Dertiende Hoofdstuk.De Donder1.Gegeven teMekka2.—43 verzen.In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.A. L. M. R.3. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste deel der menschen wil niet gelooven.2.Het is God die den hemel zonder zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn, dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien.3.Hij is het die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft verordend4. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin liggen zekere teekenen voor hen die nadenken.4.En op de aarde zijn stukken land van verschillenden aard5, ofschoon aan elkander grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen zekerlijk teekens voor hen die nadenken.5.Indien gij u verwondert, dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk verwonderen als zij zeggen6: Nadatwij tot niet zijn veranderd, zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd?6.Zij zijn het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden7om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn; daar zullen zij eeuwig verblijven.7.Zij zullen u vragen veeleer het kwade dan het goede te verhaasten8; hoewel zij reeds voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen.8.De ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er een leider gezonden.9.God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt, en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat.10.Hij weet wat geborgen en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste.11.Hij van u die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt; ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods kennis.12.Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig opvolgen, zoowel vóór hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen; naast hem hebben zij geen beschermer.13.Hij is het die den bliksem voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken9, en die de bezwangerde wolken vormt.14.De donder verheft zijnen lof10, en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij nopens God twist11; want hij is de almachtige,de wijze.15.Hij alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken; de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd.16.Alles wat in den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen12, evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen13.17.Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg: hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle dingen; hij is de eeuwige glorierijke God.18.Hij doet water van den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten, om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is, blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te vergeefsals losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal dat wezen!19.Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken.20.Zij die getrouwelijk de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet verbreken.21.Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden14en die God vreezen en eene slechte rekening duchten.22.Zij, die door de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn; die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend, en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het paradijs tot belooning strekken.23.De tuinen van eeuwig verblijf15, waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen binnengaan zeggende:24.Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs!25.Maar zij die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige woning in de hel hebben.26.God geeft zijne weldaden in overvloed aan dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De bewoners vanMekkaverheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk voordeel is.27.De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal dengeen tot zich voeren, die berouw toont.28.Zij die gelooven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en eene gelukkige opstanding deelachtig worden.29.Zoo hebben wij u tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan, tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren.30.Indien een Koran werd geopenbaard, waardoor bergenzouden worden bewogen, of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht16het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid zouden worden.31.De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne woningen neder te zetten17, tot dat Gods belofte kome18; want God is niet in tegenspraak met zijne belofte.32.Ook voor u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten; maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik hun oplegde.33.Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst, om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg: Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen19? Maar de bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen dwalen zal geen leider hebben.34.Zij zullen straf in dit leven ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen, en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen.35.Dit is de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die Godvreezen. Maar de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn.36.Zij, aan wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun werd geopenbaard20. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren, die een gedeelte daarvan loochenen21. Zeg hun: Waarlijk mij werd bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen; hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren.37.Met dat doel hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of te ondersteunen.38.Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun vrouwen en kinderen22, en geen profeet had de macht met een teeken te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring.39.God zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust het oorspronkelijke van het boek23.40.Hetzij wij u een deel der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk, uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige rekening te vragen.41.Zien zij niet, dat wij in hun land komen en dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen, en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening.42.Hunne voorgangers dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient, en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs zal worden beloond.43.De ongeloovigenzullen zeggen: Gij zijt niet door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt, zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.1Dit woord komt hieronder invers 4voor.2Of, volgens sommige afschriften, teMedina.3De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.4Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Savaryvertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.5Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz.(Al Beidâwi).6Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)7De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (VideChardinVoyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (ZieHoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beidâwi).8Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.9Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.10Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord “donder” de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard.AmerEbn Al TofailenAbrad Ebn Rabiah, de broeder vanLabidgingen totMahometom hem te dooden:Amerbegon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijlAbradeen omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waaropAbradonmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijlAmermet een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beidâwi,VideGolii,note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.)Jallalo’ddindeelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelkMahometiemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.12De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.13Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.14Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).15Eigenlijk de tuinen vanEden. (Ziehoofdst. IX, vers 73en de noot).16Dit zijn mirakelen, welke de Koreïshieten vanMahometeischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran òf de bergen vanMekkazou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, òf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naarSyriëover te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier:of de aarde gespletenvertaald zouden moeten luiden:of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hijKozai Ebn Kelaben andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.17Sommigen veronderstellen, dat deze woorden totMahometwerden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald:Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners vanMekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditieAl Hodeibiya(Al Beidâwi).18Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdatMekkaworde ingenomen (Al Beidâwi).19Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beidâwi).20Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (ZieHoofdstuk III, vers 198).21Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, omMahometweerstand te bieden, zooalsCaab Ebn al Ashrafen de Joden, die hem volgden, benevensAl Seyid al Najrani,al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).22Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke menMahometdeed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo’ddin,Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (ZieMaimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)23Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.Veertiende Hoofdstuk.Abraham1.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg.2.Hij is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht hen.3.Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid verwijderd is.4.Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren2, want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze.5.Wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God3; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.6.En herinner u toenMozestot zijn volk zeide: Herdenk de gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk vanPharaobevrijdde: deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven4. Dit was een harde proef vanuwen Heer.7.En toen uw Heer door den mond vanMozeseene verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn.8.En indien gij ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en lofwaardig.9.Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers, niet gehoord? namelijk van het volk vanNoach, en vanAden vanThamoed5en van degenen die hen opvolgden.10.Wier getal niemand kent, behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen; maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging, en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst waartoe gij ons uitnoodigt.11.Hunne gezanten antwoordden: Bestaat er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden zou kunnen vergeven6en uwe straf kunnen verschuiven, door u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik.12.Zij antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden; breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid spreekt.13.Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een wonderdadig bewijs voor onze zending te geven.14.Tenzij met het verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen.15.En waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die trachten, het ergens in te plaatsen.16.En zij die niet geloofden, zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen verdelgen.17.En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen.18.En zij vroegen ondersteuning van God7, enieder hoovaardig en oproerig mensch werd vernietigd.19.De hel ligt onzichtbaar voor hem en hij zal vuil water8te drinken ontvangen.20.Hij zal het met kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die niet in hunnen Heer gelooven.21.Hunne werken zijn gelijk aan asch, die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de waarheid is verwijderd.22.Ziet gij niet dat God de hemelen en de aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.23.Dit is gemakkelijk voor zijne macht.24.En zij zullen allen op den jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken, die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen9: Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een deel der goddelijke wraak van ons afwenden?25.Zij zullen antwoorden: Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk geleid hebben10. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij bezitten geen weg om daaraan te ontkomen.26.En satan zal zeggen, nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u; ik had echter de macht niet om u te dwingen.27.Maar ik riep u slechts en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u zelven11. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen gij mij naastGod hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke12. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid.28.Maar zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij zullen begroet worden met het woord Vrede13.29.Weet gij niet waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot den hemel.30.Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen, opdat zij onderricht zouden mogen worden.31.En de gelijkenis van een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd en geene vastheid bezit14.32.God zal degenen, die gelooven, door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als in het toekomstige, bevestigen15; maar God zal den booze in dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt.33.Hebt gij hen niet opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd16, en hun volk in het huis des verderfs hebbendoen afdalen; namelijk is de hel.34.Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat zal een ongelukkigen woning zijn.35.Zij richten ook afgodsbeelden op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn.36.Zeg tot mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal bestaan.37.God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt17hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen, terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de mensch is onrechtvaardig en ondankbaar.38.Gedenk, toenAbrahamzeide: O Heer! maak dit land18tot eene plaats van volkomen veiligheid, en dat ik en mijne kinderen19het aanbidden van afgodsbeelden mogen vermijden.39.Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn20.40.O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen21in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn.Vergun dus dat de harten van sommige menschen22gunstig voor hen gestemd worden, en schenk hun alle soorten van vruchten23, opdat zij dankbaar zouden mogen zijn.41.Heer! gij weet alles wat wij verbergen, en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jarenIsmaëlenIzaakheeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige beden.42.O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een gedeelte mijner nakomelingschap24. O Heer! en verhoor mijne bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders25en den geloovigen op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt.43.Denk niet, o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op den hemel zullen worden gevestigd.44.Zij zullen zich haasten vooruit te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd, en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd.45.Waarop zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip.46.En wij zullen uwe oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt veranderen26?47.Thans woont gij in de verblijven vanhen, die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld27, en het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld28, en wij stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen, al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden bewogen.48.Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is machtig en in staat te wreken.49.De dag zal komen waarop de aarde in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden veranderd29; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen.50.Dan zult gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen zijn.51.Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen.52.Dit is eene voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts één God is, en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.1Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.2Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beidâwi).3Letterlijk:de dagenvan God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met:de veldslagenvan God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianengiornataen de Franschenjournée), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiën in hare oorlogen (Al Beidâwi).4ZieHoofdstuk VII, vers 124, enz.5Zie hetzelfde Hoofdstukvers 63, enz.6Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beidâwi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.7De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren,die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners vanMekkaslaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beidâwi.)8Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.9Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.10Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.11Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.12Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden:Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerdeAdamop Gods bevel te aanbidden (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk X, vers 10.14De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Jallalo’ddinveronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.16Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners vanMekkadeed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending vanMahometvereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij teBedrondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen doorhun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beidâwi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet teMekkazijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers teMedinawerden geopenbaard.17Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord isSakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (ZieHoofdstuk II, vers 159, in de noot).18Zijnde het grondgebied vanMekka.19Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen vanIsmaël. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beidâwi).20Dat is: door hen tot berouw te brengen.Jallalo’ddinveronderstelt echter, dat deze woorden doorAbrahamwerden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.21ZijndeIsmaëlen diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen datHagar, zijne moeder, aanSarahtoebehoorende, die haar aanAbrahamgaf, en datSarah, nadatHagarhemIsmaëlhad gebaard, zóó ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied vanMekka, waar God de bron vanZemzemterhunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beidâwi).22Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naarMekkaafgelegd hebben (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daarMekkazóó overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.25Abrahamrichtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (ZieHoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige:en mijn vader. Anderen beweren, datAbrahamonder zijne ouders hier,AdamenEvaverstaat (Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.)26Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya.)27Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.28Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.29Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya).
