Chapter 69

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder Suleïman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door één der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reïs-effendi (minister van buitenlandsche zaken,ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. “Velen,” zegt Ranke, “verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven.” Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag één van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in Servië, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden.Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.In een staat als dien der Turken, waarin het ééne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weêr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot Suleïman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na Suleïman’s dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman’s stam met de vermoording van den eerstgeborene van Suleïman (zie hiervóór, blz.685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden Suleïman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vóór de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane’s macht over Suleïman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de één of andere côterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten warenvoor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na Suleïman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder Suleïman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, éénmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de één of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiën, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid II.De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geenvolksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na Suleïman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zóóver gegaan zijn, als nu in de op Suleïman volgende eeuw het geval geweest is.Selim II, de eerste der “rois fainéants”, heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim’s opvolger Moerad III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervóór blz.685) en een oorlog werd gevoerd tegen Venetië. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte1; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilandenCyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor Venetië. Paus Pius V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de “kruisvaarders” zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had Venetië onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weêr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voïvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in één rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en Moldavië, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanningstaande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed III, zoon en opvolger van Moerad III, die in 1574 zijn vader Selim II opgevolgd was. Mohammed III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat één van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voïvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In Moldavië en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed III, Ahmed I (1604–1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman II, zoon van Ahmed I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in dentoestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad IV, een tweeden zoon van Ahmed I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.Toch begon juist onder Ibrahim I een nieuwe oorlog met Venetië, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken—en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met één der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim’s moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.Mohammed IV en zijne naaste opvolgers Suleïman II (1687–1691), en Ahmed II (1691—1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Köprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-Azië groot-viziermaakte, en nog meer die van Mohammed IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Köprili behoorde, stamde uit Albanië en was vandaar geëmigreerd naar Klein-Azië, zich vestigende in het plaatsje Köpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Köprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was “geen geleerd man”; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. “Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt,” dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Köprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). Zóó groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.Köprili I en Köprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het éénmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Köprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Köprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen Venetië kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein;alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk’s invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans I. Bovendien, Lodewijk XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voïvode George II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Köprili II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid—men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!—een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. Voïvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw hadzijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had Venetië vóór het optreden van Köprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Köprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeëen beter beveiligd—en ten slotte onder Köprili II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van Venetië, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon Venetië ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze Venetië steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had één van beiden ernstige neiging gehad om Venetië te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door één der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met één of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van Venetië te verwachten!Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met Venetië, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Köprili II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Köprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold I had te strijden tegen den opstand van Tököli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tököli ook gesteund werd door Lodewijk XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold I weigerde nu dien aan te nemen.Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tököli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan deTurken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Köprili.De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, Venetië, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684–1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken Servië, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene2en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem III van Oranje, tegen Lodewijk XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-Zadé, een broeder van Köprili II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weêr zóó groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder Suleïman II (hiervoor, blz.697) op den troon verhieven. De nieuwe Köprili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weêr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weêr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Köprili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelfsneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa II, den zoon van Mohammed IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed II—die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok—kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in ’s vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was ’t een Köprili, Houssein-Amoedja-Zadé, een neef van Köprili I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699)3, eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal Serviërs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold I liet ze daar gaarne toe èn om de verdediging der grenzen èn om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: Podolië en de West-Oekraine, in den tijd van Köprili II door de Turken veroverd4, moesten nuterugegevenworden. Venetië behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van Dalmatië.Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook—en nu voor het eerst—een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barensweeën was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat Moscovië en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuweKöpriliwas reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed III (1703–1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden’s overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenalsdie van den Franschen gezant—nu hij tijdens den Spaanschensuccessieoorlogin zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk XIV de Turksche hulp niet!—om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en Moldavië beiden stelden zich met Peter I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en Servië bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet—opvolger van een vijfden Köprili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)—bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter’s maîtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met Venetië, omdat de Venetianen steun hadden verleendaan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van Venetië. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat Venetië in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van Venetië. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van Servië. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje’s uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van Servië en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. Venetië, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; Venetië speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vóór het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door Köprili-Nauman, toen pacha van Bosnië, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina II czarin werd, beschouwd als één der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in Italië en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegenhad geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-Azië, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nystädt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije’s strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vóór zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van Perzië. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in Perzië bestond, trachtten de beide landen in en om denKaukasusnaar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervóór, blz.684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter’s dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover Perzië en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van Perzië geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, geëindigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in Servië en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. SultanAhmed III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed I, een zoon van Moestafa II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder Münich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van Servië en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon Münich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed I deed zijn broeder Osman III (1754–1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa III,een zoon van Ahmed III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland één der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en—het was hare eerste actie van groote beteekenis—vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-Azië (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de Aegeïsche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringente maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen5. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-Zadé—één der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!—te Sjoemla in. Maar weêr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde—en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog één onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerdvan de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit Servië gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam—het wordt haast vervelend om het te zeggen—alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders.Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in België, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde—en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef II. Zijn broeder en opvolger, Leopold II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en—van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold IIzich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweêr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim III (1789–1807), zoon van Moestafa III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den Baraïktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim III weêr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weêr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft6; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar Azië te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te Alexandrië geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d’Acre, door Napoleon op zijn tocht naar Syrië belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland’s eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingendoor vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: Sébastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de één in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was één bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur één der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, Bessarabië, kwam aan Rusland; Georgië en Mingrelië in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder Suleïman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door één der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reïs-effendi (minister van buitenlandsche zaken,ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. “Velen,” zegt Ranke, “verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven.” Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag één van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in Servië, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden.Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.In een staat als dien der Turken, waarin het ééne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weêr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot Suleïman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na Suleïman’s dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman’s stam met de vermoording van den eerstgeborene van Suleïman (zie hiervóór, blz.685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden Suleïman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vóór de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane’s macht over Suleïman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de één of andere côterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten warenvoor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na Suleïman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder Suleïman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, éénmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de één of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiën, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid II.De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geenvolksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na Suleïman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zóóver gegaan zijn, als nu in de op Suleïman volgende eeuw het geval geweest is.Selim II, de eerste der “rois fainéants”, heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim’s opvolger Moerad III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervóór blz.685) en een oorlog werd gevoerd tegen Venetië. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte1; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilandenCyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor Venetië. Paus Pius V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de “kruisvaarders” zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had Venetië onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weêr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voïvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in één rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en Moldavië, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanningstaande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed III, zoon en opvolger van Moerad III, die in 1574 zijn vader Selim II opgevolgd was. Mohammed III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat één van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voïvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In Moldavië en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed III, Ahmed I (1604–1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman II, zoon van Ahmed I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in dentoestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad IV, een tweeden zoon van Ahmed I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.Toch begon juist onder Ibrahim I een nieuwe oorlog met Venetië, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken—en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met één der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim’s moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.Mohammed IV en zijne naaste opvolgers Suleïman II (1687–1691), en Ahmed II (1691—1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Köprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-Azië groot-viziermaakte, en nog meer die van Mohammed IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Köprili behoorde, stamde uit Albanië en was vandaar geëmigreerd naar Klein-Azië, zich vestigende in het plaatsje Köpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Köprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was “geen geleerd man”; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. “Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt,” dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Köprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). Zóó groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.Köprili I en Köprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het éénmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Köprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Köprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen Venetië kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein;alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk’s invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans I. Bovendien, Lodewijk XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voïvode George II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Köprili II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid—men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!