Chapter 20

1Al Arais de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dithoofdstukwordt verklaard.2Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.3Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters.Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden:Allah,Gabriël,Mahomet, vrede zij met hen. ZieSoera I, vers 2in de noot.4ZieHoofdstuk II: vers 32.5Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, end’Herbelot,Bibl. Oriënt, art. Eblis).6De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).7Het Mohamedaansche evangelie vanBarnabaszegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zieHoofdstuk II: vers 34en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engelMichaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.8Die zij te voren niet hadden opgemerkt.9Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zieHoofdstuk II: 33 en de noot).10Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zieHoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).11Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).12Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, denCaabanaakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Desonnabeveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.13Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.14Zijnde de engel des doods en zijne helpers.15Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.16De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).17Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).18Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.19Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.20Al Arafis volgensMahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.21Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.22Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)23Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.24Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.25Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.26Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.27Hoofdstuk VI, vers 24, noot.28Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).29Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.30Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats vannoshram, goede tijdingen,boshramdaar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.31Of een droog en verdord land.32Noach, de zoon vanLamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (ZieRelandde Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvaderEdrisofEnochverscheen. DatNoachhet goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aanNoachbeval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het ArabischNâkûsen in het nieuwe GriekschSemandrawordt genoemd.Noachmoest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaarvan den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych,Ann.p. 37.)33Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar vanNoachsprediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening vanMahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (ZieHoofdstuk XI.)34Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.35Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Ebn Shohnah), en daaronderJorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. ZiePocock.Orat. praefix. Carm. Tograi.36Adwas een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)37Deze wordt gezegd dezelfde persoon alsHeberte zijn.38Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.39Thamoedwas een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.40De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegenSalehvoor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, weesJonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzochtSalehdaaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indienSalehdit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.41De stam vanThamoedwoonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied vanHejrwegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.42Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engelGabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda,Al Beidâwi.)43ToenMahometin de expeditie vanTabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, doorHejrtrok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda.Vit. Moh.p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)44ZieHoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden vanLoth.45ZijndeLothen zij die in hem geloofden.46ZieHoofdstuk XI.47Zie hetzelfde Hoofdstuk.48MadianofMidian, was eene stad inHejâz, en de woonplaats van de afstammelingen vanMidian, de zoonAbrahamuitKetura(Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde alsModiana; wat daarvan inMahometstijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (ZieGolii,not. in Alfrag.p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraanMozesde kudden vanJethrodrenkte. (Abulfeda,Desc. Arab.p. 42.Geogr. Nub.p. 109.)49Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon vanMikail, den zoon vanYashjar, den zoon vanMadian(Al Beidâwi,Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader vanMozes, die in de Heilige SchriftReuelofRaguelenJethrowordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.50Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ookShalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam vanKhatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)51Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zied’Herbelot, t. a. pl.Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)52Zie hiervoren bladz.195vers 54 en de noot.53Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)54Door niet daarin te gelooven.55De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengtenvan elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, datPharaodaaropMozesbij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toenMozesgedaan had, watPharaoverlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)56De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriesterSimeon.57De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna namMozesde slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)58Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.59Sommigen zeggen, datPharaode eerste uitvinder dezer straf was.60Zijnde de sterren of andere afgoden.61Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.62Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woordToefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.63Deze gebeurtenis wordt in de Xe enXXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.64Dat is het land vanSyrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigenPalestinarekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen vanEgypteen de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)65Vooral den hoogen toren, dienPharaohad doen bouwen, om den God vanMozeste kunnen aanvallen. (Ziehoofdstuk XXVIIIenHoofdstuk XL.)66Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).67De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woordenLeili! Leili!O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)68Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zied’Herbel.Bibl. Oriëntp. 650.69Deze berg wordt door de Arabierenal Zehir(Heb.הר שעיר) genoemd.70Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.71Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie inHoofdstuk VI. vers 14eene dergelijke uitdrukking.72Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het ParadijsAl Sedrawerd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.73Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.74Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ookHoofdstuk XXen de noot opHoofdstuk II, vers 48.75Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.76Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).77Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.78Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zied’Herbelotp. 649.)79ZieHoofdstuk II, vers 48–57.80Of de stukken van het overgeblevene.81VolgensSavarywerden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaatsHoofdstuk II, t. a. pl. enHoofdstuk IV, vers 152.82Dat isMahomet.83ZieHoofdstuk III, vers 44.84Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.85ZieHoofdstuk II, vers 286.86Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.87ZieHoofdstuk II, vers 57.88ZieHoofdstuk II, vers 54.89Zie omtrent de uitlegging van deze plaatsHoofdstuk II, vers 55.90Deze stad wasAilahofElath, aan deRoode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat hetMedianwas, en anderenTiberias. Zie voortsHoofdstuk II, vers 61, in de noot.91Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.92ZieHoofdstuk II, vers 61in de noot.93Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).94Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.95ZieHoofdstuk II, vers 60, in de noot.96De uitleggers verhalen, dat God overAdamsrug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatieex animalculus in semine maritum.97Sommigen achten ditBileam, den zoon vanBéor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht,Mozesen de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder.(Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)98Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.99Door het uitdrukken van zijne attributen.Marraccitelt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc.p. 414.)100ZooalsWalid Ebn al Mogheiradeed, die op het hooren datMahometaan God den titel vanAl Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc.Vit. Moh.p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners vanMekkadeden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v.Allàt, vanAllah,Al Uzza, vanAl Aziz, de machtige enManatvanAl Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)101Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)102Al Beidâwizegt, dat de Koran op deze plaatsKosai, een vanMahometsvoorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namenAbd Menaf,Abd Shains,Abd ul UzzaenAbd al Dargaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.103Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.

