Achttiende Hoofdstuk.

Achttiende Hoofdstuk.De Spelonk1.Geopenbaard teMekka2.—110 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God1.Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft.2.Die het tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin zij eeuwig zullen verblijven.3.En om dengenen te waarschuwen, die zeggen:God heeft een afstammeling geteeld.4.Daarvan hadden zij noch hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove zonde: zij zeggen niets anders dan leugen.5.Misschien wilt gij u uit droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren, indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven.6.Wij hebben hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt.7.Maar al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren.8.Begrijpt gij, dat de makkers van de spelonk3enAl Rakim4, een onzer teekens waren en een mirakel?9.Toen de jonge menschen hunne toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade en verzeker ons een rechtvaardig gedrag.10.Daarom sloegen wij hunne ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder stoornis in de spelonk sliepen.11.Daarna wekten wij hen, opdat wij zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest.12.Wij zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk, zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en wij hadden hen overvloedig geleid.13.En wij versterkten hunne harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden, en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemelen aarde; wij zullen nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij zeker eene misdaad begaan.14.Deze onze medeburgers hebben andere goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt.15.En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God5, aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken.16.Gij zoudt de zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en, toen zij onderging, zich aan de linkerhand6van hen verwijderen; en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk7. Dit was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om hem te verdedigen of te leiden.17.En gij zoudt gezegd hebben, dat zij waakten8, terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter- en naar de linkerzijde omwenden9. En hun hond10strekte zijnevoorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben11.18.Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste den tijd dien gij daar hebt doorgebracht12, en zend thans een uwer met dit geld naar de stad13, en laat hij zien welke der inwoners het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe schuilplaats aan niemand ontdekke.19.Waarlijk, indien zij tegen u opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn.20.En zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is14, ofschoon zij daaromtrent onder elkander hebben getwist15. En zij zeiden: Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden: wij zullen zekerlijk eene kapel voorbouwen16.21.Sommigen zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde17; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de zesde18; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen: Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste19. Zeg: Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve enkelen.22.Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen nopens hen.23.Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt20. En herdenk uwen Heer als gij dit vergeet21, en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou kunnen komen.24.En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en daarenboven negen jaren22.25.Zeg: Godweet het best hoe lang zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe hem zien en hooren23. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit deelen.26.Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer, zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen brengen24; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen, en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt nemen, indien gij daarnaar mocht trachten.27.Wees inschikkelijk omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen, en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken25, en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons hebben doen zijn26, die zijne lusten volgt en de waarheid achter zich laat.28.En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder, naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en welk een onzalig verblijf!29.Wat hen betreft, die gelooven en goede werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid oefenen, niet doen verloren gaan.30.Voor hen zijn tuinen tot eeuwig verblijf27gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd, en metgroene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden, terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning en welk een gemakkelijk verblijf!31.Stel hun als een vergelijking twee menschen voor28, van welke wij aan een twee wijngaarden hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd, terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren niet onvruchtbaar.32.En wij deden eene rivier in het midden daarvan stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij, en bezit een talrijker gezin.33.En hij ging in zijn tuin29, terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig was, en zeide:Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen.34.Ik geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden3035.En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht, en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd?36.Wat mij betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn Heer vermengen.37.En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u sta.38.Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden, zoodat die onvruchtbaar stof worde.39.Of zijn water zal diep in de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden.40.En zijne bezittingen werden door verwoestingomringd, nadat zijn makker hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed; want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben vereenigd!41.Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen.42.De bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan alles den besten uitslag geven.43.Stel hun eene vergelijking van het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat alle dingen te doen.44.Welvaart en kinderen vormen het versiersel van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren, zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning, en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen.45.Op een zekeren dag zullen wij de bergen doen verdwijnen31en gij zult de aarde vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen en geen hunner achterlaten.46.En zij zullen in duidelijke orde voor uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen.47.Het boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren, om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote, maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig handelen.48.Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; AanbidtAdam: en zij aanbaden hem allen, behalveEblis32, die een der geniussen33was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen, niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering zal ellendig zijn voor de goddeloozen!49.Ik riep hen niet om tegenwoordigte zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot mijne helpers.50.Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen, doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van vernietiging tusschen hen plaatsen34.51.De zondaren zullen het hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden, en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden.52.Wij hebben den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de meeste dingen, die daarin voorkomen.53.Niets verhindert de menschen, nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding van het volgende leven openlijk op hen nederkomt.54.Wij zonden onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij, die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner spotternijen.55.En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan, en wij wierpen zwaarte in hunne ooren.56.Indien gij hen tot de ware richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen.57.Uw Heer is barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast, maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd35, en zij zullen geene toevlucht buiten hem vinden.58.De vroegere steden36hebben wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden deze, voor hare verdelging.59.En gedenk, toenMozestot zijn dienaarJosua, den zoon vanNun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeën elkander ontmoeten, of ik zal gedurende langen tijd37reizen.60.Maar toen zij aan de samenstrooming der beidezeeën38waren gekomen, vergaten zij hunnen visch, die zij met zich hadden genomen39, en de visch nam zijn weg vrijelijk40in de zee61.En toen zij die plaats waren voorbij gegaan, zeideMozestot zijn dienaar: Breng ons middagmaal; want wij zijn vermoeid van deze onze reis.62.Zijn dienaar antwoordde: Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden, vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn weg, op wonderdadige wijze, in de zee.63.Mozeszeide: Dit is wanneer wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg terug, langs welken zij warengekomen.64.Toen zij nabij de rots kwamen, vonden zij een onzer dienaren,41wien wij onze genade verleend, en met onze wijsheidonderricht hadden.65.EnMozeszeide tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij?66.Hij antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven.67.Want hoe kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis niet begrijpt?68.Mozesantwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam zijn.69.Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar.70.Zij begaven zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip, en hij maakte er een gat in42. EnMozeszeide tot hem: Hebt gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven.71.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij te kunnen blijven?72.Mozeszeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen mij wordt bevolen.73.Zij verlieten dus het schip en gingen voort, tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem43.Mozeszeide: Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven.74.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen blijven?75.Mozeszeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag, sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans.76.Zij gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad44kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt was van om te storten, en hij zette dien overeind45. Daarop zeideMozestot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning daarvoor hebben ontvangen.77.Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.78.Het vaartuig behoorde aan zekere arme menschen46, die hunne zaken op zee deden, en ik wildehet onbruikbaar maken, omdat er een koning achter hen was47, die ieder goed schip met geweld nam.79.Wat den knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden, dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid en zijn ondank te dulden.80.Daarom begeerden wij dat hun Heer hun een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer zou beminnen48.81.En de muur behoorde aan twee weesknapen49der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde, en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.82.De Joden zullen u ondervragen nopensDhoe’lkarnein50. Antwoord; Ik zal u zijne geschiedenis verhalen.83.Wij maakten hem machtig op aarde en wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde.84.En hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk51onderging; en hij vond zeker volk52in hare nabijheid.85.En wij zeiden: ODhoe’lkarnein! straf dit volk, of behandel het edelmoedig.86.Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge straf kastijden.87.Maar hij die gelooft en doet wat goed is, zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts gemakkelijk uit te voeren bevelen geven.88.Daarna zette hij zijn weg voort.89.Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging53, en hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten54.90.Zoo was het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem waren.91.En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het noorden.92.Tot hij tusschen de twee bergen kwam55, aan welker voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd56.93.En zij zeiden: ODhoe’lkarnein!waarlijkGogenMagogverwoesten het land57;zullen wij u dus schatting betalen, op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt?94.Hij antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur tusschen u en hen plaatsen.95.Brengt mij groote stukken ijzer, tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna: Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe.96.Toen nu deze muur was voltooid, kondenGog, enMagogdien muur beklimmen noch doorsteken58.97.EnDhoe’lkarneinzeide: Dit is eene genade van mijn Heer.98.Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat59, zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van mijn Heer is waarheid.99.Op dien dag zullen wij sommigen van hen onstuimig als golven op elkander doen drukken60) en de trompet zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen.100.Op dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken.101.Wier oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden niet wilden hooren.102.Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen gereed gemaakt.103.Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken ijdel zijn.104.Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht, en die nochtans denken goed te handelen?105.Zij zijn het die niet gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven.106.Dit zal hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en mijne teekens en gezanten bespot hebben.107.Maar wat hen betreft, die gelooven en goede werkendoen, zijzullende gaarden van het paradijs tot hun verblijf hebben.108.Zij zullen voor eeuwig daarin verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen.109.Zeg: Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven, waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere, gelijke zee zouden gebruiken.110.Zeg: waarlijk, ik ben slechts een mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen, rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer geen ander met hem vereenigen.1Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.2Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.3Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie teEphesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizerDecius, welke door de Arabische schrijversDecïanusgenoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd doorMahometaan de christelijke overleveringen ontleend (ZieGreg. Turon, enSimeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt, p. 189). ZelfsBaronius(in zijneMartijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph,Marracci(Alkor.p. 425 en inProdr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hijHottingereen monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting.Hist. Orient.p. 40.)4De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers vanAl Rakimandere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten,waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beidâwi, uit de overlevering vanNooman Ebn Bashir).5Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beidâwi).6Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beidâwi).7Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beidâwi).8Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beidâwi).9Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)10Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen,calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats vancalbohom, hun hond te lezen (Al BeidâwiJallalo’ddin.)Jallalo’ddinvoegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen,Katmirwas (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij,Al Rakimheette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om hetverlies van den brief te voorkomen (La Roque,Voyage de l’Arabir Heur, p. 74. Zied’Herbel, t. a. pl.)11Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalifMoawiyah, op eene expeditie welke hij tegenNatoliëondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaandeEbn Abrashem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beidâwi).12Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beidâwi).13Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was ditTarnis.14Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.15Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander datzij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beidâwi).16Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zóó oud (het was namelijk eene munt vanDecianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal hadgehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.17Dit was de meening vanal Seyiden Jacobitisch Christen vanNajran.18Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.19En dit is de ware meening (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).20Men zegt, dat, toen de Koreïshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aanMahometdeden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De Koreïshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk brachtGabriëlhem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer meten cha Alla: Indien het God behaagt.21Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.22Jallalo’ddinveronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderdzonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beidâwi). De tijd tusschen de regeering vanDeciusen die vanTheodosiusden jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebbengeslapen. MaarMahometis eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal doorSimeon Metaphrastust. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.23Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al BeidâwiJallalo’ddin).25Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.26Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld,Ommeya Ebn Khalfwas, die begeerde datMahometzijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de Koreïshieten, zou ontslaan (ZieHoofdstuk IV, vers 52).27Letterlijk: vanEden(ZieHoofdstuk IX, vers 73).28Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee Israëlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geërfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam vanMakhzumwaren, waarvan de een een ongeloovige,al Aswald Ebn Abd al Ashaddwas genaamd en de andereAboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot vanOmm Salma(met welke de profeet na den dood vanAbd Allahhuwde,) die een waar geloovige was (Al Beidâwi).29Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beidâwi).30Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beidâwi).31Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beidâwi.)32ZieHoofdstuk II, vers 32enHoofdstuk VII, vers 10enz.33Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo’ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.34Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.35Van hunnen nood teBedhr(want de Koreïshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beidâwi).36Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.37Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toenMozeseensvoor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter datMozesdie vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaaral Khedrwijzer was dan hij. Op het verzoek vanMozesverhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeën elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrokMozesmet zijn dienaarJosuaomal Khedrop te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonnaenz.)38Zijnde die vanPerziëenGriekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting vanMozesenal Khedrwordt bedoeld, als van twee zeeën van kennis (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonna, enz.).39Mozesvergat daaromtrent inlichtingen te winnen, enJosuaom het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen,Mozesin slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, datJosuazich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.).40Het woord dat hier met “vrijelijk” is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)41Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeetAl Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk metPhineas,EliasenSt. Jorisverwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naamBalya Ebn Malcanwas, en dat hij leefde in den tijd vanAfridun, een der oude koningen vanPerzië; dat hijDhoe’lkarneinvoorafging en tot den tijd vanMozesleefde. Zij veronderstellen datal Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beidâwi,alZamakshari,al Bokhari, inSonna. Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Khedher,Septem castrens de Turcar,Moribus,BusbeqEpist.I. p. 93 enz.Hotting.Hist. Oriëntp. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).42Al Khedrnam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beidâwi).43Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beidâwi).44Deze stad wasAntiochië, of zooals sommigen eerder aannemen,ObollahnabijBasra, of welBajirwaninArmenië(Al Beidâwi).45Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beidâwi).46Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beidâwi).47Jaland Ebn Karkar, ofMinwar Ebn Jaland al Azdigenaamd (Al Beidâwi) die inOmanregeerde.48Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beidâwi).49Hunne namen warenAsramenSarim(Al Beidâwi).50Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoonAlexanderde Grootewas, of gelijk zij hem noemen,Iscander Al Roemi, koning vanPerziëenGriekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiën naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger,de Emend. temp.L’Empereur,not. in Jachiad.Dan. VIII, 5 Gol.in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon vanJupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeetDaniëlbij een bok wordt vergeleken (Schickard,Tarikh Reg. Pers.p. 73). Hij wordt echter daar slechts met één hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, nietAlexanderde Griekwas, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd vanAbrahamleefde, en een der koningen vanPerziëwas, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda,Khondemir,Tarikh Monthakhah, enz. Zied’Herbel.Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning vanSaman,Asaab al Rayeshgenaamd (overlever.,Ebn Abbas, ZiePoc. Spec.p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Ofhijechter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.51Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).52Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).53Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.54Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Jallalo’ddinzegt, dat het deZenjwaren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten vanEthiopiëophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.55Waar tusschenDhoe’lkarneinden straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen vanGogenMagogbouwde. Deze bergen zijn gelegen inArmeniëenAdherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen vanTurkestan(Al Beidâwi).d’Herbelotgeeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalifal Watheewerd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. Oriënt. art. Jagîouge).56Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beidâwi).57De Arabieren noemen henYajoej, enMajoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uitJaphetden zoon vanNoachgesproten. Zooals anderen schrijven, wasGogeen stam der Turken enMagogvan die vanGilan. (Al Beidâwi. Zied’Herbelot, t. a. pl. deGelienGelaevanPtolemaeusenStrabo. ZieGol.in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beidâwi).58De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beidâwi).59Dat is: als de tijd voorGogenMagogzal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.60Deze woorden stellen òf den geweldigen inval vanGogenMagogvoor, òf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.

