Een en Twintigste Hoofdstuk.

Een en Twintigste Hoofdstuk.De Profeten1.Geopenbaard teMekka—112 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De tijd nadert, waarop de bewoners vanMekkarekenschap zullen moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van de overdenking daarvan afgewend.2.Er komt geene waarschuwing tot hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard, of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen spot.3.Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende: Is dezeMahometiets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat het niets anders is.4.Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles.5.Maar zij zeggen: De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht; hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden.6.Geene der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien zij een wonder zien?7.Wijzondengeene andere gezanten vóór hen, dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet.8.Wij gaven hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk.9.Maar wij vervullen onze belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden, maar wij verdelgden de zondaren.10.O Koreïshieten! wij hebben u het boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt; zult gij dit niet begrijpen?11.En hoevele steden die goddeloos waren, hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen opstaan?12.En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij ijlings uit die steden.13.En de engelen zeiden spottenderwijze tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden2.14.Zij antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig3.15.En deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid.16.Wij schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet tot onze uitspanning4.17.Indien het ons behaagd had, ons te vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past5, zoo wij hadden besloten dit te doen.18.Maar wij zullen de waarheid tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij aan God toeschrijft.19.Alles wat in den hemel en op aarde bestaat, is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit niet moede.20.Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien zich niet.21.Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemelof op aarde goden behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden6.22.Maar het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den Heer van den troon.23.Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd worden.24.Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden7maar het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan af.25.Wij hebben vóór u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus.26.Zij zeggen; de Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters8. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige dienaren.27.Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken9, en zij voeren zijn bevel uit.28.Hij weet wat vóór hen en wat achter hen is; zij zullen voor niemand tusschen beiden treden.29.Behalve voor wien hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem.30.Die engel die zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden; want zoo vergelden wij den onrechtvaardige.31.Weten de ongeloovigen dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van een gescheiden hebben10, en dat wij door middel van water het leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven?32.En wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen zou bewegen11, en wij maakten breede doorgangen er tusschen, voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden.33.Enwij maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk zijn.34.Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne eigen sfeer.35.Wij hebben het eeuwige leven vóór u aan niemand in dit leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft12?36.Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren.37.Als de ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende: Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld13.38.De mensch is van overhaasting geschapen14. Ik zal u hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die verhaast worden.39.Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt?40.Indien zij die gelooven, niet wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij dien niet verhaasten.41.Maar de dag der wraak zal plotseling over hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen.42.Andere gezanten werden vóór u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de spotters.43.Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking van hunnen Heer.44.Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan.45.Maar wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn?46.Zeg: Ik predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem niet hooren, als gij onder hen predikt.47.Indien de lichtste adem van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig.48.Wij zullen juiste weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal onrechtvaardigworden behandeld; al zij de verdienste of de schuld eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening hebben ingesteld.49.Wij gaven vroeger aanMozesenAäronde wet, zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en een waarschuwing voor de godvruchtigen.50.Die hunnen Heer in het geheim vreezen en het uur des oordeels duchten.51.Ook is dit boek eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden; zult gij die dus loochenen?52.En wij gaven vroeger aanAbrahamzijne leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede hij werd begunstigd.53.Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen15?54.Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen aanbidden.55.Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene duidelijke dwaling verkeerd.56.Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig de waarheid, of spot gij met ons?57.Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen, en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen.58.Ik zweer bij God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend.59.En gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen er gebeurd was16.60.En toen zij teruggekeerd waren en deveroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon.61.En sommigen van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van hen spreken; hij isAbrahamgenaamd.62.Zij zeiden: Brengt hem dus voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge.63.En toen hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij dit aan onze goden gedaan, oAbraham?64.Hij antwoordde: Neen: deze, de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen spreken.65.En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander: Waarlijk, gij zijt de goddeloozen.66.Later keerden zij tot hunne vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat deze niet spreken.67.Abrahamantwoordde: Bidt gij dus naast God aan, wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet?68.Zij zeiden: Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij wel.69.En toenAbrahamop den brandstapel was geworpen, zeiden wij: O vuur! wees koud en beveiligAbraham17.70.En zij trachtten hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven18.71.En wij bevrijdden hem enLotdoor hen in het land te brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend19.72.En wij schonken hemIzaäkenJacobals een buitengewoon geschenk, en wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen.73.Wij maakten hen ook tot voorbeelden van godsvrucht20, opdat zij anderen door ons bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen, en zij dienden ons.74.En aanLotgaven wij wijsheid en kennis, en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef; want daar was een zondig en boos volk21.75.En wij leidden hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch.76.En gedenkNoach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin van eene groote droefheid.77.En wij beschermden hem tegen het volk dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren, weshalve wij hen allen verdronken.78.En herdenkDavidenSalomo, toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed, en wij waren getuigen van hun oordeel.79.En wij dedenSalomo22dit begrijpen. En wij schonken hunbeiden wijsheid en kennis, en wij dwongen de bergen en de vogels, ons metDavidte loven; wij deden dit.80.En wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken23, om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar zijn?81.En aanSalomoonderwierpen wij een sterken wind24, die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden geschonken25; en wij kenden alle dingen.82.Ook onderwierpen wij verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen op te visschen en andere werken voor hem te verrichten26. En wij waakten over dezen.83.En gedenkJob27,toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij zijt de genadigste der genadigen.84.Daarom verhoorden en bevrijdden wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin, en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen die God dienen.85.En gedenkIsmaëlenEdris28enDhu’lkefl29. Zij waren allen geduldige menschen.86.Daarom leidden wij hen in onze genade; want zij waren rechtvaardigen.87.En herdenkDhu’lnun30toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit31: Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een onrechtvaardige.88.Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen.89.En gedenkZacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam.90.Daarom verhoorden wij hem en wij schonken hemYahia(Johannes); en wij stelden zijne vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees aan, en verootmoedigden zich voor ons.91.En gedenk haar die hare maagdelijkheid bewaarde32, en welkewij van onzen geest inbliezen, terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen instelden.92.Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst33, en ik ben uw Heer; dien mij dus.93.Maar de menschen hebben onder elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen allen voor ons verschijnen.94.Wie goede werken zal doen en een waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij zullen die voor hem opteekenen.95.Een onverbreekbare vloek ligt op iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder in de wereld terugkeere.96.TotGogenMagogeen doorgang voor hen zullen hebben geopend34, en zij zullen snel van iederen hoogen berg afdalen35.97.Ende ware belofte zal hare vervulling nabij zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen.98.Waarlijk, o bewoners vanMekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt, zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult derwaarts gaan.99.Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven.100.Op die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren36.101.Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar verwijderd worden.102.Zij zullen niet het minste gedruisch er van hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne zielen begeeren.103.De groote schrik zal hen niet verwarren, en de engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit is de dag die u werd beloofd.104.Op dien dag zullen wij de hemelen oprollen, zoo als de engelAl Sijil37het boek oprolt, waarin de daden vanieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die zekerlijk uitvoeren.105.Wij hebben, na de verkondiging der wet, in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde zullen erven38.106.Waarlijk, in dit boek is een toereikend onderricht bevat voor hen die God aanbidden.107.O Mahomet! wij hebben u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen.108.Zeg: Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij u dus aan hem onderwerpen?109.Maar indien zij aan de belijdenis van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij bedreigd wordt, nabij of verwijderd is.110.Waarlijk, God kent het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat gij in het geheim zegt.111.Ik weet het niet, maar misschien is het uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten.112.Zeg: O Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.1Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden medegedeeld.Zamaksharizegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen, genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten, die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken en hem groeten.2Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari).3Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden inYamanwerd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen vanNebuchadnezarover, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van deze plaats.4Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens van deze wereld verachtende.5Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke woord, hier metvermakenvertaald, op deze plaats eene vrouw of een kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen is gericht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).6Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige tegenstanders.7Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken, niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.8Deze plaats werd met betrekking tot de Khozaïten geopenbaard die de engelen voor de dochters van God hielden.Savaryvertaalt die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De engelen zijn zijne geëerde dienaren.9Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht kennen.10Dat is: Zij waren één samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11ZieHoofdstuk XVI, vers 15.12Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachtenMahomette zien sterven, zooals de overige menschen.13Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.14Als zijnde haastig en onoverlegd. ZieHoofdstuk XVII, vers 12.15ZieHoofdstuk VI, vers 74;Hoofdstuk XIX, vers 43, enHoofdstuk II, vers 260.16Abrahamnam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijversBaalgenoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookHyde,de Rel. vet. Persc. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is doorMahometaan de Israëlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen datAbrahamdit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. ToenTerachterugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen doorAbrahamwerd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aanNimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedalin Shalshl. Hakkabe p. 8enMaimonYad hachazaka c.l. de idol).17De uitleggers verhalen dat opNimrodsbevel eene groote ruimte teCuthaingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zijAbrahamen plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engelGabriëlwerd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voorAbrahamhad verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie hetApocryphe Evangelie vanBarnabasHoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de Israëlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweedeCanun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, datAbrahamin het vuur werd geworpen. (ZieHydede Rel. Pers.p. 73). De Israëlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraanAbrahamom zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R.Eliez.Pirkec. 26 enz;Maim.More. Nev. lib.III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij doorNimrodwerd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar BavaBathra91. 1) en anderen door zijn vaderTerach(inHagada).18Sommigen zeggen, datNimrodop het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God vanAbrahameen offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beidâwi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorigongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God vanAbrahamte zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zieHoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden.Nimrodalsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegenAbraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeeldeNimrodsonderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat vanNimroden drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. NemrodHydet. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood vanNimrodalsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8stenThomoez, of Juli (Hydeibid. p. 79.)19Zijnde: Palestina.20ZieHoofdstuk II, vers 123.21ZieHoofdstuk VII, vers 78enz. enHoofdstuk XI, vers 83.22Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstondeen twist. Toen de zaak voorDavidenSalomowerd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maarSalomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. EnDavidzelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Volgens eene overlevering zouDavidhet allereerst de maliënkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.24Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelangSalomodat begeerde.25Zijnde:Palestina.26Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.27De Mahomedaansche schrijvers verhalen datJobtot het geslacht vanEzaubehoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter vanEphraïm,Jozefszoon, en door anderenMakhir, de dochter vanManassete zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. NadatJobhet op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond GodGabriël, dieJobbij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontspronger eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadatJober van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde.Jobwerd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfedaenz. Zied’Herbel.Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aanJobna zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo’ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur vanJobsmartelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, eenanderedrie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.28ZieHoofdstuk XIX, vers 52en 57.29Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat hetElias,JesaiaofZachariaswas. (Al Beidâwi). Een ander veronderstelt dat het de zoon vanJobwas en dat deze inSyriëwoonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrentDhu’lkeflgeweest (Abulfeda).30Dit is de bijnaam vanJonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (ZieHoofdstuk X, vers 68.)31Zijnde uit den buik van den visch.32Zijnde de maagd Maria.33Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.34Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.35Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats vanhadabinzijnde een verheven gedeelte der aarde,jadathinhetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet opGogenMagogmaar op de menschen in het algemeen worden toegepast.36Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.37Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een vanMahometsschrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woordsijilofsidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig:zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beidâwi Jallalo’ddinenz).38Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.