1Al Arais de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dithoofdstukwordt verklaard.2Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.3Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters.Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden:Allah,Gabriël,Mahomet, vrede zij met hen. ZieSoera I, vers 2in de noot.4ZieHoofdstuk II: vers 32.5Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, end’Herbelot,Bibl. Oriënt, art. Eblis).6De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).7Het Mohamedaansche evangelie vanBarnabaszegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zieHoofdstuk II: vers 34en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engelMichaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.8Die zij te voren niet hadden opgemerkt.9Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zieHoofdstuk II: 33 en de noot).10Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zieHoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).11Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).12Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, denCaabanaakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Desonnabeveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.13Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.14Zijnde de engel des doods en zijne helpers.15Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.16De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).17Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).18Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.19Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.20Al Arafis volgensMahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.21Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.22Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)23Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.24Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.25Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.26Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.27Hoofdstuk VI, vers 24, noot.28Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).29Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.30Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats vannoshram, goede tijdingen,boshramdaar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.31Of een droog en verdord land.32Noach, de zoon vanLamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (ZieRelandde Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvaderEdrisofEnochverscheen. DatNoachhet goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aanNoachbeval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het ArabischNâkûsen in het nieuwe GriekschSemandrawordt genoemd.Noachmoest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaarvan den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych,Ann.p. 37.)33Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar vanNoachsprediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening vanMahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (ZieHoofdstuk XI.)34Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.35Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Ebn Shohnah), en daaronderJorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. ZiePocock.Orat. praefix. Carm. Tograi.36Adwas een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)37Deze wordt gezegd dezelfde persoon alsHeberte zijn.38Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.39Thamoedwas een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.40De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegenSalehvoor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, weesJonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzochtSalehdaaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indienSalehdit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.41De stam vanThamoedwoonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied vanHejrwegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.42Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engelGabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda,Al Beidâwi.)43ToenMahometin de expeditie vanTabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, doorHejrtrok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda.Vit. Moh.p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)44ZieHoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden vanLoth.45ZijndeLothen zij die in hem geloofden.46ZieHoofdstuk XI.47Zie hetzelfde Hoofdstuk.48MadianofMidian, was eene stad inHejâz, en de woonplaats van de afstammelingen vanMidian, de zoonAbrahamuitKetura(Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde alsModiana; wat daarvan inMahometstijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (ZieGolii,not. in Alfrag.p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraanMozesde kudden vanJethrodrenkte. (Abulfeda,Desc. Arab.p. 42.Geogr. Nub.p. 109.)49Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon vanMikail, den zoon vanYashjar, den zoon vanMadian(Al Beidâwi,Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader vanMozes, die in de Heilige SchriftReuelofRaguelenJethrowordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.50Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ookShalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam vanKhatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)51Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zied’Herbelot, t. a. pl.Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)52Zie hiervoren bladz.195vers 54 en de noot.53Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)54Door niet daarin te gelooven.55De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengtenvan elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, datPharaodaaropMozesbij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toenMozesgedaan had, watPharaoverlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)56De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriesterSimeon.57De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna namMozesde slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)58Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.59Sommigen zeggen, datPharaode eerste uitvinder dezer straf was.60Zijnde de sterren of andere afgoden.61Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.62Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woordToefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.63Deze gebeurtenis wordt in de Xe enXXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.64Dat is het land vanSyrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigenPalestinarekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen vanEgypteen de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)65Vooral den hoogen toren, dienPharaohad doen bouwen, om den God vanMozeste kunnen aanvallen. (Ziehoofdstuk XXVIIIenHoofdstuk XL.)66Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).67De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woordenLeili! Leili!O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)68Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zied’Herbel.Bibl. Oriëntp. 650.69Deze berg wordt door de Arabierenal Zehir(Heb.הר שעיר) genoemd.70Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.71Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie inHoofdstuk VI. vers 14eene dergelijke uitdrukking.72Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het ParadijsAl Sedrawerd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.73Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.74Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ookHoofdstuk XXen de noot opHoofdstuk II, vers 48.75Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.76Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).77Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.78Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zied’Herbelotp. 649.)79ZieHoofdstuk II, vers 48–57.80Of de stukken van het overgeblevene.81VolgensSavarywerden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaatsHoofdstuk II, t. a. pl. enHoofdstuk IV, vers 152.82Dat isMahomet.83ZieHoofdstuk III, vers 44.84Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.85ZieHoofdstuk II, vers 286.86Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.87ZieHoofdstuk II, vers 57.88ZieHoofdstuk II, vers 54.89Zie omtrent de uitlegging van deze plaatsHoofdstuk II, vers 55.90Deze stad wasAilahofElath, aan deRoode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat hetMedianwas, en anderenTiberias. Zie voortsHoofdstuk II, vers 61, in de noot.91Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.92ZieHoofdstuk II, vers 61in de noot.93Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).94Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.95ZieHoofdstuk II, vers 60, in de noot.96De uitleggers verhalen, dat God overAdamsrug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatieex animalculus in semine maritum.97Sommigen achten ditBileam, den zoon vanBéor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht,Mozesen de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder.(Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)98Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.99Door het uitdrukken van zijne attributen.Marraccitelt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc.p. 414.)100ZooalsWalid Ebn al Mogheiradeed, die op het hooren datMahometaan God den titel vanAl Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc.Vit. Moh.p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners vanMekkadeden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v.Allàt, vanAllah,Al Uzza, vanAl Aziz, de machtige enManatvanAl Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)101Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)102Al Beidâwizegt, dat de Koran op deze plaatsKosai, een vanMahometsvoorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namenAbd Menaf,Abd Shains,Abd ul UzzaenAbd al Dargaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.103Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.

