Elfde Hoofdstuk.

Elfde Hoofdstuk.Hoed1.Geopenbaard teMekka.—123 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoeden duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen en al wetenden God.2.Opdat gij geen anderen God zoudt dienen (waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u goede tijdingen van hem).3.En dat gij vergiffenis van uwen Heer zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik voor u de straf van den grooten dag.4.Tot God zult gij terugkeeren, en hij is almachtig.5.Leggen zij geene plooien in hunne harten2, ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen.6.Als zij zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij verbergen en wat zij laten zien?7.Want hij kent de binnenste deelen van de harten der menschen3.8.Er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het duidelijke boek van zijne besluiten.9.Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vóór die werden geschapen was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren, en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten.10.Indien gij zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij.11.En waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven, zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen niet omstrikken?12.Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig4en ondankbaar worden.13.En indien wij hem onze gunst doen ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend, en hij zal vroolijk en trotsch worden.14.Uitgenomen zij die met geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen en eene groote belooning ontvangen.15.Wellicht zult gij vergeten, een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal uw hartangstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen.16.Zullen zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien5hoofdstukken voort,door u zelvenuitgedacht gelijk aan dit; en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de waarheid spreekt.17.Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept, u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems worden?18.Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd.19.Zij zijn het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd, behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn.20.Zal hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem6wacht, voorafgegaan door het boek vanMozes7, dat als een leiddraad werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal niet gelooven.21.Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer worden geplaatst, en de getuigen8zullen zeggen: Zij zijn het, die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over de onrechtvaardigen?22.Die de menschen afleiden van Gods weg en dien krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne straf zal verdubbeld worden9. Zijkunnen hooren noch zien.23.Zij zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten.24.Er is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven zullen zijn.25.Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen; eeuwig zullen zij daarin verblijven.26.De overeenkomst der beide gedeelten10is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet nadenken?27.Wij zonden vroegerNoach11tot zijn volk, en hij zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten.28.Opdat gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf van een vreeselijken dag.29.En de opperhoofden van het volk, die niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast oordeel12. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt.30.Noachzeide: O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er afkeerig van zijt?31.O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben13; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt.32.O mijn volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt gij dus niet overwegen?33.Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel14; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn.34.Zij antwoorden: ONoach! gij hebt reeds met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd; daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd, indien gij waarheid spreekt.35.Noachzeide: Waarlijk, God alleen zal die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen verhoeden, noch ontgaan.36.Indien hetGode behaagt u in dwaling te leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij terugkeeren.37.Mochten de bewoners vanMekkazeggen:Mahometheeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht, zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene, waaraan gij schuldig zijt.38.En het werdNoachgeopenbaard, zeggende: Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen.39.Maar maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er toe gedoemd, te verdrinken.40.En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem15; maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk weten.41.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen.42.Zoo hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en de oven water uitgoot16. En wij zeiden totNoach: Breng een paar17van iedere diersoort en uwgezin18in de ark, uitgenomen hij, over wien de straf werd uitgesproken19en zij die gelooven20. Doch behalve enkelen21geloofden zij niet met hem.43.EnNoachzeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt22;want mijn Heer is genadig en barmhartig.44.En de ark dreef met hen tusschen golven als bergen23, enNoachriep zijn zoon24die van hem gescheiden was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de ongeloovigen.45.Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij voor het water zal behoeden.Noachantwooordde: Heden is er geene zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van hen die verdronken.46.En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water, en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den bergAl Jûdi25en er werd gezegd:Weg met de goddeloozen!47.EnNoachriep zijn Heer aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin, en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die oordeelen.48.God antwoordde: ONoach! waarlijk, hij behoort niet tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk26. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik waarschuw u, geen onwetende te worden.49.Noachzeide: O Heer! ik neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal ik tot hen behooren die verdoemd zijn.50.Het werd tot hem gezegd: ONoach! kom uit de ark27met vrede van ons, en zegeningen op u en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen28zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd worden.51.Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren; gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld; want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard.52.En tot den stamAdzonden wij hunnen broederHoed29. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen van uw eigen maaksel op te richten.53.O mijn volk! ik vraag u hiervoor geene belooning; mijne belooningverwacht ik slechts van hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen?54.O mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden30.55.En hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken31; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven.56.Zij antwoordden: OHoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven u niet.57.Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met droefheid hebben getroffen32, en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt.58.Spant dus allen tegen mij samen en draalt niet.59.Want ik stel mijn vertrouwen in God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn haarlok vasthoudt33. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten weg.60.Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard, waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn Heer is de bewaker van alle dingen.61.En toen onze straf kwam, om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wijHoed, en zij die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van eene strenge straf.62.En deze stam vanAdverwierp met voordacht de teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch.63.Daarvoor werden zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: WasAdniet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg metAd, het volk vanHoed?64.En tot den stam vanThamoedzonden wij hunnen broederSaleh34. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed te antwoorden.65.Zij antwoordden: OSaleh! Gij waart een persoon, in wien wij voor dezen onzehoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht.66.Salehzeide: O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten.67.En hij zeide: O mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u geen snelle straf treffe.68.Doch zij doodden haar, enSalehzeide: Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen35, waarna gij verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging.69.En toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wijSalehen hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God.70.Maar een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne woning dood, en voorover liggende gevonden.71.Als hadden zij er nimmer in gewoond.Thamoedgeloofde niet in zijn Heer. WerdThamoedniet ver weg verworpen?72.Ook kwamen onze gezanten36later totAbrahammet goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een gebraden kalf.73.En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet aanraakten37, mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen38, Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk vanLotgezonden.74.En zijne vrouwSarastond er bij en lachte, en zij beloofden haarIzaak, en naIzaak,Jacob.75.Zij zeide: Helaas! zal ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en dezemijn man ook in jaren gevorderd is39? Waarlijk, dit zou een wonder zijn.76.De engelen antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het huisgezin40; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk.77.En toenAbrahamsvreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk vanLot; wantAbrahamwas een zacht, medelijdend en inschikkelijk mensch.78.De engelen zeiden tot hem: OAbraham! onthoud u hiervan; want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om op hen neder te komen.79.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bezorgd om hen41en zijn arm was zwak voor hen42en hij zeide: Dit is een treurige dag.80.En zijn volk kwam tot hem; zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door zonde.Lotzeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u43?81.Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig hebben, en gij weet wel wat wij begeeren.82.Hij zeide: Indien ik kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk doen.83.De engelen zeiden: OLot! waarlijk, wij zijn de gezanten van uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren: maar wat uwe vrouw betreft44, wat over hen zal komen zal ook haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends vervuld worden: Is de ochtend niet nabij?84.En toen ons bevel kwam, keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei45op haarnederregenen, den een na den ander, en zij waren door uwen Heer gemerkt46; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die onrechtvaardig handelen47.85.En totMadianzonden wij hunnen broederShoaïb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat gij in een gelukkigen toestand verkeert48; maar ik vrees voor u de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken.86.O mijn volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door slecht te handelen.87.Het minste deel, dat u zal overblijven als eene belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen, indien gij ware geloovigen zijt.88.Ik ben geen bewaker van u.89.Zij antwoordden: OShoaïb! zijn het uwe gebeden die ugelasten, ons de goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden, of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen49. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen om tot leidsman te strekken.90.Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij, indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij.91.O mijn volk! laat niet de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk aan de wraak die over het volk vanNoach, of het volk vanHoed, of het volk vanSalehkwam. Het einde van het volk vanLotis niet zeer ver van u verwijderd50.92.Vraag dus vergiffenis van uwen Heer, en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk.93.Zij antwoordden: OShoaïb! wij verstaan niet veel van hetgeengij zegt, en wij zien dat gij een man zonder macht51onder ons zijt; indien het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd, en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben.94.Shoaïbzeide: O mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet.95.O mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht arbeiden52. En gij zult vernemen.96.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten.97.Toen dus ons besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wijShoaïben hen die met hem geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden.98.Als hadden zij nimmer op aarde gewoond. WerdMadianniet van de aarde verdreven, terwijlThamoeddaarvan verwijderd werd?99.En wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en duidelijke kracht totPharaoen zijne vorsten53; maar deze volgden het bevel vanPharao, hoezeer het bevel vanPharaohen niet op den rechten weg leidde.100.Pharaozal zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen worden.101.Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven zal worden.102.Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest zijn54.103.En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel, toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen val slechts verhaast.104.En zoo was de straf, die door uwen Heer werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne straf is smartelijk en gestreng.105.Waarlijk hierin is een teeken voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd.106.Wij stellen dien niet uit, dantot een vooraf bepaalden tijd.107.Als die dag komt, zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn.108.En zij die ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij weenen en jammeren55.109.Zij zullen daarin zoo lang verwijlen, als de hemelen en de aarde duren56, behalve wat door den Heer, naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer doet wat hem behaagt.110.Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven, als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die niet gestoord zal worden.111.Verkeer dus niet in twijfel, nopens hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan hetgeen hunne vaderen vóór hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal zijn.112.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en daarover rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran.113.Maar aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven; want hij weet zeer goed wat zij doen.114.Wees gij dus onwrikbaar, zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet.115.En neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem zult gij niet geholpen worden.116.Bid dan geregeld des ochtends en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht57; want goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor hen, die nadenken.117.Volhard dus met geduld; want God zal derechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen.118.Waren degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd, welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten58, en waren goddeloozen59,119.En uw Heer was niet geneigd, de steden onrechtvaardig te verwoesten60, welker bewoners zich oprecht gedroegen.120.En indien het uw Heer had behaagd, zou hij alle menschen van éénen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen.121.Alles wat wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning voor de ware geloovigen.122.Zeg tot hen die niet gelooven: handelt overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht61handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af.123.Aan God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem; want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.1Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor,Savary’soverzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijvenHud.2Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.3Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopensMahomette verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?4Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.5Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (ZieHoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.6Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engelGabriël.7Dat daarvan getuigenis draagt.8Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.9Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.10Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.11ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.12Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.13Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.14ZieHoofdstuk VI, vers 50.15Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beidâwi).16Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen teCûfa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats inIndië, of wel teAin wardainMesopotamië(Al Beidâwi). De overstrooming van dezen oven was voorNoachhet teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo’ddinenz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, dieEvagebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aanNoachkwam. (Zied’Herbelot,Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, datMahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met nameZala Cufazouden zijn gestroomd. (ZieHyde,de Rel. Vet. PersarenLord,account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woordtannür, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.17Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche enChristelijke schrijvers(Ebn Ezra,Justin,Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking “zeven en zeven,” en “twee en twee”, het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voorNoachalle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo’ddin).18Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.19Dit was eene ongeloovige zoon vanNoach(Yahya)Canaangenaamd (Jallalo’ddin,Al Beidâwi) ofYam(Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon vanNoachwas, maar de zoon van zijn zoonCham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari,d’Herbelot,Bibl. Oriëntp. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw vanNoach,Waïlagenaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo’ddin,Al Zamakhshari,Al Beidâwi).20DaarNoachsgezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de anderegeloovigenworden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot.)21Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen,Sem,ChamenJapheten hunne vrouwen, en tweeënzeventig andere personen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot).22Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: “Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen,” als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naarNoachdit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: “In den naam van God” (Al Beidâwi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de doorMozesvermelde (Al Beidâwi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, ZieMarracc, inAlcor.p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen.contr.Cels.lib.4. ZieKircherde Arca Noëc. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, datNoachtwee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beidâwi) d’Herbelot p. 675 enEutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beidâwi,Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk vanAdam, dat doorNoachin de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus,apudBarcebham,deParad. Pars. I, Cap.14.Eutych,ubi sup.t. a. pl.,etiamEliezerpirke Cap.23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd datNoachen zijn gezin in de ark waren (Ambros.de Noa et Arca Cop.21)Chamwordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daarCansanin de ark werd voortgebracht (Heidegger,Hist. Patriarch.VI, p. 409).23De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beidâwi).24Zie hierboven de noot opvers 42.25Dit is een van de bergen, waardoorArmenië, ten zuiden, wordt gescheiden vanMesopotamiëen het deel vanAssyrië, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam vanCarduofGarduhebben ontleend. De Grieken noemen dienGordyaeî, of geven er andere namen aan. (ZieBochart,Phaleg lib. I,Cap. 3). De bergal Jûdiwelks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats vanJordiofGiordiwordt geschreven, wordt ookThamaningenaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d’HerbelotBibl. Orient., p. 404 en 676 enAgathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woordthamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek,Diyâr Rabiahkan overzien, nabij de stedenMawsel,FordaenJazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den KhalifOmar Ebn Abd’alaziz, dien hij verkeerdelijkOmar Ebn Khattabnoemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin,Itinerp. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (BerosusapudJosephAntiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (OnkelosetJonathanin Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych.Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren.BerosusenAbydeniusverklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus,apudJosepht. a. pl.Abydenius,apudEuseb.Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieën van de ark zichtbaar, in den tijd vanEpiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph.Haeres18), en men verhaalt, dat keizerHeracliuszich van de stadThamaninop den bergalJûdibegaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin,lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, naChr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (ZieChronic. Dionysii Patriarch.Jacobitar.apudAsseman,Bibl. Orient., tomeII. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den bergMazisinArmeniëbleef, die door de TurkenAgdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten vanErivanligt (Al Beidâwi).26Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.27De Mahommedanen zeggen, datNoachin de ark ging op den 10den vanRajeb, en er op den 10den vanal Moharamuitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd vanNoachsverblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beidâwi,d’Herbelot. t. a. pl.)28Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.29ZieHoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijvenHud.30Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zieHoofdstuk VII, vers 63en volgende).31Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beidâwi).32Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.33Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.34ZieHoofdst. VII, vs 71enz. Sommigen schrijvenThemud.35Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beidâwi).36ZijndeGabriël,Michaël, enIsrafîl(Al Beidâwi,Jallalo’ddinZie Gen. XVIII).37VolgensSavary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: “Vrede zij met u.” hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. ToenAbrahamzag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.38Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.39Al Beidâwischrijft, datSaratoen negentig of negenennegentig jaar oud was, enAbrahamhonderdtwintig.40Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van denCaaba, doorAbrahamenIsmaël, welke dikwijls, bij uitnemendheid,het huiswordt genoemd.41Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners vanSodomin verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).42Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.43VolgensSavary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?44Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. “Uitgezonderd uwe vrouw;” daar de bedoeling zou zijn, dat hier aanLotwordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.45De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.46Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Het leger vanAraha al Ashramwerd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.47Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen vanMekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.48Ziehoofdstuk VII, vers 83enz.49Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beidâwi).50WantSodomenGomorrawaren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.51Het Arabische woorddaif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ookblind. Sommigen veronderstellen, datShoaïbdit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.52ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.53ZieHoofdstuk VII, vers 101enz.54Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.55Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.56Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beidâwi).57Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zijSalât al moghrebof het avondgebed noemen. (Al Beidâwi).58Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.59Al Beidâwizegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.60Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.61ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.