Dertiende Hoofdstuk.De Donder1.Gegeven teMekka2.—43 verzen.In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.A. L. M. R.3. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste deel der menschen wil niet gelooven.2.Het is God die den hemel zonder zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn, dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien.3.Hij is het die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft verordend4. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin liggen zekere teekenen voor hen die nadenken.4.En op de aarde zijn stukken land van verschillenden aard5, ofschoon aan elkander grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen zekerlijk teekens voor hen die nadenken.5.Indien gij u verwondert, dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk verwonderen als zij zeggen6: Nadatwij tot niet zijn veranderd, zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd?6.Zij zijn het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden7om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn; daar zullen zij eeuwig verblijven.7.Zij zullen u vragen veeleer het kwade dan het goede te verhaasten8; hoewel zij reeds voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen.8.De ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er een leider gezonden.9.God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt, en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat.10.Hij weet wat geborgen en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste.11.Hij van u die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt; ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods kennis.12.Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig opvolgen, zoowel vóór hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen; naast hem hebben zij geen beschermer.13.Hij is het die den bliksem voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken9, en die de bezwangerde wolken vormt.14.De donder verheft zijnen lof10, en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij nopens God twist11; want hij is de almachtige,de wijze.15.Hij alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken; de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd.16.Alles wat in den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen12, evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen13.17.Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg: hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle dingen; hij is de eeuwige glorierijke God.18.Hij doet water van den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten, om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is, blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te vergeefsals losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal dat wezen!19.Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken.20.Zij die getrouwelijk de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet verbreken.21.Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden14en die God vreezen en eene slechte rekening duchten.22.Zij, die door de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn; die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend, en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het paradijs tot belooning strekken.23.De tuinen van eeuwig verblijf15, waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen binnengaan zeggende:24.Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs!25.Maar zij die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige woning in de hel hebben.26.God geeft zijne weldaden in overvloed aan dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De bewoners vanMekkaverheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk voordeel is.27.De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal dengeen tot zich voeren, die berouw toont.28.Zij die gelooven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en eene gelukkige opstanding deelachtig worden.29.Zoo hebben wij u tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan, tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren.30.Indien een Koran werd geopenbaard, waardoor bergenzouden worden bewogen, of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht16het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid zouden worden.31.De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne woningen neder te zetten17, tot dat Gods belofte kome18; want God is niet in tegenspraak met zijne belofte.32.Ook voor u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten; maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik hun oplegde.33.Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst, om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg: Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen19? Maar de bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen dwalen zal geen leider hebben.34.Zij zullen straf in dit leven ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen, en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen.35.Dit is de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die Godvreezen. Maar de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn.36.Zij, aan wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun werd geopenbaard20. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren, die een gedeelte daarvan loochenen21. Zeg hun: Waarlijk mij werd bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen; hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren.37.Met dat doel hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of te ondersteunen.38.Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun vrouwen en kinderen22, en geen profeet had de macht met een teeken te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring.39.God zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust het oorspronkelijke van het boek23.40.Hetzij wij u een deel der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk, uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige rekening te vragen.41.Zien zij niet, dat wij in hun land komen en dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen, en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening.42.Hunne voorgangers dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient, en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs zal worden beloond.43.De ongeloovigenzullen zeggen: Gij zijt niet door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt, zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.1Dit woord komt hieronder invers 4voor.2Of, volgens sommige afschriften, teMedina.3De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.4Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Savaryvertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.5Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz.(Al Beidâwi).6Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)7De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (VideChardinVoyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (ZieHoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beidâwi).8Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.9Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.10Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord “donder” de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard.AmerEbn Al TofailenAbrad Ebn Rabiah, de broeder vanLabidgingen totMahometom hem te dooden:Amerbegon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijlAbradeen omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waaropAbradonmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijlAmermet een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beidâwi,VideGolii,note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.)Jallalo’ddindeelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelkMahometiemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.12De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.13Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.14Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).15Eigenlijk de tuinen vanEden. (Ziehoofdst. IX, vers 73en de noot).16Dit zijn mirakelen, welke de Koreïshieten vanMahometeischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran òf de bergen vanMekkazou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, òf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naarSyriëover te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier:of de aarde gespletenvertaald zouden moeten luiden:of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hijKozai Ebn Kelaben andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.17Sommigen veronderstellen, dat deze woorden totMahometwerden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald:Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners vanMekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditieAl Hodeibiya(Al Beidâwi).18Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdatMekkaworde ingenomen (Al Beidâwi).19Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beidâwi).20Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (ZieHoofdstuk III, vers 198).21Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, omMahometweerstand te bieden, zooalsCaab Ebn al Ashrafen de Joden, die hem volgden, benevensAl Seyid al Najrani,al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).22Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke menMahometdeed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo’ddin,Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (ZieMaimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)23Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.Veertiende Hoofdstuk.Abraham1.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg.2.Hij is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht hen.3.Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid verwijderd is.4.Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren2, want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze.5.Wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God3; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.6.En herinner u toenMozestot zijn volk zeide: Herdenk de gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk vanPharaobevrijdde: deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven4. Dit was een harde proef vanuwen Heer.7.En toen uw Heer door den mond vanMozeseene verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn.8.En indien gij ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en lofwaardig.9.Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers, niet gehoord? namelijk van het volk vanNoach, en vanAden vanThamoed5en van degenen die hen opvolgden.10.Wier getal niemand kent, behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen; maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging, en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst waartoe gij ons uitnoodigt.11.Hunne gezanten antwoordden: Bestaat er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden zou kunnen vergeven6en uwe straf kunnen verschuiven, door u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik.12.Zij antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden; breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid spreekt.13.Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een wonderdadig bewijs voor onze zending te geven.14.Tenzij met het verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen.15.En waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die trachten, het ergens in te plaatsen.16.En zij die niet geloofden, zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen verdelgen.17.En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen.18.En zij vroegen ondersteuning van God7, enieder hoovaardig en oproerig mensch werd vernietigd.19.De hel ligt onzichtbaar voor hem en hij zal vuil water8te drinken ontvangen.20.Hij zal het met kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die niet in hunnen Heer gelooven.21.Hunne werken zijn gelijk aan asch, die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de waarheid is verwijderd.22.Ziet gij niet dat God de hemelen en de aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.23.Dit is gemakkelijk voor zijne macht.24.En zij zullen allen op den jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken, die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen9: Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een deel der goddelijke wraak van ons afwenden?25.Zij zullen antwoorden: Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk geleid hebben10. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij bezitten geen weg om daaraan te ontkomen.26.En satan zal zeggen, nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u; ik had echter de macht niet om u te dwingen.27.Maar ik riep u slechts en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u zelven11. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen gij mij naastGod hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke12. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid.28.Maar zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij zullen begroet worden met het woord Vrede13.29.Weet gij niet waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot den hemel.30.Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen, opdat zij onderricht zouden mogen worden.31.En de gelijkenis van een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd en geene vastheid bezit14.32.God zal degenen, die gelooven, door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als in het toekomstige, bevestigen15; maar God zal den booze in dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt.33.Hebt gij hen niet opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd16, en hun volk in het huis des verderfs hebbendoen afdalen; namelijk is de hel.34.Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat zal een ongelukkigen woning zijn.35.Zij richten ook afgodsbeelden op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn.36.Zeg tot mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal bestaan.37.God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt17hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen, terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de mensch is onrechtvaardig en ondankbaar.38.Gedenk, toenAbrahamzeide: O Heer! maak dit land18tot eene plaats van volkomen veiligheid, en dat ik en mijne kinderen19het aanbidden van afgodsbeelden mogen vermijden.39.Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn20.40.O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen21in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn.Vergun dus dat de harten van sommige menschen22gunstig voor hen gestemd worden, en schenk hun alle soorten van vruchten23, opdat zij dankbaar zouden mogen zijn.41.Heer! gij weet alles wat wij verbergen, en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jarenIsmaëlenIzaakheeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige beden.42.O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een gedeelte mijner nakomelingschap24. O Heer! en verhoor mijne bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders25en den geloovigen op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt.43.Denk niet, o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op den hemel zullen worden gevestigd.44.Zij zullen zich haasten vooruit te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd, en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd.45.Waarop zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip.46.En wij zullen uwe oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt veranderen26?47.Thans woont gij in de verblijven vanhen, die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld27, en het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld28, en wij stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen, al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden bewogen.48.Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is machtig en in staat te wreken.49.De dag zal komen waarop de aarde in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden veranderd29; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen.50.Dan zult gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen zijn.51.Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen.52.Dit is eene voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts één God is, en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.1Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.2Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beidâwi).3Letterlijk:de dagenvan God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met:de veldslagenvan God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianengiornataen de Franschenjournée), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiën in hare oorlogen (Al Beidâwi).4ZieHoofdstuk VII, vers 124, enz.5Zie hetzelfde Hoofdstukvers 63, enz.6Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beidâwi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.7De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren,die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners vanMekkaslaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beidâwi.)8Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.9Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.10Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.11Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.12Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden:Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerdeAdamop Gods bevel te aanbidden (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk X, vers 10.14De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Jallalo’ddinveronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.16Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners vanMekkadeed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending vanMahometvereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij teBedrondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen doorhun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beidâwi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet teMekkazijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers teMedinawerden geopenbaard.17Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord isSakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (ZieHoofdstuk II, vers 159, in de noot).18Zijnde het grondgebied vanMekka.19Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen vanIsmaël. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beidâwi).20Dat is: door hen tot berouw te brengen.Jallalo’ddinveronderstelt echter, dat deze woorden doorAbrahamwerden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.21ZijndeIsmaëlen diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen datHagar, zijne moeder, aanSarahtoebehoorende, die haar aanAbrahamgaf, en datSarah, nadatHagarhemIsmaëlhad gebaard, zóó ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied vanMekka, waar God de bron vanZemzemterhunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beidâwi).22Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naarMekkaafgelegd hebben (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daarMekkazóó overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.25Abrahamrichtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (ZieHoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige:en mijn vader. Anderen beweren, datAbrahamonder zijne ouders hier,AdamenEvaverstaat (Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.)26Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya.)27Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.28Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.29Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya).
Dertiende Hoofdstuk.De Donder1.Gegeven teMekka2.—43 verzen.In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.A. L. M. R.3. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste deel der menschen wil niet gelooven.2.Het is God die den hemel zonder zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn, dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien.3.Hij is het die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft verordend4. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin liggen zekere teekenen voor hen die nadenken.4.En op de aarde zijn stukken land van verschillenden aard5, ofschoon aan elkander grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen zekerlijk teekens voor hen die nadenken.5.Indien gij u verwondert, dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk verwonderen als zij zeggen6: Nadatwij tot niet zijn veranderd, zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd?6.Zij zijn het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden7om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn; daar zullen zij eeuwig verblijven.7.Zij zullen u vragen veeleer het kwade dan het goede te verhaasten8; hoewel zij reeds voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen.8.De ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er een leider gezonden.9.God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt, en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat.10.Hij weet wat geborgen en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste.11.Hij van u die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt; ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods kennis.12.Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig opvolgen, zoowel vóór hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen; naast hem hebben zij geen beschermer.13.Hij is het die den bliksem voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken9, en die de bezwangerde wolken vormt.14.De donder verheft zijnen lof10, en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij nopens God twist11; want hij is de almachtige,de wijze.15.Hij alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken; de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd.16.Alles wat in den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen12, evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen13.17.Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg: hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle dingen; hij is de eeuwige glorierijke God.18.Hij doet water van den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten, om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is, blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te vergeefsals losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal dat wezen!19.Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken.20.Zij die getrouwelijk de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet verbreken.21.Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden14en die God vreezen en eene slechte rekening duchten.22.Zij, die door de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn; die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend, en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het paradijs tot belooning strekken.23.De tuinen van eeuwig verblijf15, waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen binnengaan zeggende:24.Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs!25.Maar zij die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige woning in de hel hebben.26.God geeft zijne weldaden in overvloed aan dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De bewoners vanMekkaverheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk voordeel is.27.De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal dengeen tot zich voeren, die berouw toont.28.Zij die gelooven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en eene gelukkige opstanding deelachtig worden.29.Zoo hebben wij u tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan, tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren.30.Indien een Koran werd geopenbaard, waardoor bergenzouden worden bewogen, of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht16het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid zouden worden.31.De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne woningen neder te zetten17, tot dat Gods belofte kome18; want God is niet in tegenspraak met zijne belofte.32.Ook voor u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten; maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik hun oplegde.33.Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst, om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg: Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen19? Maar de bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen dwalen zal geen leider hebben.34.Zij zullen straf in dit leven ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen, en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen.35.Dit is de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die Godvreezen. Maar de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn.36.Zij, aan wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun werd geopenbaard20. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren, die een gedeelte daarvan loochenen21. Zeg hun: Waarlijk mij werd bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen; hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren.37.Met dat doel hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of te ondersteunen.38.Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun vrouwen en kinderen22, en geen profeet had de macht met een teeken te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring.39.God zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust het oorspronkelijke van het boek23.40.Hetzij wij u een deel der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk, uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige rekening te vragen.41.Zien zij niet, dat wij in hun land komen en dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen, en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening.42.Hunne voorgangers dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient, en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs zal worden beloond.43.De ongeloovigenzullen zeggen: Gij zijt niet door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt, zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.1Dit woord komt hieronder invers 4voor.2Of, volgens sommige afschriften, teMedina.3De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.4Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Savaryvertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.5Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz.(Al Beidâwi).6Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)7De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (VideChardinVoyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (ZieHoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beidâwi).8Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.9Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.10Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord “donder” de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard.AmerEbn Al TofailenAbrad Ebn Rabiah, de broeder vanLabidgingen totMahometom hem te dooden:Amerbegon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijlAbradeen omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waaropAbradonmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijlAmermet een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beidâwi,VideGolii,note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.)Jallalo’ddindeelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelkMahometiemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.12De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.13Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.14Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).15Eigenlijk de tuinen vanEden. (Ziehoofdst. IX, vers 73en de noot).16Dit zijn mirakelen, welke de Koreïshieten vanMahometeischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran òf de bergen vanMekkazou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, òf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naarSyriëover te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier:of de aarde gespletenvertaald zouden moeten luiden:of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hijKozai Ebn Kelaben andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.17Sommigen veronderstellen, dat deze woorden totMahometwerden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald:Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners vanMekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditieAl Hodeibiya(Al Beidâwi).18Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdatMekkaworde ingenomen (Al Beidâwi).19Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beidâwi).20Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (ZieHoofdstuk III, vers 198).21Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, omMahometweerstand te bieden, zooalsCaab Ebn al Ashrafen de Joden, die hem volgden, benevensAl Seyid al Najrani,al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).22Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke menMahometdeed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo’ddin,Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (ZieMaimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)23Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.
Dertiende Hoofdstuk.De Donder1.Gegeven teMekka2.—43 verzen.
Gegeven teMekka2.—43 verzen.
