetwelk niet van wapens was voorzien6aan u zou worden overgeleverd; maar God wilde de waarheid zijner woorden bekend maken, en het grootste deel der ongeloovigen afsnijden7.8.Om de waarheid openbaar te maken en de leugen te verdelgen, ofschoon de boozen er afkeerig van mogen zijn.9.Toen gij hulp van uwen Heer hebt gevraagd8, en hij u antwoordde: Waarlijk, ik zal u ondersteunen met duizend engelen, die elkander geregeld opvolgen.10.En dit deed God alleen als goede berichten9voor u, en opdat uwe harten daarbij vertrouwend zouden blijven; want de overwinning komt alleen van God, en God is machtig en wijs.11.Toen een slaap u overviel, als een teeken van zekerheid van hem, en hij water van den hemel op u nederzond, opdat hij u daarmede zou zuiveren, en hij de afschuwelijkheid van satan van u zou afnemen, en hij uwe harten en uwen voet daardoor zou mogen bevestigen.12.Ook toen uw Heer tot de engelen sprak: Waarlijk ik ben met u; bevestigt dus hen die gelooven. Ik zal schrik in de harten der ongeloovigen werpen. Slaat dus hunne hoofden af, en slaat al de toppen hunner vingers af10.13.Dit zullen zij ondergaan, omdat zij God en zijn gezant wederstand hebben geboden: en wie God en zijn gezant wederstand biedt, waarlijk, die zal gestreng door God gestraft worden.14.Dit zal uwe straf zijn; gevoelt die dus; ook zullen de ongeloovigen de straf van het hellevuur ondergaan.15.O ware geloovigen! als gij de ongeloovigen ontmoet,in grooten getale tegen u optrekkende, wendt u dan niet van hen af.16.Want wie hen op dien dag zijn rug mocht toewenden, tenzij hij zich ter zijde wende om te strijden, of zich tot een ander deel der geloovigen terugtrekke, zal Gods verontwaardiging over zich doen komen, en zijne woning zal de hel zijn. Welk een slecht verblijf!17.En gij dooddet hen niet, welke teBedrwerden verslagen; maar God doodde hen11. Gij slingerdet niets, oMahomet! ofschoon gij scheent het te slingeren, maar God doet het12om de geloovigen door eene schoone proef te beproeven; want God begrijpt en weet alles.18.Dit geschiedde opdat God de listen der ongeloovigen mocht verijdelen.19.Gij hebt de overwinning verlangd, o ongeloovigen! en de overwinning heeft zich tegen u gekeerd. Indien gij de eersten zijt, die ophoudt den gezant te bestrijden, zal u dat voordeeliger zijn. Maar indien gij terugkeert om hem aan te vallen, zullen wij mede terugkeeren om hem te ondersteunen, en uwe krachten zullen u volstrekt van geen voordeel wezen, alhoewel die ook talrijk mochten zijn; want God is met de geloovigen.20.O ware geloovigen! gehoorzaamt God en zijn gezant, en wendt u niet van hem af, nu gij de waarschuwingen van den Koran hoort.21.En weest niet als zij die zeggen: Wij hooren, als zij niet hooren.22.Waarlijk, de slechtsten van de dieren der aarde tegenover God, zijn de dooven en de stommen, die niet begrijpen.23.Indien God slechts iets goeds in hen had ontdekt, zou hij hun zekerlijk hebben doen hooren; maar indien hij hen had doen hooren, zouden zij zich gewis afgewend en zich ver verwijderd hebben.24.O ware geloovigen! antwoordt God en zijn apostel, indien hij u het leven geeft; en weet dat God zich tusschen den mensch en zijn hart plaatst13, en dat gij voor hem zult verzameld worden.25.Hoedt u voor de verzoeking14; zij zal niet hen in het bijzonder treffen, die goddeloos onder u zijn, maar u allen in het algemeen; en weet, dat God gestreng in het straffen is.26.En gedenkt, dat, toen gij zwak en in kleinen getale in het land waart15, gij vreesdet door uwe vijanden verdelgd te worden; maar God gaf u een toevluchtsoord, en hij ondersteunde u met zijne hulp, en beschonk u met goede dingen, opdat gij dankbaar zoudt zijn.27.O ware geloovigen! bedriegt God en zijn gezant niet: schendt nimmeruw geloof met uw weten.28.En bedenkt, dat uw rijkdom en uwe kinderen eene beproeving voor u zijn, en dat Gods belooning groot is.29.O ware geloovigen! indien gij God vreest, zal hij u eene onderscheiding verleenen. Hij zal uwe zonden vergeven, en u vergiffenis schenken; want zijne genade is groot.30.En herinner u, toen de ongeloovigen een komplot tegen u smeedden; toen zij u wilden aangrijpen, en dooden of verjagen. God spande op zijne beurt tegen hen samen16; en waarlijk, God is het beste in staat, een samenspanning te verijdelen.31.En als onze teekens voor hen worden herhaald, zeggen zij: Wij hebben het gehoord; indien het ons behaagde, konden wij iets dergelijks uitspreken; dit zijn slechts fabelen der ouden17.32.En toen zij zeiden: O God! indien dit de waarheid van u is, laat dan steenen uit den hemel op ons nedervallen, of leg ons eene andere gestrenge straf op.33.Maar God was niet geneigd hen te straffen, zoolang gij u onder hen