EEblis, verklaring van dat woord,II,32, n.—Of Satan,VII,10;XV,31en volg.XVII,63en volg;XVIII,48;XX,115;XXVI,95;XXXIV,19;XXXVIII,74.—Meening omtrent de Sabbeïsten,XXXIV,19. n.Echtgenooten en moeders,XXXIII,4.Echtscheiding,II,230, n.—IV,24;XXXIII,48;LVIII,4;LXV,1en volg,—zieVerstooting.Edelmoedigheid (De) aanbevolen.II,271.Eden.IX,73;XIII,23;XVIII,30;XXXV,30;LXI,12.—Zie ookParadijs.Edris (Profeet),XXI,85;XIX,56.—Diens verheffing, 58.Eed der vrouwen,LX,12.—Van overspeligen,XXIV,6en volg.Eeden,V,58, n., 91;LXVIII,17,18.Eendracht verlangen,IV,65.Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham,II,124en volg.XLII,11.Eerste hoofdstuk, zieFatihat.Egypte. ZiePharao,Mozes,Toovenaars.Egyptenaren, zieSlagen.Eigen volk bestrijden,IV,92.Einde der menschen,IV,79.Eindpaal,VI,128.Elath, zieAilah.El Djessasa, zieAl Jessasa.Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.El-forkan, eigenlijk de verlossing,II,50, n.Elhadjdj, zieBedevaart.Elias,VI,85.—Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr,XXXVII,123, n.Elisa (De profeet),VI,86;XXXVIII,48.El-Lat, afgod der oude Arabieren,LIII,19en volg.Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet,II,96.Engelen (De),II,28,156,172,206,249;XXI,26en volg.;XXII,74.—Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels,XXXV,1.—Zij dragen Gods troon,LXIX,17.—Zij zijn den menschen tot voorspraak,XL,7;XLII,3.—Vier zullen ook vóór den jongsten dag sterven,XXXIX,68, n.—Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden,III,120;VIII,9.—Zij aanbidden Adam.VII,10;XVIII,48;XX,115;XXXVIII,71.—Zij moeten niet aangebeden worden,III,74.—Zij zullen de afgodendienaars verloochenen,XXXIV,39en volg.—Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden,XVI,59;XVII,42;XXXVII,150;XLIII,18;LIII,28.—XXXV, bl.468, n.—Het aantal hunner vleugels,1, n.—Zij, die zich in orde scharen,XXXVII,1.—Woorden door hen gesproken,166, n.—Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden,XV,8.—Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal),LXXIV,30en volg.—Ieder mensch strekken zij tot wachters,VI,61;XIII,12.—Over den dood,VI,61;VII,35;VIII,52;XVI,30,34,35;XXXII,11;XLVII,29.—Vragen rekenschap van der menschen gedrag,L,16.—Over de straf, zieMalek.—Wederstrevende,XV,28en volg.;XVII,63.—Gods gezanten,XXII,74.—Dood daarvan,LXIX,17, n.—ZieGod.—ZieHaroet,MaroetenMalek.Engel (De) Gabriël, Heilige Geest,XVI,104;LXVI,4;LXXXI,19.—Hij is de vijand der Israëlieten,II,91,92.—Hij is de boodschapper der openbaring,LIII,5,6;—II,91en92.—Diens kennis van Goddelijke openbaring,XXVI,193, n.—Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm,LIII,6, n.Engel in menschenvorm,VI,9.—ZieAl Syil.—ZieMalek.—ZieMichaël.Enoch, zieEdris.Erfdeel van een kinderlooze, zieZusters.Erfenis,VIII,73, n.—De zwakken,LXXXIX,20.Erfenissen,XXXIII,6, n.Erven van land door de kinderen Israëls,VII,133.Erving door een verwijderden bloedverwant,IV,15.—Broeder of zuster van een man of vrouw,IV,15.Esdras,IX,30.—ZieOzaïr.Eten,VII,29, n.—Van vee,V,1.—Van mannetjes of wijfjes der dieren,VI,145.Ethiopië, zieVluchtelingen.Evangelie (Het),III,2,43,58;V,50,70,110;VII,156;IX,112;XLVIII,29;LVII,27.Expeditiën van den profeet,XLVIII,15, n.Ezra, zieOzaïr.FFatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl.69.Fatalismus,III,139;XIII,30;XIV,4;XLII,6.—ZieVoorbeschikking.Firdous, zieParadijs.Fontein, zieCafoer.—ZieTasnim.Formule der scheiding, zieScheiding.Formulier het huldigen van een vorst,V,10.