Elfde Hoofdstuk.Hoed1.Geopenbaard teMekka.—123 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoeden duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen en al wetenden God.2.Opdat gij geen anderen God zoudt dienen (waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u goede tijdingen van hem).3.En dat gij vergiffenis van uwen Heer zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik voor u de straf van den grooten dag.4.Tot God zult gij terugkeeren, en hij is almachtig.5.Leggen zij geene plooien in hunne harten2, ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen.6.Als zij zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij verbergen en wat zij laten zien?7.Want hij kent de binnenste deelen van de harten der menschen3.8.Er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het duidelijke boek van zijne besluiten.9.Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vóór die werden geschapen was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren, en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten.10.Indien gij zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij.11.En waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven, zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen niet omstrikken?12.Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig4en ondankbaar worden.13.En indien wij hem onze gunst doen ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend, en hij zal vroolijk en trotsch worden.14.Uitgenomen zij die met geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen en eene groote belooning ontvangen.15.Wellicht zult gij vergeten, een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal uw hartangstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen.16.Zullen zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien5hoofdstukken voort,door u zelvenuitgedacht gelijk aan dit; en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de waarheid spreekt.17.Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept, u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems worden?18.Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd.19.Zij zijn het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd, behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn.20.Zal hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem6wacht, voorafgegaan door het boek vanMozes7, dat als een leiddraad werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal niet gelooven.21.Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer worden geplaatst, en de getuigen8zullen zeggen: Zij zijn het, die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over de onrechtvaardigen?22.Die de menschen afleiden van Gods weg en dien krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne straf zal verdubbeld worden9. Zijkunnen hooren noch zien.23.Zij zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten.24.Er is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven zullen zijn.25.Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen; eeuwig zullen zij daarin verblijven.26.De overeenkomst der beide gedeelten10is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet nadenken?27.Wij zonden vroegerNoach11tot zijn volk, en hij zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten.28.Opdat gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf van een vreeselijken dag.29.En de opperhoofden van het volk, die niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast oordeel12. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt.30.Noachzeide: O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er afkeerig van zijt?31.O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben13; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt.32.O mijn volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt gij dus niet overwegen?33.Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel14; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn.34.Zij antwoorden: ONoach! gij hebt reeds met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd; daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd, indien gij waarheid spreekt.35.Noachzeide: Waarlijk, God alleen zal die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen verhoeden, noch ontgaan.36.Indien hetGode behaagt u in dwaling te leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij terugkeeren.37.Mochten de bewoners vanMekkazeggen:Mahometheeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht, zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene, waaraan gij schuldig zijt.38.En het werdNoachgeopenbaard, zeggende: Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen.39.Maar maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er toe gedoemd, te verdrinken.40.En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem15; maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk weten.41.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen.42.Zoo hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en de oven water uitgoot16. En wij zeiden totNoach: Breng een paar17van iedere diersoort en uwgezin18in de ark, uitgenomen hij, over wien de straf werd uitgesproken19en zij die gelooven20. Doch behalve enkelen21geloofden zij niet met hem.43.EnNoachzeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt22;want mijn Heer is genadig en barmhartig.44.En de ark dreef met hen tusschen golven als bergen23, enNoachriep zijn zoon24die van hem gescheiden was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de ongeloovigen.45.Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij voor het water zal behoeden.Noachantwooordde: Heden is er geene zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van hen die verdronken.46.En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water, en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den bergAl Jûdi25en er werd gezegd:Weg met de goddeloozen!47.EnNoachriep zijn Heer aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin, en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die oordeelen.48.God antwoordde: ONoach! waarlijk, hij behoort niet tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk26. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik waarschuw u, geen onwetende te worden.49.Noachzeide: O Heer! ik neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal ik tot hen behooren die verdoemd zijn.50.Het werd tot hem gezegd: ONoach! kom uit de ark27met vrede van ons, en zegeningen op u en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen28zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd worden.51.Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren; gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld; want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard.52.En tot den stamAdzonden wij hunnen broederHoed29. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen van uw eigen maaksel op te richten.53.O mijn volk! ik vraag u hiervoor geene belooning; mijne belooningverwacht ik slechts van hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen?54.O mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden30.55.En hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken31; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven.56.Zij antwoordden: OHoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven u niet.57.Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met droefheid hebben getroffen32, en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt.58.Spant dus allen tegen mij samen en draalt niet.59.Want ik stel mijn vertrouwen in God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn haarlok vasthoudt33. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten weg.60.Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard, waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn Heer is de bewaker van alle dingen.61.En toen onze straf kwam, om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wijHoed, en zij die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van eene strenge straf.62.En deze stam vanAdverwierp met voordacht de teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch.63.Daarvoor werden zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: WasAdniet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg metAd, het volk vanHoed?64.En tot den stam vanThamoedzonden wij hunnen broederSaleh34. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed te antwoorden.65.Zij antwoordden: OSaleh! Gij waart een persoon, in wien wij voor dezen onzehoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht.66.Salehzeide: O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten.67.En hij zeide: O mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u geen snelle straf treffe.68.Doch zij doodden haar, enSalehzeide: Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen35, waarna gij verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging.69.En toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wijSalehen hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God.70.Maar een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne woning dood, en voorover liggende gevonden.71.Als hadden zij er nimmer in gewoond.Thamoedgeloofde niet in zijn Heer. WerdThamoedniet ver weg verworpen?72.Ook kwamen onze gezanten36later totAbrahammet goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een gebraden kalf.73.En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet aanraakten37, mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen38, Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk vanLotgezonden.74.En zijne vrouwSarastond er bij en lachte, en zij beloofden haarIzaak, en naIzaak,Jacob.75.Zij zeide: Helaas! zal ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en dezemijn man ook in jaren gevorderd is39? Waarlijk, dit zou een wonder zijn.76.De engelen antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het huisgezin40; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk.77.En toenAbrahamsvreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk vanLot; wantAbrahamwas een zacht, medelijdend en inschikkelijk mensch.78.De engelen zeiden tot hem: OAbraham! onthoud u hiervan; want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om op hen neder te komen.79.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bezorgd om hen41en zijn arm was zwak voor hen42en hij zeide: Dit is een treurige dag.80.En zijn volk kwam tot hem; zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door zonde.Lotzeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u43?81.Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig hebben, en gij weet wel wat wij begeeren.82.Hij zeide: Indien ik kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk doen.83.De engelen zeiden: OLot! waarlijk, wij zijn de gezanten van uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren: maar wat uwe vrouw betreft44, wat over hen zal komen zal ook haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends vervuld worden: Is de ochtend niet nabij?84.En toen ons bevel kwam, keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei45op haarnederregenen, den een na den ander, en zij waren door uwen Heer gemerkt46; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die onrechtvaardig handelen47.85.En totMadianzonden wij hunnen broederShoaïb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat gij in een gelukkigen toestand verkeert48; maar ik vrees voor u de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken.86.O mijn volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door slecht te handelen.87.Het minste deel, dat u zal overblijven als eene belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen, indien gij ware geloovigen zijt.88.Ik ben geen bewaker van u.89.Zij antwoordden: OShoaïb! zijn het uwe gebeden die ugelasten, ons de goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden, of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen49. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen om tot leidsman te strekken.90.Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij, indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij.91.O mijn volk! laat niet de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk aan de wraak die over het volk vanNoach, of het volk vanHoed, of het volk vanSalehkwam. Het einde van het volk vanLotis niet zeer ver van u verwijderd50.92.Vraag dus vergiffenis van uwen Heer, en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk.93.Zij antwoordden: OShoaïb! wij verstaan niet veel van hetgeengij zegt, en wij zien dat gij een man zonder macht51onder ons zijt; indien het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd, en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben.94.Shoaïbzeide: O mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet.95.O mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht arbeiden52. En gij zult vernemen.96.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten.97.Toen dus ons besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wijShoaïben hen die met hem geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden.98.Als hadden zij nimmer op aarde gewoond. WerdMadianniet van de aarde verdreven, terwijlThamoeddaarvan verwijderd werd?99.En wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en duidelijke kracht totPharaoen zijne vorsten53; maar deze volgden het bevel vanPharao, hoezeer het bevel vanPharaohen niet op den rechten weg leidde.100.Pharaozal zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen worden.101.Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven zal worden.102.Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest zijn54.103.En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel, toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen val slechts verhaast.104.En zoo was de straf, die door uwen Heer werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne straf is smartelijk en gestreng.105.Waarlijk hierin is een teeken voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd.106.Wij stellen dien niet uit, dantot een vooraf bepaalden tijd.107.Als die dag komt, zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn.108.En zij die ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij weenen en jammeren55.109.Zij zullen daarin zoo lang verwijlen, als de hemelen en de aarde duren56, behalve wat door den Heer, naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer doet wat hem behaagt.110.Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven, als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die niet gestoord zal worden.111.Verkeer dus niet in twijfel, nopens hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan hetgeen hunne vaderen vóór hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal zijn.112.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en daarover rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran.113.Maar aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven; want hij weet zeer goed wat zij doen.114.Wees gij dus onwrikbaar, zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet.115.En neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem zult gij niet geholpen worden.116.Bid dan geregeld des ochtends en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht57; want goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor hen, die nadenken.117.Volhard dus met geduld; want God zal derechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen.118.Waren degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd, welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten58, en waren goddeloozen59,119.En uw Heer was niet geneigd, de steden onrechtvaardig te verwoesten60, welker bewoners zich oprecht gedroegen.120.En indien het uw Heer had behaagd, zou hij alle menschen van éénen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen.121.Alles wat wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning voor de ware geloovigen.122.Zeg tot hen die niet gelooven: handelt overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht61handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af.123.Aan God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem; want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.1Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor,Savary’soverzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijvenHud.2Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.3Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopensMahomette verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?4Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.5Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (ZieHoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.6Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engelGabriël.7Dat daarvan getuigenis draagt.8Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.9Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.10Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.11ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.12Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.13Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.14ZieHoofdstuk VI, vers 50.15Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beidâwi).16Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen teCûfa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats inIndië, of wel teAin wardainMesopotamië(Al Beidâwi). De overstrooming van dezen oven was voorNoachhet teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo’ddinenz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, dieEvagebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aanNoachkwam. (Zied’Herbelot,Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, datMahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met nameZala Cufazouden zijn gestroomd. (ZieHyde,de Rel. Vet. PersarenLord,account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woordtannür, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.17Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche enChristelijke schrijvers(Ebn Ezra,Justin,Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking “zeven en zeven,” en “twee en twee”, het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voorNoachalle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo’ddin).18Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.19Dit was eene ongeloovige zoon vanNoach(Yahya)Canaangenaamd (Jallalo’ddin,Al Beidâwi) ofYam(Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon vanNoachwas, maar de zoon van zijn zoonCham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari,d’Herbelot,Bibl. Oriëntp. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw vanNoach,Waïlagenaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo’ddin,Al Zamakhshari,Al Beidâwi).20DaarNoachsgezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de anderegeloovigenworden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot.)21Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen,Sem,ChamenJapheten hunne vrouwen, en tweeënzeventig andere personen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot).22Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: “Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen,” als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naarNoachdit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: “In den naam van God” (Al Beidâwi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de doorMozesvermelde (Al Beidâwi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, ZieMarracc, inAlcor.p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen.contr.Cels.lib.4. ZieKircherde Arca Noëc. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, datNoachtwee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beidâwi) d’Herbelot p. 675 enEutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beidâwi,Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk vanAdam, dat doorNoachin de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus,apudBarcebham,deParad. Pars. I, Cap.14.Eutych,ubi sup.t. a. pl.,etiamEliezerpirke Cap.23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd datNoachen zijn gezin in de ark waren (Ambros.de Noa et Arca Cop.21)Chamwordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daarCansanin de ark werd voortgebracht (Heidegger,Hist. Patriarch.VI, p. 409).23De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beidâwi).24Zie hierboven de noot opvers 42.25Dit is een van de bergen, waardoorArmenië, ten zuiden, wordt gescheiden vanMesopotamiëen het deel vanAssyrië, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam vanCarduofGarduhebben ontleend. De Grieken noemen dienGordyaeî, of geven er andere namen aan. (ZieBochart,Phaleg lib. I,Cap. 3). De bergal Jûdiwelks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats vanJordiofGiordiwordt geschreven, wordt ookThamaningenaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d’HerbelotBibl. Orient., p. 404 en 676 enAgathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woordthamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek,Diyâr Rabiahkan overzien, nabij de stedenMawsel,FordaenJazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den KhalifOmar Ebn Abd’alaziz, dien hij verkeerdelijkOmar Ebn Khattabnoemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin,Itinerp. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (BerosusapudJosephAntiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (OnkelosetJonathanin Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych.Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren.BerosusenAbydeniusverklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus,apudJosepht. a. pl.Abydenius,apudEuseb.Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieën van de ark zichtbaar, in den tijd vanEpiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph.Haeres18), en men verhaalt, dat keizerHeracliuszich van de stadThamaninop den bergalJûdibegaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin,lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, naChr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (ZieChronic. Dionysii Patriarch.Jacobitar.apudAsseman,Bibl. Orient., tomeII. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den bergMazisinArmeniëbleef, die door de TurkenAgdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten vanErivanligt (Al Beidâwi).26Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.27De Mahommedanen zeggen, datNoachin de ark ging op den 10den vanRajeb, en er op den 10den vanal Moharamuitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd vanNoachsverblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beidâwi,d’Herbelot. t. a. pl.)28Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.29ZieHoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijvenHud.30Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zieHoofdstuk VII, vers 63en volgende).31Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beidâwi).32Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.33Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.34ZieHoofdst. VII, vs 71enz. Sommigen schrijvenThemud.35Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beidâwi).36ZijndeGabriël,Michaël, enIsrafîl(Al Beidâwi,Jallalo’ddinZie Gen. XVIII).37VolgensSavary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: “Vrede zij met u.” hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. ToenAbrahamzag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.38Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.39Al Beidâwischrijft, datSaratoen negentig of negenennegentig jaar oud was, enAbrahamhonderdtwintig.40Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van denCaaba, doorAbrahamenIsmaël, welke dikwijls, bij uitnemendheid,het huiswordt genoemd.41Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners vanSodomin verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).42Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.43VolgensSavary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?44Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. “Uitgezonderd uwe vrouw;” daar de bedoeling zou zijn, dat hier aanLotwordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.45De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.46Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Het leger vanAraha al Ashramwerd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.47Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen vanMekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.48Ziehoofdstuk VII, vers 83enz.49Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beidâwi).50WantSodomenGomorrawaren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.51Het Arabische woorddaif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ookblind. Sommigen veronderstellen, datShoaïbdit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.52ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.53ZieHoofdstuk VII, vers 101enz.54Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.55Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.56Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beidâwi).57Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zijSalât al moghrebof het avondgebed noemen. (Al Beidâwi).58Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.59Al Beidâwizegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.60Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.61ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.

