Negende Hoofdstuk.De Verklaring van Vrijstelling1.Gegeven teMedina.—130 verzen.1.Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan.2.Ga en reis gedurende vier maanden2met zekerheidop aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken.3.En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht3, dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan.4.Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan4. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen.5.En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig.6.En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats5. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet.7.Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen.8.Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben,zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards.9.Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten.10.Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren.11.Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen.12.Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken.13.Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt.14.Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven.15.En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs.16.Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet.17.En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven.18.Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid6.19.Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet.20.Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods wareneeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen.21.Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken.22.Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot.23.O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld.24.Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet.25.God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag vanHonein7, waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng8, niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend.26.Later zond God zijn bescherming9op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen.27.Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen10; want God is barmhartig en genadig.28.O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar11den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoedevreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs.29.Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven12, en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald13, en zij vernederd zijn.30.De Joden zeggen:Ozaïris de zoon van God, en de Christenen zeggenChristusis de zoonvan God14. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij!31.Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God15, benevensChristus, de zoon vanMaria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen.32.Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben.33.Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn.34.O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid16en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf.35.Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld.36.Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf17, die door Gods boek18werden ingesteld, op den dag,dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen.37.Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet.38.O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende.39.Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen19, hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig.40.Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uitMekkaverdreven, den tweede van de twee20, toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs.41.Trekt ten strijd, lichten en zwaren21, en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet.42.Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn.43.God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven22, voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken,en voor dat gij de leugenaars kendet?44.Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen.45.Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd.46.Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten23.47.Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen.48.Reeds vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken24, en zij verwarden uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren.49.Sommigen van hen zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal de ongeloovigen verwoesten.50.Indien gij met geluk wordt bedeeld, bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij: Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af, en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt.51.Zeg: Niets zal ons overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts, en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen.52.Zeg: Verwacht gij dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u, dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen25. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op u wachten.53.Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen, voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij goddeloozen zijt.54.En niets verhindert hunne gaven aan te nemen, dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof slechts onwillig besteden.55.Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken op deze wereld straffen,en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren, maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen.56.Indien zij een toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen.58.Er zijn ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen, zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen, onthoudt het, zijn zij toornig.59.Maar indien zij tevreden waren geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven, en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God: waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn.60.Aalmoezen moeten alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden26en aan hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen; voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger.61.Dit is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor27. Antwoord: Hij is een goed oor voor u28; hij gelooft in God en hij vertrouwt den geloovige.62.En hij is eene genade voor degenen van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen eene smartelijke straf ondergaan.63.Zij zweren u bij God, dat zij u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn.64.Weten zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weêrstand biedt, zonder twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig verblijven zal? Dit is eene groote schande.65.De huichelaars vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen: Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij vreest te zien openbaren.66.En indien gij hun de reden van deze bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne teekens en met zijn apostel?67.Tracht niet u te verontschuldigen; gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofdte hebben. Indien wij een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar zij boozen waren.68.Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is, en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars zijn goddeloozen.69.God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan.70.Gij handelt evenals zij, die vóór u bestonden. Zij waren sterker dan gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld, en zij zijn het die verloren gaan.71.Waart gij niet bekend met de geschiedenis van hen, die vóór hen bestonden? Van het volk vanNoach, vanAden vanThemoed, en van het volk vanAbraham, en van de bewoners vanMadian, en van de steden die verwoest werden29? Hunne apostelen kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.72.En de geloovige mannen en de geloovige vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed, en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en wijs.73.God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen, tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven; hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf30; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning zijn. Dat zal een groot heil wezen.74.O Profeet! onderneem den oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig verblijf!75.Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid geuit en werden ongeloovigen,nadat zij den Islam hadden omhelsd. En zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben verrijkt31. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn; maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben.76.Er zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan, zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft, zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden.77.Maar toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig, keerden zich om en wendden zich ver weg.78.Daarom liet God huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben gehandeld.79.Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent?80.Zij die de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan.81.Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal God hun op geenerlei wijze vergeven32. Dit is omdat zij niet in God en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet.82.Zij die bij de expeditie vanTaboecte huis bleven, waren verblijd achter den profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeterzijn; indien zij dit maar begrepen!83.Laat hen dus weinig lachen; zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben gedaan.84.Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen, en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan: Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus thans te huis met hen die achterblijven.85.Nimmer zult gij voor een van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil33, omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid stierven.86.Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij ongeloovigen zijn.87.Indien eene Soera34wordt nedergezonden, waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant, vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen: Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven.88.Zij zijn er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn verzegeld; daarom begrijpen zij niet.89.Maar de gezant en zij die met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken en gelukkig zijn.90.God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.91.En zekere Arabieren van de woestijn kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd, bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die niet gelooven.92.Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen35, zullen geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig.93.Noch hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen, uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht bij te dragen36.94.Maar er bestaat reden van gisping voor hen, dieu verlof vragen, te huis te mogenblijven, als zij rijk zijn. Het behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet.95.Zij zullen zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg: Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden, die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.96.Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd, u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten37. Laat hen dus alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven.97.Zij zullen u bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend zijn omtrent degenen die slecht handelen.98.De Arabieren van de woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij; en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden38en God is alwetend en wijs.99.Onder de Arabieren van de woestijn zijn er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting39rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin40mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want God hoort en weet alles.100.En onder de Arabieren van de woestijn zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade opnemen; want God is barmhartig en genadig.101.Wat de leiders en de hoofden derMohajerinen deAnsarsbetreft, en degenen die hen in het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen, en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.102.Onder de Arabieren van de woestijn, die rondom u wonen,zijn huichelachtige personen41, en onder debewonersvanMedinazijn sommigen die hardnekkig in huichelarij zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen hen zekerlijk tweemaal straffen42; daarna zullen zij tot eene pijnlijke kastijding verwezen worden.103.Anderen nebben hunne misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd, die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is barmhartig en genadig.104.Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan, opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en weet alles.105.Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig is?106.Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk, evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.107.Er zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is alwetend en wijs.108Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen, die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen.109.Zet daar nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest43. Het is beter dat gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine.110.Is dus hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in het hellevuur stort?God leidt de goddeloozen niet.111.Hun gebouw, dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden44; en God is alwetend en wijs.112.Waarlijk, God heeft van de ware geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden; de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.113.De berouwvollen en zij die God dienen en hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng dus goede tijdingen tot de geloovigen.114.Het is den profeet niet geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn45.115.OokAbrahamvroeg geene vergiffenis voor zijn vader, anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan46; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van God was, onttrok hij zich daaraan47, en waarlijk,Abrahamwas meêdoogend en menschelijk.116.God is niet geneigd een volk in dwaling te leiden48, nadat hij het ten goede heeft geleid, dan nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden;wantGod is alwetend.117.Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel en aarde; hij schenkt levenen hij doet sterven, en gij hebt geen schuts of helper naast God.118.God heeft den profeet vergeven en denMohajerinenAnsars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren; daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meêdoogend en genadig omtrent hen.119.Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven49, zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd, en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen, opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind en genadig.120.O ware geloovigen! vreest God en weest met de oprechten.121.Er bestond geene redenwaaromde bewoners vanMedinaen de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger werden geteisterd, bij de verdediging van Gods warengodsdienst; naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen; naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat de belooning der rechtvaardigen verloren ga.122.En zij dragen geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan hebben.123.De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt, geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten50, en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het volk op zijne goede zij.124.O ware geloovigen! voert oorlog tegen de ongeloovigen die u nabij zijn51en laten zij u gestreng vinden, en weet dat God met degenen is die hem vreezen.125.Als eene Soera wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die gelooven, en zij zullen zich verblijden.126.Maar bij hen, wier harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven.127.Zien zij niet, dat zij ieder jaar eensof tweemaal worden beproefd52. En toch hebben zij geen berouw en overwegen niet.128.En als eene Soera wordt nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid, omdat zij niet begrijpen.129.Thans is een gezant van uw eigen volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en genadig omtrent de geloovigen.130.Indien zij zich afwenden, zeg: God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik, en hij is de Heer van den grootschen troon.1De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen ’t Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van deBismillahin den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts één uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (AlBeidâwi,Jallalo’ddin,Yahyaenz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooalsMahometverklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk teMekkawerden geopenbaard.2Deze maanden warenShawal,Dhoe’lkaada,Dhoe’lhajjaenMoharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den vanDoe’thajjateMekkaplaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorigeRabieindigen. (Al Beidâwi).3De afkondiging van dit Hoofdstuk was doorMahometaanAliopgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, vanMedinanaarMekkarende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering teal Akabaplaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel vanMekkazal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute denCaabanaakt te betreden. (ZieHoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beidâwi, ZieAbulfed.Vit. Moh.pag. 127, enz.)4Zoodat niettegenstaandeMahometieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.5Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.6Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beidâwi).7Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei vanHonein, die, omstreeks drie mijlen vanMekka, nabijTayefligt.8Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)9Het oorspronkelijke woord isSakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid ofSchechinahte beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (ZieHoofdstuk II, vers 249en de noot.)10Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, wasMahometop hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beidâwi).11Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid vanMekkatoegelaten.12Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan één god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74enHoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.13Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woordenan yadin, die letterlijk zouden moeten luiden:bijofuit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schattinggereedelijkof door hunneeigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eenegunstmoet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beidâwi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, datOmarhet eerste weigerde schatting van een Magiër aan te nemen, totAbd’alrahmâd Ebn Awfhem verzekerde, datMahometzelf ondersteuning aan een Magiër verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onderhet volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de Sabeïten daarbij.Aboe Hanifaveronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op eendinargesteld, of op omstreeks ƒ 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland,de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50).Aboe Hanifabepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beidâwi).14Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden vanMedinadie dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was,EzraofEsdrasweder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zieHoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)15ZieHoofdstuk III: vers 57en de noot.16Door het nemen van steekpenningen, zegtAl Beidâwi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.17Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramadân-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (ZiePrid.,Life of Moh.p. 65, enz.)18Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.19ZieHoofdstuk V: vers 59.20Zijnde, datAboe Bekralleen met hem was.21Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden,Savary).22DaarMahometverscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.23Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.24Zooals zij deden in den slag vanOhod. ZieHoofdstuk III vers 49.25Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.26De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woordenfakirenmeskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.27Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.28Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.29NamelijkSodomenGomorrahen de andere steden die haar lot deelden, en thansAl Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.30Letterlijk: de tuinen vanEden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).31Mahometsverblijf teMedinawas namelijk van groot voordeel voor die plaats.32Gedurende de laatste ziekte vanAbda’llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneensAbda’llahgenaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beidâwi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woordenverzadigenenzeven, beidenשבעgenaamd, als ware het ’t volkomene, het verzadigde getal: vergelijkSchillersPiccolominii2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art.Zeven.33Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch doorzijngrafstede te bezoeken.34Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eeneSoeragenaamd.35Door hunne groote armoede, zooals de vanJoheina,MozeinaenBanoe Odhra(Al Beidâwi).36De personen hier bedoeld, waren zeven man van deAnsars, die totMahometkwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzenen gezooldeschoenenzou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.37En hen niet kastijden.38Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beidâwi).39Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.40Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.41Zijnde in de nabuurschap vanMedina. Dit waren de stammen vanJoheina,Mozeina,Aslam,AshjaenGhifar(Al Beidâwi).42Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beidâwi.)43Zijnde die vanKobâ, eene plaats op twee mijlen afstands vanMedinagelegen waarMahometgedurende zijne vlucht vanMekkavier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Ebn Shonnah) die later doorBanoe Amroe Ebn Awfwerd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke doorMahometteMedinawerd gesticht.44Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.45Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.46Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aanAbrahamdoor zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.47Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. ZieHoofdstuk VI, vers 78en volg.48Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vóór het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eersteKeblahadden gebeden, wijn gedronken, enz.49DrieAnsars, dieMahometniet naarTaboecgevolgd waren.50Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.51Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.52Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.