Achttiende Hoofdstuk.De Spelonk1.Geopenbaard teMekka2.—110 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God1.Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft.2.Die het tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin zij eeuwig zullen verblijven.3.En om dengenen te waarschuwen, die zeggen:God heeft een afstammeling geteeld.4.Daarvan hadden zij noch hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove zonde: zij zeggen niets anders dan leugen.5.Misschien wilt gij u uit droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren, indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven.6.Wij hebben hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt.7.Maar al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren.8.Begrijpt gij, dat de makkers van de spelonk3enAl Rakim4, een onzer teekens waren en een mirakel?9.Toen de jonge menschen hunne toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade en verzeker ons een rechtvaardig gedrag.10.Daarom sloegen wij hunne ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder stoornis in de spelonk sliepen.11.Daarna wekten wij hen, opdat wij zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest.12.Wij zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk, zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en wij hadden hen overvloedig geleid.13.En wij versterkten hunne harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden, en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemelen aarde; wij zullen nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij zeker eene misdaad begaan.14.Deze onze medeburgers hebben andere goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt.15.En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God5, aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken.16.Gij zoudt de zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en, toen zij onderging, zich aan de linkerhand6van hen verwijderen; en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk7. Dit was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om hem te verdedigen of te leiden.17.En gij zoudt gezegd hebben, dat zij waakten8, terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter- en naar de linkerzijde omwenden9. En hun hond10strekte zijnevoorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben11.18.Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste den tijd dien gij daar hebt doorgebracht12, en zend thans een uwer met dit geld naar de stad13, en laat hij zien welke der inwoners het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe schuilplaats aan niemand ontdekke.19.Waarlijk, indien zij tegen u opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn.20.En zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is14, ofschoon zij daaromtrent onder elkander hebben getwist15. En zij zeiden: Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden: wij zullen zekerlijk eene kapel voorbouwen16.21.Sommigen zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde17; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de zesde18; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen: Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste19. Zeg: Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve enkelen.22.Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen nopens hen.23.Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt20. En herdenk uwen Heer als gij dit vergeet21, en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou kunnen komen.24.En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en daarenboven negen jaren22.25.Zeg: Godweet het best hoe lang zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe hem zien en hooren23. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit deelen.26.Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer, zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen brengen24; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen, en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt nemen, indien gij daarnaar mocht trachten.27.Wees inschikkelijk omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen, en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken25, en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons hebben doen zijn26, die zijne lusten volgt en de waarheid achter zich laat.28.En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder, naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en welk een onzalig verblijf!29.Wat hen betreft, die gelooven en goede werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid oefenen, niet doen verloren gaan.30.Voor hen zijn tuinen tot eeuwig verblijf27gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd, en metgroene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden, terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning en welk een gemakkelijk verblijf!31.Stel hun als een vergelijking twee menschen voor28, van welke wij aan een twee wijngaarden hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd, terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren niet onvruchtbaar.32.En wij deden eene rivier in het midden daarvan stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij, en bezit een talrijker gezin.33.En hij ging in zijn tuin29, terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig was, en zeide:Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen.34.Ik geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden3035.En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht, en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd?36.Wat mij betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn Heer vermengen.37.En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u sta.38.Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden, zoodat die onvruchtbaar stof worde.39.Of zijn water zal diep in de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden.40.En zijne bezittingen werden door verwoestingomringd, nadat zijn makker hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed; want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben vereenigd!41.Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen.42.De bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan alles den besten uitslag geven.43.Stel hun eene vergelijking van het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat alle dingen te doen.44.Welvaart en kinderen vormen het versiersel van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren, zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning, en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen.45.Op een zekeren dag zullen wij de bergen doen verdwijnen31en gij zult de aarde vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen en geen hunner achterlaten.46.En zij zullen in duidelijke orde voor uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen.47.Het boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren, om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote, maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig handelen.48.Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; AanbidtAdam: en zij aanbaden hem allen, behalveEblis32, die een der geniussen33was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen, niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering zal ellendig zijn voor de goddeloozen!49.Ik riep hen niet om tegenwoordigte zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot mijne helpers.50.Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen, doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van vernietiging tusschen hen plaatsen34.51.De zondaren zullen het hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden, en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden.52.Wij hebben den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de meeste dingen, die daarin voorkomen.53.Niets verhindert de menschen, nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding van het volgende leven openlijk op hen nederkomt.54.Wij zonden onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij, die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner spotternijen.55.En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan, en wij wierpen zwaarte in hunne ooren.56.Indien gij hen tot de ware richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen.57.Uw Heer is barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast, maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd35, en zij zullen geene toevlucht buiten hem vinden.58.De vroegere steden36hebben wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden deze, voor hare verdelging.59.En gedenk, toenMozestot zijn dienaarJosua, den zoon vanNun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeën elkander ontmoeten, of ik zal gedurende langen tijd37reizen.60.Maar toen zij aan de samenstrooming der beidezeeën38waren gekomen, vergaten zij hunnen visch, die zij met zich hadden genomen39, en de visch nam zijn weg vrijelijk40in de zee61.En toen zij die plaats waren voorbij gegaan, zeideMozestot zijn dienaar: Breng ons middagmaal; want wij zijn vermoeid van deze onze reis.62.Zijn dienaar antwoordde: Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden, vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn weg, op wonderdadige wijze, in de zee.63.Mozeszeide: Dit is wanneer wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg terug, langs welken zij warengekomen.64.Toen zij nabij de rots kwamen, vonden zij een onzer dienaren,41wien wij onze genade verleend, en met onze wijsheidonderricht hadden.65.EnMozeszeide tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij?66.Hij antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven.67.Want hoe kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis niet begrijpt?68.Mozesantwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam zijn.69.Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar.70.Zij begaven zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip, en hij maakte er een gat in42. EnMozeszeide tot hem: Hebt gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven.71.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij te kunnen blijven?72.Mozeszeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen mij wordt bevolen.73.Zij verlieten dus het schip en gingen voort, tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem43.Mozeszeide: Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven.74.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen blijven?75.Mozeszeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag, sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans.76.Zij gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad44kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt was van om te storten, en hij zette dien overeind45. Daarop zeideMozestot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning daarvoor hebben ontvangen.77.Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.78.Het vaartuig behoorde aan zekere arme menschen46, die hunne zaken op zee deden, en ik wildehet onbruikbaar maken, omdat er een koning achter hen was47, die ieder goed schip met geweld nam.79.Wat den knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden, dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid en zijn ondank te dulden.80.Daarom begeerden wij dat hun Heer hun een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer zou beminnen48.81.En de muur behoorde aan twee weesknapen49der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde, en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.82.De Joden zullen u ondervragen nopensDhoe’lkarnein50. Antwoord; Ik zal u zijne geschiedenis verhalen.83.Wij maakten hem machtig op aarde en wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde.84.En hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk51onderging; en hij vond zeker volk52in hare nabijheid.85.En wij zeiden: ODhoe’lkarnein! straf dit volk, of behandel het edelmoedig.86.Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge straf kastijden.87.Maar hij die gelooft en doet wat goed is, zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts gemakkelijk uit te voeren bevelen geven.88.Daarna zette hij zijn weg voort.89.Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging53, en hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten54.90.Zoo was het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem waren.91.En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het noorden.92.Tot hij tusschen de twee bergen kwam55, aan welker voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd56.93.En zij zeiden: ODhoe’lkarnein!waarlijkGogenMagogverwoesten het land57;zullen wij u dus schatting betalen, op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt?94.Hij antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur tusschen u en hen plaatsen.95.Brengt mij groote stukken ijzer, tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna: Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe.96.Toen nu deze muur was voltooid, kondenGog, enMagogdien muur beklimmen noch doorsteken58.97.EnDhoe’lkarneinzeide: Dit is eene genade van mijn Heer.98.Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat59, zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van mijn Heer is waarheid.99.Op dien dag zullen wij sommigen van hen onstuimig als golven op elkander doen drukken60) en de trompet zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen.100.Op dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken.101.Wier oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden niet wilden hooren.102.Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen gereed gemaakt.103.Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken ijdel zijn.104.Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht, en die nochtans denken goed te handelen?105.Zij zijn het die niet gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven.106.Dit zal hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en mijne teekens en gezanten bespot hebben.107.Maar wat hen betreft, die gelooven en goede werkendoen, zijzullende gaarden van het paradijs tot hun verblijf hebben.108.Zij zullen voor eeuwig daarin verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen.109.Zeg: Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven, waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere, gelijke zee zouden gebruiken.110.Zeg: waarlijk, ik ben slechts een mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen, rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer geen ander met hem vereenigen.1Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.2Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.3Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie teEphesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizerDecius, welke door de Arabische schrijversDecïanusgenoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd doorMahometaan de christelijke overleveringen ontleend (ZieGreg. Turon, enSimeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt, p. 189). ZelfsBaronius(in zijneMartijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph,Marracci(Alkor.p. 425 en inProdr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hijHottingereen monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting.Hist. Orient.p. 40.)4De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers vanAl Rakimandere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten,waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beidâwi, uit de overlevering vanNooman Ebn Bashir).5Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beidâwi).6Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beidâwi).7Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beidâwi).8Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beidâwi).9Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)10Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen,calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats vancalbohom, hun hond te lezen (Al BeidâwiJallalo’ddin.)Jallalo’ddinvoegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen,Katmirwas (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij,Al Rakimheette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om hetverlies van den brief te voorkomen (La Roque,Voyage de l’Arabir Heur, p. 74. Zied’Herbel, t. a. pl.)11Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalifMoawiyah, op eene expeditie welke hij tegenNatoliëondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaandeEbn Abrashem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beidâwi).12Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beidâwi).13Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was ditTarnis.14Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.15Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander datzij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beidâwi).16Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zóó oud (het was namelijk eene munt vanDecianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal hadgehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.17Dit was de meening vanal Seyiden Jacobitisch Christen vanNajran.18Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.19En dit is de ware meening (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).20Men zegt, dat, toen de Koreïshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aanMahometdeden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De Koreïshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk brachtGabriëlhem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer meten cha Alla: Indien het God behaagt.21Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.22Jallalo’ddinveronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderdzonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beidâwi). De tijd tusschen de regeering vanDeciusen die vanTheodosiusden jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebbengeslapen. MaarMahometis eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal doorSimeon Metaphrastust. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.23Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al BeidâwiJallalo’ddin).25Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.26Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld,Ommeya Ebn Khalfwas, die begeerde datMahometzijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de Koreïshieten, zou ontslaan (ZieHoofdstuk IV, vers 52).27Letterlijk: vanEden(ZieHoofdstuk IX, vers 73).28Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee Israëlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geërfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam vanMakhzumwaren, waarvan de een een ongeloovige,al Aswald Ebn Abd al Ashaddwas genaamd en de andereAboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot vanOmm Salma(met welke de profeet na den dood vanAbd Allahhuwde,) die een waar geloovige was (Al Beidâwi).29Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beidâwi).30Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beidâwi).31Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beidâwi.)32ZieHoofdstuk II, vers 32enHoofdstuk VII, vers 10enz.33Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo’ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.34Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.35Van hunnen nood teBedhr(want de Koreïshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beidâwi).36Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.37Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toenMozeseensvoor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter datMozesdie vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaaral Khedrwijzer was dan hij. Op het verzoek vanMozesverhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeën elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrokMozesmet zijn dienaarJosuaomal Khedrop te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonnaenz.)38Zijnde die vanPerziëenGriekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting vanMozesenal Khedrwordt bedoeld, als van twee zeeën van kennis (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonna, enz.).39Mozesvergat daaromtrent inlichtingen te winnen, enJosuaom het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen,Mozesin slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, datJosuazich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.).40Het woord dat hier met “vrijelijk” is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)41Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeetAl Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk metPhineas,EliasenSt. Jorisverwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naamBalya Ebn Malcanwas, en dat hij leefde in den tijd vanAfridun, een der oude koningen vanPerzië; dat hijDhoe’lkarneinvoorafging en tot den tijd vanMozesleefde. Zij veronderstellen datal Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beidâwi,alZamakshari,al Bokhari, inSonna. Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Khedher,Septem castrens de Turcar,Moribus,BusbeqEpist.I. p. 93 enz.Hotting.Hist. Oriëntp. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).42Al Khedrnam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beidâwi).43Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beidâwi).44Deze stad wasAntiochië, of zooals sommigen eerder aannemen,ObollahnabijBasra, of welBajirwaninArmenië(Al Beidâwi).45Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beidâwi).46Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beidâwi).47Jaland Ebn Karkar, ofMinwar Ebn Jaland al Azdigenaamd (Al Beidâwi) die inOmanregeerde.48Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beidâwi).49Hunne namen warenAsramenSarim(Al Beidâwi).50Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoonAlexanderde Grootewas, of gelijk zij hem noemen,Iscander Al Roemi, koning vanPerziëenGriekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiën naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger,de Emend. temp.L’Empereur,not. in Jachiad.Dan. VIII, 5 Gol.in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon vanJupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeetDaniëlbij een bok wordt vergeleken (Schickard,Tarikh Reg. Pers.p. 73). Hij wordt echter daar slechts met één hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, nietAlexanderde Griekwas, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd vanAbrahamleefde, en een der koningen vanPerziëwas, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda,Khondemir,Tarikh Monthakhah, enz. Zied’Herbel.Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning vanSaman,Asaab al Rayeshgenaamd (overlever.,Ebn Abbas, ZiePoc. Spec.p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Ofhijechter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.51Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).52Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).53Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.54Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Jallalo’ddinzegt, dat het deZenjwaren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten vanEthiopiëophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.55Waar tusschenDhoe’lkarneinden straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen vanGogenMagogbouwde. Deze bergen zijn gelegen inArmeniëenAdherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen vanTurkestan(Al Beidâwi).d’Herbelotgeeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalifal Watheewerd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. Oriënt. art. Jagîouge).56Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beidâwi).57De Arabieren noemen henYajoej, enMajoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uitJaphetden zoon vanNoachgesproten. Zooals anderen schrijven, wasGogeen stam der Turken enMagogvan die vanGilan. (Al Beidâwi. Zied’Herbelot, t. a. pl. deGelienGelaevanPtolemaeusenStrabo. ZieGol.in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beidâwi).58De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beidâwi).59Dat is: als de tijd voorGogenMagogzal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.60Deze woorden stellen òf den geweldigen inval vanGogenMagogvoor, òf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.