—een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. Voïvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw hadzijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had Venetië vóór het optreden van Köprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Köprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeëen beter beveiligd—en ten slotte onder Köprili II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van Venetië, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon Venetië ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze Venetië steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had één van beiden ernstige neiging gehad om Venetië te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door één der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met één of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van Venetië te verwachten!Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met Venetië, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Köprili II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Köprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold I had te strijden tegen den opstand van Tököli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tököli ook gesteund werd door Lodewijk XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold I weigerde nu dien aan te nemen.Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tököli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan deTurken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Köprili.De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, Venetië, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684–1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken Servië, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene2en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem III van Oranje, tegen Lodewijk XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-Zadé, een broeder van Köprili II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weêr zóó groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder Suleïman II (hiervoor, blz.697) op den troon verhieven. De nieuwe Köprili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weêr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weêr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Köprili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelfsneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa II, den zoon van Mohammed IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed II—die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok—kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in ’s vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was ’t een Köprili, Houssein-Amoedja-Zadé, een neef van Köprili I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699)3, eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal Serviërs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold I liet ze daar gaarne toe èn om de verdediging der grenzen èn om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: Podolië en de West-Oekraine, in den tijd van Köprili II door de Turken veroverd4, moesten nuterugegevenworden. Venetië behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van Dalmatië.Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook—en nu voor het eerst—een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barensweeën was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat Moscovië en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuweKöpriliwas reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed III (1703–1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden’s overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenalsdie van den Franschen gezant—nu hij tijdens den Spaanschensuccessieoorlogin zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk XIV de Turksche hulp niet!—om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en Moldavië beiden stelden zich met Peter I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en Servië bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet—opvolger van een vijfden Köprili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)—bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter’s maîtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met Venetië, omdat de Venetianen steun hadden verleendaan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van Venetië. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat Venetië in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van Venetië. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van Servië. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje’s uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van Servië en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. Venetië, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; Venetië speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vóór het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door Köprili-Nauman, toen pacha van Bosnië, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina II czarin werd, beschouwd als één der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in Italië en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegenhad geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-Azië, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nystädt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije’s strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vóór zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van Perzië. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in Perzië bestond, trachtten de beide landen in en om denKaukasusnaar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervóór, blz.684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter’s dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover Perzië en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van Perzië geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, geëindigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in Servië en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. SultanAhmed III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed I, een zoon van Moestafa II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder Münich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van Servië en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon Münich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed I deed zijn broeder Osman III (1754–1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa III,een zoon van Ahmed III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland één der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en—het was hare eerste actie van groote beteekenis—vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-Azië (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de Aegeïsche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringente maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen5. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-Zadé—één der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!—te Sjoemla in. Maar weêr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde—en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog één onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerdvan de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit Servië gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam—het wordt haast vervelend om het te zeggen—alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders.Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in België, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde—en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef II. Zijn broeder en opvolger, Leopold II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en—van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold IIzich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweêr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim III (1789–1807), zoon van Moestafa III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den Baraïktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim III weêr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weêr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft6; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar Azië te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te Alexandrië geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d’Acre, door Napoleon op zijn tocht naar Syrië belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland’s eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingendoor vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: Sébastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de één in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was één bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur één der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, Bessarabië, kwam aan Rusland; Georgië en Mingrelië in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder Suleïman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door één der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reïs-effendi (minister van buitenlandsche zaken,ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. “Velen,” zegt Ranke, “verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven.” Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag één van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in Servië, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden.Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.In een staat als dien der Turken, waarin het ééne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weêr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot Suleïman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na Suleïman’s dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman’s stam met de vermoording van den eerstgeborene van Suleïman (zie hiervóór, blz.685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden Suleïman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vóór de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane’s macht over Suleïman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de één of andere côterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten warenvoor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na Suleïman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder Suleïman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, éénmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de één of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiën, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid II.De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geenvolksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na Suleïman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zóóver gegaan zijn, als nu in de op Suleïman volgende eeuw het geval geweest is.Selim II, de eerste der “rois fainéants”, heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim’s opvolger Moerad III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervóór blz.685) en een oorlog werd gevoerd tegen Venetië. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte1; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilandenCyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor Venetië. Paus Pius V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de “kruisvaarders” zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had Venetië onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weêr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voïvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in één rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en Moldavië, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanningstaande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed III, zoon en opvolger van Moerad III, die in 1574 zijn vader Selim II opgevolgd was. Mohammed III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat één van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voïvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In Moldavië en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed III, Ahmed I (1604–1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman II, zoon van Ahmed I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in dentoestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad IV, een tweeden zoon van Ahmed I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.Toch begon juist onder Ibrahim I een nieuwe oorlog met Venetië, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken—en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met één der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim’s moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.Mohammed IV en zijne naaste opvolgers Suleïman II (1687–1691), en Ahmed II (1691—1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Köprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-Azië groot-viziermaakte, en nog meer die van Mohammed IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Köprili behoorde, stamde uit Albanië en was vandaar geëmigreerd naar Klein-Azië, zich vestigende in het plaatsje Köpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Köprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was “geen geleerd man”; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. “Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt,” dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Köprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). Zóó groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.Köprili I en Köprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het éénmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Köprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Köprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen Venetië kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein;alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk’s invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans I. Bovendien, Lodewijk XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voïvode George II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Köprili II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid—men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!—een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. Voïvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw hadzijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had Venetië vóór het optreden van Köprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Köprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeëen beter beveiligd—en ten slotte onder Köprili II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van Venetië, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon Venetië ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze Venetië steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had één van beiden ernstige neiging gehad om Venetië te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door één der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met één of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van Venetië te verwachten!Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met Venetië, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Köprili II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Köprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold I had te strijden tegen den opstand van Tököli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tököli ook gesteund werd door Lodewijk XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold I weigerde nu dien aan te nemen.Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tököli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan deTurken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Köprili.De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, Venetië, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684–1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken Servië, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene2en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem III van Oranje, tegen Lodewijk XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-Zadé, een broeder van Köprili II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weêr zóó groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder Suleïman II (hiervoor, blz.697) op den troon verhieven. De nieuwe Köprili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weêr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weêr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Köprili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelfsneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa II, den zoon van Mohammed IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed II—die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok—kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in ’s vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was ’t een Köprili, Houssein-Amoedja-Zadé, een neef van Köprili I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699)3, eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal Serviërs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold I liet ze daar gaarne toe èn om de verdediging der grenzen èn om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: Podolië en de West-Oekraine, in den tijd van Köprili II door de Turken veroverd4, moesten nuterugegevenworden. Venetië behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van Dalmatië.Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook—en nu voor het eerst—een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barensweeën was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat Moscovië en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuweKöpriliwas reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed III (1703–1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden’s overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenalsdie van den Franschen gezant—nu hij tijdens den Spaanschensuccessieoorlogin zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk XIV de Turksche hulp niet!—om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en Moldavië beiden stelden zich met Peter I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en Servië bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet—opvolger van een vijfden Köprili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)—bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter’s maîtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met Venetië, omdat de Venetianen steun hadden verleendaan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van Venetië. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat Venetië in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van Venetië. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van Servië. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje’s uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van Servië en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. Venetië, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; Venetië speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vóór het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door Köprili-Nauman, toen pacha van Bosnië, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina II czarin werd, beschouwd als één der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in Italië en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegenhad geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-Azië, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nystädt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije’s strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vóór zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van Perzië. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in Perzië bestond, trachtten de beide landen in en om denKaukasusnaar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervóór, blz.684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter’s dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover Perzië en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van Perzië geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, geëindigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in Servië en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. SultanAhmed III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed I, een zoon van Moestafa II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder Münich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van Servië en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon Münich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed I deed zijn broeder Osman III (1754–1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa III,een zoon van Ahmed III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland één der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en—het was hare eerste actie van groote beteekenis—vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-Azië (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de Aegeïsche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringente maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen5. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-Zadé—één der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!—te Sjoemla in. Maar weêr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde—en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog één onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerdvan de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit Servië gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam—het wordt haast vervelend om het te zeggen—alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders.Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in België, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde—en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef II. Zijn broeder en opvolger, Leopold II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en—van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold IIzich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweêr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim III (1789–1807), zoon van Moestafa III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den Baraïktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim III weêr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weêr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft6; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar Azië te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te Alexandrië geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d’Acre, door Napoleon op zijn tocht naar Syrië belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland’s eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingendoor vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: Sébastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de één in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was één bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur één der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, Bessarabië, kwam aan Rusland; Georgië en Mingrelië in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder Suleïman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door één der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reïs-effendi (minister van buitenlandsche zaken,ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. “Velen,” zegt Ranke, “verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven.” Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag één van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in Servië, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden.Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.In een staat als dien der Turken, waarin het ééne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weêr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot Suleïman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na Suleïman’s dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman’s stam met de vermoording van den eerstgeborene van Suleïman (zie hiervóór, blz.685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden Suleïman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vóór de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane’s macht over Suleïman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de één of andere côterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten warenvoor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na Suleïman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder Suleïman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, éénmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de één of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiën, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid II.De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geenvolksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na Suleïman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zóóver gegaan zijn, als nu in de op Suleïman volgende eeuw het geval geweest is.Selim II, de eerste der “rois fainéants”, heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim’s opvolger Moerad III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervóór blz.685) en een oorlog werd gevoerd tegen Venetië. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte1; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilandenCyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor Venetië. Paus Pius V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de “kruisvaarders” zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had Venetië onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weêr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voïvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in één rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en Moldavië, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanningstaande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed III, zoon en opvolger van Moerad III, die in 1574 zijn vader Selim II opgevolgd was. Mohammed III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat één van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voïvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In Moldavië en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed III, Ahmed I (1604–1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman II, zoon van Ahmed I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in dentoestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad IV, een tweeden zoon van Ahmed I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.Toch begon juist onder Ibrahim I een nieuwe oorlog met Venetië, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken—en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met één der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim’s moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.Mohammed IV en zijne naaste opvolgers Suleïman II (1687–1691), en Ahmed II (1691—1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Köprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-Azië groot-viziermaakte, en nog meer die van Mohammed IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Köprili behoorde, stamde uit Albanië en was vandaar geëmigreerd naar Klein-Azië, zich vestigende in het plaatsje Köpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Köprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was “geen geleerd man”; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. “Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt,” dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Köprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). Zóó groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.Köprili I en Köprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het éénmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Köprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Köprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen Venetië kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein;alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk’s invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans I. Bovendien, Lodewijk XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voïvode George II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Köprili II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid—men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!—een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. Voïvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw hadzijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had Venetië vóór het optreden van Köprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Köprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeëen beter beveiligd—en ten slotte onder Köprili II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van Venetië, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon Venetië ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze Venetië steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had één van beiden ernstige neiging gehad om Venetië te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door één der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met één of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van Venetië te verwachten!Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met Venetië, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Köprili II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Köprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold I had te strijden tegen den opstand van Tököli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tököli ook gesteund werd door Lodewijk XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold I weigerde nu dien aan te nemen.Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tököli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan deTurken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Köprili.De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, Venetië, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684–1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken Servië, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene2en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem III van Oranje, tegen Lodewijk XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-Zadé, een broeder van Köprili II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weêr zóó groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder Suleïman II (hiervoor, blz.697) op den troon verhieven. De nieuwe Köprili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weêr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weêr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Köprili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelfsneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa II, den zoon van Mohammed IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed II—die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok—kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in ’s vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was ’t een Köprili, Houssein-Amoedja-Zadé, een neef van Köprili I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699)3, eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal Serviërs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold I liet ze daar gaarne toe èn om de verdediging der grenzen èn om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: Podolië en de West-Oekraine, in den tijd van Köprili II door de Turken veroverd4, moesten nuterugegevenworden. Venetië behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van Dalmatië.Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook—en nu voor het eerst—een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barensweeën was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat Moscovië en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuweKöpriliwas reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed III (1703–1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden’s overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenalsdie van den Franschen gezant—nu hij tijdens den Spaanschensuccessieoorlogin zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk XIV de Turksche hulp niet!—om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en Moldavië beiden stelden zich met Peter I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en Servië bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet—opvolger van een vijfden Köprili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)—bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter’s maîtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met Venetië, omdat de Venetianen steun hadden verleendaan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van Venetië. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat Venetië in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van Venetië. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van Servië. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje’s uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van Servië en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. Venetië, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; Venetië speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vóór het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door Köprili-Nauman, toen pacha van Bosnië, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina II czarin werd, beschouwd als één der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in Italië en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegenhad geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-Azië, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nystädt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije’s strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vóór zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van Perzië. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in Perzië bestond, trachtten de beide landen in en om denKaukasusnaar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervóór, blz.684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter’s dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover Perzië en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van Perzië geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, geëindigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in Servië en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. SultanAhmed III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed I, een zoon van Moestafa II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder Münich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van Servië en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon Münich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed I deed zijn broeder Osman III (1754–1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa III,een zoon van Ahmed III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland één der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en—het was hare eerste actie van groote beteekenis—vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-Azië (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de Aegeïsche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringente maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen5. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-Zadé—één der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!—te Sjoemla in. Maar weêr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde—en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog één onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerdvan de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit Servië gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam—het wordt haast vervelend om het te zeggen—alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders.Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in België, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde—en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef II. Zijn broeder en opvolger, Leopold II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en—van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold IIzich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweêr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim III (1789–1807), zoon van Moestafa III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den Baraïktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim III weêr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weêr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft6; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar Azië te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te Alexandrië geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d’Acre, door Napoleon op zijn tocht naar Syrië belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland’s eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingendoor vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: Sébastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de één in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was één bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur één der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, Bessarabië, kwam aan Rusland; Georgië en Mingrelië in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.