bevondt, noch was God geneigd hen te straffen, toen zij vergiffenis vroegen.34.Maar zij kunnen geene verontschuldiging aanvoeren, waarom God hen niet zou straffen, naardien zij de geloovigen hebben belet, den heiligen tempel te bezoeken18, hoewel zij er de bewakers niet van zijn. De bewakers daarvan zijn alleen, die God vreezen; maar het grootste deel hunner weet het niet.35.En hun gebed in het huis des Heeren is geen ander dan gefluit en handgeklap19. Ondergaat dus de straf, omdat gij ongeloovigen zijt geweest.36.Zij die niet gelooven, wenden hunne rijkdommen aan, om den weg van God20te versperren. Zij zullen die verspillen, maar daarna zal het een bitter berouw voor hen zijn, en zij zullen eindelijk overwonnen worden.37.En de ongeloovigen zullen in de hel verzameld worden.38.God zal de slechten van de goeden scheiden; hij zal de slechten op elkander stapelen; hij zal er een bundel van vormen en dien in het vuur der hel werpen. Dan zullen de boozen verloren zijn.39.Zeg tot de ongeloovigen dat, indien zij ophouden u weerstand te bieden, hun zal vergeven worden wat reeds voorbij is; maar indien zij voortgaan uaan te vallen, zal de voorbeeldige straf van de vroegere bestrijders der profeten, die reeds voltrokken is, eveneens op hen worden toegepast.40.Strijd dus tegen hen, tot er geen verzet meer ter gunste der afgodendienarij, en geen andere godsdienst dan die van uwen Heer besta. Indien zij ophouden, waarlijk dan ziet God wat zij doen.41.Maar indien zij zich afwenden, weet dan, dat God uw schuts is. Hij is de beste schuts en de beste Helper.42.En weet, dat, indien gij eenigen buit bekomt, een vijfde deel daarvan aan God en den gezant behoort en aan zijne bloedverwanten, en aan de weezen, de armen en de reizigers21indien gij aan God gelooft, en aan hetgeen wij door onzen dienaar op den dag der onderscheiding hebben nedergezonden; op den dag waarop de twee legers elkander ontmoeten; en God is almachtig.43.Toen gij gelegerd waart op de meest nabijgelegen zijde der vallei, en zij gelegerd waren op de verste zijde, en de karavaan zich lager bevond, en indien gij wederzijds bepaald hadt slag te leveren, zoudt gij zekerlijk die bepaling hebben geschonden22; maar gij werdt, zonder eenige voorafgaande bepaling, tot den strijd gebracht, opdat God de zaak zou vervullen, welke hij besloten had te doen plaats hebben.44.Opdat degeen die omkwam, zou omkomen, na een blijkbare aanwijzing, en hij die het moest overleven, door hetzelfde teeken leven mocht. God hoort en weet alles.45.Herinner u, toen uw Heer den vijand in uwen slaap en weinig in getal aan u deed verschijnen23; en indien hij u dien in grooten getale had doen verschijnen, zoudt gij den moed verloren en daarover getwist hebben24, maar God behoedde u daarvoor; want hij kent de binnenste deelen van de borst der menschen.46.En toen hij hem zich voor u deed vertoonen, deed hij hem weinig talrijk voor uwe oogen schijnen; hij verminderde het getal in uwe oogen, opdat God de zaak zou mogen vervullen, welke hij besloten had te doen; en tot God zullen alle dingen terugkeeren.47.O ware geloovigen! indien gij een deel der ongeloovigen ontmoet, weest onverwrikbaar en gedenkt God dikwijls, opdat gij voorspoedig zoudt mogen zijn.48.En gehoorzaamt God en zijn gezant, en weest niet verdeeld; daardoor zoudt gij ontmoedigd worden, en al uw welslagen hangt van u af; maar volhardt met geduld; want God is met hen die volharden.49.En weest niet als zij, die onbeschaamd hunne huizen verlieten en met pralenonder de menschen verschenen, en van den weg van God afwenden; want God begrijpt wat zij doen.50.En gedenkt, toen satan hunne daden voor hen vooraf beschikte25en zeide: Niemand zal u heden overwinnen; en ik zal zeker nabij zijn, om u te helpen. Maar toen de beide legers elkander in het gezicht kwamen, wendde hij hun den rug toe, zeggende: Waarlijk, ik bemoei er mij niet mede, ik zie wat gij niet ziet, ik vrees God, want God is gestreng in het straffen26.51.Toen de huichelaars, en zij in wier harten een gebrek zetelde, zeiden: Hun geloof verblindt hen27. Maar hij die zijn vertrouwen in God stelt, weet dat hij machtig en wijs is.52.En zoo gij hadt gezien toen de engelen de ongeloovigen doodden; toen sloegen zij hunne aangezichten en hunne ruggen28en zeiden tot hen: Gevoelt gij de pijn der verbranding?53.Dit zult gij ondergaan, om hetgeen uwe handen voor u hebben verricht, en omdat God niet onrechtvaardig omtrent zijne dienaren is.54.Hun lot gelijkt dat van het volk vanPharaoen der ongeloovigen, die hen zijn voorafgegaan. God verdelgt hen om hunne zonden. God is sterk en gestreng in zijne straffen.55.Dit is geschied, omdat God de weldaden niet verandert, waarmede