Gegeven teMekka2.—43 verzen.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.A. L. M. R.3. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste deel der menschen wil niet gelooven.2.Het is God die den hemel zonder zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn, dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien.3.Hij is het die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft verordend4. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin liggen zekere teekenen voor hen die nadenken.4.En op de aarde zijn stukken land van verschillenden aard5, ofschoon aan elkander grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen zekerlijk teekens voor hen die nadenken.5.Indien gij u verwondert, dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk verwonderen als zij zeggen6: Nadatwij tot niet zijn veranderd, zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd?6.Zij zijn het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden7om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn; daar zullen zij eeuwig verblijven.7.Zij zullen u vragen veeleer het kwade dan het goede te verhaasten8; hoewel zij reeds voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen.8.De ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er een leider gezonden.9.God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt, en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat.10.Hij weet wat geborgen en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste.11.Hij van u die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt; ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods kennis.12.Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig opvolgen, zoowel vóór hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen; naast hem hebben zij geen beschermer.13.Hij is het die den bliksem voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken9, en die de bezwangerde wolken vormt.14.De donder verheft zijnen lof10, en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij nopens God twist11; want hij is de almachtige,de wijze.15.Hij alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken; de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd.16.Alles wat in den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen12, evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen13.17.Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg: hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle dingen; hij is de eeuwige glorierijke God.18.Hij doet water van den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten, om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is, blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te vergeefsals losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal dat wezen!19.Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken.20.Zij die getrouwelijk de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet verbreken.21.Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden14en die God vreezen en eene slechte rekening duchten.22.Zij, die door de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn; die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend, en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het paradijs tot belooning strekken.23.De tuinen van eeuwig verblijf15, waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen binnengaan zeggende:24.Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs!25.Maar zij die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige woning in de hel hebben.26.God geeft zijne weldaden in overvloed aan dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De bewoners vanMekkaverheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk voordeel is.27.De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal dengeen tot zich voeren, die berouw toont.28.Zij die gelooven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en eene gelukkige opstanding deelachtig worden.29.Zoo hebben wij u tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan, tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren.30.Indien een Koran werd geopenbaard, waardoor bergenzouden worden bewogen, of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht16het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid zouden worden.31.De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne woningen neder te zetten17, tot dat Gods belofte kome18; want God is niet in tegenspraak met zijne belofte.32.Ook voor u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten; maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik hun oplegde.33.Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst, om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg: Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen19? Maar de bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen dwalen zal geen leider hebben.34.Zij zullen straf in dit leven ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen, en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen.35.Dit is de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die Godvreezen. Maar de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn.36.Zij, aan wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun werd geopenbaard20. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren, die een gedeelte daarvan loochenen21. Zeg hun: Waarlijk mij werd bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen; hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren.37.Met dat doel hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of te ondersteunen.38.Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun vrouwen en kinderen22, en geen profeet had de macht met een teeken te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring.39.God zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust het oorspronkelijke van het boek23.40.Hetzij wij u een deel der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk, uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige rekening te vragen.41.Zien zij niet, dat wij in hun land komen en dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen, en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening.42.Hunne voorgangers dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient, en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs zal worden beloond.43.De ongeloovigenzullen zeggen: Gij zijt niet door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt, zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.
1.A. L. M. R.3. Ziehier de teekens van het boek, en hetgeen u nedergezonden werd van uwen Heer is de waarheid; maar het grootste deel der menschen wil niet gelooven.2.Het is God die den hemel zonder zichtbare pijlers heeft verheven, en toen zijn troon beklom, en de zon en de maan heeft onderworpen om hunne diensten te verrichten. Ieder der hemellichamen legt een bepaalden weg af. Hij beschikt alle dingen. Hij toont zijne teekenen duidelijk, zoodat gij verzekerd moogt zijn, dat gij uwen Heer op den jongsten dag zult zien.3.Hij is het die de aarde heeft uitgespreid en daarop vaste bergen en rivieren geplaatst, en die van elke vrucht twee verschillende soorten heeft verordend4. Hij doet door den nacht den dag bedekken. Daarin liggen zekere teekenen voor hen die nadenken.4.En op de aarde zijn stukken land van verschillenden aard5, ofschoon aan elkander grenzende, alsmede wijngaarden, en zaden en verschillende palmboomen uit denzelfden wortel en afzonderlijk uit verschillende stammen spruitende. Zij worden door hetzelfde water besproeid, maar wij maken sommigen uitmuntender tot voedsel dan andere. Daarin liggen zekerlijk teekens voor hen die nadenken.5.Indien gij u verwondert, dat de ongeloovigen de opstanding loochenen, dan moet gij u zekerlijk verwonderen als zij zeggen6: Nadatwij tot niet zijn veranderd, zullen wij dan tot een nieuw schepsel worden gevormd?6.Zij zijn het die niet in hunnen Heer gelooven; zij zullen banden7om hunne halzen hebben, en deze zullen de bewoners der hel zijn; daar zullen zij eeuwig verblijven.7.Zij zullen u vragen veeleer het kwade dan het goede te verhaasten8; hoewel zij reeds voorbeelden van de goddelijke wraak hebben gezien. Waarlijk, de Heer bezit inschikkelijkheid omtrent de menschen, niettegenstaande hunne boosheid; maar de Heer is ook streng in het straffen.8.De ongeloovigen zeggen: Zoolang hem geen teeken door zijn Heer wordt neder gezonden, zullen wij niet gelooven. Gij zijt alleen gelast te verkondigen en geen bewerker van mirakelen; en tot ieder volk werd er een leider gezonden.9.God weet wat elke vrouw in haren boezem draagt, en hoeveel de schoot nauwer of wijder wordt. Door hem wordt ieder ding geregeld, overeenkomstig eene bepaalde maat.10.Hij weet wat geborgen en wat geopenbaard is. Hij is de groote, de verhevenste.11.Hij van u die zijne woorden verbergt, en hij die ze in het openbaar verkondigt; ook hij die zich in den nacht tracht te verbergen en hij die zich gedurende den dag openlijk vertoont, allen zijn zij gelijk voor Gods kennis.12.Ieder van hen heeft engelen, die elkander wederkeerig opvolgen, zoowel vóór hem als achter hem geplaatst; zij waken op Gods bevel over hem. Waarlijk, God zal zijne genade, die op de menschen rust, niet veranderen, tot zij de geneigdheid hunner zielen door zonde veranderen. Als hij hen wil straffen, kan niets hem dat verhinderen; naast hem hebben zij geen beschermer.13.Hij is het die den bliksem voor u doet verschijnen, om vrees in te boezemen en hoop op te wekken9, en die de bezwangerde wolken vormt.14.De donder verheft zijnen lof10, en de engelen doen het vol vrees voor hem. Hij zendt zijne bliksemschichten en treft daarmede wien het hem behaagt, terwijl gij nopens God twist11; want hij is de almachtige,de wijze.15.Hij alleen is waardig te worden aangebeden, en de afgoden, die zij naast hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet hooren; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijne handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kunne bereiken; de smeeking der ongeloovigen is geheel verkeerd.16.Alles wat in den hemel en op aarde is, aanbidt God vrijwillig of gedwongen12, evenals hunne schaduwen des ochtends en des avonds zich voor hem buigen13.17.Zeg: Wie is de Heer van hemel en aarde? Antwoord: God! Zeg: hebt gij daarom onder u zelven beschermers naast hem gekozen, die niet in staat zijn, hetzij te helpen, hetzij zich zelven tegen ongevallen te verdedigen? Zeg: zullen de blinde en de ziende gelijk geschat worden? of zullen duisternis en licht gelijk gesteld zijn? Zullen zij andere goden naast God plaatsen, welke zij geschapen hebben, zoo als God heeft geschapen, zoo dat de beide scheppingen zich in hunne oogen met elkander verwarren? Zeg veeleer: God is de schepper van alle dingen; hij is de eeuwige glorierijke God.18.Hij doet water van den hemel nederdalen, en de vloeden stroomen, overeenkomstig hunne afmetingen; de stroom voert het schuim mede dat op de oppervlakte drijft, en uit de metalen, die de menschen op het vuur smelten, om daaruit versierselen of vaatwerk te vormen, rijst schuim op, dat daaraan gelijk is. Zoo maakt God waarheid en ijdelheid bekend. Maar het schuim wordt weggenomen; en datgene wat den menschen nuttig is, blijft op de aarde. Zoo brengt God gelijkenissen voort. Dengenen die hunnen