Twaalfde Hoofdstuk.Jozef1.Gegeven teMekka2—111 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek:2.Hetwelk wij in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien zoudt verstaan.3.Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis, door u dezen Koran3te openbaren, waarop gij vroeger geen acht hebt geslagen4.4.Jozefzeide tot zijn vader: O mijn vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen mij gehoorzamen.5.Toen zeideJacob: O mijn kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene hinderlaag spreiden5; want de duivel is de verklaarde vijand van den mensch.6.En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden6geven, en hij zal zijnegunst uitstorten op u en op het gezin vanJacob, zooals hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderenAbrahamenIzaak; want uw Heer is alwetend en wijs.7.Waarlijk, in de geschiedenis vanJozefen zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen die vragen.8.Eens zeiden de broeders vanJozeftot elkander:Jozefen diens broeder7zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene duidelijke dwaling8.9.DoodtJozefdus, of verdrijft hem naar een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen zijn9.10.Een van hen10sprak en zeide: DoodtJozefniet en laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger zal hem ophalen, indien gij dit niet doet.11.Zij zeiden totJacob: O vader! waarom vertrouwt gij onsJozefniet toe, daar wij oprecht voor hem zijn en hem goeds toewenschen?12.Zend hem morgen met ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken11en spelen; en wij zullen zijne makkers zijn.13.Jacobantwoordde: Het grieft mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure12, dewijl gij achteloos nopens hem zijt.14.Zij zeiden: Waarlijk indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn13, zouden wij inderdaad zwak wezen14.15.En toen zij hem met zich hadden genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts nederte laten15, voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem eene openbaring16zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gijJozefzijt.16.En zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende.17.Zij zeiden: Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden17; wij hebbenJozefmet onze reisgoederen verlaten, en de wolf heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de waarheid spreken.18.En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk, met ander bloed geverfd.Jacobantwoordde: gij zelf hebt dat in uw eigen belang bedreven18; maar geduld is het beste, en Gods hulp roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat gij mij verhaalt.19.En zekere reizigers kwamen en zonden een man19om water voor hen te halen; en hij liet zijn’ emmer neder20en zeide: goed nieuws21! dat is een jongeling. En zij verborgen hem22, omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God wist wat zij deden.20.En zij verkochten hem voor een lagen prijs: voor eenige stuivers23en stelden weinig waarde in hem.21.En de Egyptenaar, die hem kocht24, zeide tot zijn vrouw25. Gebruik hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als onzen zoon aannemen26. Zoo hebben wij de plaats vanJozefop aarde vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere gezegden;want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het grootste deel der menschen begrijpt het niet.22.En toen hij zijnen ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis; want zoo beloonen wij den rechtvaardigen.23.En zij, in wier huis hij zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk, mijn heer27heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal geen voorspoed genieten.24.Maar zij hield bij hem aan, en hij had dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing van zijnen Heer28. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was.25.En zij begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis of eene pijnlijke straf?26.EnJozefzeide: zij vroeg mij bij haar te liggen. En een getuige van haar gezin29legde getuigenis af, zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de waarheid en is hij een leugenaar.27.Maar indien zijn kleed van achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid.28.En toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is groot.29.OJozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig mensch.30.En zekere vrouwen zeiden in het openbaar30in de stad: De vrouw van den edelman heeft den knechtverzocht hij haar te liggen; hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op een duidelijken dwaalweg is.31.En toen zij het gesprek over haar boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide totJozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij hem zeer.31Zij sneden hunne eigen handen af32en zeiden: O God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied verdient.32.En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten behooren.33.Jozefzeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren.34.Daardoor verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af: want hij hoort en ziet alles.35.En het behaagde hun33, zelfs nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen tijd gevangen te houden.36.En twee van des konings dienaren traden met hem in de gevangenis.34Een van hen35zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen; want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt.37.Jozefantwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen; maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome36. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd; want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven en die het volgende leven loochenen.38.Ik volg den godsdienst mijner vaderen:Abraham,IzaakenJacob. Het is ons niet geoorloofd, iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar.39.O mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware en almachtige God?40.Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts ijdele namen37, die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen, die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het niet.41.O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld.42.EnJozefzeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding vanJozefte maken38,waardoor deze eenige jaren39in de gevangenis bleef.43.En de koning vanEgypte40zeide: waarlijk ik zag in mijn’ droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt mij mijn visioen uit,indien gij in staat zijt dit te doen.44.Zij antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het uitleggen van zulke droomen.45.EnJozefsmedegevangene, die bevrijd was, zeide (want hij herinnerde zichJozef, na verloop van eenigen tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren.46.En hij ging naar de gevangenis en zeide: OJozef! waarheidlievend man, geeft ons de uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de koning in zijn’ droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan.47.Jozefantwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten41, behalve eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten.48.Dan