Negende Hoofdstuk.De Verklaring van Vrijstelling1.Gegeven teMedina.—130 verzen.1.Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan.2.Ga en reis gedurende vier maanden2met zekerheidop aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken.3.En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht3, dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan.4.Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan4. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen.5.En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig.6.En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats5. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet.7.Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen.8.Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben,zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards.9.Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten.10.Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren.11.Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen.12.Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken.13.Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt.14.Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven.15.En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs.16.Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet.17.En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven.18.Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid6.19.Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet.20.Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods wareneeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen.21.Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken.22.Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot.23.O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld.24.Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet.25.God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag vanHonein7, waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng8, niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend.26.Later zond God zijn bescherming9op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen.27.Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen10; want God is barmhartig en genadig.28.O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar11den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoedevreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs.29.Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven12, en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald13, en zij vernederd zijn.30.De Joden zeggen:Ozaïris de zoon van God, en de Christenen zeggenChristusis de zoonvan God14. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij!31.Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God15, benevensChristus, de zoon vanMaria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen.32.Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben.33.Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn.34.O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid16en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf.35.Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld.36.Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf17, die door Gods boek18werden ingesteld, op den dag,dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen.37.Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet.38.O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende.39.Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen19, hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig.40.Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uitMekkaverdreven, den tweede van de twee20, toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs.41.Trekt ten strijd, lichten en zwaren21, en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet.42.Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn.43.God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven22, voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken,en voor dat gij de leugenaars kendet?44.Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen.45.Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd.46.Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten23.47.Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen.48.Reeds vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken24, en zij verwarden uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren.49.Sommigen van hen zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal de ongeloovigen verwoesten.50.Indien gij met geluk wordt bedeeld, bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij: Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af, en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt.51.Zeg: Niets zal ons overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts, en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen.52.Zeg: Verwacht gij dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u, dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen25. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op u wachten.53.Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen, voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij goddeloozen zijt.54.En niets verhindert hunne gaven aan te nemen, dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof slechts onwillig besteden.55.Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken op deze wereld straffen,en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren, maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen.56.Indien zij een toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen.58.Er zijn ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen, zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen, onthoudt het, zijn zij toornig.59.Maar indien zij tevreden waren geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven, en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God: waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn.60.Aalmoezen moeten alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden26en aan hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen; voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger.61.Dit is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor27. Antwoord: Hij is een goed oor voor u28; hij gelooft in God en hij vertrouwt den geloovige.62.En hij is eene genade voor degenen van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen eene smartelijke straf ondergaan.63.Zij zweren u bij God, dat zij u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn.64.Weten zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weêrstand biedt, zonder twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig verblijven zal? Dit is eene groote schande.65.De huichelaars vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen: Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij vreest te zien openbaren.66.En indien gij hun de reden van deze bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne teekens en met zijn apostel?67.Tracht niet u te verontschuldigen; gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofdte hebben. Indien wij een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar zij boozen waren.68.Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is, en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars zijn goddeloozen.69.God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan.70.Gij handelt evenals zij, die vóór u bestonden. Zij waren sterker dan gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld, en zij zijn het die verloren gaan.71.Waart gij niet bekend met de geschiedenis van hen, die vóór hen bestonden? Van het volk vanNoach, vanAden vanThemoed, en van het volk vanAbraham, en van de bewoners vanMadian, en van de steden die verwoest werden29? Hunne apostelen kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.72.En de geloovige mannen en de geloovige vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed, en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en wijs.73.God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen, tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven; hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf30; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning zijn. Dat zal een groot heil wezen.74.O Profeet! onderneem den oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig verblijf!75.Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid geuit en werden ongeloovigen,nadat zij den Islam hadden omhelsd. En zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben verrijkt31. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn; maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben.76.Er zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan, zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft, zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden.77.Maar toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig, keerden zich om en wendden zich ver weg.78.Daarom liet God huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben gehandeld.79.Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent?80.Zij die de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan.81.Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal God hun op geenerlei wijze vergeven32. Dit is omdat zij niet in God en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet.82.Zij die bij de expeditie vanTaboecte huis bleven, waren verblijd achter den profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeterzijn; indien zij dit maar begrepen!83.Laat hen dus weinig lachen; zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben gedaan.84.Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen, en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan: Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus thans te huis met hen die achterblijven.85.Nimmer zult gij voor een van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil33, omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid stierven.86.Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij ongeloovigen zijn.87.Indien eene Soera34wordt nedergezonden, waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant, vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen: Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven.88.Zij zijn er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn verzegeld; daarom begrijpen zij niet.89.Maar de gezant en zij die met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken en gelukkig zijn.90.God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.91.En zekere Arabieren van de woestijn kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd, bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die niet gelooven.92.Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen35, zullen geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig.93.Noch hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen, uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht bij te dragen36.94.Maar er bestaat reden van gisping voor hen, dieu verlof vragen, te huis te mogenblijven, als zij rijk zijn. Het behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet.95.Zij zullen zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg: Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden, die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.96.Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd, u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten37. Laat hen dus alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven.97.Zij zullen u bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend zijn omtrent degenen die slecht handelen.98.De Arabieren van de woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij; en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden38en God is alwetend en wijs.99.Onder de Arabieren van de woestijn zijn er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting39rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin40mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want God hoort en weet alles.100.En onder de Arabieren van de woestijn zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade opnemen; want God is barmhartig en genadig.101.Wat de leiders en de hoofden derMohajerinen deAnsarsbetreft, en degenen die hen in het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen, en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.102.Onder de Arabieren van de woestijn, die rondom u wonen,zijn huichelachtige personen41, en onder debewonersvanMedinazijn sommigen die hardnekkig in huichelarij zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen hen zekerlijk tweemaal straffen42; daarna zullen zij tot eene pijnlijke kastijding verwezen worden.103.Anderen nebben hunne misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd, die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is barmhartig en genadig.104.Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan, opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en weet alles.105.Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig is?106.Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk, evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.107.Er zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is alwetend en wijs.108Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen, die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen.109.Zet daar nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest43. Het is beter dat gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine.110.Is dus hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in het hellevuur stort?God leidt de goddeloozen niet.111.Hun gebouw, dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden44; en God is alwetend en wijs.112.Waarlijk, God heeft van de ware geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden; de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.113.De berouwvollen en zij die God dienen en hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng dus goede tijdingen tot de geloovigen.114.Het is den profeet niet geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn45.115.OokAbrahamvroeg geene vergiffenis voor zijn vader, anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan46; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van God was, onttrok hij zich daaraan47, en waarlijk,Abrahamwas meêdoogend en menschelijk.116.God is niet geneigd een volk in dwaling te leiden48, nadat hij het ten goede heeft geleid, dan nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden;wantGod is alwetend.117.Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel en aarde; hij schenkt levenen hij doet sterven, en gij hebt geen schuts of helper naast God.118.God heeft den profeet vergeven en denMohajerinenAnsars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren; daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meêdoogend en genadig omtrent hen.119.Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven49, zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd, en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen, opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind en genadig.120.O ware geloovigen! vreest God en weest met de oprechten.121.Er bestond geene redenwaaromde bewoners vanMedinaen de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger werden geteisterd, bij de verdediging van Gods warengodsdienst; naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen; naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat de belooning der rechtvaardigen verloren ga.122.En zij dragen geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan hebben.123.De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt, geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten50, en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het volk op zijne goede zij.124.O ware geloovigen! voert oorlog tegen de ongeloovigen die u nabij zijn51en laten zij u gestreng vinden, en weet dat God met degenen is die hem vreezen.125.Als eene Soera wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die gelooven, en zij zullen zich verblijden.126.Maar bij hen, wier harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven.127.Zien zij niet, dat zij ieder jaar eensof tweemaal worden beproefd52. En toch hebben zij geen berouw en overwegen niet.128.En als eene Soera wordt nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid, omdat zij niet begrijpen.129.Thans is een gezant van uw eigen volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en genadig omtrent de geloovigen.130.Indien zij zich afwenden, zeg: God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik, en hij is de Heer van den grootschen troon.1De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen ’t Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van deBismillahin den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts één uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (AlBeidâwi,Jallalo’ddin,Yahyaenz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooalsMahometverklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk teMekkawerden geopenbaard.2Deze maanden warenShawal,Dhoe’lkaada,Dhoe’lhajjaenMoharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den vanDoe’thajjateMekkaplaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorigeRabieindigen. (Al Beidâwi).3De afkondiging van dit Hoofdstuk was doorMahometaanAliopgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, vanMedinanaarMekkarende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering teal Akabaplaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel vanMekkazal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute denCaabanaakt te betreden. (ZieHoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beidâwi, ZieAbulfed.Vit. Moh.pag. 127, enz.)4Zoodat niettegenstaandeMahometieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.5Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.6Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beidâwi).7Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei vanHonein, die, omstreeks drie mijlen vanMekka, nabijTayefligt.8Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)9Het oorspronkelijke woord isSakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid ofSchechinahte beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (ZieHoofdstuk II, vers 249en de noot.)10Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, wasMahometop hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beidâwi).11Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid vanMekkatoegelaten.12Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan één god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74enHoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.13Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woordenan yadin, die letterlijk zouden moeten luiden:bijofuit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schattinggereedelijkof door hunneeigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eenegunstmoet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beidâwi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, datOmarhet eerste weigerde schatting van een Magiër aan te nemen, totAbd’alrahmâd Ebn Awfhem verzekerde, datMahometzelf ondersteuning aan een Magiër verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onderhet volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de Sabeïten daarbij.Aboe Hanifaveronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op eendinargesteld, of op omstreeks ƒ 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland,de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50).Aboe Hanifabepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beidâwi).14Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden vanMedinadie dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was,EzraofEsdrasweder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zieHoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)15ZieHoofdstuk III: vers 57en de noot.16Door het nemen van steekpenningen, zegtAl Beidâwi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.17Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramadân-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (ZiePrid.,Life of Moh.p. 65, enz.)18Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.19ZieHoofdstuk V: vers 59.20Zijnde, datAboe Bekralleen met hem was.21Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden,Savary).22DaarMahometverscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.23Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.24Zooals zij deden in den slag vanOhod. ZieHoofdstuk III vers 49.25Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.26De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woordenfakirenmeskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.27Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.28Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.29NamelijkSodomenGomorrahen de andere steden die haar lot deelden, en thansAl Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.30Letterlijk: de tuinen vanEden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).31Mahometsverblijf teMedinawas namelijk van groot voordeel voor die plaats.32Gedurende de laatste ziekte vanAbda’llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneensAbda’llahgenaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beidâwi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woordenverzadigenenzeven, beidenשבעgenaamd, als ware het ’t volkomene, het verzadigde getal: vergelijkSchillersPiccolominii2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art.Zeven.33Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch doorzijngrafstede te bezoeken.34Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eeneSoeragenaamd.35Door hunne groote armoede, zooals de vanJoheina,MozeinaenBanoe Odhra(Al Beidâwi).36De personen hier bedoeld, waren zeven man van deAnsars, die totMahometkwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzenen gezooldeschoenenzou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.37En hen niet kastijden.38Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beidâwi).39Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.40Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.41Zijnde in de nabuurschap vanMedina. Dit waren de stammen vanJoheina,Mozeina,Aslam,AshjaenGhifar(Al Beidâwi).42Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beidâwi.)43Zijnde die vanKobâ, eene plaats op twee mijlen afstands vanMedinagelegen waarMahometgedurende zijne vlucht vanMekkavier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Ebn Shonnah) die later doorBanoe Amroe Ebn Awfwerd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke doorMahometteMedinawerd gesticht.44Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.45Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.46Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aanAbrahamdoor zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.47Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. ZieHoofdstuk VI, vers 78en volg.48Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vóór het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eersteKeblahadden gebeden, wijn gedronken, enz.49DrieAnsars, dieMahometniet naarTaboecgevolgd waren.50Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.51Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.52Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.