EEblis, verklaring van dat woord,II,32, n.—Of Satan,VII,10;XV,31en volg.XVII,63en volg;XVIII,48;XX,115;XXVI,95;XXXIV,19;XXXVIII,74.—Meening omtrent de Sabbeïsten,XXXIV,19. n.Echtgenooten en moeders,XXXIII,4.Echtscheiding,II,230, n.—IV,24;XXXIII,48;LVIII,4;LXV,1en volg,—zieVerstooting.Edelmoedigheid (De) aanbevolen.II,271.Eden.IX,73;XIII,23;XVIII,30;XXXV,30;LXI,12.—Zie ookParadijs.Edris (Profeet),XXI,85;XIX,56.—Diens verheffing, 58.Eed der vrouwen,LX,12.—Van overspeligen,XXIV,6en volg.Eeden,V,58, n., 91;LXVIII,17,18.Eendracht verlangen,IV,65.Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham,II,124en volg.XLII,11.Eerste hoofdstuk, zieFatihat.Egypte. ZiePharao,Mozes,Toovenaars.Egyptenaren, zieSlagen.Eigen volk bestrijden,IV,92.Einde der menschen,IV,79.Eindpaal,VI,128.Elath, zieAilah.El Djessasa, zieAl Jessasa.Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.El-forkan, eigenlijk de verlossing,II,50, n.Elhadjdj, zieBedevaart.Elias,VI,85.—Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr,XXXVII,123, n.Elisa (De profeet),VI,86;XXXVIII,48.El-Lat, afgod der oude Arabieren,LIII,19en volg.Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet,II,96.Engelen (De),II,28,156,172,206,249;XXI,26en volg.;XXII,74.—Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels,XXXV,1.—Zij dragen Gods troon,LXIX,17.—Zij zijn den menschen tot voorspraak,XL,7;XLII,3.—Vier zullen ook vóór den jongsten dag sterven,XXXIX,68, n.—Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden,III,120;VIII,9.—Zij aanbidden Adam.VII,10;XVIII,48;XX,115;XXXVIII,71.—Zij moeten niet aangebeden worden,III,74.—Zij zullen de afgodendienaars verloochenen,XXXIV,39en volg.—Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden,XVI,59;XVII,42;XXXVII,150;XLIII,18;LIII,28.—XXXV, bl.468, n.—Het aantal hunner vleugels,1, n.—Zij, die zich in orde scharen,XXXVII,1.—Woorden door hen gesproken,166, n.—Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden,XV,8.—Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal),LXXIV,30en volg.—Ieder mensch strekken zij tot wachters,VI,61;XIII,12.—Over den dood,VI,61;VII,35;VIII,52;XVI,30,34,35;XXXII,11;XLVII,29.—Vragen rekenschap van der menschen gedrag,L,16.—Over de straf, zieMalek.—Wederstrevende,XV,28en volg.;XVII,63.—Gods gezanten,XXII,74.—Dood daarvan,LXIX,17, n.—ZieGod.—ZieHaroet,MaroetenMalek.Engel (De) Gabriël, Heilige Geest,XVI,104;LXVI,4;LXXXI,19.—Hij is de vijand der Israëlieten,II,91,92.—Hij is de boodschapper der openbaring,LIII,5,6;—II,91en92.—Diens kennis van Goddelijke openbaring,XXVI,193, n.—Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm,LIII,6, n.Engel in menschenvorm,VI,9.—ZieAl Syil.—ZieMalek.—ZieMichaël.Enoch, zieEdris.Erfdeel van een kinderlooze, zieZusters.Erfenis,VIII,73, n.