In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder Suleïman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door één der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reïs-effendi (minister van buitenlandsche zaken,ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. “Velen,” zegt Ranke, “verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven.” Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.

Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag één van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in Servië, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden.Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.

In een staat als dien der Turken, waarin het ééne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weêr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot Suleïman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na Suleïman’s dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman’s stam met de vermoording van den eerstgeborene van Suleïman (zie hiervóór, blz.685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden Suleïman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vóór de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.

Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane’s macht over Suleïman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de één of andere côterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten warenvoor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na Suleïman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.

Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder Suleïman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, éénmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.

In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de één of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiën, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid II.

De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geenvolksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.

Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.

Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na Suleïman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zóóver gegaan zijn, als nu in de op Suleïman volgende eeuw het geval geweest is.

Selim II, de eerste der “rois fainéants”, heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim’s opvolger Moerad III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervóór blz.685) en een oorlog werd gevoerd tegen Venetië. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte1; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilandenCyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor Venetië. Paus Pius V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de “kruisvaarders” zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had Venetië onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).

Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weêr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voïvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in één rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en Moldavië, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.

De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanningstaande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed III, zoon en opvolger van Moerad III, die in 1574 zijn vader Selim II opgevolgd was. Mohammed III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat één van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voïvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In Moldavië en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.

Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.

Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed III, Ahmed I (1604–1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman II, zoon van Ahmed I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in dentoestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad IV, een tweeden zoon van Ahmed I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.

Toch begon juist onder Ibrahim I een nieuwe oorlog met Venetië, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken—en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met één der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim’s moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.

Mohammed IV en zijne naaste opvolgers Suleïman II (1687–1691), en Ahmed II (1691—1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Köprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-Azië groot-viziermaakte, en nog meer die van Mohammed IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Köprili behoorde, stamde uit Albanië en was vandaar geëmigreerd naar Klein-Azië, zich vestigende in het plaatsje Köpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Köprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was “geen geleerd man”; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. “Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt,” dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Köprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). Zóó groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.

Köprili I en Köprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het éénmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Köprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Köprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen Venetië kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein;alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk’s invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans I. Bovendien, Lodewijk XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.

Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voïvode George II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Köprili II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid—men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!—een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. Voïvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw hadzijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.

De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had Venetië vóór het optreden van Köprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Köprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeëen beter beveiligd—en ten slotte onder Köprili II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van Venetië, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon Venetië ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze Venetië steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had één van beiden ernstige neiging gehad om Venetië te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door één der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met één of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van Venetië te verwachten!

Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met Venetië, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Köprili II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Köprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold I had te strijden tegen den opstand van Tököli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tököli ook gesteund werd door Lodewijk XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold I weigerde nu dien aan te nemen.

Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tököli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan deTurken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Köprili.

De invloed van de omgeving van den sultan werd tijdelijk opnieuw overheerschend. Verschillende groot-vizieren volgden elkander binnen korten tijd op en, terwijl wanorde in het rijk de overhand kreeg, tastten nu de Oostenrijkers na hunne nieuwe overwinning beter door dan na de eerste in 1664. Met Lodewijk XIV, die na den terugtocht der Turken ook Luxemburg genomen had, werd voor twintig jaar een wapenstilstand gesloten; met Polen, Venetië, Malta en den paus een alliantie om verder met de Turken af te rekenen. En nu volgde overwinning op overwinning: Gran, Vysegrad, Pest, Boeda en de meeste Hongaarsche steden werden van 1684–1688 ingenomen, een samengeraapt Turksch leger bij Mohacz, het bekende slagveld, uit elkander gejaagd. In 1686 was geheel Hongarije van de Turken bevrijd en Leopold I door den Hongaarschen rijksdag erkend als erfelijk koning; Apafy van Zevenburgen erkende hem als zijn eenigen leenheer en ook in Zevenburgen werd zoo de Oostenrijksche heerschappij voorgoed gevestigd. Reeds bedreigden de keizerlijken Servië, waarvan Belgrado in 1688 in hunne handen gevallen was, en tegelijkertijd hadden de Venetianen ongeveer den geheelen Peloponesus en een deel van Midden-Griekenland, o.a. de steden Athene2en Corinthe veroverd; alleen Athene konden de Turken hernemen.