Negende Hoofdstuk.De Verklaring van Vrijstelling1.Gegeven teMedina.—130 verzen.1.Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan.2.Ga en reis gedurende vier maanden2met zekerheidop aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken.3.En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht3, dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan.4.Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan4. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen.5.En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig.6.En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats5. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet.7.Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen.8.Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben,zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards.9.Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten.10.Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren.11.Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen.12.Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken.13.Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt.14.Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven.15.En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs.16.Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet.17.En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven.18.Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid6.19.Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet.20.Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods wareneeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen.21.Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken.22.Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot.23.O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld.24.Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet.25.God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag vanHonein7, waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng8, niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend.26.Later zond God zijn bescherming9op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen.27.Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen10; want God is barmhartig en genadig.28.O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar11den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoedevreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs.29.Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven12, en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald13, en zij vernederd zijn.30.De Joden zeggen:Ozaïris de zoon van God, en de Christenen zeggenChristusis de zoonvan God14. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij!31.Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God15, benevensChristus, de zoon vanMaria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen.32.Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben.33.Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn.34.O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid16en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf.35.Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld.36.Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf17, die door Gods boek18werden ingesteld, op den dag,dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen.37.Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet.38.O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende.39.Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen19, hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig.40.Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uitMekkaverdreven, den tweede van de twee20, toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs.41.Trekt ten strijd, lichten en zwaren21, en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet.42.Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn.43.God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven22, voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken,en voor dat gij de leugenaars kendet?44.Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen.45.Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd.46.Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten23.47.Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen.48.Reeds vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken24, en zij verwarden uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren.49.Sommigen van hen zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal de ongeloovigen verwoesten.50.Indien gij met geluk wordt bedeeld, bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij: Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af, en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt.51.Zeg: Niets zal ons overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts, en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen.52.Zeg: Verwacht gij dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u, dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen25. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op u wachten.53.Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen, voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij goddeloozen zijt.54.En niets verhindert hunne gaven aan te nemen, dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof slechts onwillig besteden.55.Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken op deze wereld straffen,en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren, maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen.56.Indien zij een toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen.58.Er zijn ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen, zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen, onthoudt het, zijn zij toornig.59.Maar indien zij tevreden waren geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven, en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God: waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn.60.Aalmoezen moeten alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden26en aan hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen; voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger.61.Dit is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor27. Antwoord: Hij is een goed oor voor u28; hij gelooft in God en hij vertrouwt den geloovige.62.En hij is eene genade voor degenen van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen eene smartelijke straf ondergaan.63.Zij zweren u bij God, dat zij u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn.64.Weten zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weêrstand biedt, zonder twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig verblijven zal? Dit is eene groote schande.65.De huichelaars vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen: Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij vreest te zien openbaren.66.En indien gij hun de reden van deze bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne teekens en met zijn apostel?67.Tracht niet u te verontschuldigen; gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofdte hebben. Indien wij een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar zij boozen waren.68.Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is, en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars zijn goddeloozen.69.God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan.70.Gij handelt evenals zij, die vóór u bestonden. Zij waren sterker dan gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld, en zij zijn het die verloren gaan.71.Waart gij niet bekend met de geschiedenis van hen, die vóór hen bestonden? Van het volk vanNoach, vanAden vanThemoed, en van het volk vanAbraham, en van de bewoners vanMadian, en van de steden die verwoest werden29? Hunne apostelen kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.72.En de geloovige mannen en de geloovige vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed, en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en wijs.73.God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen, tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven; hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf30; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning zijn. Dat zal een groot heil wezen.74.O Profeet! onderneem den oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig verblijf!75.Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid geuit en werden ongeloovigen,nadat zij den Islam hadden omhelsd. En zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben verrijkt31. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn; maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben.76.Er zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan, zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft, zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden.77.Maar toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig, keerden zich om en wendden zich ver weg.78.Daarom liet God huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben gehandeld.79.Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent?80.Zij die de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan.81.Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal God hun op geenerlei wijze vergeven32. Dit is omdat zij niet in God en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet.82.Zij die bij de expeditie vanTaboecte huis bleven, waren verblijd achter den profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeterzijn; indien zij dit maar begrepen!83.Laat hen dus weinig lachen; zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben gedaan.84.Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen, en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan: Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus thans te huis met hen die achterblijven.85.Nimmer zult gij voor een van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil33, omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid stierven.86.Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij ongeloovigen zijn.87.Indien eene Soera34wordt nedergezonden, waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant, vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen: Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven.88.Zij zijn er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn verzegeld; daarom begrijpen zij niet.89.Maar de gezant en zij die met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken en gelukkig zijn.90.God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.91.En zekere Arabieren van de woestijn kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd, bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die niet gelooven.92.Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen35, zullen geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig.93.Noch hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen, uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht bij te dragen36.94.Maar er bestaat reden van gisping voor hen, dieu verlof vragen, te huis te mogenblijven, als zij rijk zijn. Het behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet.95.Zij zullen zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg: Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden, die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.96.Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd, u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten37. Laat hen dus alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven.97.Zij zullen u bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend zijn omtrent degenen die slecht handelen.98.De Arabieren van de woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij; en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden38en God is alwetend en wijs.99.Onder de Arabieren van de woestijn zijn er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting39rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin40mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want God hoort en weet alles.100.En onder de Arabieren van de woestijn zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade opnemen; want God is barmhartig en genadig.101.Wat de leiders en de hoofden derMohajerinen deAnsarsbetreft, en degenen die hen in het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen, en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.102.Onder de Arabieren van de woestijn, die rondom u wonen,zijn huichelachtige personen41, en onder debewonersvanMedinazijn sommigen die hardnekkig in huichelarij zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen hen zekerlijk tweemaal straffen42; daarna zullen zij tot eene pijnlijke kastijding verwezen worden.103.Anderen nebben hunne misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd, die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is barmhartig en genadig.104.Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan, opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en weet alles.105.Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig is?106.Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk, evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.107.Er zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is alwetend en wijs.108Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen, die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen.109.Zet daar nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest43. Het is beter dat gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine.110.Is dus hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in het hellevuur stort?God leidt de goddeloozen niet.111.Hun gebouw, dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden44; en God is alwetend en wijs.112.Waarlijk, God heeft van de ware geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden; de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.113.De berouwvollen en zij die God dienen en hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng dus goede tijdingen tot de geloovigen.114.Het is den profeet niet geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn45.115.OokAbrahamvroeg geene vergiffenis voor zijn vader, anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan46; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van God was, onttrok hij zich daaraan47, en waarlijk,Abrahamwas meêdoogend en menschelijk.116.God is niet geneigd een volk in dwaling te leiden48, nadat hij het ten goede heeft geleid, dan nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden;wantGod is alwetend.117.Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel en aarde; hij schenkt levenen hij doet sterven, en gij hebt geen schuts of helper naast God.118.God heeft den profeet vergeven en denMohajerinenAnsars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren; daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meêdoogend en genadig omtrent hen.119.Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven49, zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd, en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen, opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind en genadig.120.O ware geloovigen! vreest God en weest met de oprechten.121.Er bestond geene redenwaaromde bewoners vanMedinaen de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger werden geteisterd, bij de verdediging van Gods warengodsdienst; naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen; naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat de belooning der rechtvaardigen verloren ga.122.En zij dragen geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan hebben.123.De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt, geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten50, en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het volk op zijne goede zij.124.O ware geloovigen! voert oorlog tegen de ongeloovigen die u nabij zijn51en laten zij u gestreng vinden, en weet dat God met degenen is die hem vreezen.125.Als eene Soera wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die gelooven, en zij zullen zich verblijden.126.Maar bij hen, wier harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven.127.Zien zij niet, dat zij ieder jaar eensof tweemaal worden beproefd52. En toch hebben zij geen berouw en overwegen niet.128.En als eene Soera wordt nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid, omdat zij niet begrijpen.129.Thans is een gezant van uw eigen volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en genadig omtrent de geloovigen.130.Indien zij zich afwenden, zeg: God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik, en hij is de Heer van den grootschen troon.1De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen ’t Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van deBismillahin den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts één uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (AlBeidâwi,Jallalo’ddin,Yahyaenz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooalsMahometverklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk teMekkawerden geopenbaard.2Deze maanden warenShawal,Dhoe’lkaada,Dhoe’lhajjaenMoharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den vanDoe’thajjateMekkaplaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorigeRabieindigen. (Al Beidâwi).3De afkondiging van dit Hoofdstuk was doorMahometaanAliopgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, vanMedinanaarMekkarende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering teal Akabaplaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel vanMekkazal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute denCaabanaakt te betreden. (ZieHoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beidâwi, ZieAbulfed.Vit. Moh.pag. 127, enz.)4Zoodat niettegenstaandeMahometieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.5Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.6Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beidâwi).7Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei vanHonein, die, omstreeks drie mijlen vanMekka, nabijTayefligt.8Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)9Het oorspronkelijke woord isSakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid ofSchechinahte beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (ZieHoofdstuk II, vers 249en de noot.)10Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, wasMahometop hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beidâwi).11Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid vanMekkatoegelaten.12Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan één god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74enHoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.13Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woordenan yadin, die letterlijk zouden moeten luiden:bijofuit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schattinggereedelijkof door hunneeigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eenegunstmoet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beidâwi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, datOmarhet eerste weigerde schatting van een Magiër aan te nemen, totAbd’alrahmâd Ebn Awfhem verzekerde, datMahometzelf ondersteuning aan een Magiër verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onderhet volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de Sabeïten daarbij.Aboe Hanifaveronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op eendinargesteld, of op omstreeks ƒ 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland,de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50).Aboe Hanifabepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beidâwi).14Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden vanMedinadie dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was,EzraofEsdrasweder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zieHoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)15ZieHoofdstuk III: vers 57en de noot.16Door het nemen van steekpenningen, zegtAl Beidâwi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.17Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramadân-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (ZiePrid.,Life of Moh.p. 65, enz.)18Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.19ZieHoofdstuk V: vers 59.20Zijnde, datAboe Bekralleen met hem was.21Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden,Savary).22DaarMahometverscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.23Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.24Zooals zij deden in den slag vanOhod. ZieHoofdstuk III vers 49.25Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.26De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woordenfakirenmeskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.27Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.28Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.29NamelijkSodomenGomorrahen de andere steden die haar lot deelden, en thansAl Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.30Letterlijk: de tuinen vanEden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).31Mahometsverblijf teMedinawas namelijk van groot voordeel voor die plaats.32Gedurende de laatste ziekte vanAbda’llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneensAbda’llahgenaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beidâwi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woordenverzadigenenzeven, beidenשבעgenaamd, als ware het ’t volkomene, het verzadigde getal: vergelijkSchillersPiccolominii2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art.Zeven.33Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch doorzijngrafstede te bezoeken.34Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eeneSoeragenaamd.35Door hunne groote armoede, zooals de vanJoheina,MozeinaenBanoe Odhra(Al Beidâwi).36De personen hier bedoeld, waren zeven man van deAnsars, die totMahometkwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzenen gezooldeschoenenzou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.37En hen niet kastijden.38Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beidâwi).39Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.40Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.41Zijnde in de nabuurschap vanMedina. Dit waren de stammen vanJoheina,Mozeina,Aslam,AshjaenGhifar(Al Beidâwi).42Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beidâwi.)43Zijnde die vanKobâ, eene plaats op twee mijlen afstands vanMedinagelegen waarMahometgedurende zijne vlucht vanMekkavier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Ebn Shonnah) die later doorBanoe Amroe Ebn Awfwerd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke doorMahometteMedinawerd gesticht.44Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.45Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.46Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aanAbrahamdoor zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.47Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. ZieHoofdstuk VI, vers 78en volg.48Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vóór het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eersteKeblahadden gebeden, wijn gedronken, enz.49DrieAnsars, dieMahometniet naarTaboecgevolgd waren.50Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.51Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.52Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.