1Al Arais de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dithoofdstukwordt verklaard.2Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.3Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters.Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden:Allah,Gabriël,Mahomet, vrede zij met hen. ZieSoera I, vers 2in de noot.4ZieHoofdstuk II: vers 32.5Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, end’Herbelot,Bibl. Oriënt, art. Eblis).6De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).7Het Mohamedaansche evangelie vanBarnabaszegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zieHoofdstuk II: vers 34en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engelMichaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.8Die zij te voren niet hadden opgemerkt.9Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zieHoofdstuk II: 33 en de noot).10Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zieHoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).11Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).12Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, denCaabanaakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Desonnabeveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.13Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.14Zijnde de engel des doods en zijne helpers.15Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.16De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).17Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).18Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.19Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.20Al Arafis volgensMahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.21Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.22Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)23Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.24Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.25Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.26Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.27Hoofdstuk VI, vers 24, noot.28Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).29Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.30Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats vannoshram, goede tijdingen,boshramdaar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.31Of een droog en verdord land.32Noach, de zoon vanLamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (ZieRelandde Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvaderEdrisofEnochverscheen. DatNoachhet goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aanNoachbeval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het ArabischNâkûsen in het nieuwe GriekschSemandrawordt genoemd.Noachmoest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaarvan den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych,Ann.p. 37.)33Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar vanNoachsprediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening vanMahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (ZieHoofdstuk XI.)34Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.35Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Ebn Shohnah), en daaronderJorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. ZiePocock.Orat. praefix. Carm. Tograi.36Adwas een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)37Deze wordt gezegd dezelfde persoon alsHeberte zijn.38Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.39Thamoedwas een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.40De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegenSalehvoor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, weesJonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzochtSalehdaaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indienSalehdit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.41De stam vanThamoedwoonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied vanHejrwegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.42Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engelGabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda,Al Beidâwi.)43ToenMahometin de expeditie vanTabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, doorHejrtrok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda.Vit. Moh.p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)44ZieHoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden vanLoth.45ZijndeLothen zij die in hem geloofden.46ZieHoofdstuk XI.47Zie hetzelfde Hoofdstuk.48MadianofMidian, was eene stad inHejâz, en de woonplaats van de afstammelingen vanMidian, de zoonAbrahamuitKetura(Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde alsModiana; wat daarvan inMahometstijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (ZieGolii,not. in Alfrag.p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraanMozesde kudden vanJethrodrenkte. (Abulfeda,Desc. Arab.p. 42.Geogr. Nub.p. 109.)49Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon vanMikail, den zoon vanYashjar, den zoon vanMadian(Al Beidâwi,Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader vanMozes, die in de Heilige SchriftReuelofRaguelenJethrowordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.50Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ookShalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam vanKhatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)51Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zied’Herbelot, t. a. pl.Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)52Zie hiervoren bladz.195vers 54 en de noot.53Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)54Door niet daarin te gelooven.55De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengtenvan elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, datPharaodaaropMozesbij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toenMozesgedaan had, watPharaoverlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)56De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriesterSimeon.57De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna namMozesde slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)58Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.59Sommigen zeggen, datPharaode eerste uitvinder dezer straf was.60Zijnde de sterren of andere afgoden.61Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.62Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woordToefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.63Deze gebeurtenis wordt in de Xe enXXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.64Dat is het land vanSyrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigenPalestinarekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen vanEgypteen de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)65Vooral den hoogen toren, dienPharaohad doen bouwen, om den God vanMozeste kunnen aanvallen. (Ziehoofdstuk XXVIIIenHoofdstuk XL.)66Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).67De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woordenLeili! Leili!O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)68Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zied’Herbel.Bibl. Oriëntp. 650.69Deze berg wordt door de Arabierenal Zehir(Heb.הר שעיר) genoemd.70Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.71Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie inHoofdstuk VI. vers 14eene dergelijke uitdrukking.72Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het ParadijsAl Sedrawerd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.73Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.74Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ookHoofdstuk XXen de noot opHoofdstuk II, vers 48.75Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.76Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).77Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.78Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zied’Herbelotp. 649.)79ZieHoofdstuk II, vers 48–57.80Of de stukken van het overgeblevene.81VolgensSavarywerden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaatsHoofdstuk II, t. a. pl. enHoofdstuk IV, vers 152.82Dat isMahomet.83ZieHoofdstuk III, vers 44.84Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.85ZieHoofdstuk II, vers 286.86Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.87ZieHoofdstuk II, vers 57.88ZieHoofdstuk II, vers 54.89Zie omtrent de uitlegging van deze plaatsHoofdstuk II, vers 55.90Deze stad wasAilahofElath, aan deRoode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat hetMedianwas, en anderenTiberias. Zie voortsHoofdstuk II, vers 61, in de noot.91Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.92ZieHoofdstuk II, vers 61in de noot.93Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).94Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.95ZieHoofdstuk II, vers 60, in de noot.96De uitleggers verhalen, dat God overAdamsrug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatieex animalculus in semine maritum.97Sommigen achten ditBileam, den zoon vanBéor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht,Mozesen de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder.(Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)98Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.99Door het uitdrukken van zijne attributen.Marraccitelt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc.p. 414.)100ZooalsWalid Ebn al Mogheiradeed, die op het hooren datMahometaan God den titel vanAl Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc.Vit. Moh.p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners vanMekkadeden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v.Allàt, vanAllah,Al Uzza, vanAl Aziz, de machtige enManatvanAl Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)101Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)102Al Beidâwizegt, dat de Koran op deze plaatsKosai, een vanMahometsvoorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namenAbd Menaf,Abd Shains,Abd ul UzzaenAbd al Dargaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.103Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.