Elfde Hoofdstuk.Hoed1.Geopenbaard teMekka.—123 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoeden duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen en al wetenden God.2.Opdat gij geen anderen God zoudt dienen (waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u goede tijdingen van hem).3.En dat gij vergiffenis van uwen Heer zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik voor u de straf van den grooten dag.4.Tot God zult gij terugkeeren, en hij is almachtig.5.Leggen zij geene plooien in hunne harten2, ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen.6.Als zij zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij verbergen en wat zij laten zien?7.Want hij kent de binnenste deelen van de harten der menschen3.8.Er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het duidelijke boek van zijne besluiten.9.Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vóór die werden geschapen was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren, en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten.10.Indien gij zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij.11.En waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven, zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen niet omstrikken?12.Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig4en ondankbaar worden.13.En indien wij hem onze gunst doen ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend, en hij zal vroolijk en trotsch worden.14.Uitgenomen zij die met geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen en eene groote belooning ontvangen.15.Wellicht zult gij vergeten, een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal uw hartangstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen.16.Zullen zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien5hoofdstukken voort,door u zelvenuitgedacht gelijk aan dit; en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de waarheid spreekt.17.Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept, u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems worden?18.Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd.19.Zij zijn het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd, behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn.20.Zal hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem6wacht, voorafgegaan door het boek vanMozes7, dat als een leiddraad werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal niet gelooven.21.Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer worden geplaatst, en de getuigen8zullen zeggen: Zij zijn het, die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over de onrechtvaardigen?22.Die de menschen afleiden van Gods weg en dien krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne straf zal verdubbeld worden9. Zijkunnen hooren noch zien.23.Zij zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten.24.Er is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven zullen zijn.25.Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen; eeuwig zullen zij daarin verblijven.26.De overeenkomst der beide gedeelten10is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet nadenken?27.Wij zonden vroegerNoach11tot zijn volk, en hij zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten.28.Opdat gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf van een vreeselijken dag.29.En de opperhoofden van het volk, die niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast oordeel12. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt.30.Noachzeide: O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er afkeerig van zijt?31.O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben13; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt.32.O mijn volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt gij dus niet overwegen?33.Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel14; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn.34.Zij antwoorden: ONoach! gij hebt reeds met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd; daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd, indien gij waarheid spreekt.35.Noachzeide: Waarlijk, God alleen zal die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen verhoeden, noch ontgaan.36.Indien hetGode behaagt u in dwaling te leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij terugkeeren.37.Mochten de bewoners vanMekkazeggen:Mahometheeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht, zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene, waaraan gij schuldig zijt.38.En het werdNoachgeopenbaard, zeggende: Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen.39.Maar maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er toe gedoemd, te verdrinken.40.En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem15; maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk weten.41.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen.42.Zoo hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en de oven water uitgoot16. En wij zeiden totNoach: Breng een paar17van iedere diersoort en uwgezin18in de ark, uitgenomen hij, over wien de straf werd uitgesproken19en zij die gelooven20. Doch behalve enkelen21geloofden zij niet met hem.43.EnNoachzeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt22;want mijn Heer is genadig en barmhartig.44.En de ark dreef met hen tusschen golven als bergen23, enNoachriep zijn zoon24die van hem gescheiden was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de ongeloovigen.45.Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij voor het water zal behoeden.Noachantwooordde: Heden is er geene zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van hen die verdronken.46.En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water, en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den bergAl Jûdi25en er werd gezegd:Weg met de goddeloozen!47.EnNoachriep zijn Heer aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin, en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die oordeelen.48.God antwoordde: ONoach! waarlijk, hij behoort niet tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk26. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik waarschuw u, geen onwetende te worden.49.Noachzeide: O Heer! ik neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal ik tot hen behooren die verdoemd zijn.50.Het werd tot hem gezegd: ONoach! kom uit de ark27met vrede van ons, en zegeningen op u en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen28zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd worden.51.Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren; gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld; want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard.52.En tot den stamAdzonden wij hunnen broederHoed29. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen van uw eigen maaksel op te richten.53.O mijn volk! ik vraag u hiervoor geene belooning; mijne belooningverwacht ik slechts van hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen?54.O mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden30.55.En hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken31; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven.56.Zij antwoordden: OHoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven u niet.57.Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met droefheid hebben getroffen32, en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt.58.Spant dus allen tegen mij samen en draalt niet.59.Want ik stel mijn vertrouwen in God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn haarlok vasthoudt33. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten weg.60.Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard, waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn Heer is de bewaker van alle dingen.61.En toen onze straf kwam, om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wijHoed, en zij die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van eene strenge straf.62.En deze stam vanAdverwierp met voordacht de teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch.63.Daarvoor werden zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: WasAdniet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg metAd, het volk vanHoed?64.En tot den stam vanThamoedzonden wij hunnen broederSaleh34. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed te antwoorden.65.Zij antwoordden: OSaleh! Gij waart een persoon, in wien wij voor dezen onzehoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht.66.Salehzeide: O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten.67.En hij zeide: O mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u geen snelle straf treffe.68.Doch zij doodden haar, enSalehzeide: Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen35, waarna gij verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging.69.En toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wijSalehen hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God.70.Maar een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne woning dood, en voorover liggende gevonden.71.Als hadden zij er nimmer in gewoond.Thamoedgeloofde niet in zijn Heer. WerdThamoedniet ver weg verworpen?72.Ook kwamen onze gezanten36later totAbrahammet goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een gebraden kalf.73.En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet aanraakten37, mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen38, Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk vanLotgezonden.74.En zijne vrouwSarastond er bij en lachte, en zij beloofden haarIzaak, en naIzaak,Jacob.75.Zij zeide: Helaas! zal ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en dezemijn man ook in jaren gevorderd is39? Waarlijk, dit zou een wonder zijn.76.De engelen antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het huisgezin40; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk.77.En toenAbrahamsvreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk vanLot; wantAbrahamwas een zacht, medelijdend en inschikkelijk mensch.78.De engelen zeiden tot hem: OAbraham! onthoud u hiervan; want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om op hen neder te komen.79.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bezorgd om hen41en zijn arm was zwak voor hen42en hij zeide: Dit is een treurige dag.80.En zijn volk kwam tot hem; zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door zonde.Lotzeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u43?81.Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig hebben, en gij weet wel wat wij begeeren.82.Hij zeide: Indien ik kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk doen.83.De engelen zeiden: OLot! waarlijk, wij zijn de gezanten van uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren: maar wat uwe vrouw betreft44, wat over hen zal komen zal ook haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends vervuld worden: Is de ochtend niet nabij?84.En toen ons bevel kwam, keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei45op haarnederregenen, den een na den ander, en zij waren door uwen Heer gemerkt46; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die onrechtvaardig handelen47.85.En totMadianzonden wij hunnen broederShoaïb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat gij in een gelukkigen toestand verkeert48; maar ik vrees voor u de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken.86.O mijn volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door slecht te handelen.87.Het minste deel, dat u zal overblijven als eene belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen, indien gij ware geloovigen zijt.88.Ik ben geen bewaker van u.89.Zij antwoordden: OShoaïb! zijn het uwe gebeden die ugelasten, ons de goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden, of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen49. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen om tot leidsman te strekken.90.Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij, indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij.91.O mijn volk! laat niet de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk aan de wraak die over het volk vanNoach, of het volk vanHoed, of het volk vanSalehkwam. Het einde van het volk vanLotis niet zeer ver van u verwijderd50.92.Vraag dus vergiffenis van uwen Heer, en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk.93.Zij antwoordden: OShoaïb! wij verstaan niet veel van hetgeengij zegt, en wij zien dat gij een man zonder macht51onder ons zijt; indien het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd, en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben.94.Shoaïbzeide: O mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet.95.O mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht arbeiden52. En gij zult vernemen.96.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten.97.Toen dus ons besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wijShoaïben hen die met hem geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden.98.Als hadden zij nimmer op aarde gewoond. WerdMadianniet van de aarde verdreven, terwijlThamoeddaarvan verwijderd werd?99.En wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en duidelijke kracht totPharaoen zijne vorsten53; maar deze volgden het bevel vanPharao, hoezeer het bevel vanPharaohen niet op den rechten weg leidde.100.Pharaozal zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen worden.101.Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven zal worden.102.Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest zijn54.103.En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel, toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen val slechts verhaast.104.En zoo was de straf, die door uwen Heer werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne straf is smartelijk en gestreng.105.Waarlijk hierin is een teeken voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd.106.Wij stellen dien niet uit, dantot een vooraf bepaalden tijd.107.Als die dag komt, zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn.108.En zij die ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij weenen en jammeren55.109.Zij zullen daarin zoo lang verwijlen, als de hemelen en de aarde duren56, behalve wat door den Heer, naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer doet wat hem behaagt.110.Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven, als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die niet gestoord zal worden.111.Verkeer dus niet in twijfel, nopens hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan hetgeen hunne vaderen vóór hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal zijn.112.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en daarover rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran.113.Maar aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven; want hij weet zeer goed wat zij doen.114.Wees gij dus onwrikbaar, zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet.115.En neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem zult gij niet geholpen worden.116.Bid dan geregeld des ochtends en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht57; want goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor hen, die nadenken.117.Volhard dus met geduld; want God zal derechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen.118.Waren degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd, welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten58, en waren goddeloozen59,119.En uw Heer was niet geneigd, de steden onrechtvaardig te verwoesten60, welker bewoners zich oprecht gedroegen.120.En indien het uw Heer had behaagd, zou hij alle menschen van éénen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen.121.Alles wat wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning voor de ware geloovigen.122.Zeg tot hen die niet gelooven: handelt overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht61handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af.123.Aan God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem; want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.1Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor,Savary’soverzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijvenHud.2Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.3Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopensMahomette verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?4Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.5Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (ZieHoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.6Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engelGabriël.7Dat daarvan getuigenis draagt.8Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.9Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.10Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.11ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.12Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.13Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.14ZieHoofdstuk VI, vers 50.15Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beidâwi).16Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen teCûfa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats inIndië, of wel teAin wardainMesopotamië(Al Beidâwi). De overstrooming van dezen oven was voorNoachhet teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo’ddinenz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, dieEvagebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aanNoachkwam. (Zied’Herbelot,Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, datMahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met nameZala Cufazouden zijn gestroomd. (ZieHyde,de Rel. Vet. PersarenLord,account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woordtannür, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.17Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche enChristelijke schrijvers(Ebn Ezra,Justin,Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking “zeven en zeven,” en “twee en twee”, het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voorNoachalle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo’ddin).18Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.19Dit was eene ongeloovige zoon vanNoach(Yahya)Canaangenaamd (Jallalo’ddin,Al Beidâwi) ofYam(Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon vanNoachwas, maar de zoon van zijn zoonCham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari,d’Herbelot,Bibl. Oriëntp. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw vanNoach,Waïlagenaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo’ddin,Al Zamakhshari,Al Beidâwi).20DaarNoachsgezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de anderegeloovigenworden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot.)21Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen,Sem,ChamenJapheten hunne vrouwen, en tweeënzeventig andere personen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot).22Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: “Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen,” als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naarNoachdit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: “In den naam van God” (Al Beidâwi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de doorMozesvermelde (Al Beidâwi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, ZieMarracc, inAlcor.p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen.contr.Cels.lib.4. ZieKircherde Arca Noëc. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, datNoachtwee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beidâwi) d’Herbelot p. 675 enEutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beidâwi,Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk vanAdam, dat doorNoachin de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus,apudBarcebham,deParad. Pars. I, Cap.14.Eutych,ubi sup.t. a. pl.,etiamEliezerpirke Cap.23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd datNoachen zijn gezin in de ark waren (Ambros.de Noa et Arca Cop.21)Chamwordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daarCansanin de ark werd voortgebracht (Heidegger,Hist. Patriarch.VI, p. 409).23De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beidâwi).24Zie hierboven de noot opvers 42.25Dit is een van de bergen, waardoorArmenië, ten zuiden, wordt gescheiden vanMesopotamiëen het deel vanAssyrië, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam vanCarduofGarduhebben ontleend. De Grieken noemen dienGordyaeî, of geven er andere namen aan. (ZieBochart,Phaleg lib. I,Cap. 3). De bergal Jûdiwelks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats vanJordiofGiordiwordt geschreven, wordt ookThamaningenaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d’HerbelotBibl. Orient., p. 404 en 676 enAgathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woordthamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek,Diyâr Rabiahkan overzien, nabij de stedenMawsel,FordaenJazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den KhalifOmar Ebn Abd’alaziz, dien hij verkeerdelijkOmar Ebn Khattabnoemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin,Itinerp. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (BerosusapudJosephAntiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (OnkelosetJonathanin Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych.Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren.BerosusenAbydeniusverklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus,apudJosepht. a. pl.Abydenius,apudEuseb.Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieën van de ark zichtbaar, in den tijd vanEpiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph.Haeres18), en men verhaalt, dat keizerHeracliuszich van de stadThamaninop den bergalJûdibegaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin,lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, naChr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (ZieChronic. Dionysii Patriarch.Jacobitar.apudAsseman,Bibl. Orient., tomeII. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den bergMazisinArmeniëbleef, die door de TurkenAgdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten vanErivanligt (Al Beidâwi).26Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.27De Mahommedanen zeggen, datNoachin de ark ging op den 10den vanRajeb, en er op den 10den vanal Moharamuitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd vanNoachsverblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beidâwi,d’Herbelot. t. a. pl.)28Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.29ZieHoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijvenHud.30Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zieHoofdstuk VII, vers 63en volgende).31Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beidâwi).32Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.33Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.34ZieHoofdst. VII, vs 71enz. Sommigen schrijvenThemud.35Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beidâwi).36ZijndeGabriël,Michaël, enIsrafîl(Al Beidâwi,Jallalo’ddinZie Gen. XVIII).37VolgensSavary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: “Vrede zij met u.” hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. ToenAbrahamzag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.38Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.39Al Beidâwischrijft, datSaratoen negentig of negenennegentig jaar oud was, enAbrahamhonderdtwintig.40Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van denCaaba, doorAbrahamenIsmaël, welke dikwijls, bij uitnemendheid,het huiswordt genoemd.41Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners vanSodomin verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).42Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.43VolgensSavary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?44Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. “Uitgezonderd uwe vrouw;” daar de bedoeling zou zijn, dat hier aanLotwordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.45De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.46Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Het leger vanAraha al Ashramwerd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.47Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen vanMekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.48Ziehoofdstuk VII, vers 83enz.49Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beidâwi).50WantSodomenGomorrawaren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.51Het Arabische woorddaif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ookblind. Sommigen veronderstellen, datShoaïbdit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.52ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.53ZieHoofdstuk VII, vers 101enz.54Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.55Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.56Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beidâwi).57Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zijSalât al moghrebof het avondgebed noemen. (Al Beidâwi).58Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.59Al Beidâwizegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.60Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.61ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.