—De zwakken,LXXXIX,20.Erfenissen,XXXIII,6, n.Erven van land door de kinderen Israëls,VII,133.Erving door een verwijderden bloedverwant,IV,15.—Broeder of zuster van een man of vrouw,IV,15.Esdras,IX,30.—ZieOzaïr.Eten,VII,29, n.—Van vee,V,1.—Van mannetjes of wijfjes der dieren,VI,145.Ethiopië, zieVluchtelingen.Evangelie (Het),III,2,43,58;V,50,70,110;VII,156;IX,112;XLVIII,29;LVII,27.Expeditiën van den profeet,XLVIII,15, n.Ezra, zieOzaïr.FFatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl.69.Fatalismus,III,139;XIII,30;XIV,4;XLII,6.—ZieVoorbeschikking.Firdous, zieParadijs.Fontein, zieCafoer.—ZieTasnim.Formule der scheiding, zieScheiding.Formulier het huldigen van een vorst,V,10.
EEblis, verklaring van dat woord,II,32, n.—Of Satan,VII,10;XV,31en volg.XVII,63en volg;XVIII,48;XX,115;XXVI,95;XXXIV,19;XXXVIII,74.—Meening omtrent de Sabbeïsten,XXXIV,19. n.Echtgenooten en moeders,XXXIII,4.Echtscheiding,II,230, n.—IV,24;XXXIII,48;LVIII,4;LXV,1en volg,—zieVerstooting.Edelmoedigheid (De) aanbevolen.II,271.Eden.IX,73;XIII,23;XVIII,30;XXXV,30;LXI,12.—Zie ookParadijs.Edris (Profeet),XXI,85;XIX,56.—Diens verheffing, 58.Eed der vrouwen,LX,12.—Van overspeligen,XXIV,6en volg.Eeden,V,58, n., 91;LXVIII,17,18.Eendracht verlangen,IV,65.Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham,II,124en volg.XLII,11.Eerste hoofdstuk, zieFatihat.Egypte. ZiePharao,Mozes,Toovenaars.Egyptenaren, zieSlagen.Eigen volk bestrijden,IV,92.Einde der menschen,IV,79.Eindpaal,VI,128.Elath, zieAilah.El Djessasa, zieAl Jessasa.Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.El-forkan, eigenlijk de verlossing,II,50, n.Elhadjdj, zieBedevaart.Elias,VI,85.—Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr,XXXVII,123, n.Elisa (De profeet),VI,86;XXXVIII,48.El-Lat, afgod der oude Arabieren,LIII,19en volg.Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet,II,96.Engelen (De),II,28,156,172,206,249;XXI,26en volg.;XXII,74.—Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels,XXXV,1.—Zij dragen Gods troon,LXIX,17.—Zij zijn den menschen tot voorspraak,XL,7;XLII,3.—Vier zullen ook vóór den jongsten dag sterven,XXXIX,68, n.—Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden,III,120;VIII,9.—Zij aanbidden Adam.VII,10;XVIII,48;XX,115;XXXVIII,71.—Zij moeten niet aangebeden worden,III,74.—Zij zullen de afgodendienaars verloochenen,XXXIV,39en volg.—Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden,XVI,59;XVII,42;XXXVII,150;XLIII,18;LIII,28.—XXXV, bl.468, n.—Het aantal hunner vleugels,1, n.—Zij, die zich in orde scharen,XXXVII,1.—Woorden door hen gesproken,166, n.—Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden,XV,8.—Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal),LXXIV,30en volg.