Een en Twintigste Hoofdstuk.De Profeten1.Geopenbaard teMekka—112 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De tijd nadert, waarop de bewoners vanMekkarekenschap zullen moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van de overdenking daarvan afgewend.2.Er komt geene waarschuwing tot hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard, of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen spot.3.Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende: Is dezeMahometiets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat het niets anders is.4.Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles.5.Maar zij zeggen: De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht; hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden.6.Geene der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien zij een wonder zien?7.Wijzondengeene andere gezanten vóór hen, dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet.8.Wij gaven hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk.9.Maar wij vervullen onze belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden, maar wij verdelgden de zondaren.10.O Koreïshieten! wij hebben u het boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt; zult gij dit niet begrijpen?11.En hoevele steden die goddeloos waren, hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen opstaan?12.En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij ijlings uit die steden.13.En de engelen zeiden spottenderwijze tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden2.14.Zij antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig3.15.En deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid.16.Wij schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet tot onze uitspanning4.17.Indien het ons behaagd had, ons te vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past5, zoo wij hadden besloten dit te doen.18.Maar wij zullen de waarheid tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij aan God toeschrijft.19.Alles wat in den hemel en op aarde bestaat, is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit niet moede.20.Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien zich niet.21.Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemelof op aarde goden behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden6.22.Maar het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den Heer van den troon.23.Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd worden.24.Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden7maar het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan af.25.Wij hebben vóór u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus.26.Zij zeggen; de Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters8. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige dienaren.27.Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken9, en zij voeren zijn bevel uit.28.Hij weet wat vóór hen en wat achter hen is; zij zullen voor niemand tusschen beiden treden.29.Behalve voor wien hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem.30.Die engel die zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden; want zoo vergelden wij den onrechtvaardige.31.Weten de ongeloovigen dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van een gescheiden hebben10, en dat wij door middel van water het leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven?32.En wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen zou bewegen11, en wij maakten breede doorgangen er tusschen, voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden.33.Enwij maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk zijn.34.Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne eigen sfeer.35.Wij hebben het eeuwige leven vóór u aan niemand in dit leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft12?36.Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren.37.Als de ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende: Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld13.38.De mensch is van overhaasting geschapen14. Ik zal u hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die verhaast worden.39.Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt?40.Indien zij die gelooven, niet wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij dien niet verhaasten.41.Maar de dag der wraak zal plotseling over hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen.42.Andere gezanten werden vóór u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de spotters.43.Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking van hunnen Heer.44.Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan.45.Maar wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn?46.Zeg: Ik predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem niet hooren, als gij onder hen predikt.47.Indien de lichtste adem van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig.48.Wij zullen juiste weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal onrechtvaardigworden behandeld; al zij de verdienste of de schuld eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening hebben ingesteld.49.Wij gaven vroeger aanMozesenAäronde wet, zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en een waarschuwing voor de godvruchtigen.50.Die hunnen Heer in het geheim vreezen en het uur des oordeels duchten.51.Ook is dit boek eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden; zult gij die dus loochenen?52.En wij gaven vroeger aanAbrahamzijne leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede hij werd begunstigd.53.Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen15?54.Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen aanbidden.55.Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene duidelijke dwaling verkeerd.56.Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig de waarheid, of spot gij met ons?57.Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen, en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen.58.Ik zweer bij God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend.59.En gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen er gebeurd was16.60.En toen zij teruggekeerd waren en deveroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon.61.En sommigen van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van hen spreken; hij isAbrahamgenaamd.62.Zij zeiden: Brengt hem dus voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge.63.En toen hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij dit aan onze goden gedaan, oAbraham?64.Hij antwoordde: Neen: deze, de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen spreken.65.En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander: Waarlijk, gij zijt de goddeloozen.66.Later keerden zij tot hunne vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat deze niet spreken.67.Abrahamantwoordde: Bidt gij dus naast God aan, wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet?68.Zij zeiden: Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij wel.69.En toenAbrahamop den brandstapel was geworpen, zeiden wij: O vuur! wees koud en beveiligAbraham17.70.En zij trachtten hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven18.71.En wij bevrijdden hem enLotdoor hen in het land te brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend19.72.En wij schonken hemIzaäkenJacobals een buitengewoon geschenk, en wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen.73.Wij maakten hen ook tot voorbeelden van godsvrucht20, opdat zij anderen door ons bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen, en zij dienden ons.74.En aanLotgaven wij wijsheid en kennis, en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef; want daar was een zondig en boos volk21.75.En wij leidden hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch.76.En gedenkNoach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin van eene groote droefheid.77.En wij beschermden hem tegen het volk dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren, weshalve wij hen allen verdronken.78.En herdenkDavidenSalomo, toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed, en wij waren getuigen van hun oordeel.79.En wij dedenSalomo22dit begrijpen. En wij schonken hunbeiden wijsheid en kennis, en wij dwongen de bergen en de vogels, ons metDavidte loven; wij deden dit.80.En wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken23, om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar zijn?81.En aanSalomoonderwierpen wij een sterken wind24, die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden geschonken25; en wij kenden alle dingen.82.Ook onderwierpen wij verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen op te visschen en andere werken voor hem te verrichten26. En wij waakten over dezen.83.En gedenkJob27,toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij zijt de genadigste der genadigen.84.Daarom verhoorden en bevrijdden wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin, en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen die God dienen.85.En gedenkIsmaëlenEdris28enDhu’lkefl29. Zij waren allen geduldige menschen.86.Daarom leidden wij hen in onze genade; want zij waren rechtvaardigen.87.En herdenkDhu’lnun30toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit31: Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een onrechtvaardige.88.Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen.89.En gedenkZacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam.90.Daarom verhoorden wij hem en wij schonken hemYahia(Johannes); en wij stelden zijne vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees aan, en verootmoedigden zich voor ons.91.En gedenk haar die hare maagdelijkheid bewaarde32, en welkewij van onzen geest inbliezen, terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen instelden.92.Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst33, en ik ben uw Heer; dien mij dus.93.Maar de menschen hebben onder elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen allen voor ons verschijnen.94.Wie goede werken zal doen en een waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij zullen die voor hem opteekenen.95.Een onverbreekbare vloek ligt op iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder in de wereld terugkeere.96.TotGogenMagogeen doorgang voor hen zullen hebben geopend34, en zij zullen snel van iederen hoogen berg afdalen35.97.Ende ware belofte zal hare vervulling nabij zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen.98.Waarlijk, o bewoners vanMekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt, zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult derwaarts gaan.99.Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven.100.Op die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren36.101.Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar verwijderd worden.102.Zij zullen niet het minste gedruisch er van hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne zielen begeeren.103.De groote schrik zal hen niet verwarren, en de engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit is de dag die u werd beloofd.104.Op dien dag zullen wij de hemelen oprollen, zoo als de engelAl Sijil37het boek oprolt, waarin de daden vanieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die zekerlijk uitvoeren.105.Wij hebben, na de verkondiging der wet, in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde zullen erven38.106.Waarlijk, in dit boek is een toereikend onderricht bevat voor hen die God aanbidden.107.O Mahomet! wij hebben u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen.108.Zeg: Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij u dus aan hem onderwerpen?109.Maar indien zij aan de belijdenis van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij bedreigd wordt, nabij of verwijderd is.110.Waarlijk, God kent het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat gij in het geheim zegt.111.Ik weet het niet, maar misschien is het uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten.112.Zeg: O Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.1Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden medegedeeld.Zamaksharizegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen, genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten, die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken en hem groeten.2Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari).3Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden inYamanwerd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen vanNebuchadnezarover, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van deze plaats.4Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens van deze wereld verachtende.5Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke woord, hier metvermakenvertaald, op deze plaats eene vrouw of een kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen is gericht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).6Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige tegenstanders.7Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken, niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.8Deze plaats werd met betrekking tot de Khozaïten geopenbaard die de engelen voor de dochters van God hielden.Savaryvertaalt die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De engelen zijn zijne geëerde dienaren.9Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht kennen.10Dat is: Zij waren één samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11ZieHoofdstuk XVI, vers 15.12Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachtenMahomette zien sterven, zooals de overige menschen.13Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.14Als zijnde haastig en onoverlegd. ZieHoofdstuk XVII, vers 12.15ZieHoofdstuk VI, vers 74;Hoofdstuk XIX, vers 43, enHoofdstuk II, vers 260.16Abrahamnam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijversBaalgenoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookHyde,de Rel. vet. Persc. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is doorMahometaan de Israëlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen datAbrahamdit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. ToenTerachterugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen doorAbrahamwerd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aanNimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedalin Shalshl. Hakkabe p. 8enMaimonYad hachazaka c.l. de idol).17De uitleggers verhalen dat opNimrodsbevel eene groote ruimte teCuthaingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zijAbrahamen plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engelGabriëlwerd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voorAbrahamhad verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie hetApocryphe Evangelie vanBarnabasHoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de Israëlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweedeCanun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, datAbrahamin het vuur werd geworpen. (ZieHydede Rel. Pers.p. 73). De Israëlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraanAbrahamom zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R.Eliez.Pirkec. 26 enz;Maim.More. Nev. lib.III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij doorNimrodwerd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar BavaBathra91. 1) en anderen door zijn vaderTerach(inHagada).18Sommigen zeggen, datNimrodop het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God vanAbrahameen offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beidâwi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorigongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God vanAbrahamte zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zieHoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden.Nimrodalsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegenAbraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeeldeNimrodsonderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat vanNimroden drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. NemrodHydet. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood vanNimrodalsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8stenThomoez, of Juli (Hydeibid. p. 79.)19Zijnde: Palestina.20ZieHoofdstuk II, vers 123.21ZieHoofdstuk VII, vers 78enz. enHoofdstuk XI, vers 83.22Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstondeen twist. Toen de zaak voorDavidenSalomowerd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maarSalomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. EnDavidzelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Volgens eene overlevering zouDavidhet allereerst de maliënkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.24Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelangSalomodat begeerde.25Zijnde:Palestina.26Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.27De Mahomedaansche schrijvers verhalen datJobtot het geslacht vanEzaubehoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter vanEphraïm,Jozefszoon, en door anderenMakhir, de dochter vanManassete zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. NadatJobhet op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond GodGabriël, dieJobbij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontspronger eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadatJober van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde.Jobwerd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfedaenz. Zied’Herbel.Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aanJobna zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo’ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur vanJobsmartelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, eenanderedrie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.28ZieHoofdstuk XIX, vers 52en 57.29Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat hetElias,JesaiaofZachariaswas. (Al Beidâwi). Een ander veronderstelt dat het de zoon vanJobwas en dat deze inSyriëwoonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrentDhu’lkeflgeweest (Abulfeda).30Dit is de bijnaam vanJonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (ZieHoofdstuk X, vers 68.)31Zijnde uit den buik van den visch.32Zijnde de maagd Maria.33Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.34Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.35Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats vanhadabinzijnde een verheven gedeelte der aarde,jadathinhetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet opGogenMagogmaar op de menschen in het algemeen worden toegepast.36Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.37Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een vanMahometsschrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woordsijilofsidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig:zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beidâwi Jallalo’ddinenz).38Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.