Elfde Hoofdstuk.Hoed1.Geopenbaard teMekka.—123 verzen.

Geopenbaard teMekka.—123 verzen.

Geopenbaard teMekka.—123 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoeden duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen en al wetenden God.2.Opdat gij geen anderen God zoudt dienen (waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u goede tijdingen van hem).3.En dat gij vergiffenis van uwen Heer zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik voor u de straf van den grooten dag.4.Tot God zult gij terugkeeren, en hij is almachtig.5.Leggen zij geene plooien in hunne harten2, ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen.6.Als zij zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij verbergen en wat zij laten zien?7.Want hij kent de binnenste deelen van de harten der menschen3.8.Er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het duidelijke boek van zijne besluiten.9.Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vóór die werden geschapen was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren, en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten.10.Indien gij zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij.11.En waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven, zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen niet omstrikken?12.Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig4en ondankbaar worden.13.En indien wij hem onze gunst doen ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend, en hij zal vroolijk en trotsch worden.14.Uitgenomen zij die met geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen en eene groote belooning ontvangen.15.Wellicht zult gij vergeten, een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal uw hartangstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen.16.Zullen zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien5hoofdstukken voort,door u zelvenuitgedacht gelijk aan dit; en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de waarheid spreekt.17.Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept, u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems worden?18.Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd.19.Zij zijn het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd, behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn.20.Zal hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem6wacht, voorafgegaan door het boek vanMozes7, dat als een leiddraad werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal niet gelooven.21.Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer worden geplaatst, en de getuigen8zullen zeggen: Zij zijn het, die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over de onrechtvaardigen?22.Die de menschen afleiden van Gods weg en dien krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne straf zal verdubbeld worden9. Zijkunnen hooren noch zien.23.Zij zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten.24.Er is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven zullen zijn.25.Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen; eeuwig zullen zij daarin verblijven.26.De overeenkomst der beide gedeelten10is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet nadenken?27.Wij zonden vroegerNoach11tot zijn volk, en hij zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten.28.Opdat gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf van een vreeselijken dag.29.En de opperhoofden van het volk, die niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast oordeel12. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt.30.Noachzeide: O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er afkeerig van zijt?31.O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben13; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt.32.O mijn volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt gij dus niet overwegen?33.Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel14; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn.34.Zij antwoorden: ONoach! gij hebt reeds met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd; daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd, indien gij waarheid spreekt.35.Noachzeide: Waarlijk, God alleen zal die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen verhoeden, noch ontgaan.36.Indien hetGode behaagt u in dwaling te leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij terugkeeren.37.Mochten de bewoners vanMekkazeggen:Mahometheeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht, zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene, waaraan gij schuldig zijt.38.En het werdNoachgeopenbaard, zeggende: Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen.39.Maar maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er toe gedoemd, te verdrinken.40.En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem15; maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk weten.41.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen.42.Zoo hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en de oven water uitgoot16. En wij zeiden totNoach: Breng een paar17van iedere diersoort en uwgezin18in de ark, uitgenomen hij, over wien de straf werd uitgesproken19en zij die gelooven20. Doch behalve enkelen21geloofden zij niet met hem.43.EnNoachzeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt22;want mijn Heer is genadig en barmhartig.44.En de ark dreef met hen tusschen golven als bergen23, enNoachriep zijn zoon24die van hem gescheiden was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de ongeloovigen.45.Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij voor het water zal behoeden.Noachantwooordde: Heden is er geene zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van hen die verdronken.46.En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water, en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den bergAl Jûdi25en er werd gezegd:Weg met de goddeloozen!47.EnNoachriep zijn Heer aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin, en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die oordeelen.48.God antwoordde: ONoach! waarlijk, hij behoort niet tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk26. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik waarschuw u, geen onwetende te worden.49.Noachzeide: O Heer! ik neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal ik tot hen behooren die verdoemd zijn.50.Het werd tot hem gezegd: ONoach! kom uit de ark27met vrede van ons, en zegeningen op u en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen28zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd worden.51.Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren; gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld; want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard.52.En tot den stamAdzonden wij hunnen broederHoed29. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen van uw eigen maaksel op te richten.53.O mijn volk! ik vraag u hiervoor geene belooning; mijne belooningverwacht ik slechts van hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen?54.O mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden30.55.En hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken31; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven.56.Zij antwoordden: OHoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven u niet.57.Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met droefheid hebben getroffen32, en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt.58.Spant dus allen tegen mij samen en draalt niet.59.Want ik stel mijn vertrouwen in God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn haarlok vasthoudt33. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten weg.60.Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard, waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn Heer is de bewaker van alle dingen.61.En toen onze straf kwam, om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wijHoed, en zij die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van eene strenge straf.62.En deze stam vanAdverwierp met voordacht de teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch.63.Daarvoor werden zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: WasAdniet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg metAd, het volk vanHoed?64.En tot den stam vanThamoedzonden wij hunnen broederSaleh34. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed te antwoorden.65.Zij antwoordden: OSaleh! Gij waart een persoon, in wien wij voor dezen onzehoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht.66.Salehzeide: O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten.67.En hij zeide: O mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u geen snelle straf treffe.68.Doch zij doodden haar, enSalehzeide: Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen35, waarna gij verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging.69.En toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wijSalehen hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God.70.Maar een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne woning dood, en voorover liggende gevonden.71.Als hadden zij er nimmer in gewoond.Thamoedgeloofde niet in zijn Heer. WerdThamoedniet ver weg verworpen?72.Ook kwamen onze gezanten36later totAbrahammet goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een gebraden kalf.73.En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet aanraakten37, mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen38, Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk vanLotgezonden.74.En zijne vrouwSarastond er bij en lachte, en zij beloofden haarIzaak, en naIzaak,Jacob.75.Zij zeide: Helaas! zal ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en dezemijn man ook in jaren gevorderd is39? Waarlijk, dit zou een wonder zijn.76.De engelen antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het huisgezin40; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk.77.En toenAbrahamsvreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk vanLot; wantAbrahamwas een zacht, medelijdend en inschikkelijk mensch.78.De engelen zeiden tot hem: OAbraham! onthoud u hiervan; want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om op hen neder te komen.79.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bezorgd om hen41en zijn arm was zwak voor hen42en hij zeide: Dit is een treurige dag.80.En zijn volk kwam tot hem; zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door zonde.Lotzeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u43?81.Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig hebben, en gij weet wel wat wij begeeren.82.Hij zeide: Indien ik kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk doen.83.De engelen zeiden: OLot! waarlijk, wij zijn de gezanten van uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren: maar wat uwe vrouw betreft44, wat over hen zal komen zal ook haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends vervuld worden: Is de ochtend niet nabij?84.En toen ons bevel kwam, keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei45op haarnederregenen, den een na den ander, en zij waren door uwen Heer gemerkt46; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die onrechtvaardig handelen47.85.En totMadianzonden wij hunnen broederShoaïb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat gij in een gelukkigen toestand verkeert48; maar ik vrees voor u de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken.86.O mijn volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door slecht te handelen.87.Het minste deel, dat u zal overblijven als eene belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen, indien gij ware geloovigen zijt.88.Ik ben geen bewaker van u.89.Zij antwoordden: OShoaïb! zijn het uwe gebeden die ugelasten, ons de goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden, of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen49. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen om tot leidsman te strekken.90.Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij, indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij.91.O mijn volk! laat niet de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk aan de wraak die over het volk vanNoach, of het volk vanHoed, of het volk vanSalehkwam. Het einde van het volk vanLotis niet zeer ver van u verwijderd50.92.Vraag dus vergiffenis van uwen Heer, en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk.93.Zij antwoordden: OShoaïb! wij verstaan niet veel van hetgeengij zegt, en wij zien dat gij een man zonder macht51onder ons zijt; indien het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd, en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben.94.Shoaïbzeide: O mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet.95.O mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht arbeiden52. En gij zult vernemen.96.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten.97.Toen dus ons besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wijShoaïben hen die met hem geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden.98.Als hadden zij nimmer op aarde gewoond. WerdMadianniet van de aarde verdreven, terwijlThamoeddaarvan verwijderd werd?99.En wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en duidelijke kracht totPharaoen zijne vorsten53; maar deze volgden het bevel vanPharao, hoezeer het bevel vanPharaohen niet op den rechten weg leidde.100.Pharaozal zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen worden.101.Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven zal worden.102.Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest zijn54.103.En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel, toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen val slechts verhaast.104.En zoo was de straf, die door uwen Heer werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne straf is smartelijk en gestreng.105.Waarlijk hierin is een teeken voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd.106.Wij stellen dien niet uit, dantot een vooraf bepaalden tijd.107.Als die dag komt, zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn.108.En zij die ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij weenen en jammeren55.109.Zij zullen daarin zoo lang verwijlen, als de hemelen en de aarde duren56, behalve wat door den Heer, naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer doet wat hem behaagt.110.Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven, als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die niet gestoord zal worden.111.Verkeer dus niet in twijfel, nopens hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan hetgeen hunne vaderen vóór hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal zijn.112.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en daarover rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran.113.Maar aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven; want hij weet zeer goed wat zij doen.114.Wees gij dus onwrikbaar, zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet.115.En neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem zult gij niet geholpen worden.116.Bid dan geregeld des ochtends en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht57; want goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor hen, die nadenken.117.Volhard dus met geduld; want God zal derechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen.118.Waren degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd, welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten58, en waren goddeloozen59,119.En uw Heer was niet geneigd, de steden onrechtvaardig te verwoesten60, welker bewoners zich oprecht gedroegen.120.En indien het uw Heer had behaagd, zou hij alle menschen van éénen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen.121.Alles wat wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning voor de ware geloovigen.122.Zeg tot hen die niet gelooven: handelt overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht61handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af.123.Aan God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem; want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.