Heer gehoorzamen, zal de uitnemendste belooning worden toegekend; maar zij die hem niet gehoorzamen, al bezaten zij alles wat op de geheele aarde is, en nog meer, zij zullen dit alles te vergeefsals losgeld geven. Hunne rekening zal verschrikkelijk zijn, en de hel hunne woning. Welk een vreeselijk rustbed zal dat wezen!19.Zal dus hij, die weet wat hem van zijnen Heer werd nedergezonden waarheid is, gelijkelijk worden beloond als hij die blind is? Alleen de voorzichtigen zullen nadenken.20.Zij die getrouwelijk de verbintenissen vervullen, met God aangegaan, en zijn verbond niet verbreken.21.Die verbinden wat God heeft bevolen te verbinden14en die God vreezen en eene slechte rekening duchten.22.Zij, die door de begeerte om Gods aangezicht te zien, volhardend in tegenspoed zijn; die het geheel met nauwgezetheid volvoeren, die in het geheim of in het openbaar van de bezittingen geven, welke wij hun hebben toegekend, en die hunne zonden door hunne goede werken uitwisschen; hun zal het paradijs tot belooning strekken.23.De tuinen van eeuwig verblijf15, waar wij zullen binnen treden, evenals ieder die onder hunne vaderen, hunne vrouwen en hunne nakomelingschap rechtvaardig zal hebben gehandeld en de engelen zullen door elke poort tot hen binnengaan zeggende:24.Vrede zij met u! omdat gij volhard hebt met geduld. Welk eene uitnemende belooning is het paradijs!25.Maar zij die het verbond van God schenden, nadat dit werd ingesteld, en die afscheiden wat God heeft bevolen te vereenigen, en snood op aarde handelen, over hen zal een vloek komen, en zij zullen eene ellendige woning in de hel hebben.26.God geeft zijne weldaden in overvloed aan dengeen welke hem behaagt, en beperkt, die naar zijn welbehagen. De bewoners vanMekkaverheugen zich in het tegenwoordige leven, hoewel dit leven, in vergelijking met het volgende, slechts een tijdelijk voordeel is.27.De ongeloovigen zeggen: zoo lang hem geen teeken van zijn Heer wordt nedergezonden, zullen wij niet gelooven. Antwoord: Waarlijk, God zal in dwaling brengen wien het hem behaagt, en zal dengeen tot zich voeren, die berouw toont.28.Zij die gelooven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der menschen niet zeker in de herdenking van God? Zij die gelooven en doen wat recht is, zullen de gelukzaligheid genieten en eene gelukkige opstanding deelachtig worden.29.Zoo hebben wij u tot een volk gezonden, dat door andere volkeren werd voorafgegaan, tot welke eveneens profeten werden gezonden; opdat gij hun zoudt mededeelen wat wij u hebben geopenbaard, daar zij niet gelooven in den barmhartigen God. Zeg hun: Hij is mijn Heer; er is geen God buiten hem, en hem vertrouw ik, en tot hem moet ik terugkeeren.30.Indien een Koran werd geopenbaard, waardoor bergenzouden worden bewogen, of de aarde gespleten, of de dooden tot spreken gebracht16het ware ijdel. Maar alles behoort aan God. Weten de geloovigen dan niet, dat, indien het Gode behaagde, alle menschen door hem geleid zouden worden.31.De tegenspoed zal niet ophouden de ongeloovigen te bedroeven, om hetgeen zij hebben bedreven, of zich nabij hunne woningen neder te zetten17, tot dat Gods belofte kome18; want God is niet in tegenspraak met zijne belofte.32.Ook voor u waren mijne gezanten voorwerpen van spotternij, en ik heb de ongeloovigen toegestaan, een lang en gelukkig leven te genieten; maar daarna strafte ik hen, en hoe gestreng was de straf die ik hun oplegde.33.Wie is het dus die boven elke ziel is geplaatst, om waar te nemen wat zij doet? Zij plaatsen anderen naast God. Zeg: Noemt hen: zoudt gij God willen leeren wat hen tot nu onbekend op aarde was? Of zijn uwe goden slechts ijdele namen19? Maar de bedriegelijke handelwijze der ongeloovigen was hun voorbereid, en zij zijn van den rechten weg afgeleid; want hij dien God zal doen dwalen zal geen leider hebben.34.Zij zullen straf in dit leven ondergaan; maar de straf van het volgende leven zal strenger wezen, en er zal niemand zijn om hen tegen God te ondersteunen.35.Dit is de beschrijving van het paradijs dat aan den vrome is toegezegd. Het wordt door rivieren besproeid, en zijn voedsel is eeuwig, evenals zijn lommer: dit zal de belooning zijn van hen die Godvreezen. Maar de vergelding der ongeloovigen zal het hellevuur zijn.36.Zij, aan wie wij de schriften hebben gegeven, verheugen zich in hetgeen hun werd geopenbaard20. Maar er zijn sommigen der verbonden Arabieren, die een gedeelte daarvan loochenen21. Zeg hun: Waarlijk mij werd bevolen, God alleen te aanbidden en niemand naast hem te plaatsen; hem roep ik aan, en tot hem zal ik terugkeeren.37.Met dat doel hebben wij den Koran nedergezonden: een wetboek in de Arabische taal. En waarlijk indien gij uwe begeerten volgt, na de kennis die u werd geschonken, zal er niemand zijn om u tegen God te beschermen of te ondersteunen.38.Wij zonden u vroeger profeten, en wij gaven hun vrouwen en kinderen22, en geen profeet had de macht met een teeken te komen dan door Gods verlof. Elke eeuw had zijne openbaring.39.God zal afschaffen en bevestigen naar zijn welbehagen. Bij hem berust het oorspronkelijke van het boek23.40.Hetzij wij u een deel der straf doen zien, waarmede wij hen hebben bedreigd, hetzij wij hen doen sterven, alvorens hun die werd opgelegd, waarlijk, uwe zending is te prediken; maar ons behoort het, eene ernstige rekening te vragen.41.Zien zij niet, dat wij in hun land komen en dat wij de grenzen daarvan vernauwen, door de overwinning der ware geloovigen? Als God oordeelt, kan niemand zijn oordeel omverwerpen, en hij zal snel zijn in het opmaken der rekening.42.Hunne voorgangers dachten vroeger sluwe aanslagen tegen hunne profeten uit; maar God is meester van iedere geslepen list. Hij weet wat iedere ziel verdient, en de ongeloovigen zullen zekerlijk eens weten wie met het paradijs zal worden beloond.43.De ongeloovigenzullen zeggen: Gij zijt niet door God gezonden. Antwoord: God en hij die de schriften begrijpt, zijn mij voldoende getuigen tusschen mij en u.
1Dit woord komt hieronder invers 4voor.2Of, volgens sommige afschriften, teMedina.3De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.4Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Savaryvertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.5Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz.(Al Beidâwi).6Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)7De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (VideChardinVoyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (ZieHoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beidâwi).8Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.9Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.10Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord “donder” de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard.AmerEbn Al TofailenAbrad Ebn Rabiah, de broeder vanLabidgingen totMahometom hem te dooden:Amerbegon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijlAbradeen omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waaropAbradonmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijlAmermet een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beidâwi,VideGolii,note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.)Jallalo’ddindeelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelkMahometiemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.12De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.13Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.14Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).15Eigenlijk de tuinen vanEden. (Ziehoofdst. IX, vers 73en de noot).16Dit zijn mirakelen, welke de Koreïshieten vanMahometeischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran òf de bergen vanMekkazou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, òf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naarSyriëover te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier:of de aarde gespletenvertaald zouden moeten luiden:of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hijKozai Ebn Kelaben andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.17Sommigen veronderstellen, dat deze woorden totMahometwerden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald:Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners vanMekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditieAl Hodeibiya(Al Beidâwi).18Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdatMekkaworde ingenomen (Al Beidâwi).19Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beidâwi).20Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (ZieHoofdstuk III, vers 198).21Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, omMahometweerstand te bieden, zooalsCaab Ebn al Ashrafen de Joden, die hem volgden, benevensAl Seyid al Najrani,al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).22Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke menMahometdeed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo’ddin,Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (ZieMaimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)23Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.
1Dit woord komt hieronder invers 4voor.
2Of, volgens sommige afschriften, teMedina.
3De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.
4Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).Savaryvertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.
5Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz.(Al Beidâwi).
6Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)
7De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (VideChardinVoyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (ZieHoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beidâwi).
8Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.
9Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.
10Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord “donder” de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
11Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard.AmerEbn Al TofailenAbrad Ebn Rabiah, de broeder vanLabidgingen totMahometom hem te dooden:Amerbegon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijlAbradeen omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waaropAbradonmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijlAmermet een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beidâwi,VideGolii,note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.)Jallalo’ddindeelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelkMahometiemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.
12De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.
13Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.
14Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Yahya).
15Eigenlijk de tuinen vanEden. (Ziehoofdst. IX, vers 73en de noot).
16Dit zijn mirakelen, welke de Koreïshieten vanMahometeischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran òf de bergen vanMekkazou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, òf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naarSyriëover te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier:of de aarde gespletenvertaald zouden moeten luiden:of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hijKozai Ebn Kelaben andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.