—Ieder mensch strekken zij tot wachters,VI,61;XIII,12.—Over den dood,VI,61;VII,35;VIII,52;XVI,30,34,35;XXXII,11;XLVII,29.—Vragen rekenschap van der menschen gedrag,L,16.—Over de straf, zieMalek.—Wederstrevende,XV,28en volg.;XVII,63.—Gods gezanten,XXII,74.—Dood daarvan,LXIX,17, n.—ZieGod.—ZieHaroet,MaroetenMalek.Engel (De) Gabriël, Heilige Geest,XVI,104;LXVI,4;LXXXI,19.—Hij is de vijand der Israëlieten,II,91,92.—Hij is de boodschapper der openbaring,LIII,5,6;—II,91en92.—Diens kennis van Goddelijke openbaring,XXVI,193, n.—Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm,LIII,6, n.Engel in menschenvorm,VI,9.—ZieAl Syil.—ZieMalek.—ZieMichaël.Enoch, zieEdris.Erfdeel van een kinderlooze, zieZusters.Erfenis,VIII,73, n.—De zwakken,LXXXIX,20.Erfenissen,XXXIII,6, n.Erven van land door de kinderen Israëls,VII,133.Erving door een verwijderden bloedverwant,IV,15.—Broeder of zuster van een man of vrouw,IV,15.Esdras,IX,30.—ZieOzaïr.Eten,VII,29, n.—Van vee,V,1.—Van mannetjes of wijfjes der dieren,VI,145.Ethiopië, zieVluchtelingen.Evangelie (Het),III,2,43,58;V,50,70,110;VII,156;IX,112;XLVIII,29;LVII,27.Expeditiën van den profeet,XLVIII,15, n.Ezra, zieOzaïr.
E
Eblis, verklaring van dat woord,II,32, n.—Of Satan,VII,10;XV,31en volg.XVII,63en volg;XVIII,48;XX,115;XXVI,95;XXXIV,19;XXXVIII,74.—Meening omtrent de Sabbeïsten,XXXIV,19. n.Echtgenooten en moeders,XXXIII,4.Echtscheiding,II,230, n.—IV,24;XXXIII,48;LVIII,4;LXV,1en volg,—zieVerstooting.Edelmoedigheid (De) aanbevolen.II,271.Eden.IX,73;XIII,23;XVIII,30;XXXV,30;LXI,12.—Zie ookParadijs.Edris (Profeet),XXI,85;XIX,56.—Diens verheffing, 58.Eed der vrouwen,LX,12.—Van overspeligen,XXIV,6en volg.Eeden,V,58, n., 91;LXVIII,17,18.Eendracht verlangen,IV,65.Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham,II,124en volg.XLII,11.Eerste hoofdstuk, zieFatihat.Egypte. ZiePharao,Mozes,Toovenaars.Egyptenaren, zieSlagen.Eigen volk bestrijden,IV,92.Einde der menschen,IV,79.Eindpaal,VI,128.Elath, zieAilah.El Djessasa, zieAl Jessasa.Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.El-forkan, eigenlijk de verlossing,II,50, n.Elhadjdj, zieBedevaart.Elias,VI,85.—Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr,XXXVII,123, n.Elisa (De profeet),VI,86;XXXVIII,48.El-Lat, afgod der oude Arabieren,LIII,19en volg.Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet,II,96.Engelen (De),II,28,156,172,206,249;XXI,26en volg.;XXII,74.—Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels,XXXV,1.—Zij dragen Gods troon,LXIX,17.—Zij zijn den menschen tot voorspraak,XL,7;XLII,3.—Vier zullen ook vóór den jongsten dag sterven,XXXIX,68, n.—Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden,III,120;VIII,9.—Zij aanbidden Adam.VII,10;XVIII,48;XX,115;XXXVIII,71.—Zij moeten niet aangebeden worden,III,74.