Achttiende Hoofdstuk.De Spelonk1.Geopenbaard teMekka2.—110 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God1.Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft.2.Die het tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin zij eeuwig zullen verblijven.3.En om dengenen te waarschuwen, die zeggen:God heeft een afstammeling geteeld.4.Daarvan hadden zij noch hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove zonde: zij zeggen niets anders dan leugen.5.Misschien wilt gij u uit droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren, indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven.6.Wij hebben hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt.7.Maar al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren.8.Begrijpt gij, dat de makkers van de spelonk3enAl Rakim4, een onzer teekens waren en een mirakel?9.Toen de jonge menschen hunne toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade en verzeker ons een rechtvaardig gedrag.10.Daarom sloegen wij hunne ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder stoornis in de spelonk sliepen.11.Daarna wekten wij hen, opdat wij zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest.12.Wij zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk, zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en wij hadden hen overvloedig geleid.13.En wij versterkten hunne harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden, en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemelen aarde; wij zullen nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij zeker eene misdaad begaan.14.Deze onze medeburgers hebben andere goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt.15.En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God5, aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken.16.Gij zoudt de zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en, toen zij onderging, zich aan de linkerhand6van hen verwijderen; en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk7. Dit was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om hem te verdedigen of te leiden.17.En gij zoudt gezegd hebben, dat zij waakten8, terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter- en naar de linkerzijde omwenden9. En hun hond10strekte zijnevoorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben11.18.Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste den tijd dien gij daar hebt doorgebracht12, en zend thans een uwer met dit geld naar de stad13, en laat hij zien welke der inwoners het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe schuilplaats aan niemand ontdekke.19.Waarlijk, indien zij tegen u opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn.20.En zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is14, ofschoon zij daaromtrent onder elkander hebben getwist15. En zij zeiden: Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden: wij zullen zekerlijk eene kapel voorbouwen16.21.Sommigen zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde17; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de zesde18; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen: Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste19. Zeg: Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve enkelen.22.Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen nopens hen.23.Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt20. En herdenk uwen Heer als gij dit vergeet21, en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou kunnen komen.24.En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en daarenboven negen jaren22.25.Zeg: Godweet het best hoe lang zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe hem zien en hooren23. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit deelen.26.Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer, zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen brengen24; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen, en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt nemen, indien gij daarnaar mocht trachten.27.Wees inschikkelijk omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen, en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken25, en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons hebben doen zijn26, die zijne lusten volgt en de waarheid achter zich laat.28.En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder, naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en welk een onzalig verblijf!29.Wat hen betreft, die gelooven en goede werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid oefenen, niet doen verloren gaan.30.Voor hen zijn tuinen tot eeuwig verblijf27gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd, en metgroene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden, terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning en welk een gemakkelijk verblijf!31.Stel hun als een vergelijking twee menschen voor28, van welke wij aan een twee wijngaarden hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd, terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren niet onvruchtbaar.32.En wij deden eene rivier in het midden daarvan stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij, en bezit een talrijker gezin.33.En hij ging in zijn tuin29, terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig was, en zeide:Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen.34.Ik geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden3035.En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht, en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd?36.Wat mij betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn Heer vermengen.37.En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u sta.38.Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden, zoodat die onvruchtbaar stof worde.39.Of zijn water zal diep in de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden.40.En zijne bezittingen werden door verwoestingomringd, nadat zijn makker hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed; want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben vereenigd!41.Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen.42.De bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan alles den besten uitslag geven.43.Stel hun eene vergelijking van het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat alle dingen te doen.44.Welvaart en kinderen vormen het versiersel van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren, zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning, en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen.45.Op een zekeren dag zullen wij de bergen doen verdwijnen31en gij zult de aarde vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen en geen hunner achterlaten.46.En zij zullen in duidelijke orde voor uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen.47.Het boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren, om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote, maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig handelen.48.Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; AanbidtAdam: en zij aanbaden hem allen, behalveEblis32, die een der geniussen33was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen, niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering zal ellendig zijn voor de goddeloozen!49.Ik riep hen niet om tegenwoordigte zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot mijne helpers.50.Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen, doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van vernietiging tusschen hen plaatsen34.51.De zondaren zullen het hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden, en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden.52.Wij hebben den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de meeste dingen, die daarin voorkomen.53.Niets verhindert de menschen, nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding van het volgende leven openlijk op hen nederkomt.54.Wij zonden onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij, die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner spotternijen.55.En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan, en wij wierpen zwaarte in hunne ooren.56.Indien gij hen tot de ware richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen.57.Uw Heer is barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast, maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd35, en zij zullen geene toevlucht buiten hem vinden.58.De vroegere steden36hebben wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden deze, voor hare verdelging.59.En gedenk, toenMozestot zijn dienaarJosua, den zoon vanNun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeën elkander ontmoeten, of ik zal gedurende langen tijd37reizen.60.Maar toen zij aan de samenstrooming der beidezeeën38waren gekomen, vergaten zij hunnen visch, die zij met zich hadden genomen39, en de visch nam zijn weg vrijelijk40in de zee61.En toen zij die plaats waren voorbij gegaan, zeideMozestot zijn dienaar: Breng ons middagmaal; want wij zijn vermoeid van deze onze reis.62.Zijn dienaar antwoordde: Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden, vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn weg, op wonderdadige wijze, in de zee.63.Mozeszeide: Dit is wanneer wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg terug, langs welken zij warengekomen.64.Toen zij nabij de rots kwamen, vonden zij een onzer dienaren,41wien wij onze genade verleend, en met onze wijsheidonderricht hadden.65.EnMozeszeide tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij?66.Hij antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven.67.Want hoe kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis niet begrijpt?68.Mozesantwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam zijn.69.Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar.70.Zij begaven zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip, en hij maakte er een gat in42. EnMozeszeide tot hem: Hebt gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven.71.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij te kunnen blijven?72.Mozeszeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen mij wordt bevolen.73.Zij verlieten dus het schip en gingen voort, tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem43.Mozeszeide: Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven.74.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen blijven?75.Mozeszeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag, sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans.76.Zij gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad44kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt was van om te storten, en hij zette dien overeind45. Daarop zeideMozestot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning daarvoor hebben ontvangen.77.Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.78.Het vaartuig behoorde aan zekere arme menschen46, die hunne zaken op zee deden, en ik wildehet onbruikbaar maken, omdat er een koning achter hen was47, die ieder goed schip met geweld nam.79.Wat den knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden, dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid en zijn ondank te dulden.80.Daarom begeerden wij dat hun Heer hun een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer zou beminnen48.81.En de muur behoorde aan twee weesknapen49der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde, en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.82.De Joden zullen u ondervragen nopensDhoe’lkarnein50. Antwoord; Ik zal u zijne geschiedenis verhalen.83.Wij maakten hem machtig op aarde en wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde.84.En hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk51onderging; en hij vond zeker volk52in hare nabijheid.85.En wij zeiden: ODhoe’lkarnein! straf dit volk, of behandel het edelmoedig.86.Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge straf kastijden.87.Maar hij die gelooft en doet wat goed is, zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts gemakkelijk uit te voeren bevelen geven.88.Daarna zette hij zijn weg voort.89.Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging53, en hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten54.90.Zoo was het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem waren.91.En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het noorden.92.Tot hij tusschen de twee bergen kwam55, aan welker voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd56.93.En zij zeiden: ODhoe’lkarnein!waarlijkGogenMagogverwoesten het land57;zullen wij u dus schatting betalen, op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt?94.Hij antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur tusschen u en hen plaatsen.95.Brengt mij groote stukken ijzer, tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna: Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe.96.Toen nu deze muur was voltooid, kondenGog, enMagogdien muur beklimmen noch doorsteken58.97.EnDhoe’lkarneinzeide: Dit is eene genade van mijn Heer.98.Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat59, zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van mijn Heer is waarheid.99.Op dien dag zullen wij sommigen van hen onstuimig als golven op elkander doen drukken60) en de trompet zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen.100.Op dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken.101.Wier oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden niet wilden hooren.102.Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen gereed gemaakt.103.Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken ijdel zijn.104.Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht, en die nochtans denken goed te handelen?105.Zij zijn het die niet gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven.106.Dit zal hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en mijne teekens en gezanten bespot hebben.107.Maar wat hen betreft, die gelooven en goede werkendoen, zijzullende gaarden van het paradijs tot hun verblijf hebben.108.Zij zullen voor eeuwig daarin verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen.109.Zeg: Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven, waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere, gelijke zee zouden gebruiken.110.Zeg: waarlijk, ik ben slechts een mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen, rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer geen ander met hem vereenigen.1Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.2Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.3Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie teEphesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizerDecius, welke door de Arabische schrijversDecïanusgenoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd doorMahometaan de christelijke overleveringen ontleend (ZieGreg. Turon, enSimeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt, p. 189). ZelfsBaronius(in zijneMartijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph,Marracci(Alkor.p. 425 en inProdr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hijHottingereen monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting.Hist. Orient.p. 40.)4De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers vanAl Rakimandere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten,waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beidâwi, uit de overlevering vanNooman Ebn Bashir).5Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beidâwi).6Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beidâwi).7Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beidâwi).8Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beidâwi).9Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)10Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen,calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats vancalbohom, hun hond te lezen (Al BeidâwiJallalo’ddin.)Jallalo’ddinvoegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen,Katmirwas (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij,Al Rakimheette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om hetverlies van den brief te voorkomen (La Roque,Voyage de l’Arabir Heur, p. 74. Zied’Herbel, t. a. pl.)11Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalifMoawiyah, op eene expeditie welke hij tegenNatoliëondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaandeEbn Abrashem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beidâwi).12Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beidâwi).13Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was ditTarnis.14Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.15Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander datzij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beidâwi).16Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zóó oud (het was namelijk eene munt vanDecianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal hadgehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.17Dit was de meening vanal Seyiden Jacobitisch Christen vanNajran.18Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.19En dit is de ware meening (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).20Men zegt, dat, toen de Koreïshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aanMahometdeden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De Koreïshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk brachtGabriëlhem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer meten cha Alla: Indien het God behaagt.21Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.22Jallalo’ddinveronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderdzonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beidâwi). De tijd tusschen de regeering vanDeciusen die vanTheodosiusden jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebbengeslapen. MaarMahometis eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal doorSimeon Metaphrastust. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.23Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al BeidâwiJallalo’ddin).25Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.26Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld,Ommeya Ebn Khalfwas, die begeerde datMahometzijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de Koreïshieten, zou ontslaan (ZieHoofdstuk IV, vers 52).27Letterlijk: vanEden(ZieHoofdstuk IX, vers 73).28Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee Israëlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geërfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam vanMakhzumwaren, waarvan de een een ongeloovige,al Aswald Ebn Abd al Ashaddwas genaamd en de andereAboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot vanOmm Salma(met welke de profeet na den dood vanAbd Allahhuwde,) die een waar geloovige was (Al Beidâwi).29Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beidâwi).30Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beidâwi).31Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beidâwi.)32ZieHoofdstuk II, vers 32enHoofdstuk VII, vers 10enz.33Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo’ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.34Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.35Van hunnen nood teBedhr(want de Koreïshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beidâwi).36Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.37Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toenMozeseensvoor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter datMozesdie vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaaral Khedrwijzer was dan hij. Op het verzoek vanMozesverhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeën elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrokMozesmet zijn dienaarJosuaomal Khedrop te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonnaenz.)38Zijnde die vanPerziëenGriekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting vanMozesenal Khedrwordt bedoeld, als van twee zeeën van kennis (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonna, enz.).39Mozesvergat daaromtrent inlichtingen te winnen, enJosuaom het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen,Mozesin slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, datJosuazich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.).40Het woord dat hier met “vrijelijk” is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)41Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeetAl Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk metPhineas,EliasenSt. Jorisverwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naamBalya Ebn Malcanwas, en dat hij leefde in den tijd vanAfridun, een der oude koningen vanPerzië; dat hijDhoe’lkarneinvoorafging en tot den tijd vanMozesleefde. Zij veronderstellen datal Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beidâwi,alZamakshari,al Bokhari, inSonna. Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Khedher,Septem castrens de Turcar,Moribus,BusbeqEpist.I. p. 93 enz.Hotting.Hist. Oriëntp. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).42Al Khedrnam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beidâwi).43Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beidâwi).44Deze stad wasAntiochië, of zooals sommigen eerder aannemen,ObollahnabijBasra, of welBajirwaninArmenië(Al Beidâwi).45Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beidâwi).46Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beidâwi).47Jaland Ebn Karkar, ofMinwar Ebn Jaland al Azdigenaamd (Al Beidâwi) die inOmanregeerde.48Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beidâwi).49Hunne namen warenAsramenSarim(Al Beidâwi).50Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoonAlexanderde Grootewas, of gelijk zij hem noemen,Iscander Al Roemi, koning vanPerziëenGriekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiën naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger,de Emend. temp.L’Empereur,not. in Jachiad.Dan. VIII, 5 Gol.in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon vanJupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeetDaniëlbij een bok wordt vergeleken (Schickard,Tarikh Reg. Pers.p. 73). Hij wordt echter daar slechts met één hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, nietAlexanderde Griekwas, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd vanAbrahamleefde, en een der koningen vanPerziëwas, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda,Khondemir,Tarikh Monthakhah, enz. Zied’Herbel.Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning vanSaman,Asaab al Rayeshgenaamd (overlever.,Ebn Abbas, ZiePoc. Spec.p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Ofhijechter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.51Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).52Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).53Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.54Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Jallalo’ddinzegt, dat het deZenjwaren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten vanEthiopiëophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.55Waar tusschenDhoe’lkarneinden straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen vanGogenMagogbouwde. Deze bergen zijn gelegen inArmeniëenAdherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen vanTurkestan(Al Beidâwi).d’Herbelotgeeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalifal Watheewerd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. Oriënt. art. Jagîouge).56Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beidâwi).57De Arabieren noemen henYajoej, enMajoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uitJaphetden zoon vanNoachgesproten. Zooals anderen schrijven, wasGogeen stam der Turken enMagogvan die vanGilan. (Al Beidâwi. Zied’Herbelot, t. a. pl. deGelienGelaevanPtolemaeusenStrabo. ZieGol.in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beidâwi).58De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beidâwi).59Dat is: als de tijd voorGogenMagogzal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.60Deze woorden stellen òf den geweldigen inval vanGogenMagogvoor, òf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.