17Sommigen veronderstellen, dat deze woorden totMahometwerden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald:Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners vanMekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditieAl Hodeibiya(Al Beidâwi).
18Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdatMekkaworde ingenomen (Al Beidâwi).
19Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beidâwi).
20Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (ZieHoofdstuk III, vers 198).
21Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, omMahometweerstand te bieden, zooalsCaab Ebn al Ashrafen de Joden, die hem volgden, benevensAl Seyid al Najrani,al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).
22Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke menMahometdeed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo’ddin,Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (ZieMaimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)
23Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.
Veertiende Hoofdstuk.Abraham1.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg.2.Hij is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht hen.3.Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid verwijderd is.4.Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren2, want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze.5.Wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God3; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.6.En herinner u toenMozestot zijn volk zeide: Herdenk de gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk vanPharaobevrijdde: deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven4. Dit was een harde proef vanuwen Heer.7.En toen uw Heer door den mond vanMozeseene verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn.8.En indien gij ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en lofwaardig.9.Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers, niet gehoord? namelijk van het volk vanNoach, en vanAden vanThamoed5en van degenen die hen opvolgden.10.Wier getal niemand kent, behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen; maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging, en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst waartoe gij ons uitnoodigt.11.Hunne gezanten antwoordden: Bestaat er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden zou kunnen vergeven6en uwe straf kunnen verschuiven, door u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik.12.Zij antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden; breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid spreekt.13.Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een wonderdadig bewijs voor onze zending te geven.14.Tenzij met het verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen.15.En waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die trachten, het ergens in te plaatsen.16.En zij die niet geloofden, zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen verdelgen.17.En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen.18.En zij vroegen ondersteuning van God7, enieder hoovaardig en oproerig mensch werd vernietigd.19.De hel ligt onzichtbaar voor hem en hij zal vuil water8te drinken ontvangen.20.Hij zal het met kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die niet in hunnen Heer gelooven.21.Hunne werken zijn gelijk aan asch, die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de waarheid is verwijderd.22.Ziet gij niet dat God de hemelen en de aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.23.Dit is gemakkelijk voor zijne macht.24.En zij zullen allen op den jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken, die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen9: Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een deel der goddelijke wraak van ons afwenden?25.Zij zullen antwoorden: Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk geleid hebben10. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij bezitten geen weg om daaraan te ontkomen.26.En satan zal zeggen, nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u; ik had echter de macht niet om u te dwingen.27.Maar ik riep u slechts en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u zelven11. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen gij mij naastGod hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke12. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid.28.Maar zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij zullen begroet worden met het woord Vrede13.29.Weet gij niet waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot den hemel.30.Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen, opdat zij onderricht zouden mogen worden.31.En de gelijkenis van een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd en geene vastheid bezit14.32.God zal degenen, die gelooven, door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als in het toekomstige, bevestigen15; maar God zal den booze in dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt.33.Hebt gij hen niet opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd16, en hun volk in het huis des verderfs hebbendoen afdalen; namelijk is de hel.34.Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat zal een ongelukkigen woning zijn.35.Zij richten ook afgodsbeelden op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn.36.Zeg tot mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal bestaan.37.God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt17hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen, terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de mensch is onrechtvaardig en ondankbaar.38.Gedenk, toenAbrahamzeide: O Heer! maak dit land18tot eene plaats van volkomen veiligheid, en dat ik en mijne kinderen19het aanbidden van afgodsbeelden mogen vermijden.39.Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn20.40.O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen21in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn.Vergun dus dat de harten van sommige menschen22gunstig voor hen gestemd worden, en schenk hun alle soorten van vruchten23, opdat zij dankbaar zouden mogen zijn.41.Heer! gij weet alles wat wij verbergen, en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jarenIsmaëlenIzaakheeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige beden.42.O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een gedeelte mijner nakomelingschap24. O Heer! en verhoor mijne bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders25en den geloovigen op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt.43.Denk niet, o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op den hemel zullen worden gevestigd.44.Zij zullen zich haasten vooruit te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd, en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd.45.Waarop zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip.46.En wij zullen uwe oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt veranderen26?47.Thans woont gij in de verblijven vanhen, die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld27, en het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld28, en wij stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen, al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden bewogen.48.Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is machtig en in staat te wreken.49.De dag zal komen waarop de aarde in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden veranderd29; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen.50.Dan zult gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen zijn.51.Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen.52.Dit is eene voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts één God is, en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.1Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.2Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beidâwi).3Letterlijk:de dagenvan God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met:de veldslagenvan God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianengiornataen de Franschenjournée), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiën in hare oorlogen (Al Beidâwi).4ZieHoofdstuk VII, vers 124, enz.5Zie hetzelfde Hoofdstukvers 63, enz.6Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beidâwi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.7De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren,die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners vanMekkaslaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beidâwi.)8Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.9Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.10Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.11Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.12Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden:Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerdeAdamop Gods bevel te aanbidden (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk X, vers 10.14De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Jallalo’ddinveronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.16Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners vanMekkadeed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending vanMahometvereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij teBedrondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen doorhun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beidâwi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet teMekkazijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers teMedinawerden geopenbaard.17Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord isSakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (ZieHoofdstuk II, vers 159, in de noot).18Zijnde het grondgebied vanMekka.19Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen vanIsmaël. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beidâwi).20Dat is: door hen tot berouw te brengen.Jallalo’ddinveronderstelt echter, dat deze woorden doorAbrahamwerden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.21ZijndeIsmaëlen diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen datHagar, zijne moeder, aanSarahtoebehoorende, die haar aanAbrahamgaf, en datSarah, nadatHagarhemIsmaëlhad gebaard, zóó ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied vanMekka, waar God de bron vanZemzemterhunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beidâwi).22Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naarMekkaafgelegd hebben (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daarMekkazóó overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.25Abrahamrichtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (ZieHoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige:en mijn vader. Anderen beweren, datAbrahamonder zijne ouders hier,AdamenEvaverstaat (Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.)26Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya.)27Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.28Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.29Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya).
Veertiende Hoofdstuk.Abraham1.Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