Het was een fortuin voor de Porte, dat in 1688 een nieuwe oorlog in het Westen uitbrak, de negenjarige geheeten, een deel van den strijd van het huis Habsburg, nu gesteund door de beide zeemogendheden van West-Europa, beiden onder de leiding van Willem III van Oranje, tegen Lodewijk XIV. Een groot deel der Oostenrijksche troepen kon nu niet meer tegen Turkije gebruikt worden. Bovendien trad in 1689 opnieuw een krachtig groot-vizier op, Moestafa-Zadé, een broeder van Köprili II. Het werd tijd, want de macht der militairen was weêr zóó groot geworden, dat ze in 1687 sultan Mohammed IV, die bijna veertig jaar geregeerd had, afzetten en zijn broeder Suleïman II (hiervoor, blz.697) op den troon verhieven. De nieuwe Köprili bracht geestkracht aan en krachtiger deden met hem de Turken zich weêr gelden. De Peloponesus, die zelf van Venetiaansche heerschappij ook niet gediend was, ontving een Turksch bevrijdingsleger met vreugde en werkelijk werden de Venetianen weêr uit een groot deel van den Peloponesus verdreven. Maar tegen de Oostenrijkers was ook de nieuwe Köprili niet gelukkig. Zijn leger werd in den slag van Salankemen verslagen, hij zelfsneuvelde (1691). Daarna traineerde de oorlog gedurende eenige jaren. Noch de Oostenrijkers noch de Turken voelden lust tot den aanval over te gaan. Het bleef bij kleine gevechten. Ook de aanwezigheid bij het leger van sultan Moestafa II, den zoon van Mohammed IV, in 1695 gevolgd op zijn oom Ahmed II—die iets van de krijgshaftigheid der vroegere sultans bezat en dan ook zelf te velde trok—kon niet veel aan den toestand veranderen; hij behaalde eenige kleine voordeelen.

De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.

De Achteruitgang van het Turksche Rijk (1683–1908)

Alle volgekleurde landen vormden het directe grondgebied van het Turksche Rijk in 1683; de vazallanden zijn wit gelaten, maar zijn onderstreept met de kleur van den tijd, waarin zij voor Turkije verloren gingen.

Met holle cijfers is aangegeven de tijd, waarop een direct grondgebied vazalstaat werd; met gewone cijfers de tijd, waarop zulk een staat onafhankelijk werd.

In 1697 maakte de vrede van Rijswijk een einde aan den negenjarigen oorlog en Oostenrijk, dat nu bovendien een uitstekend veldheer had in Eugenius van Savoye, kreeg geheel de handen vrij tegenover Turkije. De slag bij Zenta (1697) bewees den Turken, wat ze nu te wachten hadden. Hun leger werd daar totaal verslagen, de groot-vizier en de andere vizieren, een aantal begs, de belangrijkste aanvoerders, 20,000 Turken gedood; de sultan zelf was met moeite ontkomen, zijn zegel en eenige vrouwen van den harem waren in ’s vijands handen gevallen. De suprematie der Oostenrijkers kon nu niet meer betwijfeld worden. Weer was ’t een Köprili, Houssein-Amoedja-Zadé, een neef van Köprili I, die als groot-vizier aangezocht werd en redding bracht. Hij maakte toebereidselen voor een nieuwen veldtocht, maar tevens voor een vrede, want hij zag de noodzakelijkheid daarvan in. Reeds meermalen was er van vrede gesproken. Engeland en Nederland hadden er voor gewerkt, ten einde Oostenrijk geheel beschikbaar te maken voor den strijd tegen Frankrijk; om dezelfde reden had Lodewijk XIV de Porte aangespoord den oorlog voort te zetten. Na Zenta wonnen het de zeemogendheden, die nog steeds hetzelfde belang bij vrede hadden, omdat opnieuw een groote oorlog om de Spaansche successie opdoemde. Onder hare bemiddeling werd de vrede van Garlowitz gesloten (1699)3, eigenlijk een wapenstilstand voor vijf en twintig jaar, die de Porte zware opofferingen kostte. Zij moest afstand doen van Hongarije, behalve het banaat van Temesvar, en van haar suzereiniteit over Zevenburgen; de grens tusschen Oostenrijk en Turkije werd gevormd door Donau, Oena, Sau en Drau. Zoo werden nu de beide deelen van Hongarije onder het huis Habsburg vereenigd en Zevenburgen werd na den dood van Apafy eveneens daarbij geannexeerd. Een groot aantal Serviërs vestigden zich in het Zuiden van Hongarije om de Turksche heerschappij te ontloopen. Leopold I liet ze daar gaarne toe èn om de verdediging der grenzen èn om ze zoo noodig tegen oproerige Magyaren te gebruiken. Ook Polen kreeg bij den vrede van Carlowitz voordeelen: Podolië en de West-Oekraine, in den tijd van Köprili II door de Turken veroverd4, moesten nuterugegevenworden. Venetië behield den Peloponesus (de landengte van Corinthe niet) en een deel van Dalmatië.

Verder moeten we nog Rusland gedenken, dat ook—en nu voor het eerst—een ernstig aandeel aan den strijd tegen Turkije genomen had. Vroegere oorlogen tusschen deze beide landen, die, vooral om de Tataren, in de zeventiende eeuw nog al eens voorkwamen, waren van weinig beteekenis en hadden geene groote verandering aan de grens teweeggebracht. Na zware barensweeën was er onder de volksstammen van Oost-Europa een rijk gesticht, dat Moscovië en later Rusland heette. Het groeide zijne naburen, de Polen, waarmede het gedurig oorloogde, in de zeventiende eeuw boven het hoofd, evenals zijne Zuidelijke buren, de Tataren. Onder czarin Sophie, dochter van den bekenden czaar Alexis uit het huis Romanow, had Rusland zich voor het eerst met de groote politiek bemoeid: het had zich aangesloten bij de alliantie van 1683 tegen Turkije, maar zonder veel gewicht in de schaal te leggen. De bondgenooten bekommerden zich te Carlowitz weinig om de Russische belangen en Peter I, die sedert 1689 zijne zuster Sophie als czaar verving, sloot daarom zoo spoedig mogelijk alleen vrede; hij behield Azov, dat hij in 1697 genomen had en daarmede een belangrijken toegang tot de Zwarte Zee. Het volgend jaar reeds zond Peter tot grooten schrik van den sultan een schip door de Zwarte Zee naar Constantinopel en met dat schip een gezant, die den vrede bevestigde en tevens opheffing kreeg van de schatting, die Rusland nog steeds verschuldigd was aan de Tataren van de Krim. Dit was de eerste overwinning van Rusland, dat ook om zijn Grieksch-Katholieken godsdienst weldra de allerhevigste vijand van Turkije zou worden.