—Zij zullen de afgodendienaars verloochenen,XXXIV,39en volg.—Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden,XVI,59;XVII,42;XXXVII,150;XLIII,18;LIII,28.—XXXV, bl.468, n.—Het aantal hunner vleugels,1, n.—Zij, die zich in orde scharen,XXXVII,1.—Woorden door hen gesproken,166, n.—Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden,XV,8.—Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal),LXXIV,30en volg.—Ieder mensch strekken zij tot wachters,VI,61;XIII,12.—Over den dood,VI,61;VII,35;VIII,52;XVI,30,34,35;XXXII,11;XLVII,29.—Vragen rekenschap van der menschen gedrag,L,16.—Over de straf, zieMalek.—Wederstrevende,XV,28en volg.;XVII,63.—Gods gezanten,XXII,74.—Dood daarvan,LXIX,17, n.—ZieGod.—ZieHaroet,MaroetenMalek.Engel (De) Gabriël, Heilige Geest,XVI,104;LXVI,4;LXXXI,19.—Hij is de vijand der Israëlieten,II,91,92.—Hij is de boodschapper der openbaring,LIII,5,6;—II,91en92.—Diens kennis van Goddelijke openbaring,XXVI,193, n.—Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm,LIII,6, n.Engel in menschenvorm,VI,9.—ZieAl Syil.—ZieMalek.—ZieMichaël.Enoch, zieEdris.Erfdeel van een kinderlooze, zieZusters.Erfenis,VIII,73, n.—De zwakken,LXXXIX,20.Erfenissen,XXXIII,6, n.Erven van land door de kinderen Israëls,VII,133.Erving door een verwijderden bloedverwant,IV,15.—Broeder of zuster van een man of vrouw,IV,15.Esdras,IX,30.—ZieOzaïr.Eten,VII,29, n.—Van vee,V,1.—Van mannetjes of wijfjes der dieren,VI,145.Ethiopië, zieVluchtelingen.Evangelie (Het),III,2,43,58;V,50,70,110;VII,156;IX,112;XLVIII,29;LVII,27.Expeditiën van den profeet,XLVIII,15, n.Ezra, zieOzaïr.
Eblis, verklaring van dat woord,II,32, n.—Of Satan,VII,10;XV,31en volg.XVII,63en volg;XVIII,48;XX,115;XXVI,95;XXXIV,19;XXXVIII,74.—Meening omtrent de Sabbeïsten,XXXIV,19. n.
Echtgenooten en moeders,XXXIII,4.
Echtscheiding,II,230, n.—IV,24;XXXIII,48;LVIII,4;LXV,1en volg,—zieVerstooting.
Edelmoedigheid (De) aanbevolen.II,271.
Eden.IX,73;XIII,23;XVIII,30;XXXV,30;LXI,12.—Zie ookParadijs.
Edris (Profeet),XXI,85;XIX,56.—Diens verheffing, 58.
Eed der vrouwen,LX,12.—Van overspeligen,XXIV,6en volg.
Eeden,V,58, n., 91;LXVIII,17,18.
Eendracht verlangen,IV,65.
Eenheid (De) van den godsdienst dagteekent van Abraham,II,124en volg.XLII,11.
Eerste hoofdstuk, zieFatihat.
Egypte. ZiePharao,Mozes,Toovenaars.
Egyptenaren, zieSlagen.
Eigen volk bestrijden,IV,92.
Einde der menschen,IV,79.
Eindpaal,VI,128.
Elath, zieAilah.
El Djessasa, zieAl Jessasa.
Elfettah, die alles opent, 34, 25, n.
El-forkan, eigenlijk de verlossing,II,50, n.
Elhadjdj, zieBedevaart.
Elias,VI,85.—Naar veronderstelling der Mahomedanen Al Khedr,XXXVII,123, n.
Elisa (De profeet),VI,86;XXXVIII,48.
El-Lat, afgod der oude Arabieren,LIII,19en volg.
Engelen (De beide) van Babel, Haroet en Maroet,II,96.