1.Al R. Dit boek waarvan de verzen voor verdraaiing behoeden duidelijk zijn verklaard, is eene openbaring van den wijzen en al wetenden God.2.Opdat gij geen anderen God zoudt dienen (waarlijk, ik ben een aanwijzer van bedreigingen, doch ik breng u goede tijdingen van hem).3.En dat gij vergiffenis van uwen Heer zoudt vragen en daarna tot hem gewend worden. Hij zal u van een goed deel doen genieten, tot een vooraf bepaalden tijd, en aan iedereen die dit door goede daden heeft verdiend, zal hij zijne overvloedige belooning schenken. Maar indien gij u afwendt, waarlijk, dan vrees ik voor u de straf van den grooten dag.4.Tot God zult gij terugkeeren, en hij is almachtig.5.Leggen zij geene plooien in hunne harten2, ten einde hunne voornemens voor hem te verbergen.6.Als zij zich zelven met hunne kleederen bedekken, kent hij dan niet wat zij verbergen en wat zij laten zien?7.Want hij kent de binnenste deelen van de harten der menschen3.8.Er is geen schepsel dat op aarde kruipt, of God voorziet het van voedsel, en hij kent zijne woning en de plaats waar het zich verbergt. Het geheel is geschreven in het duidelijke boek van zijne besluiten.9.Hij is het, die de hemelen en de aarde in zes dagen heeft geschapen (maar vóór die werden geschapen was zijn troon boven de wateren), ten einde u bewijzen te leveren, en te zien wie van u in goede daden wilde uitmunten.10.Indien gij zegt, dat gij na den dood zekerlijk zult worden opgewekt, zullen de ongeloovigen zeggen: Dit is slechts duidelijke tooverij.11.En waarlijk, indien wij hunne straf tot een bepaalden tijd verschuiven, zullen zij zeggen: Wat belet, dat dit reeds nu geschiede? Zal zij dan niet over hen komen op een dag, waarop niemand aanwezig zal zijn om die van hen af te wenden, en zal datgene wat zij hebben bespot, hen niet omstrikken?12.Waarlijk, indien wij den mensch van onze genade doen proeven, en daarna van hem aftrekken, zal hij zeker wanhopig4en ondankbaar worden.13.En indien wij hem onze gunst doen ondervinden, nadat hem een ongeval is overkomen, zal hij zekerlijk zeggen: De ongevallen die mij zijn overkomen, zijn van mij afgewend, en hij zal vroolijk en trotsch worden.14.Uitgenomen zij die met geduld volharden, en doen wat goed is; zij zullen vergiffenis krijgen en eene groote belooning ontvangen.15.Wellicht zult gij vergeten, een deel te openbaren van datgene, wat u werd geopenbaard, en zal uw hartangstig worden, tot zij zeggen; Zoolang hem geen schat wordt nedergezonden, of een engel met hem komt, om hem tot getuige te verstrekken, zullen wij niet gelooven. Waarlijk, gij alleen zijt een aankondiger, en God is de beheerscher van alle dingen.16.Zullen zij zeggen: Hij heeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Brengt dan tien5hoofdstukken voort,door u zelvenuitgedacht gelijk aan dit; en roept aan wien gij wilt om u te helpen, behalve God, indien gij de waarheid spreekt.17.Maar indien zij, die gij tot uwe hulp roept, u niet hooren, weet dan, dat dit boek slechts door Gods kennis is geopenbaard, en dat er geen God buiten hem is. Wilt gij dus Moslems worden?18.Zij die het tegenwoordige leven met zijne uiterlijke pracht kiezen, hun zullen wij de belooning hunner werken in dit leven schenken, en deze zal voor hen niet worden verminderd.19.Zij zijn het, voor wie geene andere vergelding in het volgende leven is bestemd, behalve het hellevuur. Wat zij in dit leven hebben gedaan zal verloren gaan, en datgene wat zij hebben verricht, zal ijdel zijn.20.Zal hij dus vergeleken worden met hem, die de duidelijke verklaring van zijn heer volgt en wien eene getuigenis van hem6wacht, voorafgegaan door het boek vanMozes7, dat als een leiddraad werd geopenbaard en uit genade voor het menschelijk geslacht? Deze gelooven in den Koran; maar wie der verbonden ongeloovigen daarin niet gelooft, wordt met het hellevuur bedreigd, en die bedreiging zal zeker worden verwezenlijkt. Voed dus geen twijfel daaromtrent; want het is de waarheid van uwen Heer; maar het grootste deel der menschen zal niet gelooven.21.Wie is onrechtvaardiger dan hij, die eene leugen tegen God uitdenkt? Zij zullen op den dag der opstanding voor den Heer worden geplaatst, en de getuigen8zullen zeggen: Zij zijn het, die leugens tegen hunnen Heer uitdenken. Zal Gods vloek niet komen over de onrechtvaardigen?22.Die de menschen afleiden van Gods weg en dien krom trachten te maken, en niet in het volgende leven gelooven? Zij waren niet in staat om op aarde Gods macht tegen te gaan, noch om zijne straf te ontduiken; nimmer hadden zij eenigen schuts buiten God: hunne straf zal verdubbeld worden9. Zijkunnen hooren noch zien.23.Zij zijn het, die hunne zielen in het verderf hebben gestort, en de afgoden die zij valschelijk uitdachten, hebben hen verlaten.24.Er is geen twijfel aan, dat zij de ellendigsten in het volgende leven zullen zijn.25.Maar zij die gelooven en goede daden verrichten, en zich voor hunnen Heer verootmoedigen, zullen het paradijs bewonen; eeuwig zullen zij daarin verblijven.26.De overeenkomst der beide gedeelten10is als de blinde en de doove, en als hij die ziet en hoort. Zouden zij als gelijken beschouwd worden? Zoudt gij dus niet nadenken?27.Wij zonden vroegerNoach11tot zijn volk, en hij zeide: Waarlijk, ik ben belast, u duidelijk te onderrichten.28.Opdat gij God alleen zoudt aanbidden. Waarlijk, ik ducht voor u de straf van een vreeselijken dag.29.En de opperhoofden van het volk, die niet geloofden, antwoordden: Wij zien, dat gij slechts een mensch zijt gelijk aan ons en wij zien niet dat u iemand volgt, behalve zij, die de laagsten van ons zijn; die in u hebben geloofd door een overhaast oordeel12. Wij bespeuren geene verdienste in u boven ons; maar wij houden het er voor, dat gij alle leugenaars zijt.30.Noachzeide: O mijn volk: zeg mij: Indien ik eene duidelijke verklaring van mijnen Heer heb ontvangen en hij mij zijne genade heeft geschonken, en deze voor u verborgen is, willen wij u die dan opdringen, terwijl gij er afkeerig van zijt?31.O mijn volk! ik vraag geene rijkdommen van u, voor het onderricht dat ik u heb gegeven; mijne belooning komt alleen van God. Ik wil degenen niet verdrijven die geloofd hebben13; waarlijk, zij zullen voor hunnen Heer verschijnen op den dag der opstanding; maar ik zie dat gij onwetenden zijt.32.O mijn volk! wie zal mij tegen God bijstaan, indien ik hen verdrijf? Wilt gij dus niet overwegen?33.Ik zeg u niet: De schatten van God zijn in mijne macht, noch zeg ik: Ik ken Gods geheimen, noch zeg ik: Waarlijk ik ben een engel14; noch zeg ik van degenen op welke gij verachtende blikken slaat: God zal hun op geenerlei wijze goed doen (God weet het beste wat in hunne zielen is); want dan zou ik zekerlijk een onrechtvaardige zijn.34.Zij antwoorden: ONoach! gij hebt reeds met ons getwist, en hebt de twisten tusschen ons vermenigvuldigd; daarom breng thans de straf over ons, waarmede gij ons hebt bedreigd, indien gij waarheid spreekt.35.Noachzeide: Waarlijk, God alleen zal die over u brengen, indien het hem behaagt, en gij zult die niet kunnen verhoeden, noch ontgaan.36.Indien hetGode behaagt u in dwaling te leiden, zal mijn raad nimmer u tot voordeel kunnen strekken, hoewel ik tracht u ten goede te raden. Hij is uw Heer, en tot hem zult gij terugkeeren.37.Mochten de bewoners vanMekkazeggen:Mahometheeft den Koran uitgedacht? Antwoord: Indien ik dien hebbe uitgedacht, zal de schuld op mij komen, en laat mij onschuldig zijn aan datgene, waaraan gij schuldig zijt.38.En het werdNoachgeopenbaard, zeggende: Waarlijk, niemand van uw volk zal gelooven, behalve hij die reeds heeft geloofd; wees dus niet bedroefd, om hetgeen zij doen.39.Maar maak eene ark in onze tegenwoordigheid, overeenkomstig den vorm en de afmetingen welke wij u hebben geopenbaard; en spreek niet tot mij ten behoeve van hen, die onrechtvaardig hebben gehandeld; want zij zijn er toe gedoemd, te verdrinken.40.En hij bouwde de ark (en zoo dikwijls eenigen van zijn volk hem voorbij gingen, bespotten zij hem15; maar hij zeide tot hen: Ofschoon gij ons nu bespot, zullen wij u later bespotten, gelijk gij ons bespot, gij spot, doch gij zult zekerlijk weten.41.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en op wien eene voortdurende straf zal vallen.42.Zoo hielden zij zich bezig, tot onze straf ten uitvoer werd gebracht, en de oven water uitgoot16. En wij zeiden totNoach: Breng een paar17van iedere diersoort en uwgezin18in de ark, uitgenomen hij, over wien de straf werd uitgesproken19en zij die gelooven20. Doch behalve enkelen21geloofden zij niet met hem.43.EnNoachzeide tot hen: scheept u in, in den naam van God; terwijl het schip vooruitgaat en terwijl het stil ligt22;want mijn Heer is genadig en barmhartig.44.En de ark dreef met hen tusschen golven als bergen23, enNoachriep zijn zoon24die van hem gescheiden was, zeggende: Scheep u met ons in, mijn zoon, en blijf niet bij de ongeloovigen.45.Hij antwoordde: Ik wil op een berg gaan, die mij voor het water zal behoeden.Noachantwooordde: Heden is er geene zekerheid voor Gods besluit, uitgenomen voor hem, voor wien hij genade zal hebben. En eene golf ging tusschen hen door, en hij was een van hen die verdronken.46.En het werd gezegd: O aarde, zwelg uwe wateren op, en gij, o hemel, houd uw regen terug! En dadelijk zakte het water, en het besluit was vervuld, en de ark bleef op den bergAl Jûdi25en er werd gezegd:Weg met de goddeloozen!47.EnNoachriep zijn Heer aan, en zeide: O Heer! waarlijk, mijn zoon behoort tot mijn gezin, en uwe belofte is waar; want gij zijt de rechtvaardigste van hen die oordeelen.48.God antwoordde: ONoach! waarlijk, hij behoort niet tot uw gezin; uwe tusschenkomst voor hem is geen rechtvaardig werk26. Vraag dus niet van mij, waarvan gij geene kennis hebt; ik waarschuw u, geen onwetende te worden.49.Noachzeide: O Heer! ik neem mijne toevlucht tot u; onthef mij er van, u te vragen wat ik niet weet; en tot gij mij vergeeft en barmhartig voor mij zijt, zal ik tot hen behooren die verdoemd zijn.50.Het werd tot hem gezegd: ONoach! kom uit de ark27met vrede van ons, en zegeningen op u en op een deel van hen, die met u zijn; maar een deel van hen28zullen wij van de geneugten dezer wereld doen genieten, en daarna zal hun eene gestrenge straf in het volgende leven door ons opgelegd worden.51.Dit is eene geheime geschiedenis, die wij u openbaren; gij kendet die niet, noch uw volk voor dezen; volhard dus met geduld; want een gelukkig uiteinde is voor de godvruchtigen bewaard.52.En tot den stamAdzonden wij hunnen broederHoed29. Hij zeide: O, mijn volk! aanbid God! gij hebt geen God, behalve hem. Gij denkt slechts valschheid uit, door afgodsbeelden en tusschenpersonen van uw eigen maaksel op te richten.53.O mijn volk! ik vraag u hiervoor geene belooning; mijne belooningverwacht ik slechts van hem, die mij heeft geschapen. Wilt gij dus niet begrijpen?54.O mijn volk! vraag vergiffenis van uwen Heer en wend u tot hem; hij zal een overvloedigen regen uit den hemel op u nederzenden30.55.En hij zal uwe kracht vermeerderen, door u nog verder kracht te schenken31; wend u dus niet af, om kwaad te bedrijven.56.Zij antwoordden: OHoed! gij hebt ons geen bewijs gebracht van hetgeen gij meldt: wij willen dus onze goden niet verlaten, om hetgeen gij zegt: wij gelooven u niet.57.Wij zeggen niet anders, dan dat sommige onzer goden u met droefheid hebben getroffen32, en hij antwoordde: Waarlijk, ik roep God tot getuige, en legt ook gij getuigenis af, dat ik onschuldig er aan ben, dat gij andere goden met God vereenigt.58.Spant dus allen tegen mij samen en draalt niet.59.Want ik stel mijn vertrouwen in God, mijn en uw Heer. Er is geen dier dat hij niet van voren bij zijn haarlok vasthoudt33. Waarlijk, mijn Heer bewandelt den rechten weg.60.Maar indien gij u afwendt, heb ik u reeds datgene verklaard, waarmede ik tot u werd gezonden, en mijn Heer zal een ander volk in uwe plaats stellen, en gij zult hem volstrekt niet deren, want mijn Heer is de bewaker van alle dingen.61.En toen onze straf kwam, om ten uitvoer gebracht te worden, bevrijdden wijHoed, en zij die met hem hadden geloofd, door onze genade, en wij bevrijdden hen van eene strenge straf.62.En deze stam