Geopenbaard teMekka.—52 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg.2.Hij is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht hen.3.Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid verwijderd is.4.Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren2, want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze.5.Wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God3; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.6.En herinner u toenMozestot zijn volk zeide: Herdenk de gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk vanPharaobevrijdde: deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven4. Dit was een harde proef vanuwen Heer.7.En toen uw Heer door den mond vanMozeseene verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn.8.En indien gij ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en lofwaardig.9.Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers, niet gehoord? namelijk van het volk vanNoach, en vanAden vanThamoed5en van degenen die hen opvolgden.10.Wier getal niemand kent, behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen; maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging, en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst waartoe gij ons uitnoodigt.11.Hunne gezanten antwoordden: Bestaat er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden zou kunnen vergeven6en uwe straf kunnen verschuiven, door u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik.12.Zij antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden; breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid spreekt.13.Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een wonderdadig bewijs voor onze zending te geven.14.Tenzij met het verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen.15.En waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die trachten, het ergens in te plaatsen.16.En zij die niet geloofden, zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen verdelgen.17.En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen.18.En zij vroegen ondersteuning van God7, enieder hoovaardig en oproerig mensch werd vernietigd.19.De hel ligt onzichtbaar voor hem en hij zal vuil water8te drinken ontvangen.20.Hij zal het met kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die niet in hunnen Heer gelooven.21.Hunne werken zijn gelijk aan asch, die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de waarheid is verwijderd.22.Ziet gij niet dat God de hemelen en de aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.23.Dit is gemakkelijk voor zijne macht.24.En zij zullen allen op den jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken, die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen9: Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een deel der goddelijke wraak van ons afwenden?25.Zij zullen antwoorden: Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk geleid hebben10. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij bezitten geen weg om daaraan te ontkomen.26.En satan zal zeggen, nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u; ik had echter de macht niet om u te dwingen.27.Maar ik riep u slechts en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u zelven11. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen gij mij naastGod hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke12. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid.28.Maar zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij zullen begroet worden met het woord Vrede13.29.Weet gij niet waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot den hemel.30.Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen, opdat zij onderricht zouden mogen worden.31.En de gelijkenis van een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd en geene vastheid bezit14.32.God zal degenen, die gelooven, door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als in het toekomstige, bevestigen15; maar God zal den booze in dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt.33.Hebt gij hen niet opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd16, en hun volk in het huis des verderfs hebbendoen afdalen; namelijk is de hel.34.Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat zal een ongelukkigen woning zijn.35.Zij richten ook afgodsbeelden op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn.36.Zeg tot mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal bestaan.37.God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt17hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen, terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de mensch is onrechtvaardig en ondankbaar.38.Gedenk, toenAbrahamzeide: O Heer! maak dit land18tot eene plaats van volkomen veiligheid, en dat ik en mijne kinderen19het aanbidden van afgodsbeelden mogen vermijden.39.Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn20.40.O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen21in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn.Vergun dus dat de harten van sommige menschen22gunstig voor hen gestemd worden, en schenk hun alle soorten van vruchten23, opdat zij dankbaar zouden mogen zijn.41.Heer! gij weet alles wat wij verbergen, en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jarenIsmaëlenIzaakheeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige beden.42.O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een gedeelte mijner nakomelingschap24. O Heer! en verhoor mijne bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders25en den geloovigen op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt.43.Denk niet, o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op den hemel zullen worden gevestigd.44.Zij zullen zich haasten vooruit te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd, en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd.45.Waarop zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip.46.En wij zullen uwe oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt veranderen26?47.Thans woont gij in de verblijven vanhen, die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld27, en het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld28, en wij stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen, al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden bewogen.48.Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is machtig en in staat te wreken.49.De dag zal komen waarop de aarde in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden veranderd29; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen.50.Dan zult gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen zijn.51.Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen.52.Dit is eene voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts één God is, en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.E. L. R. Dit boek hebben wij u nedergezonden, opdat gij de menschen van de duisternis tot het licht zoudt voeren, en met het verlof van hunnen Heer, op den glorierijken en prijzenswaardigen weg.2.Hij is God, wien alles toebehoort wat in den hemel en op de aarde is, en wee over de ongeloovigen; want eene gestrenge straf wacht hen.3.Die het tegenwoordige leven boven het toekomstige beminnen en de menschen afvoeren van Gods weg, en dien kronkelig trachten te maken, deze verkeeren in eene dwaling, die ver van de waarheid verwijderd is.4.Wij hebben geen apostel gezonden dan met de taal van zijn volk, opdat hij hun hunnen plicht duidelijk zou kunnen verklaren2, want God doet dwalen naar zijn welbehagen en leidt dengeen die hem behaagt; en hij is de machtige, de wijze.5.Wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en gaven hem bevelen, zeggende: Leid uw volk uit de duisternis tot het licht, en herinner hun de gunsten van God3; waarlijk, daarin zijn teekens voor ieder lijdzaam en dankbaar mensch.6.En herinner u toenMozestot zijn volk zeide: Herdenk de gunst van God omtrent u, toen hij u van het juk vanPharaobevrijdde: deze verdrukte u vreeselijk; en zij doodden uwe mannelijke kinderen en lieten uwe vrouwelijke kinderen leven4. Dit was een harde proef vanuwen Heer.7.En toen uw Heer door den mond vanMozeseene verklaring aflegde, zeide hij: Waarlijk, ik wil mijne weldaden omtrent u vermeerderen, indien gij dankbaar zijt; maar indien gij ondankbaar zijt, waarlijk, dan zal mijne straf gestreng zijn.8.En indien gij ongeloovig zijt, en de geheele aarde met u, dan nog is God rijk en lofwaardig.9.Hebt gij de geschiedenis der volkeren, uwe voorgangers, niet gehoord? namelijk van het volk vanNoach, en vanAden vanThamoed5en van degenen die hen opvolgden.10.Wier getal niemand kent, behalve God? Hunne gezanten kwamen tot hem met duidelijke wonderen; maar zij brachten hunne handen aan hunne monden uit verontwaardiging, en zeiden: Wij gelooven de boodschap niet, waarmede gij voorgeeft belast te zijn, en wij verkeeren in twijfel nopens den godsdienst waartoe gij ons uitnoodigt.11.Hunne gezanten antwoordden: Bestaat er eenige twijfel nopens God, den schepper van hemel en aarde? Hij noodigt u niet tot het ware geloof, opdat hij een deel uwer zonden zou kunnen vergeven6en uwe straf kunnen verschuiven, door u tijd tot berouw te geven, tot een bepaalden oogenblik.12.Zij antwoordden: Gij zijt slechts een mensch, gelijk wij; gij tracht ons van de goden af te leiden, die door onze vaderen werden aangebeden; breng ons dus door een wonder een duidelijk bewijs, dat gij de waarheid spreekt.13.Hunne gezanten antwoordden hun: Wij zijn niets anders dan menschen gelijk gij, maar God is goedertieren voor diegenen zijner dienaren, welke hem behagen; en het ligt niet in onze macht, u een wonderdadig bewijs voor onze zending te geven.14.Tenzij met het verlof van God; laat dus de godvruchtige op God vertrouwen.15.En waarom zouden wij God niet vertrouwen, die ons op onze wegen heeft geleid? Daarom zullen wij met geduld het kwaad verdragen, waarmede hij ons bezoekt, en laat degenen hun vertrouwen in God stellen, die trachten, het ergens in te plaatsen.16.En zij die niet geloofden, zeiden tot hunnen gezanten: wij zullen u zekerlijk uit ons land verdrijven, of gij zult tot onzen godsdienst terugkeeren. En hun Heer sprak tot hen door openbaring, zeggende: Waarlijk, wij zullen de boozen verdelgen.17.En wij zullen u na hen op aarde doen wonen. Dit is de belooning van hen, die mij en mijne bedreigingen vreezen.18.En zij vroegen ondersteuning van God7, enieder hoovaardig en oproerig mensch werd vernietigd.19.De hel ligt onzichtbaar voor hem en hij zal vuil water8te drinken ontvangen.20.Hij zal het met kleine teugen afslokken, en hij zal het niet licht door zijne keel kunnen doen gaan, door de walgelijkheid; de dood zal hem van alle kanten aanstaren, maar hij zal niet sterven, en voor hem zal eene grievende pijniging gereed zijn. Dit is de gelijkenis van hen die niet in hunnen Heer gelooven.21.Hunne werken zijn gelijk aan asch, die door den wind op een stormachtigen dag wordt voortgedreven; zij zullen niet in staat zijn, een blijvend voordeel te verkrijgen van hetgeen zij hebben bedreven. Dit is eene dwaling, die zeer ver van de waarheid is verwijderd.22.Ziet gij niet dat God de hemelen en de aarde met wijsheid heeft geschapen? Indien het hem behaagt, kan hij verdelgen en een nieuw schepsel in uwe plaats voortbrengen.23.Dit is gemakkelijk voor zijne macht.24.En zij zullen allen op den jongsten dag in Gods tegenwoordigheid worden gebracht; en de zwakken, die zich onder hen bevinden, zullen tot de sterken zeggen9: Waarlijk, wij hebben u op de aarde opgevolgd; wilt gij dus niet een deel der goddelijke wraak van ons afwenden?25.Zij zullen antwoorden: Indien God ons op den rechten weg had geleid, zouden wij u zekerlijk geleid hebben10. Het is ons onverschillig, of wij onze plagen met ongeduld dragen, of dat wij die met geduld verduren, want wij bezitten geen weg om daaraan te ontkomen.26.En satan zal zeggen, nadat het oordeel zal zijn uitgesproken: Waarlijk, God deed u eene belofte van waarheid; ook ik deed u eene belofte, maar ik bedroog u; ik had echter de macht niet om u te dwingen.27.Maar ik riep u slechts en gij antwoorddet mij: beschuldigt mij dus niet, maar beschuldigt u zelven11. Ik kan u niet helpen en gij kunt mij niet bijstaan. Toen gij mij naastGod hebt geplaatst, achtte ik mij niet als zijns gelijke12. Eene gestrenge straf is den onrechtvaardige bereid.28.Maar zij die geloofd en rechtvaardig gehandeld hebben, zullen binnen geleid worden, in tuinen die door rivieren worden besproeid; eeuwig zullen zij daarin verblijven, door het verlof van hunnen heer, en zij zullen begroet worden met het woord Vrede13.29.Weet gij niet waarbij God een goed woord vergelijkt? Het is een goede boom; zijne wortels zijn stevig in den grond bevestigd en zijne takken reiken tot den