Negende Hoofdstuk.De Verklaring van Vrijstelling1.Gegeven teMedina.—130 verzen.
Gegeven teMedina.—130 verzen.
Gegeven teMedina.—130 verzen.
1.Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan.2.Ga en reis gedurende vier maanden2met zekerheidop aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken.3.En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht3, dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan.4.Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan4. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen.5.En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig.6.En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats5. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet.7.Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen.8.Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben,zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards.9.Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten.10.Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren.11.Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen.12.Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken.13.Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt.14.Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven.15.En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs.16.Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet.17.En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven.18.Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid6.19.Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet.20.Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods wareneeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen.21.Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken.22.Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot.23.O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld.24.Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet.25.God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag vanHonein7, waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng8, niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend.26.Later zond God zijn bescherming9op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen.27.Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen10; want God is barmhartig en genadig.28.O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar11den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoedevreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs.29.Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven12, en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald13, en zij vernederd zijn.30.De Joden zeggen:Ozaïris de zoon van God, en de Christenen zeggenChristusis de zoonvan God14. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij!31.Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God15, benevensChristus, de zoon vanMaria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen.32.Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben.33.Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn.34.O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid16en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf.35.Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld.36.Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf17, die door Gods boek18werden ingesteld, op den dag,dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen.37.Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet.38.O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende.39.Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen19, hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig.40.Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uitMekkaverdreven, den tweede van de twee20, toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs.41.Trekt ten strijd, lichten en zwaren21, en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet.42.Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn.43.God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven22, voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken,en voor dat gij de leugenaars kendet?44.Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen.45.Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd.46.Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten23.47.Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen.48.Reeds vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken24, en zij verwarden uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren.49.Sommigen van hen zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal de ongeloovigen verwoesten.50.Indien gij met geluk wordt bedeeld, bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij: Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af, en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt.51.Zeg: Niets zal ons overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts, en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen.52.Zeg: Verwacht gij dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u, dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen25. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op u wachten.53.Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen, voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij goddeloozen zijt.54.En niets verhindert hunne gaven aan te nemen, dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof slechts onwillig besteden.55.Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken op deze wereld straffen,en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren, maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen.56.Indien zij een toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen.58.Er zijn ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen, zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen, onthoudt het, zijn zij toornig.59.Maar indien zij tevreden waren geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven, en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God: waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn.60.Aalmoezen moeten alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden26en aan hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen; voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger.61.Dit is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor27. Antwoord: Hij is een goed oor voor u28; hij gelooft in God en hij vertrouwt den geloovige.62.En hij is eene genade voor degenen van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen eene smartelijke straf ondergaan.63.Zij zweren u bij God, dat zij u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn.64.Weten zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weêrstand biedt, zonder twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig verblijven zal? Dit is eene groote schande.65.De huichelaars vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen: Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij vreest te zien openbaren.66.En indien gij hun de reden van deze bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne teekens en met zijn apostel?67.Tracht niet u te verontschuldigen; gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofdte hebben. Indien wij een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar zij boozen waren.68.Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is, en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars zijn goddeloozen.69.God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan.70.Gij handelt evenals zij, die vóór u bestonden. Zij waren sterker dan gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld, en zij zijn het die verloren gaan.71.Waart gij niet bekend met de geschiedenis van hen, die vóór hen bestonden? Van het volk vanNoach, vanAden vanThemoed, en van het volk vanAbraham, en van de bewoners vanMadian, en van de steden die verwoest werden29? Hunne apostelen kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.72.En de geloovige mannen en de geloovige vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed, en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en wijs.73.God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen, tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven; hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf30; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning zijn. Dat zal een groot heil wezen.74.O Profeet! onderneem den oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig verblijf!75.Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid geuit en werden ongeloovigen,nadat zij den Islam hadden omhelsd. En zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben verrijkt31. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn; maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben.76.Er zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan, zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft, zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden.77.Maar toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig, keerden zich om en wendden zich ver weg.78.Daarom liet God huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben gehandeld.79.Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent?80.Zij die de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan.81.Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal God hun op geenerlei wijze vergeven32. Dit is omdat zij niet in God en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet.82.Zij die bij de expeditie vanTaboecte huis bleven, waren verblijd achter den profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeterzijn; indien zij dit maar begrepen!83.Laat hen dus weinig lachen; zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben gedaan.84.Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen, en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan: Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus thans te huis met hen die achterblijven.85.Nimmer zult gij voor een van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil33, omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid stierven.86.Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij ongeloovigen zijn.87.Indien eene Soera34wordt nedergezonden, waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant, vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen: Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven.88.Zij zijn er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn verzegeld; daarom begrijpen zij niet.89.Maar de gezant en zij die met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken en gelukkig zijn.90.God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.91.En zekere Arabieren van de woestijn kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd, bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die niet gelooven.92.Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen35, zullen geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig.93.Noch hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen, uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht bij te dragen36.94.Maar er bestaat reden van gisping voor hen, dieu verlof vragen, te huis te mogenblijven, als zij rijk zijn. Het behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet.95.Zij zullen zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg: Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden, die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.96.Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd, u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten37. Laat hen dus alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven.97.Zij zullen u bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend zijn omtrent degenen die slecht handelen.98.De Arabieren van de woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij; en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden38en God is alwetend en wijs.99.Onder de Arabieren van de woestijn zijn er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting39rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin40mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want God hoort en weet alles.100.En onder de Arabieren van de woestijn zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade opnemen; want God is barmhartig en genadig.101.Wat de leiders en de hoofden derMohajerinen deAnsarsbetreft, en degenen die hen in het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen, en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.102.Onder de Arabieren van de woestijn, die rondom u wonen,zijn huichelachtige personen41, en onder debewonersvanMedinazijn sommigen die hardnekkig in huichelarij zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen hen zekerlijk tweemaal straffen42; daarna zullen zij tot eene pijnlijke kastijding verwezen worden.103.Anderen nebben hunne misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd, die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is barmhartig en genadig.104.Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan, opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en weet alles.105.Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig is?106.Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk, evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.107.Er zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is alwetend en wijs.108Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen, die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen.109.Zet daar nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest43. Het is beter dat gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine.110.Is dus hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in het hellevuur stort?God leidt de goddeloozen niet.111.Hun gebouw, dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden44; en God is alwetend en wijs.112.Waarlijk, God heeft van de ware geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden; de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.113.De berouwvollen en zij die God dienen en hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng dus goede tijdingen tot de geloovigen.114.Het is den profeet niet geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn45.115.OokAbrahamvroeg geene vergiffenis voor zijn vader, anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan46; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van God was, onttrok hij zich daaraan47, en waarlijk,Abrahamwas meêdoogend en menschelijk.116.God is niet geneigd een volk in dwaling te leiden48, nadat hij het ten goede heeft geleid, dan nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden;wantGod is alwetend.117.Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel en aarde; hij schenkt levenen hij doet sterven, en gij hebt geen schuts of helper naast God.118.God heeft den profeet vergeven en denMohajerinenAnsars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren; daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meêdoogend en genadig omtrent hen.119.Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven49, zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd, en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen, opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind en genadig.120.O ware geloovigen! vreest God en weest met de oprechten.121.Er bestond geene redenwaaromde bewoners vanMedinaen de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger werden geteisterd, bij de verdediging van Gods warengodsdienst; naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen; naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat de belooning der rechtvaardigen verloren ga.122.En zij dragen geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan hebben.123.De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt, geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten50, en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het volk op zijne goede zij.124.O ware geloovigen! voert oorlog tegen de ongeloovigen die u nabij zijn51en laten zij u gestreng vinden, en weet dat God met degenen is die hem vreezen.125.Als eene Soera wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die gelooven, en zij zullen zich verblijden.126.Maar bij hen, wier harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven.127.Zien zij niet, dat zij ieder jaar eensof tweemaal worden beproefd52. En toch hebben zij geen berouw en overwegen niet.128.En als eene Soera wordt nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid, omdat zij niet begrijpen.129.Thans is een gezant van uw eigen volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en genadig omtrent de geloovigen.130.Indien zij zich afwenden, zeg: God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik, en hij is de Heer van den grootschen troon.