Engelen (De),II,28,156,172,206,249;XXI,26en volg.;XXII,74.—Zij zijn Gods boodschappers, en hebben verscheiden paren vleugels,XXXV,1.—Zij dragen Gods troon,LXIX,17.—Zij zijn den menschen tot voorspraak,XL,7;XLII,3.—Vier zullen ook vóór den jongsten dag sterven,XXXIX,68, n.—Zij worden soms der geloovigen ter hulp gezonden,III,120;VIII,9.—Zij aanbidden Adam.VII,10;XVIII,48;XX,115;XXXVIII,71.—Zij moeten niet aangebeden worden,III,74.—Zij zullen de afgodendienaars verloochenen,XXXIV,39en volg.—Zij worden door de afgodendienaars voor Gods dochteren gehouden,XVI,59;XVII,42;XXXVII,150;XLIII,18;LIII,28.—XXXV, bl.468, n.—Het aantal hunner vleugels,1, n.—Zij, die zich in orde scharen,XXXVII,1.—Woorden door hen gesproken,166, n.—Worden slechts bij voegzame gelegenheden nedergezonden,XV,8.—Zij alleen zijn bewaarders der hel (negentien in getal),LXXIV,30en volg.—Ieder mensch strekken zij tot wachters,VI,61;XIII,12.—Over den dood,VI,61;VII,35;VIII,52;XVI,30,34,35;XXXII,11;XLVII,29.—Vragen rekenschap van der menschen gedrag,L,16.—Over de straf, zieMalek.—Wederstrevende,XV,28en volg.;XVII,63.—Gods gezanten,XXII,74.—Dood daarvan,LXIX,17, n.—ZieGod.—ZieHaroet,MaroetenMalek.
Engel (De) Gabriël, Heilige Geest,XVI,104;LXVI,4;LXXXI,19.—Hij is de vijand der Israëlieten,II,91,92.—Hij is de boodschapper der openbaring,LIII,5,6;—II,91en92.—Diens kennis van Goddelijke openbaring,XXVI,193, n.—Verschijnt slechts aan Mahomet in zijn natuurlijken vorm,LIII,6, n.
Engel in menschenvorm,VI,9.—ZieAl Syil.—ZieMalek.—ZieMichaël.
Enoch, zieEdris.
Erfdeel van een kinderlooze, zieZusters.
Erfenis,VIII,73, n.—De zwakken,LXXXIX,20.
Erfenissen,XXXIII,6, n.
Erven van land door de kinderen Israëls,VII,133.
Erving door een verwijderden bloedverwant,IV,15.—Broeder of zuster van een man of vrouw,IV,15.
Esdras,IX,30.—ZieOzaïr.
Eten,VII,29, n.—Van vee,V,1.—Van mannetjes of wijfjes der dieren,VI,145.
Ethiopië, zieVluchtelingen.
Evangelie (Het),III,2,43,58;V,50,70,110;VII,156;IX,112;XLVIII,29;LVII,27.
Expeditiën van den profeet,XLVIII,15, n.
Ezra, zieOzaïr.
FFatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl.69.Fatalismus,III,139;XIII,30;XIV,4;XLII,6.—ZieVoorbeschikking.Firdous, zieParadijs.Fontein, zieCafoer.—ZieTasnim.Formule der scheiding, zieScheiding.Formulier het huldigen van een vorst,V,10.
F
Fatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl.69.Fatalismus,III,139;XIII,30;XIV,4;XLII,6.—ZieVoorbeschikking.Firdous, zieParadijs.Fontein, zieCafoer.—ZieTasnim.Formule der scheiding, zieScheiding.Formulier het huldigen van een vorst,V,10.
Fatihat, of het eerste Hoofdstuk van den Koran, bl.69.
Fatalismus,III,139;XIII,30;XIV,4;XLII,6.—ZieVoorbeschikking.
Firdous, zieParadijs.
Fontein, zieCafoer.—ZieTasnim.
Formule der scheiding, zieScheiding.
Formulier het huldigen van een vorst,V,10.