In het begin der achttiende eeuw vertoonde Turkije reeds dat beeld van uitputting en krachteloosheid, dat het sedert meestal is blijven dragen. Geen verbeteringen, want de nieuweKöpriliwas reeds in 1702 afgezet en spoedig daarna gestorven en sultan Moestafa II, die in 1703 van den troon verwijderd werd, werd opgevolgd door zijn broeder Ahmed III (1703–1730), een zeer ergerlijke figuur, evenals Ibrahim geweest was. Natuurlijk werd onder zulk een regeering ook geen poging gedaan, om het te Carlowitz verlorene te herwinnen, ofschoon de Spaansche-successie-oorlog en de groote Noordsche oorlog, die geheel Europa bezighielden, en niet het minst de heftige opstand onder Frans II Rakoczy in Hongarije, dien Oostenrijk niet dan met veel moeite kon bedwingen, gelegenheid genoeg daartoe boden. Alleen aan den grooten Noordschen oorlog, waarin vooral Rusland Zweden’s overwicht aan de Oostzee trachtte te breken, nam Turkije door toevallige omstandigheden een aandeel, maar op welk een wijze! Karel XII, de Zweedsche koning, was, na op zijn tocht naar Rusland bij Pultawa verslagen te zijn, gevlucht naar Turkije, waar hij te Bender verblijf hield. Zijne pogingen om de Porte te bewegen hem te steunen waren echter vruchteloos, evenalsdie van den Franschen gezant—nu hij tijdens den Spaanschensuccessieoorlogin zware moeilijkheden geraakte, versmaadde Lodewijk XIV de Turksche hulp niet!—om de Porte tegen Oostenrijk op te zetten. Het gelukte daarentegen wel aan den Russischen gezant van de Porte een bevel te verkrijgen om Karel XII uit Bender te verdrijven, maar dit bevel is niet nageleefd. Dat ten slotte de kans geheel ten gunste van Karel XII keerde, was een gevolg van de overmoedige houding, door Peter I tegenover Turkije aangenomen. In de uiterste deelen van het Turksche rijk, bepaaldelijk in de Donauvorstendommen, begon zich een neiging tot afscheiding te vertoonen, nu het rijk zoo zwak bleek. De hospodars van Walachije en Moldavië beiden stelden zich met Peter I in verbinding en deze beloofde hun niets minder dan onafhankelijkheid onder zijn suzereiniteit. Ook van uit Griekenland en Servië bereikten hem blijken van sympathie voor een opstand.

Zoo kwam het, dat voor den eersten keer een Russische czaar als hoofd van de Grieksche kerk optrad ter bescherming van zijne geloofsgenooten in het Balkanschiereiland. Peter trok de Proeth over, maar van den van zoo vele zijden beloofden steun kwam niets. De groot-vizier Baltadji-Mehemet—opvolger van een vijfden Köprili, Nauman geheeten, die echter slechts twee maanden zijn ambt waarnam en toen werd afgezet, omdat hij tot het laatst den oorlog tegen Rusland trachtte te voorkomen (1710)—bracht een leger van Turken en Tataren bijeen en met zijne overmacht sloot hij Peter niet ver van de Proeth in (1711). Toen gebeurde het wonderbaarlijke feit, dat Catharina, toen nog Peter’s maîtresse, later zijne vrouw en ten slotte zijne opvolgster, naar de Turksche legerplaats trok en het Russische leger redde door Mehemet te bewegen vrede te sluiten. Peter I moest Azov teruggeven, terwijl enkele Russische vestingen, daar in de buurt opgericht, zooals Taganrog, gesloopt zouden worden; voor den Zweed bedong de Turk geenerlei voordeelen. De Donauvorstendommen werden van nu af iets meer aan Turkije onderworpen, doordat de Porte er niet meer een inboorling, maar een Phanarioot uit Constantantinopel tot hospodar benoemde. Het schijnt, dat Mehemet uit vrees voor de roerigheid in heel het Balkanschiereiland en bovendien, omdat hij niet veel op zijn leger vertrouwde, zich zoo gemakkelijk tot vrede liet verbidden door de geschenken, die Catharina hem bracht. Nog eenige jaren na dit verdrag van de Proeth bleef Karel XII in Bender en later in Demotica, maar evenmin als vroeger heeft hij iets van de Porte gedaan kunnen krijgen; zelfs het niet onmiddellijk teruggeven van Azov bleef zonder invloed. Men weet, dat Karel ten slotte door Duitschland naar Zweden teruggekeerd en daar spoedig gesneuveld is.

Evenals de oorlog met Rusland vooral een gevolg geweest was van de bemoeiing van Peter I met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije, zoo ontstond in 1714 een nieuwe oorlog met Venetië, omdat de Venetianen steun hadden verleendaan Montenegro. Dit kleine vorstendom was nooit anders dan zeer losjes aan Turkije verbonden geweest; het wilde nu trachten geheel onafhankelijk te worden en vorst Danilo, die zich ook in verbinding had gesteld met Peter I, was tijdens diens oorlog met de Porte ook tegen deze in verzet gekomen; hij had beter zijn woord gehouden dan zoovele anderen, die ook hulp hadden beloofd, maar thuis waren gebleven. Na het verdrag van de Proeth vielen de Turken Danilo met hun geheele macht op het lijf; de Montenegrijnen verdedigden zich dapper in hunne bergen, vroegen en kregen tevens hulp van Venetië. Maar tegen dezen, evenals Turkije, hard achteruitgaanden staat alleen waren de Turken nog wel opgewassen. De flinke groot-vizier Damad-Ali veroverde, wat Venetië in den Peloponesus bezat, en bedreigde de Ionische eilanden. Ondertusschen was de Spaansche successie na een hevigen oorlog geregeld, de vrede in het Westen hersteld en nu koos Oostenrijk, dat geen herleving der Turksche macht wilde dulden, onmiddellijk de partij van Venetië. Eugenius van Savoye bracht den Turken nogmaals een verpletterende nederlaag toe, nu bij Peterwardein (1716): het volgende jaar nam hij Belgrado en een deel van Servië. Was het niet om nieuwe verwikkelingen in het Westen geweest, veroorzaakt door het optreden van den Spaanschen minister Alberoni, Turkije zou nog meer gekortwiekt zijn: nu had Oostenrijk vrede noodig om Spanje’s uitbreidingsplannen te kunnen tegengaan, en het sloot dien te Passarowitz (1718), behoudende het banaat van Temesvar, Belgrado met een deel van Servië en klein-Walachije, n.l. het land tusschen Donau en Oltoe. Venetië, ook in den vrede begrepen, verloor den Peloponesus, maar behield enkele plaatsen aan de Adriatische Zee. Het is de laatste vrede geweest, gesloten tusschen de eens zoo machtige republiek en Turkije; Venetië speelde in de achttiende eeuw geen rol van beteekenis meer in de algemeen Europeesche politiek en nog vóór het einde dier eeuw had Napoleon Bonaparte aan haar bestaan een einde gemaakt (1797). Montenegro, voor een korten tijd gedurende den oorlog onderworpen door Köprili-Nauman, toen pacha van Bosnië, wist toch na den oorlog evenals vroeger zijne onafhankelijkheid zoo goed als geheel te handhaven.