hemel.30.Die boom brengt in ieder jaargetijde door des Heeren wil vruchten voort. God spreekt met de menschen door gelijkenissen, opdat zij onderricht zouden mogen worden.31.En de gelijkenis van een slecht woord is een slechte boom, die uit den grond is gescheurd en geene vastheid bezit14.32.God zal degenen, die gelooven, door het standvastige woord des geloofs, zoowel in dit leven als in het toekomstige, bevestigen15; maar God zal den booze in dwaling brengen; want God doet wat hem behaagt.33.Hebt gij hen niet opgemerkt, die Gods genade in ongetrouwheid hebben veranderd16, en hun volk in het huis des verderfs hebbendoen afdalen; namelijk is de hel.34.Zij zullen daarin geworpen worden om te verbranden, en dat zal een ongelukkigen woning zijn.35.Zij richten ook afgodsbeelden op als Gods gelijken, opdat zij de menschen van zijnen weg zouden afleiden. Zeg hun: Geniet de geneugten van dit leven voor eenigen tijd; maar daarna zal uw verblijf in het hellevuur zijn.36.Zeg tot mijne dienaren die geloofd hebben, dat zij volhardend in het gebed moeten zijn, en dat zij aalmoezen moeten schenken van hetgeen wij hun hebben gegeven, zoowel in het geheim, als in het openbaar; alvorens de dag komt, waarop noch koop noch verkoop, noch vriendschap zal bestaan.37.God is het die de hemelen en de aarde heeft geschapen en het water van den hemel doet nederdalen, door middel van hetwelk hij vruchten voor uw onderhoud voortbrengt; en door zijn bevel noodzaakt17hij de schepen voor uwen dienst op zee te zeilen; ook dwingt hij de rivieren u cijnsbaar te zijn: evenzoo noodzaakt hij de zon en de maan, die hunne loopbanen met ijver afleggen, u te dienen, terwijl hij den dag en den nacht aan uwen dienst heeft onderworpen. Hij geeft u van alles wat gij hem vraagt, en gij zoudt niet in staat zijn de weldaden op te rekenen, die God u heeft geschonken. Waarlijk, de mensch is onrechtvaardig en ondankbaar.38.Gedenk, toenAbrahamzeide: O Heer! maak dit land18tot eene plaats van volkomen veiligheid, en dat ik en mijne kinderen19het aanbidden van afgodsbeelden mogen vermijden.39.Want, o Heer! zij hebben reeds een groot aantal menschen verleid. Wie mij dus volgt, zal tot mij behooren: en omtrent hem die mij niet gehoorzaamt, zult gij genadig en barmhartig zijn20.40.O Heer! ik heb een deel mijner afstammelingen21in eene onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed zouden mogen zijn.Vergun dus dat de harten van sommige menschen22gunstig voor hen gestemd worden, en schenk hun alle soorten van vruchten23, opdat zij dankbaar zouden mogen zijn.41.Heer! gij weet alles wat wij verbergen, en alles wat wij openbaren; want voor God is niets verborgen, tenzij op de aarde of in den hemel. Geloofd zij God, die mij op mijne oude jarenIsmaëlenIzaakheeft gegeven; want mijn Heer verhoort de ootmoedige beden.42.O Heer! vergun dat ik het gebed in acht neme, gelijk een gedeelte mijner nakomelingschap24. O Heer! en verhoor mijne bede. O Heer! vergeef mij en mijnen ouders25en den geloovigen op den dag dat de rekening zal worden opgemaakt.43.Denk niet, o profeet, dat God niet opmerkt wat de goddeloozen doen. Hij stelt slechts hunne straf uit tot den dag, waarop de oogen der menschen op den hemel zullen worden gevestigd.44.Zij zullen zich haasten vooruit te komen, als de stem des engels tot het oordeel zal oproepen; zij zullen hunne hoofden opheffen, maar zij zullen niet in staat zijn hun gezicht af te wenden van het voorwerp, waarop dat zal zijn gevestigd, en hunne harten zullen ledig wezen. Daarom dreig de menschen met den dag, waarop hun de straf zal worden opgelegd.45.Waarop zij, die onrechtvaardig hebben gehandeld, zullen zeggen: O Heer! geef ons uitstel tot een nabij gelegen tijdstip.46.En wij zullen uwe oproeping tot het geloof gehoorzamen en uwe gezanten volgen. Maar men zal hun antwoorden: Zwoert gij niet vroeger, dat gij nimmer zoudt veranderen26?47.Thans woont gij in de verblijven vanhen, die hunne eigene zielen onrechtvaardig hebben behandeld27, en het is u duidelijk, hoe wij met hen hebben gehandeld28, en wij stelden u hunne vernietiging als voorbeelden. Zij gebruiken hunne grootste listen om der waarheid weerstand te bieden; maar hunne list is duidelijk voor God, die in staat is hunne plannen te verijdelen, al waren hunne listen zoo groot, dat de bergen daardoor, konden worden bewogen.48.Denk dus niet, o profeet, dat God zou willen handelen tegen zijne belofte van hulp aan zijne gezanten gedaan; want God is machtig en in staat te wreken.49.De dag zal komen waarop de aarde in eene andere aarde, en de hemelen in andere hemelen zullen worden veranderd29; en de anderen zullen uit hunne graven opstaan, om voor den eenigen, den almachtigen God te verschijnen.50.Dan zult gij de boozen zien, hoe hunne handen en voeten met ketenen beladen zijn.51.Hunne onderkleederen zullen van pek zijn, en het vuur zal hunne aangezichten bedekken, opdat God iedere ziel vergelde volgens zijne werken; want God is snel in zijne rekeningen.52.Dit is eene voldoende vermaning voor de menschen, opdat zij daardoor zouden gewaarschuwd zijn; dat zij zouden weten, dat er slechts één God is, en dat zij die met verstand zijn begaafd, zouden nadenken.
1Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.2Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beidâwi).3Letterlijk:de dagenvan God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met:de veldslagenvan God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianengiornataen de Franschenjournée), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiën in hare oorlogen (Al Beidâwi).4ZieHoofdstuk VII, vers 124, enz.5Zie hetzelfde Hoofdstukvers 63, enz.6Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beidâwi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.7De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren,die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners vanMekkaslaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beidâwi.)8Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.9Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.10Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.11Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.12Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden:Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerdeAdamop Gods bevel te aanbidden (Al Beidâwi).13ZieHoofdstuk X, vers 10.14De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).15Jallalo’ddinveronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.16Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners vanMekkadeed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending vanMahometvereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij teBedrondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen doorhun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beidâwi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet teMekkazijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers teMedinawerden geopenbaard.17Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord isSakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (ZieHoofdstuk II, vers 159, in de noot).18Zijnde het grondgebied vanMekka.19Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen vanIsmaël. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beidâwi).20Dat is: door hen tot berouw te brengen.Jallalo’ddinveronderstelt echter, dat deze woorden doorAbrahamwerden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.21ZijndeIsmaëlen diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen datHagar, zijne moeder, aanSarahtoebehoorende, die haar aanAbrahamgaf, en datSarah, nadatHagarhemIsmaëlhad gebaard, zóó ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied vanMekka, waar God de bron vanZemzemterhunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beidâwi).22Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naarMekkaafgelegd hebben (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daarMekkazóó overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).24Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.25Abrahamrichtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (ZieHoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige:en mijn vader. Anderen beweren, datAbrahamonder zijne ouders hier,AdamenEvaverstaat (Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.)26Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya.)27Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.28Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.29Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya).
1Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.
2Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beidâwi).
3Letterlijk:de dagenvan God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met:de veldslagenvan God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianengiornataen de Franschenjournée), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiën in hare oorlogen (Al Beidâwi).
4ZieHoofdstuk VII, vers 124, enz.
5Zie hetzelfde Hoofdstukvers 63, enz.
6Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beidâwi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.
7De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren,die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners vanMekkaslaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beidâwi.)
8Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.
9Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.
10Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.
11Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.
12Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden:Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerdeAdamop Gods bevel te aanbidden (Al Beidâwi).
13ZieHoofdstuk X, vers 10.
14De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
15Jallalo’ddinveronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.
16Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners vanMekkadeed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending vanMahometvereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij teBedrondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen doorhun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beidâwi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet teMekkazijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers teMedinawerden geopenbaard.
17Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord isSakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (ZieHoofdstuk II, vers 159, in de noot).
18Zijnde het grondgebied vanMekka.
19Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen vanIsmaël. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beidâwi).
20Dat is: door hen tot berouw te brengen.Jallalo’ddinveronderstelt echter, dat deze woorden doorAbrahamwerden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.
21ZijndeIsmaëlen diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen datHagar, zijne moeder, aanSarahtoebehoorende, die haar aanAbrahamgaf, en datSarah, nadatHagarhemIsmaëlhad gebaard, zóó ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied vanMekka, waar God de bron vanZemzemterhunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beidâwi).
22Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naarMekkaafgelegd hebben (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
23Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daarMekkazóó overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
24Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.
25Abrahamrichtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (ZieHoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige:en mijn vader. Anderen beweren, datAbrahamonder zijne ouders hier,AdamenEvaverstaat (Jallalo’ddin,Al Beidâwi, enz.)
26Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya.)
27Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.
28Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.
29Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo’ddin,Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Yahya).