Achttiende Hoofdstuk.De Spelonk1.Geopenbaard teMekka2.—110 verzen.

Geopenbaard teMekka2.—110 verzen.

Geopenbaard teMekka2.—110 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God1.Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft.2.Die het tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin zij eeuwig zullen verblijven.3.En om dengenen te waarschuwen, die zeggen:God heeft een afstammeling geteeld.4.Daarvan hadden zij noch hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove zonde: zij zeggen niets anders dan leugen.5.Misschien wilt gij u uit droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren, indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven.6.Wij hebben hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt.7.Maar al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren.8.Begrijpt gij, dat de makkers van de spelonk3enAl Rakim4, een onzer teekens waren en een mirakel?9.Toen de jonge menschen hunne toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade en verzeker ons een rechtvaardig gedrag.10.Daarom sloegen wij hunne ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder stoornis in de spelonk sliepen.11.Daarna wekten wij hen, opdat wij zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest.12.Wij zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk, zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en wij hadden hen overvloedig geleid.13.En wij versterkten hunne harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden, en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemelen aarde; wij zullen nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij zeker eene misdaad begaan.14.Deze onze medeburgers hebben andere goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt.15.En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God5, aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken.16.Gij zoudt de zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en, toen zij onderging, zich aan de linkerhand6van hen verwijderen; en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk7. Dit was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om hem te verdedigen of te leiden.17.En gij zoudt gezegd hebben, dat zij waakten8, terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter- en naar de linkerzijde omwenden9. En hun hond10strekte zijnevoorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben11.18.Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste den tijd dien gij daar hebt doorgebracht12, en zend thans een uwer met dit geld naar de stad13, en laat hij zien welke der inwoners het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe schuilplaats aan niemand ontdekke.19.Waarlijk, indien zij tegen u opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn.20.En zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is14, ofschoon zij daaromtrent onder elkander hebben getwist15. En zij zeiden: Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden: wij zullen zekerlijk eene kapel voorbouwen16.21.Sommigen zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde17; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de zesde18; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen: Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste19. Zeg: Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve enkelen.22.Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen nopens hen.23.Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt20. En herdenk uwen Heer als gij dit vergeet21, en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou kunnen komen.24.En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en daarenboven negen jaren22.25.Zeg: Godweet het best hoe lang zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe hem zien en hooren23. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit deelen.26.Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer, zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen brengen24; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen, en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt nemen, indien gij daarnaar mocht trachten.27.Wees inschikkelijk omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen, en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken25, en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons hebben doen zijn26, die zijne lusten volgt en de waarheid achter zich laat.28.En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder, naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en welk een onzalig verblijf!29.Wat hen betreft, die gelooven en goede werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid oefenen, niet doen verloren gaan.30.Voor hen zijn tuinen tot eeuwig verblijf27gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd, en metgroene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden, terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning en welk een gemakkelijk verblijf!31.Stel hun als een vergelijking twee menschen voor28, van welke wij aan een twee wijngaarden hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd, terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren niet onvruchtbaar.32.En wij deden eene rivier in het midden daarvan stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij, en bezit een talrijker gezin.33.En hij ging in zijn tuin29, terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig was, en zeide:Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen.34.Ik geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden3035.En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht, en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd?36.Wat mij betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn Heer vermengen.37.En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u sta.38.Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden, zoodat die onvruchtbaar stof worde.39.Of zijn water zal diep in de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden.40.En zijne bezittingen werden door verwoestingomringd, nadat zijn makker hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed; want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben vereenigd!41.Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen.42.De bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan alles den besten uitslag geven.43.Stel hun eene vergelijking van het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat alle dingen te doen.44.Welvaart en kinderen vormen het versiersel van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren, zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning, en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen.45.Op een zekeren dag zullen wij de bergen doen verdwijnen31en gij zult de aarde vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen en geen hunner achterlaten.46.En zij zullen in duidelijke orde voor uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen.47.Het boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren, om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote, maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig handelen.48.Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; AanbidtAdam: en zij aanbaden hem allen, behalveEblis32, die een der geniussen33was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen, niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering zal ellendig zijn voor de goddeloozen!49.Ik riep hen niet om tegenwoordigte zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot mijne helpers.50.Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen, doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van vernietiging tusschen hen plaatsen34.51.De zondaren zullen het hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden, en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden.52.Wij hebben den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de meeste dingen, die daarin voorkomen.53.Niets verhindert de menschen, nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding van het volgende leven openlijk op hen nederkomt.54.Wij zonden onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij, die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner spotternijen.55.En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan, en wij wierpen zwaarte in hunne ooren.56.Indien gij hen tot de ware richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen.57.Uw Heer is barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast, maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd35, en zij zullen geene toevlucht buiten hem vinden.58.De vroegere steden36hebben wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden deze, voor hare verdelging.59.En gedenk, toenMozestot zijn dienaarJosua, den zoon vanNun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeën elkander ontmoeten, of ik zal gedurende langen tijd37reizen.60.Maar toen zij aan de samenstrooming der beidezeeën38waren gekomen, vergaten zij hunnen visch, die zij met zich hadden genomen39, en de visch nam zijn weg vrijelijk40in de zee61.En toen zij die plaats waren voorbij gegaan, zeideMozestot zijn dienaar: Breng ons middagmaal; want wij zijn vermoeid van deze onze reis.62.Zijn dienaar antwoordde: Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden, vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn weg, op wonderdadige wijze, in de zee.63.Mozeszeide: Dit is wanneer wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg terug, langs welken zij warengekomen.64.Toen zij nabij de rots kwamen, vonden zij een onzer dienaren,41wien wij onze genade verleend, en met onze wijsheidonderricht hadden.65.EnMozeszeide tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij?66.Hij antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven.67.Want hoe kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis niet begrijpt?68.Mozesantwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam zijn.69.Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar.70.Zij begaven zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip, en hij maakte er een gat in42. EnMozeszeide tot hem: Hebt gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven.71.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij te kunnen blijven?72.Mozeszeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen mij wordt bevolen.73.Zij verlieten dus het schip en gingen voort, tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem43.Mozeszeide: Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven.74.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen blijven?75.Mozeszeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag, sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans.76.Zij gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad44kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt was van om te storten, en hij zette dien overeind45. Daarop zeideMozestot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning daarvoor hebben ontvangen.77.Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.78.Het vaartuig behoorde aan zekere arme menschen46, die hunne zaken op zee deden, en ik wildehet onbruikbaar maken, omdat er een koning achter hen was47, die ieder goed schip met geweld nam.79.Wat den knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden, dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid en zijn ondank te dulden.80.Daarom begeerden wij dat hun Heer hun een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer zou beminnen48.81.En de muur behoorde aan twee weesknapen49der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde, en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.82.De Joden zullen u ondervragen nopensDhoe’lkarnein50. Antwoord; Ik zal u zijne geschiedenis verhalen.83.Wij maakten hem machtig op aarde en wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde.84.En hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk51onderging; en hij vond zeker volk52in hare nabijheid.85.En wij zeiden: ODhoe’lkarnein! straf dit volk, of behandel het edelmoedig.86.Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge straf kastijden.87.Maar hij die gelooft en doet wat goed is, zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts gemakkelijk uit te voeren bevelen geven.88.Daarna zette hij zijn weg voort.89.Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging53, en hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten54.90.Zoo was het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem waren.91.En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het noorden.92.Tot hij tusschen de twee bergen kwam55, aan welker voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd56.93.En zij zeiden: ODhoe’lkarnein!waarlijkGogenMagogverwoesten het land57;zullen wij u dus schatting betalen, op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt?94.Hij antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur tusschen u en hen plaatsen.95.Brengt mij groote stukken ijzer, tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna: Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe.96.Toen nu deze muur was voltooid, kondenGog, enMagogdien muur beklimmen noch doorsteken58.97.EnDhoe’lkarneinzeide: Dit is eene genade van mijn Heer.98.Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat59, zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van mijn Heer is waarheid.99.Op dien dag zullen wij sommigen van hen onstuimig als golven op elkander doen drukken60) en de trompet zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen.100.Op dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken.101.Wier oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden niet wilden hooren.102.Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen gereed gemaakt.103.Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken ijdel zijn.104.Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht, en die nochtans denken goed te handelen?105.Zij zijn het die niet gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven.106.Dit zal hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en mijne teekens en gezanten bespot hebben.107.Maar wat hen betreft, die gelooven en goede werkendoen, zijzullende gaarden van het paradijs tot hun verblijf hebben.108.Zij zullen voor eeuwig daarin verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen.109.Zeg: Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven, waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere, gelijke zee zouden gebruiken.110.Zeg: waarlijk, ik ben slechts een mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen, rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer geen ander met hem vereenigen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God