In de laatste helft der zeventiende en in het begin der achttiende eeuw had Turkije het meest te lijden van Oostenrijk. In het verdere gedeelte der achttiende eeuw werd dit anders: Oostenrijk bleef meestal vijandig, maar de ergste vijand werd Rusland, door Peter I den weg opgestuurd, die er een Europeesche mogendheid van moest maken, weldra, vooral sedert Catharina II czarin werd, beschouwd als één der groote Europeesche mogendheden. Voor Turkije werd Rusland, nu het zich kon doen gelden, gevaarlijker dan Oostenrijk, dat toen nog meer gaf om zijne positie in Italië en in Duitschland dan om uitbreiding op het Balkan-schiereiland. Rusland daarentegenhad geen directe belangen in West-Europa en de uitbreiding over Noord-Azië, die ook in de achttiende eeuw begon, eischte gedurende langen tijd niet vele krachten. Gelukkig voor Turkije waren er twee andere landen, waaraan Rusland ook zijne aandacht moest wijden: Zweden, diep vernederd bij den vrede van Nystädt, dat zich daarna een enkele maal trachtte op te richten, en Polen, een inwendig zeer zwak rijk, dat voor een veroveringslustig land tot uitbreiding als vanzelf uitlokte. Deze beide landen, maar vooral Polen, zijn in de achttiende eeuw voor Turkije’s strijd met Rusland een welkome afleiding geweest, evenals de Westersche aangelegenheden dat waren geweest en ook nog bleven voor den strijd met Oostenrijk.

Het voornaamste punt van wrijving tusschen Rusland en de Porte was in de dagen van Peter I en ook daarna de uitbreiding van het eerste land naar de Zwarte Zee. Czaar Peter had vóór zijn dood (1725) geen gelegenheid gevonden zich van den Proeth-vrede te ontdoen. Wel had nog verschillende malen een oorlog tusschen hem en de Porte gedreigd, maar dat was een gevolg van moeilijkheden op de grens van Perzië. Gebruik makende van de groote wanorde, die in dezen tijd in Perzië bestond, trachtten de beide landen in en om denKaukasusnaar veroveringen in die streken, waar de Turken reeds meermalen met de Perzen gestreden hadden (zie hiervóór, blz.684) en waar Rusland van Astrakhan uit nu voor het eerst optrad. Dit leidde tot herhaalde botsingen, maar de Fransche gezant te Constantinopel, waar Frankrijk na den dood van Lodewijk XIV meer invloed kreeg, bemiddelde tot tweemaal toe een vrede (1721 en 1724). Na Peter’s dood (1725) was Rusland door binnenlandsche moeilijkheden minder agressief tegenover Perzië en Turkije kon ongestoord zijne veroveringen voortzetten. Maar dit duurde niet lang, want nadat de krachtige Nadir, een Turcoman, in 1736 shah van Perzië geworden was en hij de rust hersteld had, moest de Porte weldra al hare veroveringen teruggeven en Rusland deed dit uit eigen beweging, een betere gelegenheid afwachtende. Turkije had zwakheid, Rusland slimheid getoond.

De uitbreiding naar de Zwarte Zee kwam op het tapijt, zoodra keizerin Anna (sedert 1730), een nicht van Peter I, die de regeering geheel naar diens voorbeeld voerde, daartoe de handen vrij kreeg, d.w.z. onmiddellijk nadat de Poolsche successie-oorlog, waarin voor het eerst buitenlandsche mogendheden met geweld over de Poolsche koningskeuze beslist hadden, geëindigd was. Vereenigd hadden de beide grootste vijanden van Turkije hun candidaat op den Poolschen troon gebracht, vereenigd traden nu Rusland en Oostenrijk tegen de Porte op. Grensmoeilijkheden verschaften als zoo dikwijls een gereede aanleiding den oorlog te beginnen (1736). De Russen namen Azov, drongen de Krim binnen: de Oostenrijkers vielen in Servië en kwamen vandaar in Boelgarije. Turkije scheen tot niets in staat. SultanAhmed III was in 1730 afgezet en vervangen door Mahmoed I, een zoon van Moestafa II, maar bij die troonsverandering had het rijk geen baat gevonden. Toen gebeurde voor het eerst, wat sedert de Turken herhaaldelijk voor geheelen ondergang behoed heeft: er kwam steun voor hen en wel van Frankrijk, dat ook in den Poolschen oorlog tegenover Oostenrijk en Rusland gestaan had en nu ook hier de macht van deze beide mogendheden niet te groot wilde laten worden. Het trad ten gunste van Turkije op, nog wel niet openlijk met de wapenen, maar toch door de diplomatie en door het zenden van officieren om het Turksche leger bij te staan. Villeneuve, de uiterst handige gezant van Frankrijk te Constantinopel, kreeg een grooten invloed op den sultan; door zijn toedoen werd een krachtig man groot-vizier, en deze, Yeghen-Mohammed geheeten, wist, door het aanwakkeren van een godsdienstig fanatisme, de Turksche troepen tot actie te brengen.