1.Eene verklaring van vrijstelling van God en zijn gezant, aan zoodanige afgodendienaars, met welke gij een verbond hebt aangegaan.2.Ga en reis gedurende vier maanden2met zekerheidop aarde, en weet dat gij God niet zult verzwakken, en dat God de ongeloovigen zal schandvlekken.3.En eene verklaring van God en zijn gezant voor het volk, op den dag van den grooteren pelgrimstocht3, dat God vrij is, en ook zijn gezant, omtrent de afgodendienaars. Daarom zal het beter voor u zijn, indien gij berouw betoont; maar indien gij u afwendt, weet dan, dat gij God niet zult verzwakken. Kondig den ongeloovigen eene pijnlijke straf aan.4.Uitgenomen zulke afgodendienaars waarmede gij een verbond hebt aangegaan, en die dit later op geenerlei wijze schenden, noch een ander tegen u bijstaan4. Handhaaf dus het verbond dat gij met hen hebt aangegaan, tot hun tijd zal zijn verloopen; want God bemint hen die hem vreezen.5.En wanneer de maanden, waarin het u niet geoorloofd is hen aan te vallen, zullen zijn verloopen, dood dan de afgodendienaars waar gij hen moogt vinden; maak hen gevangen, beleger hen en wacht hen op iedere geschikte plaats op. Maar indien zij berouw mochten betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen en de voorgeschrevene aalmoezen geven, stel hen dan in vrijheid; uw God is genadig en barmhartig.6.En indien een der afgodendienaars u ondersteuning vraagt, verleen hen die, opdat hij Gods woord hoore, en voer hem daarna naar eene veilige plaats5. Dit zult gij doen; want zij kennen de uitnemendheid van uwen godsdienst nog niet.7.Hoe zouden de afgodendienaars tot een verbond met God en zijn gezant worden toegelaten, uitgenomen zij met welke gij een verbond in den heiligen tempel sluit. Zoo lang zij getrouw omtrent u handelen, handel ook gij getrouw omtrent hen; want God bemint hen, die hem vreezen.8.Hoe kunnen zij een verbond met u hebben? Indien zij de overhand boven u hebben,zullen zij noch ontzag voor uwe bloedverwantschap, noch voor uw geloof hebben. Zij zullen u met hunne monden toestemmen, doch hunne harten zullen afkeerig van u wezen; want het grootste gedeelte hunner zijn snoodaards.9.Zij verkoopen Gods teekenen voor een nietigen prijs en versperren zijn weg; voorzeker het is boos wat zij verrichten.10.Zij eerbiedigen bij de geloovigen noch bloedverwantschap noch geloof; en dat zijn de zondaren.11.Maar indien zij berouw betoonen, en de bepaalde tijden voor het gebed in acht nemen, en aalmoezen geven, zullen zij uwe broederen in den godsdienst zijn. Wij verklaren onze teekens duidelijk voor hen, die geneigd zijn te begrijpen.12.Maar indien zij hunne eeden na het aangaan van hun verbond schenden, en uwen godsdienst aantasten, tast dan de aanvoerders der ongeloovigen aan (want bij hen bestaat geene trouw), opdat zij hunne verraderijen staken.13.Wilt gij niet strijden tegen hen, die hunne eeden geschonden en samengezworen hebben, om Gods gezant te verjagen? Zij waren de zondaren. Zoudt gij hen vreezen? Het is rechtvaardiger, dat gij God vreest, indien gij ware geloovigen zijt.14.Valt hen dus aan; God zal hen door uwe handen straffen; hij zal hen met schaamte bedekken, en zal u de overwinning op hen schenken; en hij zal de borst genezen van hen die gelooven.15.En hij zal de verontwaardiging uit hunne harten wegnemen; want hij zal zich wenden tot hen, die hem behagen. God is alwetend en wijs.16.Verbeelddet gij u, dat gij verlaten zoudt worden, alsof God hen nog niet kende, die voor zijnen godsdienst streden, en naast God en zijn apostel niemand, maar de geloovigen tot hunne vrienden kozen? God is wel bekend met hetgeen gij doet.17.En waarom zouden de ongeloovigen Gods tempelen bezoeken? daar zij zelven getuigen van hun ongeloof tegen hunne eigene zielen zijn. De werken dier menschen zijn ijdel, en zij zullen eeuwig in de hel verblijven.18.Maar hij alleen zal Gods tempelen bezoeken, die in God en den laatsten dag gelooft en volhardend in het bidden is: die de voorgeschreven aalmoezen geeft en God vreest. Deze zal misschien tot hen behooren, die op den rechten weg worden geleid6.19.Rekent gij het reiken van drank aan de bedevaartgangers en het bezoeken van den heiligen tempel, als daden van dezelfde verdienste als diegene, welke door hem worden verricht, die in God en den laatsten dag gelooft en voor Gods eeredienst strijdt? Zij zullen voor God niet gelijk zijn; want God leidt de onrechtvaardigen niet.20.Zij die geloofd hebben en hun land verlieten, en hunne bezittingen en hun persoon aan de verdediging van Gods wareneeredienst wijdden, zullen door God op de hoogste trap van eer worden gesteld, en deze zijn het, die gelukkig zullen wezen.21.Hun Heer zendt hun goede tijdingen van genade, van welwillendheid en van tuinen, waar zij bestendige genoegens zullen smaken.22.Zij zullen daarin eeuwig verblijven; want de belooning van God is groot.23.O ware geloovigen! kiest uwe vaderen of uwe broeders niet tot uwe vrienden, indien zij ongeloof boven geloof beminnen; en wie uwer hen tot zijne vrienden mocht kiezen, zal onder de goddeloozen worden geteld.24.Zeg: Indien uwe vaderen en uwe zonen, en uwe broeders en uwe vrouwen, en uwe bloedverwanten en het vermogen dat gij hebt verworven en uw handel, welks verval gij vreest, en de woningen waarin gij u beweegt, u dierbaarder zijn dan God en zijn apostel, en de vooruitgang van zijnen godsdienst, wacht dan tot God zijn bevel zendt; want God leidt de goddeloozen niet.25.God heeft u in verschillende gevechten bijgestaan, en hoofdzakelijk in den slag vanHonein7, waar gij u in uw groot aantal hebt verheugd; maar het was u niet voordeelig, en de aarde was u te eng8, niettegenstaande zij ruim was; daarop zijt gij heengetrokken en hebt u afgewend.26.Later zond God zijn bescherming9op zijn apostel en op de geloovigen neder, en hij zond engelenscharen neder, die gij niet zaagt, en strafte hen, die niet geloofden; en dit was de vergelding der ongeloovigen.27.Hierna zal God zich slechts wenden tot hen die hem behagen10; want God is barmhartig en genadig.28.O ware geloovigen! waarlijk de afgodendienaars zijn onrein; laat hen dus na verloop van dit jaar11den heiligen tempel niet naderen. Indien gij de armoedevreest door het afsnijden van handelsgemeenschap met hen, zal God u van zijn overvloed verrijken, indien het hem behaagt: want God is alwetend en wijs.29.Strijdt tegen degenen, die noch aan God: noch aan den jongsten dag gelooven12, en niet verbieden wat God in zijn apostel hebben verboden, en den waren godsdienst niet belijden van hen, aan wie de schriften werden geopenbaard, tot zij door het recht van onderwerping schatting hebben betaald13, en zij vernederd zijn.30.De Joden zeggen:Ozaïris de zoon van God, en de Christenen zeggenChristusis de zoonvan God14. Dat is wat zij met hunne monden zeggen. Zij bootsen de taal na van hen, die in vroegere tijden ongeloovigen waren. Dat God hun den oorlog aandoe. Hoe dwaas zijn zij!31.Zij kiezen hunne priesters en hunne monniken tot hunne heeren naast God15, benevensChristus, de zoon vanMaria, hoewel het hun is geboden, slechts één God te aanbidden; en er is geen God buiten hem. Het zij verre van hem wat zij met hem vereenigen.32.Zij trachten het licht van God door hunne monden uit te blusschen; maar God wil slechts zijn licht volmaken, hoewel de ongeloovigen daarvan een afkeer hebben.33.Hij is het, die zijn apostel met de leiding en den waren godsdienst heeft gezonden, opdat hij zijnen voorrang boven iederen anderen godsdienst zou aantoonen, hoewel de afgodendienaars er afkeerig van mogen zijn.34.O ware geloovigen! waarlijk, velen der priesters en monniken verteren het vermogen der menschen in ijdelheid16en versperren den weg van God. Maar hun, die goud en zilver verzamelen en het niet voor den vooruitgang van Gods waren dienst gebruiken, verkondig eene gestrenge straf.35.Op den dag des oordeels zullen hunne schatten sterk verhit worden in het vuur der hel, en hunne voorhoofden en hunne zijden en hunne ruggen zullen daarmede gebrandmerkt worden, en hunne pijnigers zullen hun zeggen: Dit zijn de schatten, welke gij voor uwe ziel hebt vergaderd. Proef dus wat gij hebt verzameld.36.Het volkomen getal van Gods maanden is twaalf17, die door Gods boek18werden ingesteld, op den dag,dat hij de hemelen en de aarde schiep: vier daarvan zijn geheiligd. Dit is de ware godsdienst. Handel hierin dus niet onrechtvaardig met u zelven. Maar val de afgodendienaars in alle maanden aan, daar zij u evens in alle maanden aanvallen, en weet, dat God met degenen is die hem vreezen.37.Waarlijk, het overbrengen van een geheiligde maand op eene andere maand is eene overmaat van ongeloof. De ongeloovigen zijn daardoor in eene dwaling gebracht; zij staan toe, dat een maand in het ééne jaar worde geschonden, en verklaren die in een ander jaar voor heilig, opdat zij het getal maanden zouden volmaken, die volgens Gods bevel heilig moeten gehouden worden; en zij veroorloven, wat God verboden heeft. Het slechte hunner daden is hun door den Satan bereid; want God leidt de ongeloovigen niet.38.O ware geloovigen! wat scheelde u, dat, toen men u zeide: vertrekt, om voor Gods eeredienst te strijden, gij u als bewaard ter aarde hebt gebogen? Verkiest gij het tegenwoordige leven boven het volgende? Maar de genietingen van dit leven zijn slechts onbeduidend in vergelijking met die van het volgende.39.Indien gij niet vertrekt als gij ten oorlog wordt opgeroepen, zal God u met eene gestrenge straf tuchtigen, en hij zal een ander volk op uwe plaats stellen19, hetgeen hem volstrekt niet zal deren; want God is almachtig.40.Indien gij den profeet niet bijstaat, waarlijk, dan zal God hem bijstaan, zoo als hij dat vroeger deed, toen de ongeloovigen hem uitMekkaverdreven, den tweede van de twee20, toen zij beiden in het hol waren. Toen zeide hij tot zijne gezellen: Weest niet bedroefd; want God is met ons. En God zond zijne zekerheid op hem neder en versterkte hem met legers en engelen, die gij niet zaagt. En hij vernederde het woord van hen, die niet geloofden en Gods woord werd verheven; want God is machtig en wijs.41.Trekt ten strijd, lichten en zwaren21, en wijdt uwe bezittingen en uwe personen aan den vooruitgang van Gods geloof. Dit zal beter voor u zijn, dat gij het weet.42.Indien het een nabij gelegen voordeel of eene gemakkelijke reis ware geweest, zouden zij u zeker zijn gevolgd; maar de weg scheen hun lang, en thans zweren zij bij God, zeggende: Indien wij daartoe in staat waren geweest, zouden wij u zeker hebben