1Al Arais de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dithoofdstukwordt verklaard.2Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.3Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters.Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden:Allah,Gabriël,Mahomet, vrede zij met hen. ZieSoera I, vers 2in de noot.4ZieHoofdstuk II: vers 32.5Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, end’Herbelot,Bibl. Oriënt, art. Eblis).6De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).7Het Mohamedaansche evangelie vanBarnabaszegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zieHoofdstuk II: vers 34en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engelMichaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.8Die zij te voren niet hadden opgemerkt.9Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zieHoofdstuk II: 33 en de noot).10Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zieHoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).11Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).12Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, denCaabanaakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Desonnabeveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.13Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.14Zijnde de engel des doods en zijne helpers.15Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.16De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).17Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).18Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.19Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.20Al Arafis volgensMahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.21Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.22Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)23Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.24Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.25Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.26Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.27Hoofdstuk VI, vers 24, noot.28Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).29Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.30Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats vannoshram, goede tijdingen,boshramdaar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.31Of een droog en verdord land.32Noach, de zoon vanLamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (ZieRelandde Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvaderEdrisofEnochverscheen. DatNoachhet goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aanNoachbeval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het ArabischNâkûsen in het nieuwe GriekschSemandrawordt genoemd.Noachmoest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaarvan den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych,Ann.p. 37.)33Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar vanNoachsprediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening vanMahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (ZieHoofdstuk XI.)34Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.35Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Ebn Shohnah), en daaronderJorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. ZiePocock.Orat. praefix. Carm. Tograi.36Adwas een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)37Deze wordt gezegd dezelfde persoon alsHeberte zijn.38Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.39Thamoedwas een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.40De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegenSalehvoor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, weesJonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzochtSalehdaaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indienSalehdit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.41De stam vanThamoedwoonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied vanHejrwegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.42Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engelGabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda,Al Beidâwi.)43ToenMahometin de expeditie vanTabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, doorHejrtrok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda.Vit. Moh.p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)44ZieHoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden vanLoth.45ZijndeLothen zij die in hem geloofden.46ZieHoofdstuk XI.47Zie hetzelfde Hoofdstuk.48MadianofMidian, was eene stad inHejâz, en de woonplaats van de afstammelingen vanMidian, de zoonAbrahamuitKetura(Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde alsModiana; wat daarvan inMahometstijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (ZieGolii,not. in Alfrag.p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraanMozesde kudden vanJethrodrenkte. (Abulfeda,Desc. Arab.p. 42.Geogr. Nub.p. 109.)49Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon vanMikail, den zoon vanYashjar, den zoon vanMadian(Al Beidâwi,Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader vanMozes, die in de Heilige SchriftReuelofRaguelenJethrowordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.50Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ookShalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam vanKhatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)51Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zied’Herbelot, t. a. pl.Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)52Zie hiervoren bladz.195vers 54 en de noot.53Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)54Door niet daarin te gelooven.55De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengtenvan elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, datPharaodaaropMozesbij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toenMozesgedaan had, watPharaoverlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)56De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriesterSimeon.57De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna namMozesde slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)58Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.59Sommigen zeggen, datPharaode eerste uitvinder dezer straf was.60Zijnde de sterren of andere afgoden.61Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.62Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woordToefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.63Deze gebeurtenis wordt in de Xe enXXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.64Dat is het land vanSyrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigenPalestinarekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen vanEgypteen de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)65Vooral den hoogen toren, dienPharaohad doen bouwen, om den God vanMozeste kunnen aanvallen. (Ziehoofdstuk XXVIIIenHoofdstuk XL.)66Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).67De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woordenLeili! Leili!O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)68Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zied’Herbel.Bibl. Oriëntp. 650.69Deze berg wordt door de Arabierenal Zehir(Heb.הר שעיר) genoemd.70Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.71Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie inHoofdstuk VI. vers 14eene dergelijke uitdrukking.72Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het ParadijsAl Sedrawerd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.73Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.74Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ookHoofdstuk XXen de noot opHoofdstuk II, vers 48.75Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.76Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).77Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.78Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zied’Herbelotp. 649.)79ZieHoofdstuk II, vers 48–57.80Of de stukken van het overgeblevene.81VolgensSavarywerden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaatsHoofdstuk II, t. a. pl. enHoofdstuk IV, vers 152.82Dat isMahomet.83ZieHoofdstuk III, vers 44.84Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.85ZieHoofdstuk II, vers 286.86Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.87ZieHoofdstuk II, vers 57.88ZieHoofdstuk II, vers 54.89Zie omtrent de uitlegging van deze plaatsHoofdstuk II, vers 55.90Deze stad wasAilahofElath, aan deRoode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat hetMedianwas, en anderenTiberias. Zie voortsHoofdstuk II, vers 61, in de noot.91Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.92ZieHoofdstuk II, vers 61in de noot.93Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).94Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.95ZieHoofdstuk II, vers 60, in de noot.96De uitleggers verhalen, dat God overAdamsrug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatieex animalculus in semine maritum.97Sommigen achten ditBileam, den zoon vanBéor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht,Mozesen de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder.(Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)98Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.99Door het uitdrukken van zijne attributen.Marraccitelt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc.p. 414.)100ZooalsWalid Ebn al Mogheiradeed, die op het hooren datMahometaan God den titel vanAl Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc.Vit. Moh.p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners vanMekkadeden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v.Allàt, vanAllah,Al Uzza, vanAl Aziz, de machtige enManatvanAl Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)101Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)102Al Beidâwizegt, dat de Koran op deze plaatsKosai, een vanMahometsvoorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namenAbd Menaf,Abd Shains,Abd ul UzzaenAbd al Dargaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.103Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.