1.Geloofd zij God, die zijnen dienaar het boek van den Koran nedergezonden, en daarin geene kromming geplaatst heeft.2.Die het tot een rechten weg heeft gemaakt, bestemd om de ongeloovigen met eene strenge kastijding namens God te bedreigen, en om den geloovigen die rechtvaardigheid oefenen, goede tijdingen te brengen, dat zij eene uitmuntende belooning zullen ontvangen; namelijk het paradijs, waarin zij eeuwig zullen verblijven.3.En om dengenen te waarschuwen, die zeggen:God heeft een afstammeling geteeld.4.Daarvan hadden zij noch hunne vaderen kennis. Het woord dat uit hunnen mond komt, is eene grove zonde: zij zeggen niets anders dan leugen.5.Misschien wilt gij u uit droefheid over hen dooden, door uwe ernstige zorg om hen te bekeeren, indien zij in deze nieuwe openbaring niet gelooven.6.Wij hebben hetgeen op de aarde ter harer versiering is, beschikt om de menschen te beproeven, ten einde te weten wie door zijne daden uitmunt.7.Maar al deze versierselen zullen wij in stof doen verkeeren.8.Begrijpt gij, dat de makkers van de spelonk3enAl Rakim4, een onzer teekens waren en een mirakel?9.Toen de jonge menschen hunne toevlucht in de spelonk namen, zeiden zij: O Heer! schenk ons genade en verzeker ons een rechtvaardig gedrag.10.Daarom sloegen wij hunne ooren met doofheid, zoodat zij gedurende een groot aantal jaren zonder stoornis in de spelonk sliepen.11.Daarna wekten wij hen, opdat wij zouden weten, welke der beide partijen het tijdverloop juister zou kunnen tellen, gedurende hetwelk zij hier waren geweest.12.Wij zullen u hunne geschiedenis met waarheid verhalen. Waarlijk, zij waren jonge lieden, die in hunnen Heer hadden geloofd, en wij hadden hen overvloedig geleid.13.En wij versterkten hunne harten met standvastigheid, toen zij zich voor den tyran bevonden, en zij zeiden: Onze Heer is de Heer van hemelen aarde; wij zullen nimmer een anderen God buiten hem aanroepen: want dan zouden wij zeker eene misdaad begaan.14.Deze onze medeburgers hebben andere goden buiten hem gekozen, hoewel zij geen duidelijk bewijs voor hen aanvoeren; en wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt.15.En zij zeiden tot elkander: Indien gij u zult scheiden van hen en van de godheden welke zij, behalve God5, aanbidden, en in de spelonk vlucht, dan zal uw Heer u zijne genade rijkelijk schenken, en uwe zaken ten beste schikken.16.Gij zoudt de zon, toen zij opging, de spelonk rechts hebben zien voorbijgaan en, toen zij onderging, zich aan de linkerhand6van hen verwijderen; en zij bevonden zich in het ruime gedeelte van de spelonk7. Dit was een der teekens van God. Wie door God geleid zal worden, zal recht geleid zijn en degeen, dien hij zal doen dwalen, zal iemand vinden, om hem te verdedigen of te leiden.17.En gij zoudt gezegd hebben, dat zij waakten8, terwijl zij sliepen en wij deden hen naar de rechter- en naar de linkerzijde omwenden9. En hun hond10strekte zijnevoorpooten naar den ingang van de spelonk uit; maar indien gij plotseling waart gekomen, zoudt gij u zeker hebben afgewend en van hen gevloden zijn, en op hun gezicht zou de vrees u vervuld hebben11.18.Daarna wekten wij hen uit hunnen slaap, opdat zij zich wederkeerig zouden ondervragen. Een van hen sprak en zeide: Hoe lang zijt gij hier verbleven? Zij antwoordden: Wij zijn er een dag of een gedeelte van een dag gebleven. De ander zeide: Uw Heer kent het beste den tijd dien gij daar hebt doorgebracht12, en zend thans een uwer met dit geld naar de stad13, en laat hij zien welke der inwoners het beste en goedkoopste voedsel hebben, en laat hij u daarvan voor uw onderhoud medebrengen; en dat hij zich omzichtig gedrage en uwe schuilplaats aan niemand ontdekke.19.Waarlijk, indien zij tegen u opkwamen, zouden zij u steenigen, of u dwingen tot hunnen godsdienst weder te keeren; en dan zoudt ge nimmer gelukkig kunnen zijn.20.En zoo maakten wij hunne medeburgers bekend met hetgeen wij hen deden wedervaren, opdat zij zouden weten dat de belofte van God waarheid en het jongste uur aan geen twijfel onderhevig is14, ofschoon zij daaromtrent onder elkander hebben getwist15. En zij zeiden: Richt een gebouw boven de spelonk voor hen op; hun Heer kent het best hunnen toestand. Zij, wier meening in deze zaak besliste, antwoordden: wij zullen zekerlijk eene kapel voorbouwen16.21.Sommigen zeggen: De slapers waren drie in getal en de hond was de vierde17; anderen zeggen: Zij waren vijf in getal en hun hond was de zesde18; naar een geheimzinnige zaak radende, anderen zeggen: Zij waren zeven in getal en hun hond was de achtste19. Zeg: Mijn Heer kent hun getal het beste; niemand zal dit kennen behalve enkelen.22.Twist dus niet nopens hen, behalve op duidelijke wijze en overeenkomstig hetgeen u werd geopenbaard, en ondervraag geen Christen nopens hen.23.Zeg nimmer: Ik zal dit zekerlijk morgen doen; tenzij gij er bijvoegt: Indien het Gode behaagt20. En herdenk uwen Heer als gij dit vergeet21, en zeg: God is in staat mij gemakkelijk te leiden, opdat ik de kennis der waarheid van deze gebeurtenis nabij zou kunnen komen.24.En zij bleven drie honderd jaren in hunne spelonk en daarenboven negen jaren22.25.Zeg: Godweet het best hoe lang zij daar bleven; hem zijn de geheimen van hemel en aarde bekend; doe hem zien en hooren23. Hunne bewoners hebben geen schuts buiten hem; niemand doet hij in het nemen of de kennis van zijn besluit deelen.26.Lees wat u werd geopenbaard in het boek van uwen Heer, zonder het denkbeeld te hebben, daarin eenige verandering te kunnen brengen24; niemand heeft de macht zijne woorden te veranderen, en gij zult niemand vinden tot wien gij uwe toevlucht buiten hem kunt nemen, indien gij daarnaar mocht trachten.27.Wees inschikkelijk omtrent hen, die hunnen Heer des ochtends en des avonds aanroepen, en die zijne gunst trachten te verwerven. Laten uwe oogen zich niet van hen afwenden, om den pronk van dit leven te zoeken25, en gehoorzaam dengene nimmer, wiens hart wij zorgeloos omtrent ons hebben doen zijn26, die zijne lusten volgt en de waarheid achter zich laat.28.En zeg: De waarheid is van uwen Heer; laat dus ieder, naar hij wil, gelooven of ongeloovig zijn. Waarlijk, wij hebben den onrechtvaardige het hellevuur bereid, waarvan de rook en de vlam hem als eene tent zullen omringen. En als zij hulp verlangen, zal men hun water geven, gloeiend als gesmolten metaal, waardoor hunne aangezichten zullen verbrand worden. Welk eene ellendige vergelding, en welk een onzalig verblijf!29.Wat hen betreft, die gelooven en goede werken doen, wij zullen de belooning van degenen, die rechtvaardigheid oefenen, niet doen verloren gaan.30.Voor hen zijn tuinen tot eeuwig verblijf27gereed gemaakt, die door rivieren zullen worden besproeid; zij zullen daarin met gouden armbanden worden versierd, en metgroene kleederen van fijne zijde en satijn gekleed worden, terwijl zij op tronen zullen zitten. Welk eene heerlijke belooning en welk een gemakkelijk verblijf!31.Stel hun als een vergelijking twee menschen voor28, van welke wij aan een twee wijngaarden hebben geschonken en welke wij met palmboomen hebben omringd, terwijl wij koorn tusschen die beiden hebben doen opgroeien. Ieder der tuinen bracht elk jaargetijde zijne vruchten voort, en zij waren niet onvruchtbaar.32.En wij deden eene rivier in het midden daarvan stroomen, en hij bezat een grooten overvloed. En hij zeide tot zijn makker, terwijl hij met hem redetwistte: Ik ben rijker dan gij, en bezit een talrijker gezin.33.En hij ging in zijn tuin29, terwijl hij aan onrechtvaardigheid jegens zijne eigene ziel schuldig was, en zeide:Ik denk niet dat deze tuin ooit zal vervallen.34.Ik geloof niet, dat het jongste uur zal aanbreken, en indien ik tot mijn Heer zou terugkeeren, zou ik een beteren tuin dan dezen in ruil vinden3035.En zijn makker zeide, redetwistende, tot hem: Gelooft gij niet in hem, die u uit stof schiep en daarna uit zaad voortbracht, en u vervolgens tot een volmaakt mensch heeft gevormd?36.Wat mij betreft, God is mijn Heer, en ik zal geene andere godheid met mijn Heer vermengen.37.En als gij uwen tuin binnentreedt, zult gij dan niet zeggen: Wat God behaagt, zal geschieden; er is geene macht buiten God. Hoewel gij ziet, dat ik in rijkdom en getal van kinderen onder u sta.38.Is mijn Heer wel in staat mij een beter geschenk dan uw tuin te geven; hij zal eenige pijlen van den hemel daartegen afzenden, zoodat die onvruchtbaar stof worde.39.Of zijn water zal diep in de aarde zinken, zoodat gij het niet meer kunt terugvinden.40.En zijne bezittingen werden door verwoestingomringd, nadat zijn makker hem gewaarschuwd had; hij draaide daarop de palmen zijner handen uit spijt en droefheid om, wegens hetgeen hij daaraan had besteed; want de wijnranken hingen aan de staken en waren van hare vruchten beroofd: Gave God, dat ik geene andere godheid met mijn Heer zou hebben vereenigd!41.Er was geen leger dat hem tegen God kon verdedigen, en hij was niet in staat om zich tegen zijne wraak te beschermen.42.De bescherming behoort alleen aan God; hij is de beste looner en kan alles den besten uitslag geven.43.Stel hun eene vergelijking van het tegenwoordige leven voor. Het is als water, dat wij van den hemel nederzenden; het gras der aarde is daarmede vermengd en nadat het groen en bloeiende is geweest, wordt het des ochtends tot droge stoppels, die door den wind worden verspreid; want God is in staat alle dingen te doen.44.Welvaart en kinderen vormen het versiersel van het tegenwoordige leven, maar goede werken, die altijd voortduren, zijn beter voor het oog van uwen Heer, ten opzichte der belooning, en beter met het oog op het geen gij hebt te hopen.45.Op een zekeren dag zullen wij de bergen doen verdwijnen31en gij zult de aarde vlak en effen zien verschijnen; en wij zullen de menschen verzamelen en geen hunner achterlaten.46.En zij zullen in duidelijke orde voor uwen Heer worden geplaatst en hij zal tot hen zeggen: Thans zijt gij naakt tot ons gekomen, zooals wij u de eerste maal schiepen; maar hij dacht, dat wij onze belofte niet aan u zouden vervullen.47.Het boek, waarin ieders daden zijn opgeschreven, zal in zijne hand worden gegeven, en gij zult de zondaren in grooten schrik zien verkeeren, om hetgeen daar in staat, en zij zullen zeggen: Wee over ons! wat bedoelt dit boek? Het vergeet noch eene kleine daad noch eene groote, maar het stelt die allen op, en zij zullen voor hunne oogen vinden wat zij hebben verricht; en uw Heer zal met niemand onrechtvaardig handelen.48.Gedenk toen wij tot de engelen