gevolgd. Zij vernietigen hunne eigene zielen; want God weet dat zij leugenaars zijn.43.God vergeve het u! waarom gaaft gij hun verlof te huis te blijven22, voor dat het u was bewezen, dat zij waarheid spraken,en voor dat gij de leugenaars kendet?44.Zij, die in God en den jongsten dag gelooven, zullen u geen verlof vragen om er van ontslagen te worden, hun vermogen en hunne personen aan den vooruitgang van Gods waar geloof te wijden; en God kent hen, die hem vreezen.45.Waarlijk, zij alleen zullen u verlof vragen, die niet in God en den jongsten dag gelooven en wier harten nopens het geloof twijfelen; terwijl zij in hunnen twijfel heen en weder worden geslingerd.46.Indien zij geneigd zouden zijn geweest, met u te vertrekken, zouden zij zekerlijk voor dat doel een voorraad van wapens en benoodigdheden hebben gereed gemaakt; maar God was er afkeerig van, hen te laten vertrekken; hij heeft hen traag gemaakt en hij zeide tot hen: zit stil met hen die stil zitten23.47.Indien zij met u waren vertrokken, zouden zij slechts een last voor u geweest zijn, en heen en weder geloopen, en tot opstand aangezet hebben; en er zouden sommigen onder u zijn geweest, die hun gehoor zouden gegeven hebben; maar God kent de boozen.48.Reeds vroeger trachtten zij opstand te veroorzaken24, en zij verwarden uwe zaken, tot de waarheid verscheen en Gods bevel duidelijk werd gemaakt, hoewel zij er afkeerig van waren.49.Sommigen van hen zeggen tot u: Geef mij verlof achter te blijven, en stel mij aan geene verzoeking bloot. Zijn zij er niet reeds toe vervallen? Maar de hel zal de ongeloovigen verwoesten.50.Indien gij met geluk wordt bedeeld, bedroeft het hun, maar indien u een ongeluk overkomt, zeggen zij: Wij hebben onze maatregelen vooraf genomen, en zij wenden zich af, en verheugen zich, dat gij ongelukkig zijt.51.Zeg: Niets zal ons overkomen, dan wat God over ons heeft besloten; hij is onze schuts, en in God stelt de geloovige zijn vertrouwen.52.Zeg: Verwacht gij dat ons iets anders zal overkomen, dan een der twee uitmuntendste dingen, overwinning of martelaarschap? Maar wij verwachten omtrent u, dat God u eene straf oplegt, hetzij van hem zelven of door onze handen25. Wacht dus, om te zien wat het einde zal zijn; want wij zullen op u wachten.53.Zeg: Besteedt uw geld, zoowel vrijwillig als gedwongen, voor vrome doeleinden; het zal niet van u worden aangenomen daar gij goddeloozen zijt.54.En niets verhindert hunne gaven aan te nemen, dan dat zij niet in God en zijn apostel gelooven, en dat zij het gebed niet anders dan onachtzaam verrichten, en hun geld voor Gods geloof slechts onwillig besteden.55.Laten hunne rijkdommen of hunne kinderen u dus niet verwonderen. Waarlijk, God wil hen slechts door die zaken op deze wereld straffen,en dat hunne zielen hen verlaten, tijdens zij ongeloovigen zijn. Zij zweren bij God, dat zij tot de uwen behooren, maar zij behooren niet tot u; doch zij vreezen.56.Indien zij een toevluchtsoord, of holen, of een onderaardsch gewelf vinden, wenden zij zich af en begeven zich zoo spoedig mogelijk daarheen.58.Er zijn ook onder hen, die slechte berichten omtrent u verspreiden, nopens uwe uitdeeling van aalmoezen; maar indien zij een deel daarvan ontvangen, zijn zij wel tevreden, doch indien zij geen deel daarvan ontvangen, onthoudt het, zijn zij toornig.59.Maar indien zij tevreden waren geweest met datgene, wat God en zijn apostel hun hebben gegeven, en zoo zij gezegd hadden: God is onze steun; God zal ons van zijn overvloed geven, evenals zijn Profeet, en wij begeeren slechts God: waarlijk het zou beter voor hen geweest zijn.60.Aalmoezen moeten alleen uitgereikt worden aan de armen, de hulpbehoevenden26en aan hen, welke gebruikt worden om die te verzamelen en te verdeelen, en aan hen wier harten voor den Islam gewonnen zijn; voor het vrijkoopen van slaven, en aan hen die schuld hebben en niet betalen kunnen; voor de bevordering van Gods geloof en aan den reiziger.61.Dit is een bevel van God, en God is alwetend en wijs. Er zijn sommigen onder hen, die den profeet belasteren en zeggen: Hij is een oor27. Antwoord: Hij is een goed oor voor u28; hij gelooft in God en hij vertrouwt den geloovige.62.En hij is eene genade voor degenen van u, die gelooven. Maar zij die Gods apostel beleedigen, zullen eene smartelijke straf ondergaan.63.Zij zweren u bij God, dat zij u zouden willen behagen; maar het zou beter zijn dat zij Gode en zijn apostel behaagden, indien zij ware geloovigen zouden zijn.64.Weten zij niet, dat hij, die God en zijn apostel weêrstand biedt, zonder twijfel met het vuur der hel gestraft worden, en daarin voor eeuwig verblijven zal? Dit is eene groote schande.65.De huichelaars vreezen, dat eene Soera nopens hen mocht worden geopenbaard, om hun te verklaren, wat zich in hunne harten bevindt. Zeg tot hen: Gij spot, maar God zal zekerlijk aan het licht brengen, wat gij vreest te zien openbaren.66.En indien gij hun de reden van deze bespotting vraagt, zeggen zij: Waarlijk, wij spraken slechts met elkander en schertsten onder ons. Zeg: spot gij met God en zijne teekens en met zijn apostel?67.Tracht niet u te verontschuldigen; gij zijt ongeloovigen geworden, na geloofdte hebben. Indien wij een deel uwer vergeven, zullen wij een ander deel straffen, daar zij boozen waren.68.Huichelende mannen en vrouwen zetten elkander wederkeerig aan; zij gebieden wat slecht is, en verbieden wat goed is, en sluiten hunne handen om geene aalmoezen te geven. Zij hebben God vergeten; daarom heeft God ook hen vergeten: waarlijk de huichelaars zijn goddeloozen.69.God bedreigt de huichelaars, zoowel mannen als vrouwen, en de ongeloovigen met het vuur der hel; eeuwig zullen zij daarin blijven; dit zal hun verdiende loon zijn. God heeft hen vervloekt, en zij zullen eene voortdurende pijniging ondergaan.70.Gij handelt evenals zij, die vóór u bestonden. Zij waren sterker dan gij en hadden meer overvloed van rijkdommen en van kinderen; en zij genoten van hun vermogen in deze wereld, evenals gij, die uw vermogen hier geniet, gelijk zij, die u vooraf gingen, hun vermogen genoten. En gij mengt u in ijdele gesprekken, evenals zij zich daarin mengden. De daden van dezen zijn ijdel, zoowel in deze als in de volgende wereld, en zij zijn het die verloren gaan.71.Waart gij niet bekend met de geschiedenis van hen, die vóór hen bestonden? Van het volk vanNoach, vanAden vanThemoed, en van het volk vanAbraham, en van de bewoners vanMadian, en van de steden die verwoest werden29? Hunne apostelen kwamen tot hen met duidelijke aanwijzingen, en God was niet geneigd hen onrechtvaardig te behandelen; maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen.72.En de geloovige mannen en de geloovige vrouwen zijn elkanders vrienden. Zij bevelen wat rechtvaardig is en verbieden wat slecht is, en zij zijn volhardend in het gebed, en reiken de vastgestelde aalmoezen uit, en zij gehoorzamen Gode en zijne gezanten. Voor hen zal God genadig zijn; want hij is machtig en wijs.73.God beloofde den waren geloovigen, zoowel mannen als vrouwen, tuinen door rivieren besproeid, waarin zij eeuwig zullen verblijven; hij beloofde hun heerlijke woningen in de tuinen van eeuwig verblijf30; maar Gods goede gezindheid zal hunne uitnemendste belooning zijn. Dat zal een groot heil wezen.74.O Profeet! onderneem den oorlog tegen de ongeloovigen en de huichelaars, en wees gestreng omtrent hen; want hunne woning zal de hel zijn. Welk een ongelukkig verblijf!75.Zij zweren bij God, dat zij niet zeiden waarvan zij worden beschuldigd, en toch hebben zij het woord van ongeloovigheid geuit en werden ongeloovigen,nadat zij den Islam hadden omhelsd. En zij vormden een plan, maar konden het niet volvoeren; en zij vormden het niet, dan omdat God en zijn gezant hen door hunne goedheid hebben verrijkt31. Indien zij zich bekeeren, zal het beter voor hen zijn; maar indien zij terugtrekken, zal God hen met eene strenge pijniging straffen, zoo wel in deze als in de volgende wereld, en zij zullen noch eenen schuts op aarde noch eenen beschermer hebben.76.Er zijn sommigen van hen die een verbond met God hebben aangegaan, zeggende: Waarlijk, indien hij ons van zijnen overvloed geeft, zullen wij aalmoezen schenken en rechtvaardigen worden.77.Maar toen hij hun van zijn overvloed had gegeven, werden zij gierig, keerden zich om en wendden zich ver weg.78.Daarom liet God huichelarij in hunne harten opvolgen, tot den dag dat zij voor hem zullen verschijnen, om rekenschap te geven van hunne schending der beloften, die zij Gode hebben gedaan, en omdat zij bedriegelijk hebben gehandeld.79.Weten zij dan niet, dat God kent wat zij verbergen en hunne onderlinge gesprekken, en dat God alle geheimen kent?80.Zij die de geloovigen belasteren wegens de onverplichte aalmoezen, of omdat dezen daaraan niet dan met veel moeite kunnen voldoen, en hen daarom bespotten, God zal hen bespotten en zij zullen eene gestrenge straf ondergaan.81.Of gij al dan niet vergiffenis voor hen vraagt, het zal gelijk zijn. Indien gij zeventig maal vergiffenis voor hen vraagt, zal God hun op geenerlei wijze vergeven32. Dit is omdat zij niet in God en zijn gezant gelooven; en God leidt de goddeloozen niet.82.Zij die bij de expeditie vanTaboecte huis bleven, waren verblijd achter den profeet te blijven, en ongeneigd hunne bezittingen en hunne personen te wagen voor den vooruitgang van Gods waren godsdienst, en zij zeiden onderling: Trek niet in de hitte op. Zeg: het hellevuur zal heeterzijn; indien zij dit maar begrepen!83.Laat hen dus weinig lachen; zij zullen des te meer weenen, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben gedaan.84.Indien God u terugbrengt tot sommigen van hen, en zij u verlof vragen, met u ten oorlog te mogen trekken; zeg dan: Gij zult niet met mij vertrekken; nimmer zult gij een vijand met mij bekampen: het behaagde u de eerste maal te huis te blijven; zit dus thans te huis met hen die achterblijven.85.Nimmer zult gij voor een van hen die gestorven is, bidden; sta nimmer bij zijn graf stil33, omdat zij niet in God en zijn gezant geloofden, en in hunne boosheid stierven.86.Laten hunne rijkdommen en hunne kinderen uwe verwondering niet opwekken; Gods bedoeling is alleen hen daardoor in deze wereld te straffen en hen door hunne zielen te doen verlaten, terwijl zij ongeloovigen zijn.87.Indien eene Soera34wordt nedergezonden, waarin gezegd wordt: Geloof in God en trek ten oorlog met zijn gezant, vragen de rijksten onder hen u verlof om achter te blijven, en zeggen: Sta ons toe tot hen te behooren, die te huis blijven.88.Zij zijn er toe geneigd, met hen achter te blijven, en hunne harten zijn verzegeld; daarom begrijpen zij niet.89.Maar de gezant en zij die met hem hebben geloofd, wagen hunne bezittingen en hun leven om God te dienen; zij zullen de geneugten van het volgende leven smaken en gelukkig zijn.90.God heeft tuinen voor hen gereed gemaakt, met rivieren doorsneden; eeuwig zullen zij daarin blijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.91.En zekere Arabieren van de woestijn kwamen om zich te verontschuldigen, en baden, dat zij achter mochten blijven. Zij die God en zijn gezant van logen hadden beschuldigd, bleven te huis. Maar eene pijnlijke straf zal hun worden opgelegd die niet gelooven.92.Zij die zwak, of door ziekte aangetast zijn, of zij die geene middelen hebben om tot den oorlog bij te dragen35, zullen geene zonde doen indien zij te huis blijven, zoo zij zich geloovig omtrent God en zijn gezant gedragen. Hun die rechtvaardig zijn, zal geen kwaad geschieden; want God is genadig en barmhartig.93.Noch hun die u zijn komen verzoeken, hun benoodigdheden (rijdieren) voor de reis te verschaffen, en die, toen gij hebt geantwoord: Ik heb geene benoodigdheden om u te geven, terugkeerden met de tranen in de oogen, uit verdriet dat zij geene middelen konden vinden om tot den tocht bij te dragen36.94.Maar er bestaat reden van gisping voor hen, dieu verlof vragen, te huis te mogenblijven, als zij rijk zijn. Het behaagt hun met degenen te zijn, die achterblijven, en God heeft hunne harten dichtgezegeld; daarom begrijpen zij niet.95.Zij zullen zich bij u verontschuldigen, als gij tot hen zijt teruggekeerd; zeg: Verontschuldigt u niet; wij zullen u op geenerlei wijze gelooven. God heeft ons met uw gedrag bekend gemaakt, en God zal op uwe daden acht geven en ook zijn gezant, en hierna zult gij voor hem gebracht worden, die weet wat verborgen en wat duidelijk is, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.96.Zij zullen, als gij tot hen zijt teruggekeerd, u bij God bezweren, dat gij hen alleen zult laten37. Laat hen dus alleen; want zij zijn afschuwelijk, en de hel zal hunne woning zijn, als eene vergelding voor hetgeen zij hebben bedreven.97.Zij zullen u bezweren, dat gij welwillend omtrent hen moogt zijn; maar indien gij welwillend omtrent hen zijt, waarlijk, dan zal God niet welwillend zijn omtrent degenen die slecht handelen.98.De Arabieren van de woestijn zijn nog hardnekkiger in hun ongeloof en hunne huichelarij; en het is gemakkelijker voor hen, onbekend te zijn met de bevelen van hetgeen God Zijnen gezant heeft nedergezonden38en God is alwetend en wijs.99.Onder de Arabieren van de woestijn zijn er die, wat zij voor God hebben besteed, als eene schatting39rekenen te zijn, en wachten dat u eene wisseling der fortuin40mocht overkomen. Eene wisseling ten kwade zal over hen komen; want God hoort en weet alles.100.En onder de Arabieren van de woestijn zijn er, die in God en den jongsten dag gelooven en die, hetgeen voor God wordt besteed, als een middel achten, om nader tot God gebracht te worden en de geboden van den gezant te verwerven. Is het middel tot die nadering niet in hunne handen? God zal hen in zijne genade opnemen; want God is barmhartig en genadig.101.Wat de leiders en de hoofden derMohajerinen deAnsarsbetreft, en degenen die hen in het uitoefenen van weldaden, hebben gevolgd, God is voldaan over hen, en zij zijn voldaan over hem, en hij heeft tuinen voor hen bereid met rivieren doorsneden. Eeuwig zullen zij daarin verblijven. Dit zal eene groote zaligheid zijn.102.Onder de Arabieren van de woestijn, die rondom u wonen,zijn huichelachtige personen41, en onder debewonersvanMedinazijn sommigen die hardnekkig in huichelarij zijn. Gij kent hen niet, o profeet! maar wij kennen hen; wij zullen hen zekerlijk tweemaal straffen42; daarna zullen zij tot eene pijnlijke kastijding verwezen worden.103.Anderen nebben hunne misdaden bekend; zij hebben eene goede daad met eene andere vermengd, die slecht is; misschien zal God zich tot hen wenden; want God is barmhartig en genadig.104.Neem aalmoezen van hunne bezittingen aan, opdat gij hen moogt zuiveren en van hunne zonden reinigen; bid voor hen; want uwe gebeden zullen hen gerust stellen, en God hoort en weet alles.105.Weten zij niet, dat God boete van zijne dienaren en aalmoezen aanneemt, en dat God geneigd tot vergeven en barmhartig is?106.Zeg tot hen: Handelt zooals gij wilt, maar God ziet uw werk, evenals zijn gezant en de ware geloovigen, en gij zult gebracht worden voor hem, die alles kent wat geheim gehouden en wat openbaar gedaan wordt, en hij zal u verklaren wat gij hebt bedreven.107.Er zijn anderen, die met verlangen Gods besluit afwachten, hetzij hij hen zal straffen, of dat hij zich tot hen zal wenden; maar God is alwetend en wijs.108Er zijn sommigen die een tempel hebben gebouwd om de geloovigen te schaden en ongeloof voort te planten; om verdeeling tusschen de ware geloovigen te zaaien en als eene hinderlaag voor hen, die in vroegeren tijd tegen God en zijn gezant hebben gestreden; en zij zweren, zeggende: Waarlijk, wij hebben geen ander doel dan goed te handelen; maar God is getuige, dat zij zekerlijk liegen.109.Zet daar nimmer den voet om te bidden. Er is een tempel, sedert den eersten dag van zijn bouw op godsvrucht gegrondvest43. Het is beter dat gij daar den voet zet om te bidden; daarin zijn menschen, die er naar haken, gezuiverd te worden; want God bemint den reine.110.Is dus hij beter, die zijn gebouw op Gods vrees heeft gesticht en om hem te behagen, of hij, die zijn gebouw heeft gesticht op den rand van eene zandbank, die door de wateren wordt weggespoeld, zoodat die met hem in het hellevuur stort?God leidt de goddeloozen niet.111.Hun gebouw, dat zij gesticht hebben, zal niet ophouden eene aanleiding tot twijfel in hunne harten te zijn, tot hun hart in stukken is gesneden44; en God is alwetend en wijs.112.Waarlijk, God heeft van de ware geloovigen hunne zielen en hunne bezittingen aangekocht, waartegen hij hun de geneugten van het paradijs zal schenken, op voorwaarde, dat zij voor Gods zaak zullen strijden tenzij zij dooden of gedood worden; de belofte daarvan wordt verzekerd door de wet, het evangelie en den Koran. En wie komt zijne verbintenis getrouwer na dan God? Verheug u dus in de verbintenis, welke gij hebt aangegaan. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.113.De berouwvollen en zij die God dienen en hem loven, en vasten en nederbuigen en aanbidden, en datgene bevelen wat rechtvaardig is, en verbieden wat slecht is, en de bevelen van God nakomen, zullen eveneens met het paradijs worden beloond: breng dus goede tijdingen tot de geloovigen.114.Het is den profeet niet geoorloofd, noch hun die ware geloovigen zijn, voor afgodendienaars te bidden, zelfs indien zij tot hunne bloedverwanten behooren, nadat het hun bekend is geworden, dat zij bewoners der hel zullen zijn45.115.OokAbrahamvroeg geene vergiffenis voor zijn vader, anders dan ter voldoening eener belofte, welke hij hem had gedaan46; maar toen het hem bekend werd, dat deze een vijand van God was, onttrok hij zich daaraan47, en waarlijk,Abrahamwas meêdoogend en menschelijk.116.God is niet geneigd een volk in dwaling te leiden48, nadat hij het ten goede heeft geleid, dan nadat hij heeft verklaard wat het heeft te vermijden;wantGod is alwetend.117.Waarlijk aan God behoort de heerschappij van hemel en aarde; hij schenkt levenen hij doet sterven, en gij hebt geen schuts of helper naast God.118.God heeft den profeet vergeven en denMohajerinenAnsars, die hem in de ure des gevaars volgden, toen de harten van een groot deel hunner zoo nabij het afdwalen waren; daarna wendde hij zich tot hen; want hij was meêdoogend en genadig omtrent hen.119.Ook is hij verzoend met de drie die achter bleven49, zoodat de aarde, hoe ruim zij ook is, te beperkt voor hen werd, en hunne lichamen te klein werden voor hunne zielen, en zij kwamen tot de overtuiging, dat er tegen God geen schuilplaats was, tenzij men zijne toevlucht tot hem nam. Hij wendde zich daarop tot hen, opdat zij berouw mochten gevoelen; want God is vergevingsgezind en genadig.120.O ware geloovigen! vreest God en weest met de oprechten.121.Er bestond geene redenwaaromde bewoners vanMedinaen de Arabieren van de woestijn, die rondom hen wonen, achter Gods gezant zouden blijven staan, of zich boven hem zouden verheffen. Dit is onredelijk, daar zij niet door dorst of vermoeienis of honger werden geteisterd, bij de verdediging van Gods warengodsdienst; naardien zij geen stap deden die de ongeloovigen kon vertoornen; naardien zij van de zijde van den vijand niets ondervonden, wat hun niet voor eene goede daad werd aangerekend; want God duldt niet dat de belooning der rechtvaardigen verloren ga.122.En zij dragen geene som bij, hetzij klein of groot; zij trekken geen stroom door, of het wordt voor hen opgeteekend; opdat God hen met eene belooning beschenke, die datgene zal overtreffen, wat zij gedaan hebben.123.De geloovigen zijn niet verplicht allen te gelijk ten strijde te trekken. Indien een deel van iederen stam niet vertrekt, geschiedt dit om zich met ijver in hunnen godsdienst te onderrichten50, en om hun volk te vermanen, indien zij terugkeeren, opdat het volk op zijne goede zij.124.O ware geloovigen! voert oorlog tegen de ongeloovigen die u nabij zijn51en laten zij u gestreng vinden, en weet dat God met degenen is die hem vreezen.125.Als eene Soera wordt nedergezonden, zijn er sommigen van hen die zeggen: kan dit uw geloof vermeerderen? Zij zal het geloof vermeerderen van hen die gelooven, en zij zullen zich verblijden.126.Maar bij hen, wier harten gebrekkig zijn, zal de tegenwoordige twijfel nog vermeerderd worden, en zij zullen in hun ongeloof sterven.127.Zien zij niet, dat zij ieder jaar eensof tweemaal worden beproefd52. En toch hebben zij geen berouw en overwegen niet.128.En als eene Soera wordt nedergezonden, zien zij elkander aan, zeggende: ziet ons iemand? daarna wenden zij zich af, God zal hunne harten afwenden van de waarheid, omdat zij niet begrijpen.129.Thans is een gezant van uw eigen volk tot u gekomen, een uitmuntend persoon; het is droevig voor hem dat gij zonden begaat; hij is vol zorg voor u, en medelijdend en genadig omtrent de geloovigen.130.Indien zij zich afwenden, zeg: God is mijn helper; er is geen God buiten hem. Op hem vertrouw ik, en hij is de Heer van den grootschen troon.