1Al Arais de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dithoofdstukwordt verklaard.

2Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.

3Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters.Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden:Allah,Gabriël,Mahomet, vrede zij met hen. ZieSoera I, vers 2in de noot.

4ZieHoofdstuk II: vers 32.

5Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beidâwi, end’Herbelot,Bibl. Oriënt, art. Eblis).

6De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beidâwi).

7Het Mohamedaansche evangelie vanBarnabaszegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zieHoofdstuk II: vers 34en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engelMichaël, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.

8Die zij te voren niet hadden opgemerkt.

9Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zieHoofdstuk II: 33 en de noot).

10Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zieHoofdstuk II: vers in de noten op vers 22–33).

11Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo’ddin).

12Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, denCaabanaakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Desonnabeveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.

13Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.

14Zijnde de engel des doods en zijne helpers.

15Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.

16De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).

17Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).

18Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.

19Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.

20Al Arafis volgensMahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.

21Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.

22Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beidâwi.)

23Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.

24Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.

25Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.

26Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.

27Hoofdstuk VI, vers 24, noot.

28Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beidâwi).

29Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.

30Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats vannoshram, goede tijdingen,boshramdaar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.

31Of een droog en verdord land.

32Noach, de zoon vanLamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (ZieRelandde Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvaderEdrisofEnochverscheen. DatNoachhet goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aanNoachbeval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het ArabischNâkûsen in het nieuwe GriekschSemandrawordt genoemd.Noachmoest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl ’t hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaarvan den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych,Ann.p. 37.)

33Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar vanNoachsprediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening vanMahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (ZieHoofdstuk XI.)

34Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.

35Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Ebn Shohnah), en daaronderJorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. ZiePocock.Orat. praefix. Carm. Tograi.

36Adwas een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)

37Deze wordt gezegd dezelfde persoon alsHeberte zijn.

38Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.

39Thamoedwas een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.

40De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegenSalehvoor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, weesJonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzochtSalehdaaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indienSalehdit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.

41De stam vanThamoedwoonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied vanHejrwegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.

42Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engelGabriël, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda,Al Beidâwi.)

43ToenMahometin de expeditie vanTabûc, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, doorHejrtrok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda.Vit. Moh.p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn’ muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)

44ZieHoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden vanLoth.

45ZijndeLothen zij die in hem geloofden.

46ZieHoofdstuk XI.

47Zie hetzelfde Hoofdstuk.

48MadianofMidian, was eene stad inHejâz, en de woonplaats van de afstammelingen vanMidian, de zoonAbrahamuitKetura(Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de Ismaëlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde alsModiana; wat daarvan inMahometstijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (ZieGolii,not. in Alfrag.p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraanMozesde kudden vanJethrodrenkte. (Abulfeda,Desc. Arab.p. 42.Geogr. Nub.p. 109.)

49Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon vanMikail, den zoon vanYashjar, den zoon vanMadian(Al Beidâwi,Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader vanMozes, die in de Heilige SchriftReuelofRaguelenJethrowordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.

50Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beidâwi, Zie ookShalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam vanKhatîb Al Anbiyâ, of prediker der profeten verkreeg (Zied’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. Shoaïb.)

51Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zied’Herbelot, t. a. pl.Al Beidâwi, Deut. XXV : 13, 14.)

52Zie hiervoren bladz.195vers 54 en de noot.

53Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beidâwi.)

54Door niet daarin te gelooven.

55De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengtenvan elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, datPharaodaaropMozesbij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de Israëlieten te laten vertrekken; doch toenMozesgedaan had, watPharaoverlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beidâwi.)

56De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriesterSimeon.