Een en Twintigste Hoofdstuk.De Profeten1.Geopenbaard teMekka—112 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De tijd nadert, waarop de bewoners vanMekkarekenschap zullen moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van de overdenking daarvan afgewend.2.Er komt geene waarschuwing tot hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard, of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen spot.3.Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende: Is dezeMahometiets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat het niets anders is.4.Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles.5.Maar zij zeggen: De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht; hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden.6.Geene der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien zij een wonder zien?7.Wijzondengeene andere gezanten vóór hen, dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet.8.Wij gaven hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk.9.Maar wij vervullen onze belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden, maar wij verdelgden de zondaren.10.O Koreïshieten! wij hebben u het boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt; zult gij dit niet begrijpen?11.En hoevele steden die goddeloos waren, hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen opstaan?12.En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij ijlings uit die steden.13.En de engelen zeiden spottenderwijze tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden2.14.Zij antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig3.15.En deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid.16.Wij schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet tot onze uitspanning4.17.Indien het ons behaagd had, ons te vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past5, zoo wij hadden besloten dit te doen.18.Maar wij zullen de waarheid tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij aan God toeschrijft.19.Alles wat in den hemel en op aarde bestaat, is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit niet moede.20.Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien zich niet.21.Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemelof op aarde goden behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden6.22.Maar het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den Heer van den troon.23.Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd worden.24.Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden7maar het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan af.25.Wij hebben vóór u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus.26.Zij zeggen; de Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters8. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige dienaren.27.Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken9, en zij voeren zijn bevel uit.28.Hij weet wat vóór hen en wat achter hen is; zij zullen voor niemand tusschen beiden treden.29.Behalve voor wien hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem.30.Die engel die zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden; want zoo vergelden wij den onrechtvaardige.31.Weten de ongeloovigen dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van een gescheiden hebben10, en dat wij door middel van water het leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven?32.En wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen zou bewegen11, en wij maakten breede doorgangen er tusschen, voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden.33.Enwij maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk zijn.34.Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne eigen sfeer.35.Wij hebben het eeuwige leven vóór u aan niemand in dit leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft12?36.Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren.37.Als de ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende: Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld13.38.De mensch is van overhaasting geschapen14. Ik zal u hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die verhaast worden.39.Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt?40.Indien zij die gelooven, niet wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij dien niet verhaasten.41.Maar de dag der wraak zal plotseling over hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen.42.Andere gezanten werden vóór u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de spotters.43.Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking van hunnen Heer.44.Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan.45.Maar wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn?46.Zeg: Ik predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem niet hooren, als gij onder hen predikt.47.Indien de lichtste adem van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig.48.Wij zullen juiste weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal onrechtvaardigworden behandeld; al zij de verdienste of de schuld eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening hebben ingesteld.49.Wij gaven vroeger aanMozesenAäronde wet, zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en een waarschuwing voor de godvruchtigen.50.Die hunnen Heer in het geheim vreezen en het uur des oordeels duchten.51.Ook is dit boek eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden; zult gij die dus loochenen?52.En wij gaven vroeger aanAbrahamzijne leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede hij werd begunstigd.53.Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen15?54.Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen aanbidden.55.Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene duidelijke dwaling verkeerd.56.Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig de waarheid, of spot gij met ons?57.Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen, en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen.58.Ik zweer bij God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend.59.En gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen er gebeurd was16.60.En toen zij teruggekeerd waren en deveroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon.61.En sommigen van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van hen spreken; hij isAbrahamgenaamd.62.Zij zeiden: Brengt hem dus voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge.63.En toen hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij dit aan onze goden gedaan, oAbraham?64.Hij antwoordde: Neen: deze, de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen spreken.65.En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander: Waarlijk, gij zijt de goddeloozen.66.Later keerden zij tot hunne vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat deze niet spreken.67.Abrahamantwoordde: Bidt gij dus naast God aan, wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet?68.Zij zeiden: Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij wel.69.En toenAbrahamop den brandstapel was geworpen, zeiden wij: O vuur! wees koud en beveiligAbraham17.70.En zij trachtten hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven18.71.En wij bevrijdden hem enLotdoor hen in het land te brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend19.72.En wij schonken hemIzaäkenJacobals een buitengewoon geschenk, en wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen.73.Wij maakten hen ook tot voorbeelden van godsvrucht20, opdat zij anderen door ons bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen, en zij dienden ons.74.En aanLotgaven wij wijsheid en kennis, en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef; want daar was een zondig en boos volk21.75.En wij leidden hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch.76.En gedenkNoach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin van eene groote droefheid.77.En wij beschermden hem tegen het volk dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren, weshalve wij hen allen verdronken.78.En herdenkDavidenSalomo, toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed, en wij waren getuigen van hun oordeel.79.En wij dedenSalomo22dit begrijpen. En wij schonken hunbeiden wijsheid en kennis, en wij dwongen de bergen en de vogels, ons metDavidte loven; wij deden dit.80.En wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken23, om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar zijn?81.En aanSalomoonderwierpen wij een sterken wind24, die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden geschonken25; en wij kenden alle dingen.82.Ook onderwierpen wij verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen op te visschen en andere werken voor hem te verrichten26. En wij waakten over dezen.83.En gedenkJob27,toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij zijt de genadigste der genadigen.84.Daarom verhoorden en bevrijdden wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin, en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen die God dienen.85.En gedenkIsmaëlenEdris28enDhu’lkefl29. Zij waren allen geduldige menschen.86.Daarom leidden wij hen in onze genade; want zij waren rechtvaardigen.87.En herdenkDhu’lnun30toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit31: Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een onrechtvaardige.88.Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen.89.En gedenkZacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam.90.Daarom verhoorden wij hem en wij schonken hemYahia(Johannes); en wij stelden zijne vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees aan, en verootmoedigden zich voor ons.91.En gedenk haar die hare maagdelijkheid bewaarde32, en welkewij van onzen geest inbliezen, terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen instelden.92.Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst33, en ik ben uw Heer; dien mij dus.93.Maar de menschen hebben onder elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen allen voor ons verschijnen.94.Wie goede werken zal doen en een waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij zullen die voor hem opteekenen.95.Een onverbreekbare vloek ligt op iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder in de wereld terugkeere.96.TotGogenMagogeen doorgang voor hen zullen hebben geopend34, en zij zullen snel van iederen hoogen berg afdalen35.97.Ende ware belofte zal hare vervulling nabij zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen.98.Waarlijk, o bewoners vanMekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt, zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult derwaarts gaan.99.Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven.100.Op die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren36.101.Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar verwijderd worden.102.Zij zullen niet het minste gedruisch er van hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne zielen begeeren.103.De groote schrik zal hen niet verwarren, en de engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit is de dag die u werd beloofd.104.Op dien dag zullen wij de hemelen oprollen, zoo als de engelAl Sijil37het boek oprolt, waarin de daden vanieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die zekerlijk uitvoeren.105.Wij hebben, na de verkondiging der wet, in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde zullen erven38.106.Waarlijk, in dit boek is een toereikend onderricht bevat voor hen die God aanbidden.107.O Mahomet! wij hebben u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen.108.Zeg: Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij u dus aan hem onderwerpen?109.Maar indien zij aan de belijdenis van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij bedreigd wordt, nabij of verwijderd is.110.Waarlijk, God kent het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat gij in het geheim zegt.111.Ik weet het niet, maar misschien is het uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten.112.Zeg: O Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.1Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden medegedeeld.Zamaksharizegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen, genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten, die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken en hem groeten.2Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari).3Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden inYamanwerd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen vanNebuchadnezarover, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van deze plaats.4Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens van deze wereld verachtende.5Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke woord, hier metvermakenvertaald, op deze plaats eene vrouw of een kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen is gericht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).6Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige tegenstanders.7Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken, niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.8Deze plaats werd met betrekking tot de Khozaïten geopenbaard die de engelen voor de dochters van God hielden.Savaryvertaalt die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De engelen zijn zijne geëerde dienaren.9Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht kennen.10Dat is: Zij waren één samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11ZieHoofdstuk XVI, vers 15.12Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachtenMahomette zien sterven, zooals de overige menschen.13Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.14Als zijnde haastig en onoverlegd. ZieHoofdstuk XVII, vers 12.15ZieHoofdstuk VI, vers 74;Hoofdstuk XIX, vers 43, enHoofdstuk II, vers 260.16Abrahamnam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijversBaalgenoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookHyde,de Rel. vet. Persc. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is doorMahometaan de Israëlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen datAbrahamdit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. ToenTerachterugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen doorAbrahamwerd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aanNimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedalin Shalshl. Hakkabe p. 8enMaimonYad hachazaka c.l. de idol).17De uitleggers verhalen dat opNimrodsbevel eene groote ruimte teCuthaingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zijAbrahamen plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engelGabriëlwerd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voorAbrahamhad verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie hetApocryphe Evangelie vanBarnabasHoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de Israëlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweedeCanun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, datAbrahamin het vuur werd geworpen. (ZieHydede Rel. Pers.p. 73). De Israëlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraanAbrahamom zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R.Eliez.Pirkec. 26 enz;Maim.More. Nev. lib.III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij doorNimrodwerd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar BavaBathra91. 1) en anderen door zijn vaderTerach(inHagada).18Sommigen zeggen, datNimrodop het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God vanAbrahameen offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beidâwi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorigongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God vanAbrahamte zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zieHoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden.Nimrodalsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegenAbraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeeldeNimrodsonderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat vanNimroden drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. NemrodHydet. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood vanNimrodalsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8stenThomoez, of Juli (Hydeibid. p. 79.)19Zijnde: Palestina.20ZieHoofdstuk II, vers 123.21ZieHoofdstuk VII, vers 78enz. enHoofdstuk XI, vers 83.22Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstondeen twist. Toen de zaak voorDavidenSalomowerd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maarSalomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. EnDavidzelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Volgens eene overlevering zouDavidhet allereerst de maliënkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.24Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelangSalomodat begeerde.25Zijnde:Palestina.26Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.27De Mahomedaansche schrijvers verhalen datJobtot het geslacht vanEzaubehoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter vanEphraïm,Jozefszoon, en door anderenMakhir, de dochter vanManassete zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. NadatJobhet op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond GodGabriël, dieJobbij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontspronger eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadatJober van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde.Jobwerd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfedaenz. Zied’Herbel.Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aanJobna zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo’ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur vanJobsmartelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, eenanderedrie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.28ZieHoofdstuk XIX, vers 52en 57.29Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat hetElias,JesaiaofZachariaswas. (Al Beidâwi). Een ander veronderstelt dat het de zoon vanJobwas en dat deze inSyriëwoonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrentDhu’lkeflgeweest (Abulfeda).30Dit is de bijnaam vanJonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (ZieHoofdstuk X, vers 68.)31Zijnde uit den buik van den visch.32Zijnde de maagd Maria.33Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.34Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.35Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats vanhadabinzijnde een verheven gedeelte der aarde,jadathinhetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet opGogenMagogmaar op de menschen in het algemeen worden toegepast.36Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.37Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een vanMahometsschrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woordsijilofsidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig:zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beidâwi Jallalo’ddinenz).38Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.