1De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen ’t Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van deBismillahin den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts één uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (AlBeidâwi,Jallalo’ddin,Yahyaenz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooalsMahometverklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk teMekkawerden geopenbaard.2Deze maanden warenShawal,Dhoe’lkaada,Dhoe’lhajjaenMoharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den vanDoe’thajjateMekkaplaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorigeRabieindigen. (Al Beidâwi).3De afkondiging van dit Hoofdstuk was doorMahometaanAliopgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, vanMedinanaarMekkarende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering teal Akabaplaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel vanMekkazal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute denCaabanaakt te betreden. (ZieHoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beidâwi, ZieAbulfed.Vit. Moh.pag. 127, enz.)4Zoodat niettegenstaandeMahometieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.5Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.6Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beidâwi).7Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei vanHonein, die, omstreeks drie mijlen vanMekka, nabijTayefligt.8Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)9Het oorspronkelijke woord isSakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid ofSchechinahte beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (ZieHoofdstuk II, vers 249en de noot.)10Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, wasMahometop hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beidâwi).11Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid vanMekkatoegelaten.12Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan één god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74enHoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.13Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woordenan yadin, die letterlijk zouden moeten luiden:bijofuit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schattinggereedelijkof door hunneeigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eenegunstmoet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beidâwi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, datOmarhet eerste weigerde schatting van een Magiër aan te nemen, totAbd’alrahmâd Ebn Awfhem verzekerde, datMahometzelf ondersteuning aan een Magiër verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onderhet volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de Sabeïten daarbij.Aboe Hanifaveronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op eendinargesteld, of op omstreeks ƒ 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland,de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50).Aboe Hanifabepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beidâwi).14Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden vanMedinadie dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was,EzraofEsdrasweder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zieHoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)15ZieHoofdstuk III: vers 57en de noot.16Door het nemen van steekpenningen, zegtAl Beidâwi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.17Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramadân-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (ZiePrid.,Life of Moh.p. 65, enz.)18Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.19ZieHoofdstuk V: vers 59.20Zijnde, datAboe Bekralleen met hem was.21Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden,Savary).22DaarMahometverscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.23Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.24Zooals zij deden in den slag vanOhod. ZieHoofdstuk III vers 49.25Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.26De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woordenfakirenmeskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.27Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.28Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.29NamelijkSodomenGomorrahen de andere steden die haar lot deelden, en thansAl Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.30Letterlijk: de tuinen vanEden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).31Mahometsverblijf teMedinawas namelijk van groot voordeel voor die plaats.32Gedurende de laatste ziekte vanAbda’llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneensAbda’llahgenaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beidâwi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woordenverzadigenenzeven, beidenשבעgenaamd, als ware het ’t volkomene, het verzadigde getal: vergelijkSchillersPiccolominii2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art.Zeven.33Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch doorzijngrafstede te bezoeken.34Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eeneSoeragenaamd.35Door hunne groote armoede, zooals de vanJoheina,MozeinaenBanoe Odhra(Al Beidâwi).36De personen hier bedoeld, waren zeven man van deAnsars, die totMahometkwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzenen gezooldeschoenenzou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.37En hen niet kastijden.38Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beidâwi).39Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.40Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.41Zijnde in de nabuurschap vanMedina. Dit waren de stammen vanJoheina,Mozeina,Aslam,AshjaenGhifar(Al Beidâwi).42Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beidâwi.)43Zijnde die vanKobâ, eene plaats op twee mijlen afstands vanMedinagelegen waarMahometgedurende zijne vlucht vanMekkavier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Ebn Shonnah) die later doorBanoe Amroe Ebn Awfwerd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke doorMahometteMedinawerd gesticht.44Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.45Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.46Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aanAbrahamdoor zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.47Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. ZieHoofdstuk VI, vers 78en volg.48Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vóór het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eersteKeblahadden gebeden, wijn gedronken, enz.49DrieAnsars, dieMahometniet naarTaboecgevolgd waren.50Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.51Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.52Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.
1De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk, dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen ’t Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van deBismillahin den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens; sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts één uitmaakten, en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden, terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah niet daarbij voegde (AlBeidâwi,Jallalo’ddin,Yahyaenz.) Het is aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooalsMahometverklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk teMekkawerden geopenbaard.
2Deze maanden warenShawal,Dhoe’lkaada,Dhoe’lhajjaenMoharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den vanDoe’thajjateMekkaplaats had, en doen die tijdruimte op den 10den van de vorigeRabieindigen. (Al Beidâwi).
3De afkondiging van dit Hoofdstuk was doorMahometaanAliopgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van den profeet, vanMedinanaarMekkarende, en op den bovenvermelden dag zich voor de geheele vergadering teal Akabaplaatste, en verhaalde, dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen afgodendienaar den tempel vanMekkazal naderen. 2. Dat geen mensch zich in het vervolg verstoute denCaabanaakt te betreden. (ZieHoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard worden. (Al Beidâwi, ZieAbulfed.Vit. Moh.pag. 127, enz.)
4Zoodat niettegenstaandeMahometieder verbond afwijst, met hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.
5Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.
6Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen dan op hopen (Al Beidâwi).
7Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei vanHonein, die, omstreeks drie mijlen vanMekka, nabijTayefligt.
8Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was, plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot voordeel aan (Ebn Ishak.)
9Het oorspronkelijke woord isSakinat, hetwelk door de commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid ofSchechinahte beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (ZieHoofdstuk II, vers 249en de noot.)
10Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden gewonnen, wasMahometop hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen, die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen, eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beidâwi).
11Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid vanMekkatoegelaten.
12Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in meer dan één god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel (Hoofdstuk II vers 74enHoofdstuk III vers 23), of de geneugten van het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de Joden en Christenen worden bedoeld.
13Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware beteekenis der woordenan yadin, die letterlijk zouden moeten luiden:bijofuit de hand, en op verschillende wijzen worden uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de schattinggereedelijkof door hunneeigene handen, en niet door die van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eenegunstmoet worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al Beidâwi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere godsdiensten. Men zegt, datOmarhet eerste weigerde schatting van een Magiër aan te nemen, totAbd’alrahmâd Ebn Awfhem verzekerde, datMahometzelf ondersteuning aan een Magiër verleend en bevolen had, dat de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onderhet volk van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek, hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen: anderen voegen echter de Sabeïten daarbij.Aboe Hanifaveronderstelt, dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op eendinargesteld, of op omstreeks ƒ 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden, meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland,de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50).Aboe Hanifabepaalde echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man, die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan: maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, niets zou betalen. (Al Beidâwi).
14Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden vanMedinadie dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische gevangenschap geheel vergeten en verloren was,EzraofEsdrasweder in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren dood was geweest (zieHoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen, indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)
15ZieHoofdstuk III: vers 57en de noot.
16Door het nemen van steekpenningen, zegtAl Beidâwi, daarbij waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te belooven.
17Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en van de Ramadân-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk moeten zijn. (ZiePrid.,Life of Moh.p. 65, enz.)
18Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.
19ZieHoofdstuk V: vers 59.
20Zijnde, datAboe Bekralleen met hem was.
21Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden,Savary).
22DaarMahometverscheidene zijner manschappen, op hun verzoek, er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.
23Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.
24Zooals zij deden in den slag vanOhod. ZieHoofdstuk III vers 49.
25Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.
26De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk tusschen de twee woordenfakirenmeskin: het eene, zeggen zij, beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van de beteekenis van elk dezer woorden.
27Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.
28Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.
29NamelijkSodomenGomorrahen de andere steden die haar lot deelden, en thansAl Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.
30Letterlijk: de tuinen vanEden. In het Hebreeuwsch beteekent het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor het weiden van kudden is ingericht (Savary).
31Mahometsverblijf teMedinawas namelijk van groot voordeel voor die plaats.
32Gedurende de laatste ziekte vanAbda’llah Ebn Obra, de huichelaar (die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneensAbda’llahgenaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing, en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking, dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald, hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beidâwi). Een aantal bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woordenverzadigenenzeven, beidenשבעgenaamd, als ware het ’t volkomene, het verzadigde getal: vergelijkSchillersPiccolominii2de bedr. 1ste toon, en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art.Zeven.
33Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch doorzijngrafstede te bezoeken.
34Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk van den Koran eeneSoeragenaamd.
35Door hunne groote armoede, zooals de vanJoheina,MozeinaenBanoe Odhra(Al Beidâwi).
36De personen hier bedoeld, waren zeven man van deAnsars, die totMahometkwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzenen gezooldeschoenenzou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter, dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.
37En hen niet kastijden.
38Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden die zij hebben onderricht te worden. (Al Beidâwi).
39Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling op geenerlei wijze kan ontwijken.
40Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid zou mogen opleveren, om den last af te werpen.
41Zijnde in de nabuurschap vanMedina. Dit waren de stammen vanJoheina,Mozeina,Aslam,AshjaenGhifar(Al Beidâwi).
42Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en lichamelijk te straffen. (Al Beidâwi.)
43Zijnde die vanKobâ, eene plaats op twee mijlen afstands vanMedinagelegen waarMahometgedurende zijne vlucht vanMekkavier dagen bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag legde van eene moskee (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Ebn Shonnah) die later doorBanoe Amroe Ebn Awfwerd volbouwd. Volgens eene daarvan verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene, welke doorMahometteMedinawerd gesticht.
44Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben, hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs, of de pijn der hel.
45Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop bestaat hen te bekeeren.
46Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aanAbrahamdoor zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.
47Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk als ongeloovige was gestorven. ZieHoofdstuk VI, vers 78en volg.
48Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vóór het was verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend volgens de eersteKeblahadden gebeden, wijn gedronken, enz.
49DrieAnsars, dieMahometniet naarTaboecgevolgd waren.
50Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn, degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.
51Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.
52Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige bescherming, welke God den geloovigen schenkt.