57De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna namMozesde slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beidâwi.)

58Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.

59Sommigen zeggen, datPharaode eerste uitvinder dezer straf was.

60Zijnde de sterren of andere afgoden.

61Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.

62Daar er in de Mozaïsche wet van geene dergelijke overstrooming sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beidâwi.) Het woordToefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of sterfte beteekenen.

63Deze gebeurtenis wordt in de Xe enXXe Hoofdstukken meer bijzonder besproken.

64Dat is het land vanSyrië, waartoe de Oostersche aardrijkskundigenPalestinarekenen te behooren, en waarin, volgens de uitleggers de kinderen Israël, de koningen vanEgypteen de Amalekieten opvolgden. (Al Beidâwi.)

65Vooral den hoogen toren, dienPharaohad doen bouwen, om den God vanMozeste kunnen aanvallen. (Ziehoofdstuk XXVIIIenHoofdstuk XL.)

66Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren, die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al Beidâwi).

67De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de woordenLeili! Leili!O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen herhaald. (Savary.)

68Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beidâwi). Zied’Herbel.Bibl. Oriëntp. 650.

69Deze berg wordt door de Arabierenal Zehir(Heb.הר שעיר) genoemd.

70Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het vermogen om te zien.

71Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden opgevat. Zie inHoofdstuk VI. vers 14eene dergelijke uitdrukking.

72Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit eene soort Lotusboom gesneden, die in het ParadijsAl Sedrawerd genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden, robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beidâwi); ieder van tien of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop was geschreven.

73Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten, als omtrent het eigenlijk beheer.

74Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beidâwi). Zie ookHoofdstuk XXen de noot opHoofdstuk II, vers 48.

75Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste Hoofdstuk.

76Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beidâwi).

77Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne wraak over den hals te halen.

78Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al Beidâwi, Zied’Herbelotp. 649.)

79ZieHoofdstuk II, vers 48–57.

80Of de stukken van het overgeblevene.

81VolgensSavarywerden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie ook nopens deze plaatsHoofdstuk II, t. a. pl. enHoofdstuk IV, vers 152.

82Dat isMahomet.

83ZieHoofdstuk III, vers 44.

84Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van woeker, enz.

85ZieHoofdstuk II, vers 286.

86Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.

87ZieHoofdstuk II, vers 57.

88ZieHoofdstuk II, vers 54.

89Zie omtrent de uitlegging van deze plaatsHoofdstuk II, vers 55.

90Deze stad wasAilahofElath, aan deRoode Zee. Sommigen veronderstellen echter, dat hetMedianwas, en anderenTiberias. Zie voortsHoofdstuk II, vers 61, in de noot.

91Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid terug te houden.

92ZieHoofdstuk II, vers 61in de noot.

93Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al Beidâwi).

94Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.

95ZieHoofdstuk II, vers 60, in de noot.

96De uitleggers verhalen, dat God overAdamsrug streek, en uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij, na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt, p. 54). Uit deze verdichting blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere theorie van de generatieex animalculus in semine maritum.

97Sommigen achten ditBileam, den zoon vanBéor, wel bekend, ten minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk verzocht,Mozesen de kinderen Israëls te vloeken. Eerst weigerde hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald, en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een hond, en deze hing op zijne borst neder.(Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari. Zie ookd’Herbelot.Bibl. Oriënt. Art. Balaam.)

98Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig, als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.

99Door het uitdrukken van zijne attributen.Marraccitelt er negen en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc.p. 414.)

100ZooalsWalid Ebn al Mogheiradeed, die op het hooren datMahometaan God den titel vanAl Rahman, of de genadige gaf, luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende (Marracc.Vit. Moh.p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners vanMekkadeden, die de namen hunner afgoden van die van den waren God afleidden, zooals b.v.Allàt, vanAllah,Al Uzza, vanAl Aziz, de machtige enManatvanAl Mannan, vol van goedheid (Al Beidâwi,Jallalo’ddin.)

101Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden, dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beidâwi)

102Al Beidâwizegt, dat de Koran op deze plaatsKosai, een vanMahometsvoorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namenAbd Menaf,Abd Shains,Abd ul UzzaenAbd al Dargaven, naar de namen der vier voornaamste afgoden der Koreïshieten. De genoemde uitlegger veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende nakomelingen moeten worden toegepast.

103Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.


Back to IndexNext