zeiden; AanbidtAdam: en zij aanbaden hem allen, behalveEblis32, die een der geniussen33was, en zich van het bevel van zijnen Heer afwendde. Wilt gij dus hem en zijne nakomelingen tot uwe beschermers naast mij kiezen, niettegenstaande zij uwe vijanden zijn? Zulk eene verandering zal ellendig zijn voor de goddeloozen!49.Ik riep hen niet om tegenwoordigte zijn bij de schepping der hemelen en der aarde, noch bij de schepping van hen zelven; ik nam nooit zulke verleiders tot mijne helpers.50.Op zekeren dag zal God tot de afgodendienaars zeggen: Roept hen aan, omtrent welke gij hebt uitgedacht dat zij mijne makkers zijn, om u te beschermen. Zij zullen hen roepen, doch zij zullen hun niet antwoorden, en wij zullen eene vallei van vernietiging tusschen hen plaatsen34.51.De zondaren zullen het hellevuur zien; zij zullen weten dat zij er in geworpen zullen worden, en zij zullen geen weg vinden om dat te vermijden.52.Wij hebben den mensch in dezen Koran op verschillende wijzen vergelijkingen van iederen aard voorgesteld, maar de mensch laakt met spitsvondigheid de meeste dingen, die daarin voorkomen.53.Niets verhindert de menschen, nu hun eene leiding is geschonken, te gelooven, en vergiffenis van hunnen Heer te vragen, en toch wachten zij wellicht tot de straf van hunne voorgangers op hen zal worden toegepast, of dat de kastijding van het volgende leven openlijk op hen nederkomt.54.Wij zonden onze gezanten om goede tijdingen te brengen en te waarschuwen. Zij, die niet gelooven, twisten met ijdele bewijsgronden, om daardoor der waarheid hare uitwerking te ontnemen, en kiezen mijne teekenen en de waarschuwingen die hun werden gedaan, tot onderwerp hunner spotternijen.55.En wie is onrechtvaardiger dan hij, die bekend is gemaakt met de teekens van zijn Heer, maar zich ver daarvan verwijdert en vergeet wat hij vroeger verricht heeft? Waarlijk wij hebben sluiers over hunne harten geworpen, dat zij den Koran niet zouden verstaan, en wij wierpen zwaarte in hunne ooren.56.Indien gij hen tot de ware richting oproept, zullen zij die nog altijd niet volgen.57.Uw Heer is barmhartig en vol van genade; indien hij hen had willen straffen voor hetgeen zij hebben bedreven, zou hij zeker hunne straf hebben verhaast, maar eene bedreiging is tegen hen aangekondigd35, en zij zullen geene toevlucht buiten hem vinden.58.De vroegere steden36hebben wij verwoest, toen zij onrechtvaardig handelden, en wij waarschuwden deze, voor hare verdelging.59.En gedenk, toenMozestot zijn dienaarJosua, den zoon vanNun, zeide: Ik zal niet ophouden voorwaarts te gaan, tot ik op de plaats kom, waar de twee zeeën elkander ontmoeten, of ik zal gedurende langen tijd37reizen.60.Maar toen zij aan de samenstrooming der beidezeeën38waren gekomen, vergaten zij hunnen visch, die zij met zich hadden genomen39, en de visch nam zijn weg vrijelijk40in de zee61.En toen zij die plaats waren voorbij gegaan, zeideMozestot zijn dienaar: Breng ons middagmaal; want wij zijn vermoeid van deze onze reis.62.Zijn dienaar antwoordde: Weet gij wat mij is overkomen. Toen wij ons nabij de rots ophielden, vergat ik waarlijk den visch, en niemand deed mij dien anders vergeten dan Satan, opdat ik u dien niet zou herinneren. En de visch nam zijn weg, op wonderdadige wijze, in de zee.63.Mozeszeide: Dit is wanneer wij hebben gezocht, en zij wendden zich beiden om en keerden den weg terug, langs welken zij warengekomen.64.Toen zij nabij de rots kwamen, vonden zij een onzer dienaren,41wien wij onze genade verleend, en met onze wijsheidonderricht hadden.65.EnMozeszeide tot hem: Zal ik u volgen, opdat gij mij een deel zoudt kunnen leeren van hetgeen u werd onderwezen, als eene richting voor mij?66.Hij antwoordde: Gij kunt waarlijk niet bij mij blijven.67.Want hoe kunt gij deze dingen geduldig doorstaan, waarvan gij de beteekenis niet begrijpt?68.Mozesantwoordde: Gij zult zien, dat ik geduldig zal wezen, indien het God behaagt: Ik zal u in niets ongehoorzaam zijn.69.Hij zeide: Indien gij mij dus volgt, ondervraag mij dan nopens niets, tot ik u de bedoeling daarvan verklaar.70.Zij begaven zich daarop beiden naar het strand der zee en beklommen een schip, en hij maakte er een gat in42. EnMozeszeide tot hem: Hebt gij er een gat in gemaakt om degenen te doen verdrinken die aan boord zijn? Thans hebt gij een vreemde zaak bedreven.71.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet geduldig genoeg zoudt zijn, om bij mij te kunnen blijven?72.Mozeszeide: Gisp mij niet, omdat ik uw bevel heb vergeten en leg mij geene te groote moeielijkheid op in hetgeen mij wordt bevolen.73.Zij verlieten dus het schip en gingen voort, tot zij een jongeling ontmoeten; en hij doodde hem43.Mozeszeide: Hebt gij een onschuldigen persoon gedood, zonder dat deze een ander heeft gedood? Gij hebt eene onrechtvaardige daad bedreven.74.Hij antwoordde: Heb ik u niet gezegd, dat gij niet bij mij zoudt kunnen blijven?75.Mozeszeide: Indien ik u voortaan omtrent iets ondervraag, sta mij dan niet toe, u te vergezellen: verschoon mij thans.76.Zij gingen dus verder, tot zij bij de inwoners van zekere stad44kwamen, en zij vroegen die inwoners om voedsel; doch deze weigerde hen te ontvangen. En zij vonden daar een muur staan, die op het punt was van om te storten, en hij zette dien overeind45. Daarop zeideMozestot hem: Indien gij hadt gewild, zoudt gij zeker eene belooning daarvoor hebben ontvangen.77.Hij antwoordde: Dit zal eene scheiding tusschen mij en u zijn, maar ik zal u eerst de beteekenis verklaren van datgene, wat gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.78.Het vaartuig behoorde aan zekere arme menschen46, die hunne zaken op zee deden, en ik wildehet onbruikbaar maken, omdat er een koning achter hen was47, die ieder goed schip met geweld nam.79.Wat den knaap betreft, zijne ouders waren ware geloovigen, en wij vreesden, dat hij, die een ongeloovige is, hen zou dwingen zijne verdorvenheid en zijn ondank te dulden.80.Daarom begeerden wij dat hun Heer hun een rechtvaardiger kind in ruil voor hem zou geven, en dat hen meer zou beminnen48.81.En de muur behoorde aan twee weesknapen49der stad, en onder den muur was een schat verborgen, die hun behoorde, en hun vader was een rechtvaardig man, en het behaagde uw Heer, dat zij hunnen vollen ouderdom zouden bereiken en hunnen schat zouden wegnemen door de genade van uwen Heer; en ik deed, wat gij gezien hebt, niet uit eigen wil, maar door Gods leiding. Dit is de vertolking van hetgeen gij niet met geduld hebt kunnen afwachten.82.De Joden zullen u ondervragen nopensDhoe’lkarnein50. Antwoord; Ik zal u zijne geschiedenis verhalen.83.Wij maakten hem machtig op aarde en wij gaven hem de middelen om alles te doen wat hem behaagde.84.En hij vervolgde zijnen weg, tot hij aan de plaats kwam waar de zon onderging, en hij zag dat die in eene bron van zwart slijk51onderging; en hij vond zeker volk52in hare nabijheid.85.En wij zeiden: ODhoe’lkarnein! straf dit volk, of behandel het edelmoedig.86.Hij antwoordde: Wie hunner onrechtvaardigheid bedrijft, zullen wij zekerlijk in deze wereld straffen, daarna zal hij tot zijn Heer terugkeeren en deze zal hem met eene gestrenge straf kastijden.87.Maar hij die gelooft en doet wat goed is, zal de uitmuntendste belooning ontvangen, en wij zullen hem slechts gemakkelijk uit te voeren bevelen geven.88.Daarna zette hij zijn weg voort.89.Tot hij aan de plaats kwam waar de zon opging53, en hij zag dat die opging over zeker volk, aan hetwelk wij niets hadden gegeven, om zich tegen hare hitte te beschutten54.90.Zoo was het, en wij begrepen, door onze kennis, de krachten die met hem waren.91.En hij zette zijne reis voort van het zuiden naar het noorden.92.Tot hij tusschen de twee bergen kwam55, aan welker voet hij zeker volk vond, dat weinig verstond van hetgeen gezegd werd56.93.En zij zeiden: ODhoe’lkarnein!waarlijkGogenMagogverwoesten het land57;zullen wij u dus schatting betalen, op voorwaarde dat gij een muur tusschen ons en hen bouwt?94.Hij antwoordde: De macht, waarmede mijn Heer mij heeft voorzien, is beter dan uwe schatting; maar helpt mij ijverig en ik zal een sterken muur tusschen u en hen plaatsen.95.Brengt mij groote stukken ijzer, tot de ruimte tusschen de beide zijden van deze bergen gevuld is. En hij zeide tot de werklieden: Blaast het vuur met uwe blaasbalgen, tot daardoor het ijzer rood en heet als vuur worde. En hij zeide daarna: Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er op werpe.96.Toen nu deze muur was voltooid, kondenGog, enMagogdien muur beklimmen noch doorsteken58.97.EnDhoe’lkarneinzeide: Dit is eene genade van mijn Heer.98.Maar als de voorzegging van mijn Heer in vervulling gaat59, zal hij den muur in stof doen verkeeren; en de voorzegging van mijn Heer is waarheid.99.Op dien dag zullen wij sommigen van hen onstuimig als golven op elkander doen drukken60) en de trompet zal geblazen worden, waarop wij hen allen zullen vereenigen.100.Op dien dag zullen wij de hel voor de ongeloovigen beschikken.101.Wier oogen gesluierd waren voor mijne herinnering en die mijne woorden niet wilden hooren.102.Denken de ongeloovigen dat ik hen niet zal straffen, omdat zij mijne dienaren als hunne beschermers naast mij kiezen? Waarlijk, wij hebben de hel tot verblijf voor de ongeloovigen gereed gemaakt.103.Zeg: Zullen wij u degenen doen kennen, wier werken ijdel zijn.104.Wier pogingen in deze wereld ten kwade zijn gericht, en die nochtans denken goed te handelen?105.Zij zijn het die niet gelooven aan de teekenen van hunnen Heer, of dat zij voor hem zullen verzameld worden, waardoor hunne werken ijdel zijn; en wij zullen hun geenerlei gewicht op den dag der opstanding geven.106.Dit zal hunne belooning zijn; namelijk de hel, omdat zij niet geloofd, en mijne teekens en gezanten bespot hebben.107.Maar wat hen betreft, die gelooven en goede werkendoen, zijzullende gaarden van het paradijs tot hun verblijf hebben.108.Zij zullen voor eeuwig daarin verblijven en zullen geene verandering daarin wenschen.109.Zeg: Indien de zee inkt ware, om de woorden van mijn Heer te beschrijven, waarlijk dan zou de zee eerder te kort schieten, dan dat de woorden van mijn Heer zouden falen; zelfs indien wij daartoe eene andere, gelijke zee zouden gebruiken.110.Zeg: waarlijk, ik ben slechts een mensch zoo als gij zijt. Het is mij geopenbaard, dat uw Heer een eenige God is; laat dus hem, die voor zijn Heer wil verschijnen, rechtvaardig handelen, en laat hem in de aanbidding van zijn Heer geen ander met hem vereenigen.

1Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.2Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.3Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie teEphesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizerDecius, welke door de Arabische schrijversDecïanusgenoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd doorMahometaan de christelijke overleveringen ontleend (ZieGreg. Turon, enSimeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt, p. 189). ZelfsBaronius(in zijneMartijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph,Marracci(Alkor.p. 425 en inProdr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hijHottingereen monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting.Hist. Orient.p. 40.)4De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers vanAl Rakimandere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten,waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beidâwi, uit de overlevering vanNooman Ebn Bashir).5Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beidâwi).6Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beidâwi).7Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beidâwi).8Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beidâwi).9Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)10Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen,calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats vancalbohom, hun hond te lezen (Al BeidâwiJallalo’ddin.)Jallalo’ddinvoegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen,Katmirwas (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij,Al Rakimheette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om hetverlies van den brief te voorkomen (La Roque,Voyage de l’Arabir Heur, p. 74. Zied’Herbel, t. a. pl.)11Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalifMoawiyah, op eene expeditie welke hij tegenNatoliëondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaandeEbn Abrashem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beidâwi).12Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beidâwi).13Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was ditTarnis.14Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.15Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander datzij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beidâwi).16Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zóó oud (het was namelijk eene munt vanDecianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal hadgehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.17Dit was de meening vanal Seyiden Jacobitisch Christen vanNajran.18Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.19En dit is de ware meening (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).20Men zegt, dat, toen de Koreïshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aanMahometdeden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De Koreïshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk brachtGabriëlhem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer meten cha Alla: Indien het God behaagt.21Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.22Jallalo’ddinveronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderdzonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beidâwi). De tijd tusschen de regeering vanDeciusen die vanTheodosiusden jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebbengeslapen. MaarMahometis eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal doorSimeon Metaphrastust. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.23Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al BeidâwiJallalo’ddin).25Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.26Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld,Ommeya Ebn Khalfwas, die begeerde datMahometzijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de Koreïshieten, zou ontslaan (ZieHoofdstuk IV, vers 52).27Letterlijk: vanEden(ZieHoofdstuk IX, vers 73).28Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee Israëlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geërfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam vanMakhzumwaren, waarvan de een een ongeloovige,al Aswald Ebn Abd al Ashaddwas genaamd en de andereAboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot vanOmm Salma(met welke de profeet na den dood vanAbd Allahhuwde,) die een waar geloovige was (Al Beidâwi).29Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beidâwi).30Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beidâwi).31Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beidâwi.)32ZieHoofdstuk II, vers 32enHoofdstuk VII, vers 10enz.33Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo’ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.34Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.35Van hunnen nood teBedhr(want de Koreïshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beidâwi).36Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.37Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toenMozeseensvoor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter datMozesdie vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaaral Khedrwijzer was dan hij. Op het verzoek vanMozesverhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeën elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrokMozesmet zijn dienaarJosuaomal Khedrop te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonnaenz.)38Zijnde die vanPerziëenGriekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting vanMozesenal Khedrwordt bedoeld, als van twee zeeën van kennis (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonna, enz.).39Mozesvergat daaromtrent inlichtingen te winnen, enJosuaom het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen,Mozesin slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, datJosuazich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.).40Het woord dat hier met “vrijelijk” is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)41Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeetAl Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk metPhineas,EliasenSt. Jorisverwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naamBalya Ebn Malcanwas, en dat hij leefde in den tijd vanAfridun, een der oude koningen vanPerzië; dat hijDhoe’lkarneinvoorafging en tot den tijd vanMozesleefde. Zij veronderstellen datal Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beidâwi,alZamakshari,al Bokhari, inSonna. Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Khedher,Septem castrens de Turcar,Moribus,BusbeqEpist.I. p. 93 enz.Hotting.Hist. Oriëntp. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).42Al Khedrnam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beidâwi).43Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beidâwi).44Deze stad wasAntiochië, of zooals sommigen eerder aannemen,ObollahnabijBasra, of welBajirwaninArmenië(Al Beidâwi).45Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beidâwi).46Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beidâwi).47Jaland Ebn Karkar, ofMinwar Ebn Jaland al Azdigenaamd (Al Beidâwi) die inOmanregeerde.48Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beidâwi).49Hunne namen warenAsramenSarim(Al Beidâwi).50Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoonAlexanderde Grootewas, of gelijk zij hem noemen,Iscander Al Roemi, koning vanPerziëenGriekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiën naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger,de Emend. temp.L’Empereur,not. in Jachiad.Dan. VIII, 5 Gol.in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon vanJupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeetDaniëlbij een bok wordt vergeleken (Schickard,Tarikh Reg. Pers.p. 73). Hij wordt echter daar slechts met één hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, nietAlexanderde Griekwas, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd vanAbrahamleefde, en een der koningen vanPerziëwas, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda,Khondemir,Tarikh Monthakhah, enz. Zied’Herbel.Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning vanSaman,Asaab al Rayeshgenaamd (overlever.,Ebn Abbas, ZiePoc. Spec.p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Ofhijechter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.51Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).52Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).53Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.54Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Jallalo’ddinzegt, dat het deZenjwaren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten vanEthiopiëophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.55Waar tusschenDhoe’lkarneinden straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen vanGogenMagogbouwde. Deze bergen zijn gelegen inArmeniëenAdherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen vanTurkestan(Al Beidâwi).d’Herbelotgeeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalifal Watheewerd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. Oriënt. art. Jagîouge).56Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beidâwi).57De Arabieren noemen henYajoej, enMajoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uitJaphetden zoon vanNoachgesproten. Zooals anderen schrijven, wasGogeen stam der Turken enMagogvan die vanGilan. (Al Beidâwi. Zied’Herbelot, t. a. pl. deGelienGelaevanPtolemaeusenStrabo. ZieGol.in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beidâwi).58De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beidâwi).59Dat is: als de tijd voorGogenMagogzal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.60Deze woorden stellen òf den geweldigen inval vanGogenMagogvoor, òf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.

1Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.

2Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.

3Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie teEphesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizerDecius, welke door de Arabische schrijversDecïanusgenoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd doorMahometaan de christelijke overleveringen ontleend (ZieGreg. Turon, enSimeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt, p. 189). ZelfsBaronius(in zijneMartijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph,Marracci(Alkor.p. 425 en inProdr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hijHottingereen monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting.Hist. Orient.p. 40.)

4De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers vanAl Rakimandere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten,waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beidâwi, uit de overlevering vanNooman Ebn Bashir).

5Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beidâwi).

6Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beidâwi).

7Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beidâwi).

8Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beidâwi).

9Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)

10Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen,calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats vancalbohom, hun hond te lezen (Al BeidâwiJallalo’ddin.)Jallalo’ddinvoegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen,Katmirwas (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij,Al Rakimheette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om hetverlies van den brief te voorkomen (La Roque,Voyage de l’Arabir Heur, p. 74. Zied’Herbel, t. a. pl.)

11Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalifMoawiyah, op eene expeditie welke hij tegenNatoliëondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaandeEbn Abrashem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beidâwi).

12Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beidâwi).

13Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was ditTarnis.

14Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.

15Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander datzij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beidâwi).

16Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zóó oud (het was namelijk eene munt vanDecianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal hadgehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.

17Dit was de meening vanal Seyiden Jacobitisch Christen vanNajran.

18Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.

19En dit is de ware meening (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

20Men zegt, dat, toen de Koreïshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aanMahometdeden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De Koreïshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk brachtGabriëlhem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer meten cha Alla: Indien het God behaagt.

21Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.

22Jallalo’ddinveronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderdzonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beidâwi). De tijd tusschen de regeering vanDeciusen die vanTheodosiusden jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebbengeslapen. MaarMahometis eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal doorSimeon Metaphrastust. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.

23Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

24Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al BeidâwiJallalo’ddin).

25Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.

26Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld,Ommeya Ebn Khalfwas, die begeerde datMahometzijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de Koreïshieten, zou ontslaan (ZieHoofdstuk IV, vers 52).

27Letterlijk: vanEden(ZieHoofdstuk IX, vers 73).

28Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee Israëlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geërfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam vanMakhzumwaren, waarvan de een een ongeloovige,al Aswald Ebn Abd al Ashaddwas genaamd en de andereAboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot vanOmm Salma(met welke de profeet na den dood vanAbd Allahhuwde,) die een waar geloovige was (Al Beidâwi).

29Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beidâwi).

30Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beidâwi).

31Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beidâwi.)

32ZieHoofdstuk II, vers 32enHoofdstuk VII, vers 10enz.

33Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo’ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.

34Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.

35Van hunnen nood teBedhr(want de Koreïshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beidâwi).

36Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.

37Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toenMozeseensvoor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter datMozesdie vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaaral Khedrwijzer was dan hij. Op het verzoek vanMozesverhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeën elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrokMozesmet zijn dienaarJosuaomal Khedrop te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonnaenz.)

38Zijnde die vanPerziëenGriekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting vanMozesenal Khedrwordt bedoeld, als van twee zeeën van kennis (Al Beidâwi,al Zamakhshari,al Bokhari, inSonna, enz.).

39Mozesvergat daaromtrent inlichtingen te winnen, enJosuaom het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen,Mozesin slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, datJosuazich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.).

40Het woord dat hier met “vrijelijk” is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beidâwi,Al Zamakshari, enz.)

41Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeetAl Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk metPhineas,EliasenSt. Jorisverwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naamBalya Ebn Malcanwas, en dat hij leefde in den tijd vanAfridun, een der oude koningen vanPerzië; dat hijDhoe’lkarneinvoorafging en tot den tijd vanMozesleefde. Zij veronderstellen datal Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beidâwi,alZamakshari,al Bokhari, inSonna. Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Khedher,Septem castrens de Turcar,Moribus,BusbeqEpist.I. p. 93 enz.Hotting.Hist. Oriëntp. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).

42Al Khedrnam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beidâwi).

43Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beidâwi).

44Deze stad wasAntiochië, of zooals sommigen eerder aannemen,ObollahnabijBasra, of welBajirwaninArmenië(Al Beidâwi).

45Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beidâwi).

46Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beidâwi).

47Jaland Ebn Karkar, ofMinwar Ebn Jaland al Azdigenaamd (Al Beidâwi) die inOmanregeerde.

48Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beidâwi).

49Hunne namen warenAsramenSarim(Al Beidâwi).

50Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoonAlexanderde Grootewas, of gelijk zij hem noemen,Iscander Al Roemi, koning vanPerziëenGriekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiën naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger,de Emend. temp.L’Empereur,not. in Jachiad.Dan. VIII, 5 Gol.in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon vanJupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeetDaniëlbij een bok wordt vergeleken (Schickard,Tarikh Reg. Pers.p. 73). Hij wordt echter daar slechts met één hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, nietAlexanderde Griekwas, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd vanAbrahamleefde, en een der koningen vanPerziëwas, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda,Khondemir,Tarikh Monthakhah, enz. Zied’Herbel.Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning vanSaman,Asaab al Rayeshgenaamd (overlever.,Ebn Abbas, ZiePoc. Spec.p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Ofhijechter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.

51Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

52Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

53Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.

54Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Jallalo’ddinzegt, dat het deZenjwaren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten vanEthiopiëophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.

55Waar tusschenDhoe’lkarneinden straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen vanGogenMagogbouwde. Deze bergen zijn gelegen inArmeniëenAdherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen vanTurkestan(Al Beidâwi).d’Herbelotgeeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalifal Watheewerd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. Oriënt. art. Jagîouge).

56Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beidâwi).

57De Arabieren noemen henYajoej, enMajoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uitJaphetden zoon vanNoachgesproten. Zooals anderen schrijven, wasGogeen stam der Turken enMagogvan die vanGilan. (Al Beidâwi. Zied’Herbelot, t. a. pl. deGelienGelaevanPtolemaeusenStrabo. ZieGol.in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beidâwi).

58De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beidâwi).

59Dat is: als de tijd voorGogenMagogzal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.

60Deze woorden stellen òf den geweldigen inval vanGogenMagogvoor, òf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.


Back to IndexNext