Dat deed de kans ten deele keeren. Het Oostenrijksche leger, door keizer Karel VI verwaarloosd, had juist zijn aanvoerder, prins Eugenius, verloren (1736) en bleek nu veel van zijn eens voortreffelijke eigenschappen ingeboet te hebben; het was plotseling tegen de Turken niet meer bestand. Van de Russen was in het Balkan-schiereiland weinig hulp te verwachten: zij hadden een langen weg af te leggen om er te komen en die weg was moeilijk, want het steppenland van Zuid-Rusland was nog zeer weinig ontwikkeld. Wel had een leger onder Münich Otsjakov en Kinburn aan den mond van den Djnepr genomen, wel avanceerde dit leger in 1737 tot de Boeg, maar nog in hetzelfde jaar moest het wegens ontberingen terug en eerst twee jaar later kon het opnieuw aanvallend te werk gaan. Ondertusschen werden de Oostenrijkers teruggedreven door de Turken en deze sloegen in 1739 het beleg voor Belgrado. De stad was sterk, kon zich lang verdedigen, maar Karel VI, geheel onder den invloed van den schrik van het oogenblik, liet zich door bemiddeling van Villeneuve overhalen tot een voor hem zeer nadeeligen vrede, waarbij Turkije Belgrado met het deel van Servië en klein-Walachije, die het te Passarowitz had afgestaan, terugkreeg. Verlaten door zijn bondgenoot, sloot ook Rusland, ofschoon Münich nu de Proeth overgetrokken was en daar een schitterende overwinning behaald had, vrede: het gaf zijne veroveringen terug; alleen Azov bleef Russisch, maar werd ontmanteld (1739).

Een tijd van rust voor Turkije volgde, toen de meeste Europeesche mogendheden beziggehouden werden door den Oostenrijkschen successie-oorlog en den zevenjarigen oorlog; ook Rusland, dat bovendien Zweden te bestrijden kreeg, werd hierin betrokken. Turkije sukkelde voort: evenmin als Mahmoed I deed zijn broeder Osman III (1754–1757) iets tot verbetering. Alleen enkele legerhervormingen, begonnen onder Franschen invloed, werden voltooid, vooral onder Moestafa III,een zoon van Ahmed III, door den groot-vizier Raghib-Pacha. Maar de geest van het leger veranderde daarmede op den duur niet veel. De Janitsaren en de Sipahi, nog altijd de kern van het leger, behielden al hunne voorrechten, werden steeds meer aanmatigend, terwijl hunne vechtwaarde verminderde.... en niemand durfde hen in hun bestaan aantasten.

Uiterst moeilijke jaren beleefde Turkije in het laatste deel der achttiende eeuw, na 1763. De zevenjarige oorlog was in dat jaar ten einde gekomen en onmiddellijk kwam de Poolsche kwestie weer aan de beurt. Het was opnieuw de successie, die Polen in moeilijkheden bracht. Nu geen oorlog, want Frankrijk was te uitgeput door de verliezen, die het pas geleden had, om zich tegen Rusland, dat gesteund werd door Pruisen, te verzetten, maar eenvoudig een wilsoplegging van de machtige keizerin Catharina: haar candidaat werd met geweld koning gemaakt, haar gezant oefende sedert een soort dictatuur te Warschau uit. De Porte had den stijgenden invloed van Rusland in Polen steeds met leede oogen aangezien: bij den Proeth-vrede had zij Rusland de verplichting opgelegd zich met de Poolsche zaken niet meer in te laten, maar die bepaling was een doode letter gebleven en in het vredesverdrag van 1739 was ze niet weer opgenomen. Sultan Moestafa III voelde zich echter in hooge mate verontrust door het feit, dat Rusland nu te Warschau de wet voorschreef, en toen naar aanleiding vooral van kerkelijke moeilijkheden een burgeroorlog in Polen uitbrak en Rusland één der partijen ondersteunde, nam de Porte een dreigende houding aan, te eerder, omdat ze wist, dat Rusland de steeds tot oproer geneigde Roemenen opstookte. Frankrijk, zelf onmachtig iets voor Polen te doen, stookte dit vuurtje handig aan. Toevallig werd de Turksche grens door Russische troepen geschonden en dit werd onmiddellijk door de Porte als aanleiding gebruikt om Rusland den eisch te stellen zijne troepen uit Polen terug te trekken.

Het scheen, of Turkije zijn oude kracht voelde herleven, maar het fiere ultimatum was niet in overeenstemming met den volgenden krijg (1768). Rusland bleek in staat Turkije te overwinnen en tegelijk Polen te blijven beheerschen. Was het ideaal van Catharina II om zich een protectoraat over beide landen te verschaffen nabij, kon men zich afvragen. Zoowel de Krim als de Donauvorstendommen werden door Russische troepen veroverd. Een Russische vloot zeilde uit de Oostzee om het Westen naar de Middellandsche en—het was hare eerste actie van groote beteekenis—vernietigde de Turksche bij Tschesme op de kust van Klein-Azië (1770). Heel anders dan na Lepanto hebben de Turken nu en eigenlijk nooit meer kans gezien een eenigszins krachtige vloot bijeen te brengen. De Russische vloot beheerschte gedurende eenigen tijd de Aegeïsche Zee, maar hare kwaliteit was ook niet van dien aard, dat ze het kon wagen Constantinopel aan te tasten of andere veroveringente maken. Ook den Grieken, die, door Rusland aangemoedigd, in opstand gekomen waren, kon zij geen hulp bieden. Deze eerste verheffing der Hellenen had dan ook weinig succes; zonder veel moeite kon de sultan haar bedwingen, vooral met behulp zijner als Muzelmannen zeer trouwe onderdanen, de Albaneezen, die daarbij schandelijke wreedheden begingen en ten slotte door de Turken zelf gedwongen moesten worden Hellas te ontruimen5. Belangrijker was, wat het Russische leger verrichtte. Het trok in 1773 den Donau over, behaalde in Boelgarije aanmerkelijke voordeelen en sloot het leger van den groot-vizier Mouezzin-Zadé—één der zeven groot-vizieren, die elkander tijdens dezen oorlog zijn opgevolgd!—te Sjoemla in. Maar weêr naakte redding voor Turkije, opnieuw een gevolg van het optreden van andere mogendheden.

Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde—en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).

De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog één onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.

De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.

Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.

Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerdvan de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit Servië gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.

Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam—het wordt haast vervelend om het te zeggen—alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders.Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in België, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde—en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef II. Zijn broeder en opvolger, Leopold II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en—van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold IIzich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.

Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweêr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).

We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim III (1789–1807), zoon van Moestafa III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den Baraïktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim III weêr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weêr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.

Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft6; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar Azië te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te Alexandrië geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d’Acre, door Napoleon op zijn tocht naar Syrië belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.

Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland’s eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingendoor vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: Sébastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.

Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de één in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was één bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur één der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, Bessarabië, kwam aan Rusland; Georgië en Mingrelië in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.


Back to IndexNext