hij de menschen overlaadt, zoolang zij niet veranderen wat in hunne zielen is, en hetwelk God alles hoort en ziet.56.Zij hebben gehandeld evenals het volk vanPharaoen evenals zij die het vooraf gingen; die de teekens van hunnen Heer loochenden. Daarom verdelgden wij hen in hunne zonden en wij overstroomden het volk vanPharao; want zij waren allen zondaren.57.Waarlijk de slechtste dieren in Gods oog zijn zij, die hardnekkige ongeloovigen zijn, en niet willen gelooven.58.Evenals zij, die een verbond met u aangaan en later hun verbond bij iedere geschikte gelegenheid schenden en God niet vreezen.59.Indien gij hen in den strijd gevangen neemt, verstrooi hen en stel een voorbeeld voor hen die na hen zullen komen, opdat zij gewaarschuwd mogen zijn.60.Of indien gij eenig verraad van een volk vreest, verwerp zijn verbond en behandel het dan op gelijke wijze; want God bemintde verraders niet.61.En denkt niet29dat de ongeloovigen Gods wraak ontgaan; want zij zullen Gods macht niet verminderen.62.Verzamel dus alle krachten die gij tegen hen hebt, en troepen paarden, waarmede gij den vijand Gods moogt verschrikken, en ook uw vijand en alle ongeloovigen buiten hen, welke gij niet kent, maar die God kent. En wat gij voor de verdediging van Gods geloof besteedt, zal u worden terug betaald en gij zult niet onrechtvaardig worden behandeld.63.Indien zij tot vrede overhellen, zult gij mede daartoe neigen, en stel uw vertrouwen in God; want hij hoort en weet alles.64.Maar indien zij trachten u te verraden, dan zal God uw helper zijn. Hij is het, die u door zijne ondersteuning heeft geholpen en door die der geloovigen, en hij heeft hunne harten vereenigd. Indien gij alle rijkdommen der aarde zoudt hebben verspild, zoudt gij hunne harten niet hebben kunnen vereenigen, maar God vereenigt hen; want hij is almachtig en wijs.65.O profeet! God is uw steun, en die der ware geloovigen welke u volgen30.66.O profeet! zet de geloovigen tot oorlog aan; indien twintig uwer volhardend zijn, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er een honderd van u zijn, zullen zij duizend overwinnen van degenen die niet gelooven, daar zij een volk zijn dat niet begrijpt.67.God heeft uwe taak gemakkelijk gemaakt; want hij weet dat gij zwak waart. Indien er een honderd van u zijn die volharden, zullen zij twee honderd overwinnen, en indien er duizend van u zijn zullen zij tweeduizend31overwinnen, door Gods verlof; want God is met hen die volharden.68.Het was nimmer een profeet gegeven, gevangenen te maken zonder groote slachtingen op aarde te doen plaats hebben32. Gij verlangt het goede dezer wereld, en God wil u dat der volgende geven; want God is machtig en wijs.69.Indien u vooraf geene openbaring van God ware gegeven, zou u eene strenge straf zijn opgelegd voor het losgeld, dat gij van de gevangenen teBedr33hebt verkregen.70.Eet dus van hetgeen gij hebt verworven,van hetgeen geoorloofd en goed is; want God is barmhartig en genadig.71.O profeet! zeg tot de gevangenen die in uwe handen zijn: Indien God weet, dat er eenig goed in uwe harten is, zal hij u beter geven dan hetgeen van u werd genomen en hij zal u vergeven; want God is genadig en barmhartig.72.Maar indien zij trachten u te bedriegen34, waarlijk, dan hebben zij God bedrogen; daarom heeft hij u de macht over hen gegeven, en God is alwetend en wijs.73.Zij die geloofd hebben en hun land zijn ontvlucht, en hunne bezittingen en hunne personen aan den strijd, voor den godsdienst van hunnen Heer, wijdden, en zij die den profeet eene schuilplaats hebben verleend en hem hebben bijgestaan, zullen als elkanders naaste bloedverwanten worden beschouwd35. Maar zij die geloofd hebben en hun land niet zijn ontvlucht, zullen geene bloedverwanten van u zijn, tot zij hunne woningen eveneens hebben verlaten. Maar indien zij uwe hulp voor het geloof inroepen, zult gij die verleenen, tenzij het tegen degenen mocht wezen, die uwe bondgenooten zijn; en God ziet wat gij doet.74.Laat de ongeloovigen elkanders bloedverwanten zijn. Zoo lang gij dit niet ook doet, zullen er wanorde en groote plagen over de aarde heerschen.75.Maar zij die geloofd en hunne woningen verlaten,en voor des Heeren waren godsdienst hebben gestreden, en den profeet eene schuilplaats verleend en hem ondersteund hebben, deze zijn waarlijk geloovigen, zij zullen vergiffenis en edelmoedige ondersteuning ontvangen.76.En zij, welke sedert dien tijd geloofd en hunne woningen verlaten hebben, en met u streden, behooren eveneens tot de uwen. En zij, die door bloedverwantschap verbonden zijn, zullen, als elkanders naaste bloedverwanten, boven vreemdelingen worden beschouwd, overeenkomstig Gods boek. God kent alle dingen.

1Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag vanBedrbehaald (zieHoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Mahometdeelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.2Behalve zeven verzen (30–36), die, volgens sommigen, teMekkawerden geopenbaard.3Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenoverAboe Juhlen de Koreïshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.4De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de Koreïshieten honderd paarden bezaten (Al Beidâwi, enAbulfed.Vit. Moh.p. 56).5Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden vanMekka. Marracci verwartal irenal nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van Koreïshieten, welke nooit bekend waren en door hemAirensesenNaphirensesgenaamd worden (MarracciinAlc. p. 297.)6Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.7Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.8ToenMahometsmanschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beidâwi,Abulfed,Vit. Moh. p. 38.)9ZieHoofdstuk III, vers 145.10Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij teBedrgevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.11ZieHoofdstuk III, vers II, in de noot.12Zie de zoo even aangeduide plaats.13Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.14Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.15Zijnde teMekka. De hier aangesproken personen zijn deMohajerinof uitgewekenen, die van toen af naarMedinavluchtten.16Door hunne samenzwering aanMahomette openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag vanBedrte brengen.17ZieHoofdstuk VI, vers 25.18Bij de expeditie vanAl Hodeibiya.19Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om eenCaaba-tempel te gaan (ZieHoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel,Mahomette storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beidâwi.)20De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf Koreïshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie vanBedr.21Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.22Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.23Met welk visioenMahometzijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.24Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.25Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.26Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.27Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.28Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen teBedrdoodden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.29Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.30Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte,al Beidagenaamd, tusschenMekkaenMedina, gedurende de expeditie vanBedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid datOmarhet Mahomedanisme omhelsde.31Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.32Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.33Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoordenAl Abbas, een van de ooms vanMahomet, enOkail, de zoon vanAboe Taleben broeder vanAli; toen zij voorMahometwerden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen.Aboe Bekrwaser voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maarOmarwas er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren.Mahometnam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, datAboe BekropAbrahamgeleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en datOmaropNoachgeleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop gingOmarin de tent van den profeet, waar hij dezen enAboe Bekrweenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeideMahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleenOmarenSaad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (ZieHoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag vanOhodjuist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, teBedrprijs gemaakt (zieHoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.34Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.35En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat deMohajerinenAnsarsgerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.

1Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in den slag vanBedrbehaald (zieHoofdstuk III, vers 11, in de noot), en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden hadden en een deel verlangden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Mahometdeelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde deel voor het lager te melden doel.

2Behalve zeven verzen (30–36), die, volgens sommigen, teMekkawerden geopenbaard.

3Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenoverAboe Juhlen de Koreïshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen aanmoedigen.

4De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid, in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet, en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de Koreïshieten honderd paarden bezaten (Al Beidâwi, enAbulfed.Vit. Moh.p. 56).

5Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden vanMekka. Marracci verwartal irenal nafir, dat de karavaan en het korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen van Koreïshieten, welke nooit bekend waren en door hemAirensesenNaphirensesgenaamd worden (MarracciinAlc. p. 297.)

6Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl de tegenpartij sterk en goed voorzien was.

7Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.

8ToenMahometsmanschappen zagen, dat zij den strijd niet konden vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beidâwi,Abulfed,Vit. Moh. p. 38.)

9ZieHoofdstuk III, vers 145.

10Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op de personen welke zij teBedrgevangen namen, waarover zij in dit Hoofdstuk berispt worden.

11ZieHoofdstuk III, vers II, in de noot.

12Zie de zoo even aangeduide plaats.

13Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.

14Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad, die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de ware beteekenis dezer plaats verdeeld.

15Zijnde teMekka. De hier aangesproken personen zijn deMohajerinof uitgewekenen, die van toen af naarMedinavluchtten.

16Door hunne samenzwering aanMahomette openbaren, en hem wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen ontsnappen; en door hen later tot den slag vanBedrte brengen.

17ZieHoofdstuk VI, vers 25.

18Bij de expeditie vanAl Hodeibiya.

19Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om eenCaaba-tempel te gaan (ZieHoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel,Mahomette storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te bidden. (Al Beidâwi.)

20De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld waren twaalf Koreïshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken, om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie vanBedr.

21Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.

22Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden waaraan gij onderworpen waart.

23Met welk visioenMahometzijne volgelingen bekend maakte, om hem aan te moedigen.

24Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.

25Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.

26Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.

27Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten, eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.

28Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de ongeloovigen teBedrdoodden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.) Sommigen gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf, hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.

29Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus: Laten de ongeloovigen niet denken, enz.

30Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard in eene vlakte,al Beidagenaamd, tusschenMekkaenMedina, gedurende de expeditie vanBedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des profeets zending, bij gelegenheid datOmarhet Mahomedanisme omhelsde.

31Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.

32Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig wordt uitgeoefend.

33Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag werden prijs gemaakt, behoordenAl Abbas, een van de ooms vanMahomet, enOkail, de zoon vanAboe Taleben broeder vanAli; toen zij voorMahometwerden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden, wat hij met hen moest doen.Aboe Bekrwaser voor, hen tegen betaling van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven; maarOmarwas er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde beschermers van het ongeloof waren.Mahometnam de laatstgenoemden raad niet aan, maar deed opmerken, datAboe BekropAbrahamgeleek, die voor misdadigers tusschenbeide trad, en datOmaropNoachgeleek, die voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen aan te nemen. Spoedig daarop gingOmarin de tent van den profeet, waar hij dezen enAboe Bekrweenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak hunner tranen vroeg, zeideMahomet, dat dit vers was geopenbaard, waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld; dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen, en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen waren verdelgd, uitgenomen alleenOmarenSaad Ebn Moadh, welke laatste mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (ZieHoofdstuk XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de Moslems in den slag vanOhodjuist zeventig man verloren, zijnde gelijk aan het getal gevangenen, teBedrprijs gemaakt (zieHoofdstuk III, vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.

34Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.

35En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat deMohajerinenAnsarsgerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.


Back to IndexNext