vanAdverwierp met voordacht de teekens van zijnen Heer, was ongehoorzaam aan zijne gezanten, en volgde het bevel van ieder oproerig en bedorven mensch.63.Daarvoor werden zij in deze wereld door een vloek vervolgd, en zij zullen daardoor ook op den dag der opstanding vervolgd worden, met den toeroep: WasAdniet ongeloovig omtrent zijn Heer? Werd er niet gezegd: Weg metAd, het volk vanHoed?64.En tot den stam vanThamoedzonden wij hunnen broederSaleh34. Hij zeide tot hen: O mijn volk! aanbid God, gij hebt geen God buiten hem. Hij is het, die u uit de aarde voortbracht en u eene woning daarop heeft geschonken. Vraag hem dus vergiffenis en wend u tot hem; want mijn Heer is nabij, en gereed te antwoorden.65.Zij antwoordden: OSaleh! Gij waart een persoon, in wien wij voor dezen onzehoop hadden gesteld. Verbiedt gij ons datgene te aanbidden, wat door onze vaderen werd aangebeden? Maar wij verkeeren zekerlijk in twijfel nopens den godsdienst, tot welken gij ons uitnoodigt; als zijnde te recht verdacht.66.Salehzeide: O mijn volk! zeg mij; indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen, en hij mij zijne genade heeft doen genieten, wie zal mij dan ondersteunen tegen Gods wraak, indien ik hem ongehoorzaam ben? Gij zoudt slechts mijn val vergrooten.67.En hij zeide: O mijn volk! deze wijfjes-kameel van God is een teeken voor u; laat haar vrijelijk op Gods aarde weiden en doe haar geen leed, opdat u geen snelle straf treffe.68.Doch zij doodden haar, enSalehzeide: Verblijd u in uwe woningen gedurende drie dagen35, waarna gij verdelgd zult worden. Dit is eene onfeilbare voorzegging.69.En toen ons besluit tot uitvoering komen zou, bevrijdden wijSalehen hen die met hem geloofden, door onze barmhartigheid, van de ongenade van dien dag; want uw Heer is de sterke, de machtige God.70.Maar een vreeselijk onweder kwam uit den hemel op degenen neder, die onrechtvaardig hadden gehandeld, en des morgens werden zij in hunne woning dood, en voorover liggende gevonden.71.Als hadden zij er nimmer in gewoond.Thamoedgeloofde niet in zijn Heer. WerdThamoedniet ver weg verworpen?72.Ook kwamen onze gezanten36later totAbrahammet goede tijdingen. Zij zeiden: Vrede zij met u. En hij antwoordde: En op u zij vrede; en hij draalde niet en bracht een gebraden kalf.73.En toen hij zag dat hunne handen het vleesch niet aanraakten37, mishaagde hem dit en hij voedde vrees voor hen38, Maar zij zeiden Vrees niet; want wij zijn tot het volk vanLotgezonden.74.En zijne vrouwSarastond er bij en lachte, en zij beloofden haarIzaak, en naIzaak,Jacob.75.Zij zeide: Helaas! zal ik een zoon baren, terwijl ik oud ben en dezemijn man ook in jaren gevorderd is39? Waarlijk, dit zou een wonder zijn.76.De engelen antwoordden: Verwondert gij u over de uitkomst van Gods bevel? Gods genade en zijne zegeningen mogen op u zijn, en op de leden van het huisgezin40; want hij is aanbiddenswaardig en roemrijk.77.En toenAbrahamsvreeze was geweken, twistte hij met ons nopens het volk vanLot; wantAbrahamwas een zacht, medelijdend en inschikkelijk mensch.78.De engelen zeiden tot hem: OAbraham! onthoud u hiervan; want thans is het bevel van uwen Heer gekomen, om hunne straf ten uitvoer te brengen, en eene onvermijdelijke straf is gereed, om op hen neder te komen.79.En toen onze gezanten totLotkwamen, was hij bezorgd om hen41en zijn arm was zwak voor hen42en hij zeide: Dit is een treurige dag.80.En zijn volk kwam tot hem; zij vielen op hem aan, en zij waren reeds vroeger schuldig door zonde.Lotzeide tot hen: O mijn volk! deze mijne dochters mocht gij veeleer misbruiken. Vreest dus God, en beschaamt mij niet, door mijne gasten te verongelijken. Is er geen rechtschapen man onder u43?81.Zij antwoordden: Gij weet dat wij uwe dochters niet noodig hebben, en gij weet wel wat wij begeeren.82.Hij zeide: Indien ik kracht genoeg bezat, om u wederstand te bieden, of indien ik mijne toevlucht kon nemen tot een krachtigen steun, zou ik het zekerlijk doen.83.De engelen zeiden: OLot! waarlijk, wij zijn de gezanten van uwen Heer, zij zullen u op geenerlei wijze aanraken. Ga dus heen, met uw gezin, gedurende dezen nacht, en laat zich niemand van u omkeeren: maar wat uwe vrouw betreft44, wat over hen zal komen zal ook haar treffen. Waarlijk, de voorzegging hunner straf zal des ochtends vervuld worden: Is de ochtend niet nabij?84.En toen ons bevel kwam, keerden wij die steden om, en wij lieten steenen van gebakken klei45op haarnederregenen, den een na den ander, en zij waren door uwen Heer gemerkt46; en zij zijn niet ver verwijderd van hen die onrechtvaardig handelen47.85.En totMadianzonden wij hunnen broederShoaïb. Hij zeide: O mijn volk! aanbid God; gij hebt geen God buiten hem; en verminder geen maat of gewicht. Waarlijk, ik zie dat gij in een gelukkigen toestand verkeert48; maar ik vrees voor u de straf van den dag, die de goddeloozen zal omstrikken.86.O mijn volk! geef volle maat en juist gewicht, en verminder der menschen bezittingen niet; pleeg nimmer onrechtvaardigheid op aarde, door slecht te handelen.87.Het minste deel, dat u zal overblijven als eene belooning van God, nadat gij rechtvaardig omtrent anderen zult hebben gehandeld, zal beter voor u zijn, dan rijkdom door bedrog verkregen, indien gij ware geloovigen zijt.88.Ik ben geen bewaker van u.89.Zij antwoordden: OShoaïb! zijn het uwe gebeden die ugelasten, ons de goden te doen verlaten, welke door onze vaderen werden aangebeden, of dat wij met onze bezittingen niet zouden doen, wat wij verkiezen49. Gij alleen zijt, naar het schijnt, de wijze man, en geschapen om tot leidsman te strekken.90.Hij zeide: O mijn volk! Zeg mij, indien ik eene duidelijke verklaring van mijn Heer heb ontvangen en hij mij een schoon deel zijner gaven heeft geschonken, en ik u niet wil veroorloven wat hij heeft verboden, zoek ik dan iets anders dan uwe verbetering, met al mijne macht? Mijn steun is God alleen; in hem vertrouw ik, en tot hem wend ik mij.91.O mijn volk! laat niet de tegenstand dien gij mij biedt, eene wraak over u brengen, gelijk aan de wraak die over het volk vanNoach, of het volk vanHoed, of het volk vanSalehkwam. Het einde van het volk vanLotis niet zeer ver van u verwijderd50.92.Vraag dus vergiffenis van uwen Heer, en wend u tot hem; want mijn Heer is genadig en liefderijk.93.Zij antwoordden: OShoaïb! wij verstaan niet veel van hetgeengij zegt, en wij zien dat gij een man zonder macht51onder ons zijt; indien het niet om uw gezin ware, zouden wij u zekerlijk hebben gesteenigd, en gij zoudt niet de overhand op ons gehad hebben.94.Shoaïbzeide: O mijn volk! is mijn gezin naar uw oordeel meer waardig dan God? en werpt gij hem zorgeloos achter u? Waarlijk, God begrijpt wat gij doet.95.O mijn volk! arbeid naar uwen aard, ik zal zekerlijk naar mijnen plicht arbeiden52. En gij zult vernemen.96.Wien eene straf zal worden opgelegd, die hem met schaamte zal bedekken, en wie een leugenaar is. Wacht dus het uur; want ook ik zal met u wachten.97.Toen dus ons besluit tot uitvoering kwam, bevrijdden wijShoaïben hen die met hem geloofden, door onze genade, en een vreeselijk onweder kwam neder op hen, die onrechtvaardig hadden gehandeld; en des ochtends werden zij dood in hunne huizen, en voorover liggende gevonden.98.Als hadden zij nimmer op aarde gewoond. WerdMadianniet van de aarde verdreven, terwijlThamoeddaarvan verwijderd werd?99.En wij zonden vroegerMozesmet onze teekens en duidelijke kracht totPharaoen zijne vorsten53; maar deze volgden het bevel vanPharao, hoezeer het bevel vanPharaohen niet op den rechten weg leidde.100.Pharaozal zijn volk voorafgaan op den dag der opstanding, en hij zal hen in de hel voeren. Een ongelukkige weg zal het zijn, waarop zij geleid zullen worden.101.Zij werden in dit leven door een vloek gevolgd, en op den dag der opstanding zal de vergelding ellendig zijn, die hen gegeven zal worden.102.Dit is een deel van de geschiedenis der steden, welke wij u verhalen. Van deze staan sommige, terwijl andere geheel verwoest zijn54.103.En wij behandelden hen niet onrechtvaardig, maar zij handelden onrechtvaardig met hunne eigene zielen; en hunne goden die zij, naast God, aanriepen, waren hun volstrekt niet tot voordeel, toen Gods besluit op hen zou worden uitgevoerd; zij hebben hunnen val slechts verhaast.104.En zoo was de straf, die door uwen Heer werd opgelegd, toen hij de onrechtvaardige steden strafte; want zijne straf is smartelijk en gestreng.105.Waarlijk hierin is een teeken voor dengeen, die de straf van den laatsten dag vreest: dit zal een dag zijn, waarop alle menschen zullen verzameld worden, en dit zal een dag zijn, waarop getuigenis zal worden afgelegd.106.Wij stellen dien niet uit, dantot een vooraf bepaalden tijd.107.Als die dag komt, zal geene ziel spreken om zich zelve te verontschuldigen, noch om voor een ander tusschen beide te treden, dan door Gods verlof. Van hen zal de een ellendig, een ander gelukkig zijn.108.En zij die ellendig zullen zijn, worden in het hellevuur geworpen; daar zullen zij weenen en jammeren55.109.Zij zullen daarin zoo lang verwijlen, als de hemelen en de aarde duren56, behalve wat door den Heer, naar zijn behagen, van hunne straf zal worden afgenomen; want uw Heer doet wat hem behaagt.110.Maar zij die gelukkig zullen zijn, worden in het paradijs toegelaten; zij zullen daarin zoo lang verblijven, als de hemelen, en de aarde voortduren, behalve wat uw Heer, naar hem behaagt, bij hunne gelukzaligheid zal voegen; eene weldadigheid, die niet gestoord zal worden.111.Verkeer dus niet in twijfel, nopens hetgeen deze menschen aanbidden; zij aanbidden niets anders, dan hetgeen hunne vaderen vóór hen aanbaden, en wij zullen hun zekerlijk hun volkomen gedeelte geven, dat volstrekt niets verminderd zal zijn.112.Wij gaven vroeger aanMozeshet boek der wet, en daarover rezen twisten onder zijn volk, en ware niet een voorafgaand besluit van uwen Heer genomen, om gedurende dit leven geduldig nopens hen te zijn, zoo zou het verschil tusschen hen zekerlijk uitgemaakt zijn. En uw volk is ook naijverig en twijfelachtig nopens den Koran.113.Maar aan ieder van hen, zal uw Heer de belooning voor hunne werken geven; want hij weet zeer goed wat zij doen.114.Wees gij dus onwrikbaar, zooals u bevolen is, en laat degeen mede standvastig zijn, die met u wordt bekeerd, en zondig niet, want hij ziet wat hij doet.115.En neig niet tot hen die onrechtvaardig handelen, opdat het hellevuur u niet bereike; want gij hebt geene beschermers behalve God; tegen hem zult gij niet geholpen worden.116.Bid dan geregeld des ochtends en des avonds, en in het voorgedeelte van den nacht57; want goede werken verdrijven de snoode. Dit is eene waarschuwing voor hen, die nadenken.117.Volhard dus met geduld; want God zal derechtvaardigen niet vergelden, door hen te verdoemen.118.Waren degene van de geslachten voor u, begiftigd met verstand en deugd, welke verboden goddeloos op aarde te handelen, meer dan slechts eenigen van hen, welke wij bevrijdden? Maar zij, die onrechtvaardig waren, volgden de geneugten, welke zij op deze wereld genoten58, en waren goddeloozen59,119.En uw Heer was niet geneigd, de steden onrechtvaardig te verwoesten60, welker bewoners zich oprecht gedroegen.120.En indien het uw Heer had behaagd, zou hij alle menschen van éénen godsdienst gemaakt hebben; maar zij zullen niet ophouden onder elkander te verschillen, behalve zij, voor wie uw Heer genade zal hebben. Daartoe heeft hij hen geschapen; want het woord van uwen Heer zal vervuld worden, toen hij zeide: Waarlijk, ik zal de hel met menschen en geniussen beiden vullen.121.Alles wat wij van de geschiedenissen der gezanten hebben verhaald, vertellen wij u, opdat daardoor uw hart moge bevestigd worden; en daardoor is de waarheid tot u gekomen en tevens eene waarschuwing en eene vermaning voor de ware geloovigen.122.Zeg tot hen die niet gelooven: handelt overeenkomstig uwen staat, wij zullen zekerlijk volgens onzen plicht61handelen. Wacht het uur af, want ook wij wachten dit af.123.Aan God is bekend wat in den hemel en op de aarde geheim is, en tot hem zal alles terugkeeren. Aanbidt hem dus en stelt uw vertrouwen in hem; want uw Heer is niet onopmerkzaam voor hetgeen gij doet.

1Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor,Savary’soverzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijvenHud.2Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.3Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopensMahomette verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?4Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.5Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (ZieHoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.6Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engelGabriël.7Dat daarvan getuigenis draagt.8Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.9Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.10Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.11ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.12Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.13Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.14ZieHoofdstuk VI, vers 50.15Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beidâwi).16Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen teCûfa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats inIndië, of wel teAin wardainMesopotamië(Al Beidâwi). De overstrooming van dezen oven was voorNoachhet teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo’ddinenz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, dieEvagebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aanNoachkwam. (Zied’Herbelot,Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, datMahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met nameZala Cufazouden zijn gestroomd. (ZieHyde,de Rel. Vet. PersarenLord,account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woordtannür, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.17Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche enChristelijke schrijvers(Ebn Ezra,Justin,Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking “zeven en zeven,” en “twee en twee”, het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voorNoachalle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo’ddin).18Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.19Dit was eene ongeloovige zoon vanNoach(Yahya)Canaangenaamd (Jallalo’ddin,Al Beidâwi) ofYam(Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon vanNoachwas, maar de zoon van zijn zoonCham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari,d’Herbelot,Bibl. Oriëntp. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw vanNoach,Waïlagenaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo’ddin,Al Zamakhshari,Al Beidâwi).20DaarNoachsgezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de anderegeloovigenworden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot.)21Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen,Sem,ChamenJapheten hunne vrouwen, en tweeënzeventig andere personen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot).22Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: “Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen,” als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naarNoachdit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: “In den naam van God” (Al Beidâwi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de doorMozesvermelde (Al Beidâwi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, ZieMarracc, inAlcor.p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen.contr.Cels.lib.4. ZieKircherde Arca Noëc. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, datNoachtwee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beidâwi) d’Herbelot p. 675 enEutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beidâwi,Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk vanAdam, dat doorNoachin de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus,apudBarcebham,deParad. Pars. I, Cap.14.Eutych,ubi sup.t. a. pl.,etiamEliezerpirke Cap.23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd datNoachen zijn gezin in de ark waren (Ambros.de Noa et Arca Cop.21)Chamwordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daarCansanin de ark werd voortgebracht (Heidegger,Hist. Patriarch.VI, p. 409).23De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beidâwi).24Zie hierboven de noot opvers 42.25Dit is een van de bergen, waardoorArmenië, ten zuiden, wordt gescheiden vanMesopotamiëen het deel vanAssyrië, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam vanCarduofGarduhebben ontleend. De Grieken noemen dienGordyaeî, of geven er andere namen aan. (ZieBochart,Phaleg lib. I,Cap. 3). De bergal Jûdiwelks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats vanJordiofGiordiwordt geschreven, wordt ookThamaningenaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d’HerbelotBibl. Orient., p. 404 en 676 enAgathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woordthamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek,Diyâr Rabiahkan overzien, nabij de stedenMawsel,FordaenJazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den KhalifOmar Ebn Abd’alaziz, dien hij verkeerdelijkOmar Ebn Khattabnoemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin,Itinerp. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (BerosusapudJosephAntiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (OnkelosetJonathanin Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych.Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren.BerosusenAbydeniusverklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus,apudJosepht. a. pl.Abydenius,apudEuseb.Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieën van de ark zichtbaar, in den tijd vanEpiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph.Haeres18), en men verhaalt, dat keizerHeracliuszich van de stadThamaninop den bergalJûdibegaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin,lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, naChr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (ZieChronic. Dionysii Patriarch.Jacobitar.apudAsseman,Bibl. Orient., tomeII. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den bergMazisinArmeniëbleef, die door de TurkenAgdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten vanErivanligt (Al Beidâwi).26Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.27De Mahommedanen zeggen, datNoachin de ark ging op den 10den vanRajeb, en er op den 10den vanal Moharamuitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd vanNoachsverblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beidâwi,d’Herbelot. t. a. pl.)28Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.29ZieHoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijvenHud.30Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zieHoofdstuk VII, vers 63en volgende).31Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beidâwi).32Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.33Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.34ZieHoofdst. VII, vs 71enz. Sommigen schrijvenThemud.35Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beidâwi).36ZijndeGabriël,Michaël, enIsrafîl(Al Beidâwi,Jallalo’ddinZie Gen. XVIII).37VolgensSavary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: “Vrede zij met u.” hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. ToenAbrahamzag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.38Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.39Al Beidâwischrijft, datSaratoen negentig of negenennegentig jaar oud was, enAbrahamhonderdtwintig.40Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van denCaaba, doorAbrahamenIsmaël, welke dikwijls, bij uitnemendheid,het huiswordt genoemd.41Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners vanSodomin verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).42Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.43VolgensSavary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?44Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. “Uitgezonderd uwe vrouw;” daar de bedoeling zou zijn, dat hier aanLotwordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.45De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.46Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Het leger vanAraha al Ashramwerd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.47Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen vanMekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.48Ziehoofdstuk VII, vers 83enz.49Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beidâwi).50WantSodomenGomorrawaren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.51Het Arabische woorddaif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ookblind. Sommigen veronderstellen, datShoaïbdit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.52ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.53ZieHoofdstuk VII, vers 101enz.54Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.55Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.56Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beidâwi).57Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zijSalât al moghrebof het avondgebed noemen. (Al Beidâwi).58Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.59Al Beidâwizegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.60Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.61ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.

1Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor,Savary’soverzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij met hem. Sommigen schrijvenHud.

2Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten niet af, enz.

3Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren, om onze kwaadwilligheid nopensMahomette verbergen, hoe zou hij dan de wetenschap verkrijgen?

4Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen, door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.

5Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen, maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts een enkel hoofdstuk voort te brengen (ZieHoofdstuk II: 21 en X: 39, enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou zijn te vergelijken.

6Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engelGabriël.

7Dat daarvan getuigenis draagt.

8Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.

9Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven, gestraft worden.

10Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.

11ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.

12Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner verbeelding.

13Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen waren.

14ZieHoofdstuk VI, vers 50.

15Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beidâwi).

16Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald, zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen zeggen teCûfa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats inIndië, of wel teAin wardainMesopotamië(Al Beidâwi). De overstrooming van dezen oven was voorNoachhet teeken, dat de zondvloed nabij was (Jallalo’ddinenz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven was, dieEvagebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op patriarch zijn overgegaan, tot zij aanNoachkwam. (Zied’Herbelot,Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, datMahomet, naar alle waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met nameZala Cufazouden zijn gestroomd. (ZieHyde,de Rel. Vet. PersarenLord,account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woordtannür, dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde, of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.

17Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden, twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort, waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche enChristelijke schrijvers(Ebn Ezra,Justin,Martyr, enz.), die van de Hebreeuwsche uitdrukking “zeven en zeven,” en “twee en twee”, het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voorNoachalle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte, zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op de wijfjes nederviel. (Jallalo’ddin).

18Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.

19Dit was eene ongeloovige zoon vanNoach(Yahya)Canaangenaamd (Jallalo’ddin,Al Beidâwi) ofYam(Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter, dat hij niet de zoon vanNoachwas, maar de zoon van zijn zoonCham, of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari,d’Herbelot,Bibl. Oriëntp. 676). De beste uitleggers voegen er bij, dat de vrouw vanNoach,Waïlagenaamd, zijnde eene ongeloovige, mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam (Jallalo’ddin,Al Zamakhshari,Al Beidâwi).

20DaarNoachsgezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men dat door deze woorden, de anderegeloovigenworden bedoeld, welke zijne bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te hebben genomen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot.)

21Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne drie zonen,Sem,ChamenJapheten hunne vrouwen, en tweeënzeventig andere personen. (ZieHoofdstuk VII, vers 62noot).

22Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald: “Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen,” als de gelegenheid dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of stil lag, al naarNoachdit verlangde, alleen door het uitspreken der woorden: “In den naam van God” (Al Beidâwi, enz.) Men dient niet uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de doorMozesvermelde (Al Beidâwi, enz.) niettegenstaande deze door anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, ZieMarracc, inAlcor.p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers (Origen.contr.Cels.lib.4. ZieKircherde Arca Noëc. 8) mede is geschied. Zij verhalen eveneens, datNoachtwee jaren gebruikte om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld (Al Beidâwi) d’Herbelot p. 675 enEutych, p. 34); dat zij in drie verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste voor de vogels (Al Beidâwi,Eutych. p. 34) en dat de mannen van de vrouwen waren afgescheiden door het lijk vanAdam, dat doorNoachin de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus,apudBarcebham,deParad. Pars. I, Cap.14.Eutych,ubi sup.t. a. pl.,etiamEliezerpirke Cap.23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was opgeheven gedurende den tijd datNoachen zijn gezin in de ark waren (Ambros.de Noa et Arca Cop.21)Chamwordt echter beschuldigd de onthouding niet in acht genomen te hebben, daarCansanin de ark werd voortgebracht (Heidegger,Hist. Patriarch.VI, p. 409).

23De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beidâwi).

24Zie hierboven de noot opvers 42.

25Dit is een van de bergen, waardoorArmenië, ten zuiden, wordt gescheiden vanMesopotamiëen het deel vanAssyrië, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam vanCarduofGarduhebben ontleend. De Grieken noemen dienGordyaeî, of geven er andere namen aan. (ZieBochart,Phaleg lib. I,Cap. 3). De bergal Jûdiwelks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats vanJordiofGiordiwordt geschreven, wordt ookThamaningenaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d’HerbelotBibl. Orient., p. 404 en 676 enAgathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woordthamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek,Diyâr Rabiahkan overzien, nabij de stedenMawsel,FordaenJazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den KhalifOmar Ebn Abd’alaziz, dien hij verkeerdelijkOmar Ebn Khattabnoemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin,Itinerp. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (BerosusapudJosephAntiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (OnkelosetJonathanin Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych.Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren.BerosusenAbydeniusverklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus,apudJosepht. a. pl.Abydenius,apudEuseb.Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieën van de ark zichtbaar, in den tijd vanEpiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph.Haeres18), en men verhaalt, dat keizerHeracliuszich van de stadThamaninop den bergalJûdibegaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin,lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, naChr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (ZieChronic. Dionysii Patriarch.Jacobitar.apudAsseman,Bibl. Orient., tomeII. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den bergMazisinArmeniëbleef, die door de TurkenAgdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten vanErivanligt (Al Beidâwi).

26Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.

27De Mahommedanen zeggen, datNoachin de ark ging op den 10den vanRajeb, en er op den 10den vanal Moharamuitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd vanNoachsverblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beidâwi,d’Herbelot. t. a. pl.)

28Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.

29ZieHoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijvenHud.

30Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zieHoofdstuk VII, vers 63en volgende).

31Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beidâwi).

32Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.

33Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.

34ZieHoofdst. VII, vs 71enz. Sommigen schrijvenThemud.

35Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beidâwi).

36ZijndeGabriël,Michaël, enIsrafîl(Al Beidâwi,Jallalo’ddinZie Gen. XVIII).

37VolgensSavary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: “Vrede zij met u.” hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. ToenAbrahamzag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.

38Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.

39Al Beidâwischrijft, datSaratoen negentig of negenennegentig jaar oud was, enAbrahamhonderdtwintig.

40Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van denCaaba, doorAbrahamenIsmaël, welke dikwijls, bij uitnemendheid,het huiswordt genoemd.

41Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners vanSodomin verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo’ddin,Al Beidâwi).

42Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.

43VolgensSavary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?

44Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. “Uitgezonderd uwe vrouw;” daar de bedoeling zou zijn, dat hier aanLotwordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.

45De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.

46Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo’ddin,Al Beidâwi). Het leger vanAraha al Ashramwerd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.

47Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen vanMekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.

48Ziehoofdstuk VII, vers 83enz.

49Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beidâwi).

50WantSodomenGomorrawaren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.

51Het Arabische woorddaif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ookblind. Sommigen veronderstellen, datShoaïbdit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.

52ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.

53ZieHoofdstuk VII, vers 101enz.

54Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.

55Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.

56Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beidâwi).

57Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zijSalât al moghrebof het avondgebed noemen. (Al Beidâwi).

58Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.

59Al Beidâwizegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.

60Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.

61ZieHoofdstuk VI, vers 135en de noot.


Back to IndexNext