Een en Twintigste Hoofdstuk.De Profeten1.Geopenbaard teMekka—112 verzen.

Geopenbaard teMekka—112 verzen.

Geopenbaard teMekka—112 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.De tijd nadert, waarop de bewoners vanMekkarekenschap zullen moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van de overdenking daarvan afgewend.2.Er komt geene waarschuwing tot hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard, of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen spot.3.Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende: Is dezeMahometiets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat het niets anders is.4.Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles.5.Maar zij zeggen: De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht; hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden.6.Geene der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien zij een wonder zien?7.Wijzondengeene andere gezanten vóór hen, dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet.8.Wij gaven hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk.9.Maar wij vervullen onze belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden, maar wij verdelgden de zondaren.10.O Koreïshieten! wij hebben u het boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt; zult gij dit niet begrijpen?11.En hoevele steden die goddeloos waren, hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen opstaan?12.En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij ijlings uit die steden.13.En de engelen zeiden spottenderwijze tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden2.14.Zij antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig3.15.En deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid.16.Wij schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet tot onze uitspanning4.17.Indien het ons behaagd had, ons te vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past5, zoo wij hadden besloten dit te doen.18.Maar wij zullen de waarheid tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij aan God toeschrijft.19.Alles wat in den hemel en op aarde bestaat, is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit niet moede.20.Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien zich niet.21.Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemelof op aarde goden behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden6.22.Maar het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den Heer van den troon.23.Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd worden.24.Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden7maar het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan af.25.Wij hebben vóór u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus.26.Zij zeggen; de Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters8. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige dienaren.27.Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken9, en zij voeren zijn bevel uit.28.Hij weet wat vóór hen en wat achter hen is; zij zullen voor niemand tusschen beiden treden.29.Behalve voor wien hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem.30.Die engel die zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden; want zoo vergelden wij den onrechtvaardige.31.Weten de ongeloovigen dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van een gescheiden hebben10, en dat wij door middel van water het leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven?32.En wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen zou bewegen11, en wij maakten breede doorgangen er tusschen, voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden.33.Enwij maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk zijn.34.Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne eigen sfeer.35.Wij hebben het eeuwige leven vóór u aan niemand in dit leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft12?36.Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren.37.Als de ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende: Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld13.38.De mensch is van overhaasting geschapen14. Ik zal u hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die verhaast worden.39.Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt?40.Indien zij die gelooven, niet wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij dien niet verhaasten.41.Maar de dag der wraak zal plotseling over hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen.42.Andere gezanten werden vóór u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de spotters.43.Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking van hunnen Heer.44.Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan.45.Maar wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn?46.Zeg: Ik predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem niet hooren, als gij onder hen predikt.47.Indien de lichtste adem van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig.48.Wij zullen juiste weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal onrechtvaardigworden behandeld; al zij de verdienste of de schuld eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening hebben ingesteld.49.Wij gaven vroeger aanMozesenAäronde wet, zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en een waarschuwing voor de godvruchtigen.50.Die hunnen Heer in het geheim vreezen en het uur des oordeels duchten.51.Ook is dit boek eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden; zult gij die dus loochenen?52.En wij gaven vroeger aanAbrahamzijne leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede hij werd begunstigd.53.Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen15?54.Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen aanbidden.55.Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene duidelijke dwaling verkeerd.56.Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig de waarheid, of spot gij met ons?57.Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen, en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen.58.Ik zweer bij God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend.59.En gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen er gebeurd was16.60.En toen zij teruggekeerd waren en deveroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon.61.En sommigen van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van hen spreken; hij isAbrahamgenaamd.62.Zij zeiden: Brengt hem dus voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge.63.En toen hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij dit aan onze goden gedaan, oAbraham?64.Hij antwoordde: Neen: deze, de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen spreken.65.En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander: Waarlijk, gij zijt de goddeloozen.66.Later keerden zij tot hunne vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat deze niet spreken.67.Abrahamantwoordde: Bidt gij dus naast God aan, wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet?68.Zij zeiden: Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij wel.69.En toenAbrahamop den brandstapel was geworpen, zeiden wij: O vuur! wees koud en beveiligAbraham17.70.En zij trachtten hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven18.71.En wij bevrijdden hem enLotdoor hen in het land te brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend19.72.En wij schonken hemIzaäkenJacobals een buitengewoon geschenk, en wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen.73.Wij maakten hen ook tot voorbeelden van godsvrucht20, opdat zij anderen door ons bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen, en zij dienden ons.74.En aanLotgaven wij wijsheid en kennis, en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef; want daar was een zondig en boos volk21.75.En wij leidden hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch.76.En gedenkNoach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin van eene groote droefheid.77.En wij beschermden hem tegen het volk dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren, weshalve wij hen allen verdronken.78.En herdenkDavidenSalomo, toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed, en wij waren getuigen van hun oordeel.79.En wij dedenSalomo22dit begrijpen. En wij schonken hunbeiden wijsheid en kennis, en wij dwongen de bergen en de vogels, ons metDavidte loven; wij deden dit.80.En wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken23, om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar zijn?81.En aanSalomoonderwierpen wij een sterken wind24, die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden geschonken25; en wij kenden alle dingen.82.Ook onderwierpen wij verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen op te visschen en andere werken voor hem te verrichten26. En wij waakten over dezen.83.En gedenkJob27,toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij zijt de genadigste der genadigen.84.Daarom verhoorden en bevrijdden wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin, en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen die God dienen.85.En gedenkIsmaëlenEdris28enDhu’lkefl29. Zij waren allen geduldige menschen.86.Daarom leidden wij hen in onze genade; want zij waren rechtvaardigen.87.En herdenkDhu’lnun30toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit31: Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een onrechtvaardige.88.Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen.89.En gedenkZacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam.90.Daarom verhoorden wij hem en wij schonken hemYahia(Johannes); en wij stelden zijne vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees aan, en verootmoedigden zich voor ons.91.En gedenk haar die hare maagdelijkheid bewaarde32, en welkewij van onzen geest inbliezen, terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen instelden.92.Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst33, en ik ben uw Heer; dien mij dus.93.Maar de menschen hebben onder elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen allen voor ons verschijnen.94.Wie goede werken zal doen en een waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij zullen die voor hem opteekenen.95.Een onverbreekbare vloek ligt op iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder in de wereld terugkeere.96.TotGogenMagogeen doorgang voor hen zullen hebben geopend34, en zij zullen snel van iederen hoogen berg afdalen35.97.Ende ware belofte zal hare vervulling nabij zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen.98.Waarlijk, o bewoners vanMekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt, zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult derwaarts gaan.99.Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven.100.Op die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren36.101.Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar verwijderd worden.102.Zij zullen niet het minste gedruisch er van hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne zielen begeeren.103.De groote schrik zal hen niet verwarren, en de engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit is de dag die u werd beloofd.104.Op dien dag zullen wij de hemelen oprollen, zoo als de engelAl Sijil37het boek oprolt, waarin de daden vanieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die zekerlijk uitvoeren.105.Wij hebben, na de verkondiging der wet, in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde zullen erven38.106.Waarlijk, in dit boek is een toereikend onderricht bevat voor hen die God aanbidden.107.O Mahomet! wij hebben u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen.108.Zeg: Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij u dus aan hem onderwerpen?109.Maar indien zij aan de belijdenis van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij bedreigd wordt, nabij of verwijderd is.110.Waarlijk, God kent het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat gij in het geheim zegt.111.Ik weet het niet, maar misschien is het uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten.112.Zeg: O Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.De tijd nadert, waarop de bewoners vanMekkarekenschap zullen moeten afleggen, en nochtans zijn zij achteloos en hebben zich van de overdenking daarvan afgewend.2.Er komt geene waarschuwing tot hen van hunnen Heer, die hun onlangs in den Koran werd geopenbaard, of als zij die hooren, maken zij haar tot een voorwerp van hunnen spot.3.Hunne harten denken slechts aan vermaken. En zij die onrechtvaardig handelen, spreken heimelijk met elkander, zeggende: Is dezeMahometiets meer dan een mensch gelijk gij? Wilt gij dus naar een tooverij luisteren, terwijl gij duidelijk bemerkt, dat het niets anders is.4.Zeg: Mijn Heer weet wat in den hemel en op aarde wordt gesproken; hij hoort en ziet alles.5.Maar zij zeggen: De Koran is een weefsel van droomen; hij heeft dien uitgedacht; hij is een dichter; laat hem dus met een wonder tot ons komen, op dezelfde wijze als de vroegere profeten werden gezonden.6.Geene der steden welke wij verdelgd hebben, geloofde de wonderen welke zij voor hunne oogen zagen geschieden. Zullen deze dus gelooven indien zij een wonder zien?7.Wijzondengeene andere gezanten vóór hen, dan menschen, aan welke wij onzen wil openbaarden. Vraag het hun die met de schrift bekend zijn, indien gij dit niet weet.8.Wij gaven hun geen lichaam, dat onderhouden kan worden zonder dat zij voedsel gebruikten, en zij waren niet onsterfelijk.9.Maar wij vervullen onze belofte omtrent hen; wij bevrijdden hen en degenen die ons behaagden, maar wij verdelgden de zondaren.10.O Koreïshieten! wij hebben u het boek van den Koran nedergezonden, waarin gij beroemd gemaakt wordt; zult gij dit niet begrijpen?11.En hoevele steden die goddeloos waren, hebben wij omgekeerd, terwijl wij andere volkeren na deze hebben doen opstaan?12.En toen zij onze strenge wraak gevoelden, vluchtten zij ijlings uit die steden.13.En de engelen zeiden spottenderwijze tot hen: Vlucht niet, maar keert terug tot uwe vermaken en tot uwe woningen; misschien zult gij ondervraagd worden2.14.Zij antwoordden: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig3.15.En deze hunne weeklacht hield niet op, dan nadat wij hen, gelijk het afgemaaide en geheel uitgedroogde koren, hadden uitgespreid.16.Wij schiepen, de hemelen en de aarde en al wat daartusschen is, niet tot onze uitspanning4.17.Indien het ons behaagd had, ons te vermaken, zouden wij het gedaan hebben met hetgeen ons past5, zoo wij hadden besloten dit te doen.18.Maar wij zullen de waarheid tegenover de ijdelheid plaatsen en de eerste zal de laatste doen verdwijnen. Ziedaar hetgeen verdwijnt. Wee over u! om hetgeen gij aan God toeschrijft.19.Alles wat in den hemel en op aarde bestaat, is aan hem onderworpen, en de engelen, die in zijne tegenwoordigheid zijn, rekenen hen niet beneden zich, hem te aanbidden, en worden dit niet moede.20.Zij prijzen hem des nachts en des daags en vermoeien zich niet.21.Hebben zij goden van de aarde genomen? Zullen zij den doode tot het leven opwekken? Indien er in den hemelof op aarde goden behalve God waren, zouden zij allen vernietigd worden6.22.Maar het zij verre van God wat zij nopens hem uitdenken; nopens hem, den Heer van den troon.23.Er zal hem geene rekenschap gevraagd worden nopens hetgeen hij zal doen; maar van hen zal rekenschap gevraagd worden.24.Hebben zij andere goden naast hem geplaatst? Zeg: lever uw bewijs daarvoor. Dit is de vermaning van hen die tegelijk met mij bestaan en de vermaning van hen die voor mij bestonden7maar het grootste deel hunner kent de waarheid niet en wendt zich daarvan af.25.Wij hebben vóór u geen gezant nedergezonden, of wij openbaarden hun, dat er geen God buiten mij is; dient mij dus.26.Zij zeggen; de Barmhartige heeft kinderen gebaard, en de engelen zijn zijne dochters8. Verre zij dit van hem! Zij zijn slechts zijne eerbiedige dienaren.27.Zij zeggen niets voor hij heeft gesproken9, en zij voeren zijn bevel uit.28.Hij weet wat vóór hen en wat achter hen is; zij zullen voor niemand tusschen beiden treden.29.Behalve voor wien hem zal behagen, en zij beven uit vrees voor hem.30.Die engel die zeggen zal: Ik ben een god naast hem, zullen wij met de hel vergelden; want zoo vergelden wij den onrechtvaardige.31.Weten de ongeloovigen dus niet, dat de hemelen en de aarde vast waren, en dat wij die van een gescheiden hebben10, en dat wij door middel van water het leven aan alle dingen geven? Zullen zij dus niet gelooven?32.En wij plaatsten vaste bergen op de aarde, opdat zij zich niet met hen zou bewegen11, en wij maakten breede doorgangen er tusschen, voor paden, opdat zij op hunne reizen zouden geleid worden.33.Enwij maakten den hemel tot een goed ondersteund dak. Maar zij wenden zich af van de teekens, die zich daarin bevinden, en vergeten dat zij Gods werk zijn.34.Hij is het, die den nacht en den dag en de zon en de maan heeft geschapen; al de hemellichamen bewegen zich snel, ieder in zijne eigen sfeer.35.Wij hebben het eeuwige leven vóór u aan niemand in dit leven geschonken; zouden zij dus onsterfelijk zijn indien gij sterft12?36.Iedere ziel zal den dood proeven, en wij zullen u beproeven met kwaad en met goed, en tot ons zult gij terugkeeren.37.Als de ongeloovigen u zien, ontvangen zij u slechts met spotternij, zeggende: Is dit dezelfde die met verachting van uwe goden spreekt? Maar zij zelven gelooven niet wat hun omtrent den Barmhartige wordt medegedeeld13.38.De mensch is van overhaasting geschapen14. Ik zal u hierna mijne teekens toonen, zoodat gij niet zult wenschen dat die verhaast worden.39.Wanneer zal deze bedreiging vervuld worden, indien gij de waarheid spreekt?40.Indien zij die gelooven, niet wisten dat de tijd zekerlijk zal komen, waarop zij niet in staat zullen zijn het vuur der hel van hunne aangezichten of hunne ruggen af te keeren, waarbij zij niet geholpen zullen worden, zouden zij dien niet verhaasten.41.Maar de dag der wraak zal plotseling over hen komen en hen met verbazing treffen: zij zullen niet in staat zijn het te voorkomen, noch om uitstel te verkrijgen.42.Andere gezanten werden vóór u bespot, maar de straf, waarmede zij spotten, viel op de spotters.43.Zeg tot de spotters: Wie zal u bij dag of bij nacht tegen den Barmhartige verdedigen? En toch verwaarloozen zij de herdenking van hunnen Heer.44.Hebben zij goden die hen tegen ons kunnen verdedigen? Zij zijn niet in staat zich zelven te helpen, en nimmer zullen zij door hunne makkers tegen ons worden bijgestaan.45.Maar wij hebben deze menschen en hunnen vaderen veroorloofd, wereldlijken voorspoed te genieten, zoo lang hun leven zal duren. Bemerken zij niet dat wij in het land der ongeloovigen komen en zijne grenzen aan alle zijden vernauwen? Zullen zij dus de overwinnaars zijn?46.Zeg: Ik predik u alleen de openbaring van God; de dooven willen uwe roepstem niet hooren, als gij onder hen predikt.47.Indien de lichtste adem van de straf van uwen Heer hen bereikt, zullen zij zekerlijk zeggen: Helaas! waarlijk, wij waren onrechtvaardig.48.Wij zullen juiste weegschalen instellen voor den dag der opstanding, geene ziel zal onrechtvaardigworden behandeld; al zij de verdienste of de schuld eener daad zoo zwaar slechts als een mostaardzaadkorrel, wij zullen die openbaar voorbrengen, en het is voldoende dat wij die rekening hebben ingesteld.49.Wij gaven vroeger aanMozesenAäronde wet, zijnde eene onderscheiding tusschen goed en kwaad en tot een licht en een waarschuwing voor de godvruchtigen.50.Die hunnen Heer in het geheim vreezen en het uur des oordeels duchten.51.Ook is dit boek eene gezegende vermaning welke wij van den hemel hebben nedergezonden; zult gij die dus loochenen?52.En wij gaven vroeger aanAbrahamzijne leiding, en wij wisten dat hij de openbaringen waardig was, waarmede hij werd begunstigd.53.Gedenk, toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat zijn deze beelden, waaraan gij zoo geheel zijt onderworpen15?54.Zij antwoordden: Wij zagen die door onze vaderen aanbidden.55.Hij zeide: Waarlijk, gij en uwe vaderen hebben in eene duidelijke dwaling verkeerd.56.Zij zeiden: Verhaalt gij ons ernstig de waarheid, of spot gij met ons?57.Hij hernam: Waarlijk, uw Heer is de Heer der hemelen en der aarde, hij is het die deze heeft geschapen, en ik ben een van hen die daarvan getuigenis afleggen.58.Ik zweer bij God, dat ik uwe afgodsbeelden een trek zal spelen, nadat gij u daarvan zult hebben verwijderd en dezen den rug zult hebben toegewend.59.En gedurende de afwezigheid des volks ging hij in den tempel, waar de afgodsbeelden stonden, en hij brak die allen in stukken, behalve het grootste, opdat zij dit de schuld zouden toeschrijven van hetgeen er gebeurd was16.60.En toen zij teruggekeerd waren en deveroorzaakte verwoesting zagen, zeiden zij: Wie heeft dit aan onze goden bedreven? Hij is zekerlijk een goddeloos persoon.61.En sommigen van hen antwoordden: Wij hoorden een jongman vol verwijtingen van hen spreken; hij isAbrahamgenaamd.62.Zij zeiden: Brengt hem dus voor het volk, opdat het getuigenis tegen hem aflegge.63.En toen hij voor de vergadering was gebracht, zeiden zij tot hem: Hebt gij dit aan onze goden gedaan, oAbraham?64.Hij antwoordde: Neen: deze, de grootste van hen, heeft het gedaan; maar vraagt hun of zij kunnen spreken.65.En zij kwamen tot zich zelven en zeiden tot elkander: Waarlijk, gij zijt de goddeloozen.66.Later keerden zij tot hunne vroegere hardnekkigheid terug en zeiden: Waarlijk, gij weet wel dat deze niet spreken.67.Abrahamantwoordde: Bidt gij dus naast God aan, wat u noch bevoordeelen noch deren kan? Schande over u en over datgene wat gij naast God aanbidt! Begrijpt gij het niet?68.Zij zeiden: Verbrandt hem en wreekt uwe goden; indien gij dit doet handelt gij wel.69.En toenAbrahamop den brandstapel was geworpen, zeiden wij: O vuur! wees koud en beveiligAbraham17.70.En zij trachtten hem een valstrik te spannen, doch wij deden hen het onderspit delven18.71.En wij bevrijdden hem enLotdoor hen in het land te brengen, waarin wij alle schepselen hebben gezegend19.72.En wij schonken hemIzaäkenJacobals een buitengewoon geschenk, en wij maakten hen allen tot rechtvaardige menschen.73.Wij maakten hen ook tot voorbeelden van godsvrucht20, opdat zij anderen door ons bevel zouden mogen leiden, en wij gaven hun het verrichten van goede werken in, het inachtnemen des gebeds en het geven van aalmoezen, en zij dienden ons.74.En aanLotgaven wij wijsheid en kennis, en wij bevrijdden hem uit de stad, die zoovele misdaden bedreef; want daar was een zondig en boos volk21.75.En wij leidden hem in onze genade; want hij was een oprecht mensch.76.En gedenkNoach, toen hij smeekte om de verwoesting van zijn volk voor de boven vermelde profeten, en wij hoorden hem en bevrijdden hem en zijn gezin van eene groote droefheid.77.En wij beschermden hem tegen het volk dat onze teekens van valschheid beschuldigde; want zij waren zondaren, weshalve wij hen allen verdronken.78.En herdenkDavidenSalomo, toen zij een oordeel uitspraken over een veld, waarin de schapen van zeker gezin zich des nachts, zonder schaapherder hadden gevoed, en wij waren getuigen van hun oordeel.79.En wij dedenSalomo22dit begrijpen. En wij schonken hunbeiden wijsheid en kennis, en wij dwongen de bergen en de vogels, ons metDavidte loven; wij deden dit.80.En wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken23, om u in uwe oorlogen te beschutten; zult gij dus niet dankbaar zijn?81.En aanSalomoonderwierpen wij een sterken wind24, die op zijn bevel naar het land ging, dat wij onzen zegen hadden geschonken25; en wij kenden alle dingen.82.Ook onderwierpen wij verschillende duivels aan zijn bevel, die voor hem doken om parelen op te visschen en andere werken voor hem te verrichten26. En wij waakten over dezen.83.En gedenkJob27,toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: Waarlijk, het ongeluk heeft mij bereikt; doch gij zijt de genadigste der genadigen.84.Daarom verhoorden en bevrijdden wij hem van het kwaad dat op hem drukte, en wij gaven hem zijn gezin, en nog meer, door onze genade terug, als eene vermaning voor hen die God dienen.85.En gedenkIsmaëlenEdris28enDhu’lkefl29. Zij waren allen geduldige menschen.86.Daarom leidden wij hen in onze genade; want zij waren rechtvaardigen.87.En herdenkDhu’lnun30toen hij in woede vertrok en dacht, dat wij onze macht niet op hem konden uitoefenen. En hij riep in de duisternis uit31: Er is geen God buiten u, geloofd zijt gij! Waarlijk, ik was een onrechtvaardige.88.Daarom verhoorden wij hem en bevrijdden hem van droefheid; want zoo bevrijden wij de ware geloovigen.89.En gedenkZacharias, toen hij zijn Heer aanriep, zeggende: o Heer! laat mij niet kinderloos; maar gij zijt de beste erfgenaam.90.Daarom verhoorden wij hem en wij schonken hemYahia(Johannes); en wij stelden zijne vrouw in staat hem een kind ter wereld te brengen. Deze trachtten er naar, in goede werken uit te munten, en riepen ons met liefde en vrees aan, en verootmoedigden zich voor ons.91.En gedenk haar die hare maagdelijkheid bewaarde32, en welkewij van onzen geest inbliezen, terwijl wij haar en haren zoon als een teeken voor alle schepselen instelden.92.Waarlijk deze uw godsdienst is een godsdienst33, en ik ben uw Heer; dien mij dus.93.Maar de menschen hebben onder elkander afscheiding in hunnen godsdienst gemaakt; doch zij zullen allen voor ons verschijnen.94.Wie goede werken zal doen en een waar geloovige is, diens pogingen zullen niet miskend worden, en wij zullen die voor hem opteekenen.95.Een onverbreekbare vloek ligt op iedere stad, welke wij verwoest zullen hebben, opdat zij niet weder in de wereld terugkeere.96.TotGogenMagogeen doorgang voor hen zullen hebben geopend34, en zij zullen snel van iederen hoogen berg afdalen35.97.Ende ware belofte zal hare vervulling nabij zijn, en de oogen der ongeloovigen zullen met verbazing gevestigd worden, en zij zullen zeggen: Helaas! wij waren vroeger achteloos omtrent dezen dag; waarlijk, wij waren goddeloozen.98.Waarlijk, o bewoners vanMekka! gij en de afgoden welke gij naast God aanbidt, zullen als brandhout in het hellevuur geworpen worden; gij zult derwaarts gaan.99.Indien deze waarlijk goden waren, zouden zij er niet binnen gaan: zij allen zullen eeuwig daarin verblijven.100.Op die plaats zullen zij angstig zuchten, en zij zullen er niets hooren36.101.Wat hen betreft, voor wie de meest uitmuntende belooning van het paradijs door ons werd bestemd, zij zullen ver van daar verwijderd worden.102.Zij zullen niet het minste gedruisch er van hooren, en zij zullen eeuwig de gelukzaligheid genieten, welke hunne zielen begeeren.103.De groote schrik zal hen niet verwarren, en de engelen zullen hen ontmoeten om hen geluk te wenschen, zeggende: Dit is de dag die u werd beloofd.104.Op dien dag zullen wij de hemelen oprollen, zoo als de engelAl Sijil37het boek oprolt, waarin de daden vanieder mensch zijn vermeld. Gelijk wij het eerste schepsel uit niets maakten zullen wij het bij de opstanding vertoonen. Dit is eene belofte, welker vervulling van ons afhangt; wij zullen die zekerlijk uitvoeren.105.Wij hebben, na de verkondiging der wet, in de psalmen geschreven, dat mijne rechtvaardige dienaren de aarde zullen erven38.106.Waarlijk, in dit boek is een toereikend onderricht bevat voor hen die God aanbidden.107.O Mahomet! wij hebben u niet gezonden dan uit de genade voor alle schepselen.108.Zeg: Mij is niets geopenbaard, dan dat uw God een eenig God is: zult gij u dus aan hem onderwerpen?109.Maar indien zij aan de belijdenis van Gods eenheid den rug toewenden, zeg dan: Ik verklaar u allen gelijkelijk den oorlog; maar ik weet niet of datgene waarmede gij bedreigd wordt, nabij of verwijderd is.110.Waarlijk, God kent het gesprek dat in het openbaar wordt gevoerd, en hij kent ook wat gij in het geheim zegt.111.Ik weet het niet, maar misschien is het uitstel dat u verleend werd eene proef voor u, opdat gij een voorspoed van deze wereld voor eenigen tijd zoudt mogen genieten.112.Zeg: O Heer! oordeel tusschen mij en mijne tegenstanders met waarheid. Onze Heer is de Barmhartige, wiens hulp moet ingeroepen worden tegen de lasteringen en de leugens welke gij uitspreekt.

1Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden medegedeeld.Zamaksharizegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen, genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten, die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken en hem groeten.2Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari).3Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden inYamanwerd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen vanNebuchadnezarover, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van deze plaats.4Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens van deze wereld verachtende.5Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke woord, hier metvermakenvertaald, op deze plaats eene vrouw of een kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen is gericht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).6Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige tegenstanders.7Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken, niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.8Deze plaats werd met betrekking tot de Khozaïten geopenbaard die de engelen voor de dochters van God hielden.Savaryvertaalt die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De engelen zijn zijne geëerde dienaren.9Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht kennen.10Dat is: Zij waren één samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).11ZieHoofdstuk XVI, vers 15.12Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachtenMahomette zien sterven, zooals de overige menschen.13Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.14Als zijnde haastig en onoverlegd. ZieHoofdstuk XVII, vers 12.15ZieHoofdstuk VI, vers 74;Hoofdstuk XIX, vers 43, enHoofdstuk II, vers 260.16Abrahamnam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijversBaalgenoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookHyde,de Rel. vet. Persc. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is doorMahometaan de Israëlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen datAbrahamdit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. ToenTerachterugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen doorAbrahamwerd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aanNimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedalin Shalshl. Hakkabe p. 8enMaimonYad hachazaka c.l. de idol).17De uitleggers verhalen dat opNimrodsbevel eene groote ruimte teCuthaingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zijAbrahamen plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engelGabriëlwerd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voorAbrahamhad verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie hetApocryphe Evangelie vanBarnabasHoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de Israëlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweedeCanun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, datAbrahamin het vuur werd geworpen. (ZieHydede Rel. Pers.p. 73). De Israëlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraanAbrahamom zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R.Eliez.Pirkec. 26 enz;Maim.More. Nev. lib.III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij doorNimrodwerd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar BavaBathra91. 1) en anderen door zijn vaderTerach(inHagada).18Sommigen zeggen, datNimrodop het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God vanAbrahameen offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beidâwi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorigongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God vanAbrahamte zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zieHoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden.Nimrodalsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegenAbraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeeldeNimrodsonderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat vanNimroden drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. NemrodHydet. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood vanNimrodalsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8stenThomoez, of Juli (Hydeibid. p. 79.)19Zijnde: Palestina.20ZieHoofdstuk II, vers 123.21ZieHoofdstuk VII, vers 78enz. enHoofdstuk XI, vers 83.22Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstondeen twist. Toen de zaak voorDavidenSalomowerd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maarSalomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. EnDavidzelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).23Volgens eene overlevering zouDavidhet allereerst de maliënkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.24Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelangSalomodat begeerde.25Zijnde:Palestina.26Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.27De Mahomedaansche schrijvers verhalen datJobtot het geslacht vanEzaubehoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter vanEphraïm,Jozefszoon, en door anderenMakhir, de dochter vanManassete zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. NadatJobhet op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond GodGabriël, dieJobbij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontspronger eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadatJober van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde.Jobwerd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfedaenz. Zied’Herbel.Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aanJobna zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo’ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur vanJobsmartelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, eenanderedrie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.28ZieHoofdstuk XIX, vers 52en 57.29Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat hetElias,JesaiaofZachariaswas. (Al Beidâwi). Een ander veronderstelt dat het de zoon vanJobwas en dat deze inSyriëwoonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrentDhu’lkeflgeweest (Abulfeda).30Dit is de bijnaam vanJonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (ZieHoofdstuk X, vers 68.)31Zijnde uit den buik van den visch.32Zijnde de maagd Maria.33Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.34Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.35Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats vanhadabinzijnde een verheven gedeelte der aarde,jadathinhetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet opGogenMagogmaar op de menschen in het algemeen worden toegepast.36Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.37Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een vanMahometsschrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woordsijilofsidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig:zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beidâwi Jallalo’ddinenz).38Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.

1Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden medegedeeld.Zamaksharizegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen, genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten, die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken en hem groeten.

2Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakhshari).

3Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden inYamanwerd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen vanNebuchadnezarover, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van deze plaats.

4Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens van deze wereld verachtende.

5Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke woord, hier metvermakenvertaald, op deze plaats eene vrouw of een kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen is gericht (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).

6Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige tegenstanders.

7Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken, niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.

8Deze plaats werd met betrekking tot de Khozaïten geopenbaard die de engelen voor de dochters van God hielden.Savaryvertaalt die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De engelen zijn zijne geëerde dienaren.

9Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht kennen.

10Dat is: Zij waren één samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

11ZieHoofdstuk XVI, vers 15.

12Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachtenMahomette zien sterven, zooals de overige menschen.

13Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.

14Als zijnde haastig en onoverlegd. ZieHoofdstuk XVII, vers 12.

15ZieHoofdstuk VI, vers 74;Hoofdstuk XIX, vers 43, enHoofdstuk II, vers 260.

16Abrahamnam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijversBaalgenoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beidâwi,Jallalo’ddinenz. Zie ookHyde,de Rel. vet. Persc. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is doorMahometaan de Israëlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen datAbrahamdit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. ToenTerachterugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen doorAbrahamwerd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aanNimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedalin Shalshl. Hakkabe p. 8enMaimonYad hachazaka c.l. de idol).

17De uitleggers verhalen dat opNimrodsbevel eene groote ruimte teCuthaingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zijAbrahamen plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engelGabriëlwerd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voorAbrahamhad verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie hetApocryphe Evangelie vanBarnabasHoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de Israëlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweedeCanun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, datAbrahamin het vuur werd geworpen. (ZieHydede Rel. Pers.p. 73). De Israëlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraanAbrahamom zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R.Eliez.Pirkec. 26 enz;Maim.More. Nev. lib.III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij doorNimrodwerd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar BavaBathra91. 1) en anderen door zijn vaderTerach(inHagada).

18Sommigen zeggen, datNimrodop het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God vanAbrahameen offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beidâwi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorigongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God vanAbrahamte zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zieHoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden.Nimrodalsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegenAbraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeeldeNimrodsonderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat vanNimroden drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d’Herbelot,Bibl. Oriënt. Art. NemrodHydet. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood vanNimrodalsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8stenThomoez, of Juli (Hydeibid. p. 79.)

19Zijnde: Palestina.

20ZieHoofdstuk II, vers 123.

21ZieHoofdstuk VII, vers 78enz. enHoofdstuk XI, vers 83.

22Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstondeen twist. Toen de zaak voorDavidenSalomowerd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maarSalomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. EnDavidzelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).

23Volgens eene overlevering zouDavidhet allereerst de maliënkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.

24Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelangSalomodat begeerde.

25Zijnde:Palestina.

26Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.

27De Mahomedaansche schrijvers verhalen datJobtot het geslacht vanEzaubehoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter vanEphraïm,Jozefszoon, en door anderenMakhir, de dochter vanManassete zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. NadatJobhet op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond GodGabriël, dieJobbij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontspronger eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadatJober van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde.Jobwerd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfedaenz. Zied’Herbel.Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aanJobna zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo’ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur vanJobsmartelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, eenanderedrie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.

28ZieHoofdstuk XIX, vers 52en 57.

29Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat hetElias,JesaiaofZachariaswas. (Al Beidâwi). Een ander veronderstelt dat het de zoon vanJobwas en dat deze inSyriëwoonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrentDhu’lkeflgeweest (Abulfeda).

30Dit is de bijnaam vanJonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (ZieHoofdstuk X, vers 68.)

31Zijnde uit den buik van den visch.

32Zijnde de maagd Maria.

33Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.

34Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.

35Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats vanhadabinzijnde een verheven gedeelte der aarde,jadathinhetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet opGogenMagogmaar op de menschen in het algemeen worden toegepast.

36Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.

37Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een vanMahometsschrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woordsijilofsidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig:zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beidâwi Jallalo’ddinenz).

38Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.


Back to IndexNext