zullen, na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben.49.Dan zal er een jaar komen, dat de menschen veel regen hebben42en de druiven uitpersen zullen.50.En toen de opperschenker dit had overgebracht, zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper totJozefkwam, zeidedeze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af, wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden43; want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen4451.En toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar: Wat was uwe bedoeling45toen gijJozeftot eene onwettige liefde aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een dergenen die waarheid spreken.52.En toenJozefdaarmede bekend was, zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat God den aanslag der bedriegers niet leidt.53.Ik wil mij ook niet volstrekt rechtvaardigen46want iedere ziel is aan het kwaad onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft; want mijn Heer is genadig en barmhartig.54.En de koning zeide: Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen dienst nemen. En toenJozeftot den koning was gevoerd en hij met hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn47.55.Jozefantwoordde: Geef mijhet beheer over de voorraadplaatsen van het land; want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn.56.Zoo plaatsten wijJozefin het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen, waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen die goed handelen.57.En waarlijk, de belooning van het volgende leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen.58.Vervolgens kwamenJozefsbroederen en wendden zich tot hem, en hij herkende hen, doch zij herkenden hem niet.59.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij, den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en dat ik mijne gasten gul ontvang?60.Maar indien gij hem niet tot mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen.61.Zij antwoordden: Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen zekerlijk volvoeren wat gij verlangt.62.EnJozefzeide tot zijne dienaren: Leg hun geld48, dat zij voor hun koren hebben betaald, in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug.63.En toen zij tot hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broederBenjaminmede nemen; zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en, waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden.64.Jacobantwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u vroeger uwen broederJozeftoevertrouwde? Maar God is de beste bewaker, en hij is de barmhartigste.65.En toen zij hunne zakken openden, vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen broeder zorgen, en wijzullen een kameellast meer ontvangen dan den laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid49.66.Jacobzeide: ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen.67.En hij zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ééne poort binnen, maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen, die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen.68.En toen zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de begeerte vanJacobsziel te bevredigen, die het hun had gelast; want hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.69.En toen zij in tegenwoordigheid vanJozefkwamen, ontving hij zijnen broederBenjaminals zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder50; wees dus niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven.70.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker51in den zak van zijn broederBenjamin. En een uitroeper riep hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt dieven.71.Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij?72.Men antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor borg.73.Jozefsbroeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij wel weet, dat wij niet komen om snood in het land52te handelen, en evenzeer dat wij geene dieven zijn.74.De Egyptenaren zeiden: Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt.75.De broeders vanJozefantwoordden: Als eene vergelding voor hem, in wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn: zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal53.76.Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den zak van zijn broeder. Wij verschaftenJozefdeze list. Hij zou zich volgens de wet van den Koning vanEgypteniet van zijn broeder hebben kunnen meester maken54, indien God het niet had veroorloofd. Wij verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd.77.Zijne broeders zeiden: IndienBenjaminschuldig aan diefstal zij, is zijn broederJozefvroeger ook schuldig aan diefstal geweest55. MaarJozefverborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen, en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigentoestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt.78.Zij zeiden totJozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader, neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een edelmoedig mensch zijt.79.Jozefantwoordde: God verhoede, dat wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn.80.En toen zij wanhoopten,Benjaminterug te krijgen, verwijderden zij zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van hen zeide56: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk gij vroeger omtrentJozefhebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei wijze het landEgypteverlaten, tot mijn vader mij verlof geeft, tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt; want hij is de beste rechter.81.Keert tot uwen vader terug, en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd; wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen.82.Onderzoek in de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid spreken.83.En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht; maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug geven: want hij is de alwetende en wijze.84.Hij wendde zich van hen af en zeide: O hoezeer ben ik doorJozefbedroefd! En zijne oogen werden door treuren wit57daar hij door zware droefheid overstelpt was.85.Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer ophouden vanJozefte spreken tot gij aan de poort des doods zijt gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt.86.Hij antwoordde: ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet58.87.O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naarJozefen zijn broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan Gods genade, behalve de ongeloovigen.88.Daarom keerden de broedersvanJozefnaarEgypteterug en toen zij in zijne tegenwoordigheid kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds59gekomen; geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God beloont hen die aalmoezen geven.89.Jozefzeide tot hen: Weet gij wat gij aanJozefen zijn broeder deedt, toen gij niet wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn60?90.Zij antwoordden: Zijt gij werkelijkJozef61? Hij antwoordde: Ik benJozefen dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden; want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren gaan.91.Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest.92.Jozefantwoordde: Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is de genadigste der genadigen.93.Vertrekt met dit mijn onderkleed62, legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin.94.En toen het reisgezelschap vanEgyptewas vertrokken om zijne reis naarCanaänte aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren: Waarlijk, ik bemerk den reuk vanJozef63, hoewel gij denkt dat ik ijl.95.Zij antwoordden:Bij den naam van God, gij verkeert in uwe oude dwaling.96.Maar toen de boodschapper van goede tijdingen64metJozefsonderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug.97.EnJacobzeide: Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist?98.Zij antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons; want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest.99.Hij hernam: Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig en barmhartig.100.En toenJacoben zijn gezin inEgypteaankwamen en bijJozefwaren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich65en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheidEgyptebinnen.101.En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel, en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden hem eerbied66. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn, nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid; want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de alwetende, de wijze God.102.O Heer! gij hebt mij een deel van het koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij met de rechtvaardigen67.103.Dit is eene geheime geschiedenis, die wiju, oMahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart bij de broeders vanJozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel gij het ernstig begeert, niet gelooven.104.Gij zult van hen geene belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen.105.En hoeveel teekens er ook in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden zich af.106.En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder nog schuldig te zijn aan afgodendienarij68.107.Zijn zij er dan van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de nadering niet verwachten?108.Zeg tot de bewoners vanMekka. Dit is mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars.109.Wij zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen69. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus niet begrijpen?110.Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde; maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend.111.Waarlijk, in de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.1De Koreïshieten wildenMahometverstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoeJacobsgezin naarEgyptewas gekomen, en dat hij hun de geschiedenis vanJozefmet al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beidâwi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten—Ajaredieten en Maimoenianen genaamd—als valsch werd verworpen.2VolgensSavary, zegtAl Beidâwi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.3Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woordKoranniets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.4Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. VolgensAl Beidâwiis dit een zeker argument, dat het uit den hemel aanMahometmoet zijn geopenbaard.5Want de uitleggers zeggen, datJacob, die van oordeel was, datJozefsdroom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.6Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.7ZijndeBenjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.8JozefenBenjamingenieten de grootste teederheid vanJacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).9Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.10Zooals sommigen zeggen, was deze persoonJudah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen,Ruben, die door de Mahomedaansche schrijversRubîlwordt genaamd (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal vanMozes, die ons vertelt, datRubenhun ried,Jozefniet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en datJudahdaarna, gedurende de afwezigheid vanRuben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de Ismaëlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)11In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.12De reden waaromJacobdit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hijJozefdoor een dezer dieren zag verscheuren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari.)13VolgensSavary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.14Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.15Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabijJeruzalemof niet ver van de rivier deJordaangelegen; anderen noemen dien echter de put vanEgypteofMidian. De uitleggers verhalen ons, dat, toenJacobszonenJozefnaar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indienJudah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen.Jozefsmeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engelGabriëltot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).16Jozefwas toen slechts zeventien jaar oud.Al Beidâwidoet opmerken, dat hij hier opJohannesden Dooper enJezusgelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, datGabriëlhem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toenAbrahamdoorNimrodin het vuur werd geworpen (ZieHoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en datGabriëldit kleed bracht en het hem omhing; en dat het vanAbrahamopJacobkwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij omJozefshals hing, totGabriëlhet er uittrok (Al Beidâwi,Al Zamakshari.)17Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.18Jacobhad reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beidâwi.)19De uitleggers hier zijn zóó nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij bewerenMalec Ebn Dhorwas, van den stam vanKhozaab(Al Beidâwi.)20EnJozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.21De oorspronkelijke woorden zijn:Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden:O Boshra!22De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoordzijbetrekking heeft opMalecen zijne makkers of op de broeders vanJozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen inEgyptete verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, datJudahiederen dag, doorJozefin den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, enJozefals hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden,Jozefaan hen te verkoopen (Al Beidâwi.)23Namelijk: twintig of tweeëntwintigdirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.24Zijn naam wasKitfîrofItfîr(eene verbastering vanPotiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beidâwi). De uitleggers beweren, datJozefop 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, datJozeftweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 goudendinarswaren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.25Sommigen noemen haarRaïl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die vanZoleikha.26DaarKitfîrgeene kinderen had. Men zegt datJozefde genegenheid zijns meesters, zóó spoedig door zijn voorkomen won, dat, naarKitfîrsmeening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.27ZijndeKitfîr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.28Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, omJozefaf te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engelGabriël, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vaderJacobwas, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya).29Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.30Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijnschenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beidâwi).31De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woordabcarnahomisbruikt, hetgeen zij metmenstruatae suntvertolken, en daarnaMahometbestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking.Erpenius(InNot. ad Hist.Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoordcabarain de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.32Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid vanJozefbij haar te weegbracht.Zoleikhavoorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.33Dat is aanKitfîren zijne vrienden. Men zegt dat de reden vanJozefsgevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, datZoleikhahet begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde datJozefaan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.34Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.35Namelijk de schenker.36De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij datJozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.37ZieHoofdstuk VII, vers 101en de noot.38Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoordhijbetrekking heeft opJozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i.Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beidâwi).39Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zouJozefzeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin)40Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorstRivan, de zoon vanAl Walid, den Amalekiet, die doorJozefbekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat dePharaovanJozefen die vanMozeseen en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beidâwi).41Ten einde het voor de kalander te behouden.42Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, inTimaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte vanEgypteen zelfs heeft men teAlexandriësneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering vanSeneca(Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel vanEgypte, nabij de watervallen van denNijl, regent het zeer zelden (ZieGreavesDescr. of the Pyramids, p. 74 enz.,Ray,Collection of Travels. dl. II, p. 92.)Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke inEthiopiëzouden vallen, en denNijldoen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid vanEgypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.43Het schijnt datJozefniet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, datJozefden boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, datJozefzorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beidâwi, enz.)44Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.45De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen vanJozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid.Savary.46Volgens eene overlevering vanEbn Abbas, hadJozefde voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, ofGabriëlzeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekendeJozefzijne zwakheid (Al Beidâwienz.)47De uitleggers zeggen, datJozefbuiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij metJozefsprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn’ droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daaropJozefnaast hem op den troon en verhief hem tot zijnWezir, ofeersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meesterKitfîr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hemEphraïmen Manassa baarde (Al Beidâwi,Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke doorMozesAsenathwordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde vanJozefenZoleihkagebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied vanSalomoop hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zied’Herbelot, Bibl.Oriënt, art.Jousouf).48Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen entoebereidehuiden betaalden (Al Beidâwi).49De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiën, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden vanJacobwaren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.50Men verhaalt datJozefzijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor wasBenjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broederJozefin leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop bevalJozefhem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geëindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hieldBenjaminechter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroegJozefhem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had.Benjaminhernam daarop: Wie kan een’ broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon vanJacobenRachelniet. Daarop ontdekteJozefzich aan hem (Al Beidâwi).51Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Saâ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.52Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.53Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bijJacoben zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.54Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).55De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende:Jozefwerd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, enJacobhet voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aanAbrahamhad toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bijJozefgevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter datJozefwezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn’ vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden vanLabandoorRachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een’ armen man te geven (Jallalo’ddin).56ZijndeRuben. Sommige beweren echter, dat hier vanSimeonofJudahsprake is, en vertolken het in plaats van met:de oudstemet:de voorzichtigste van hen.57Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beidâwi).58Zijnde, datJozefnog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling vanJozefsdroom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vóór zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beidâwi).59Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beidâwi).60De krenking welke zijBenjaminaandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke doorJozefsbroeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating vanBenjaminwerd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder.De uitleggers doen opmerken, datJozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beidâwi).61Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hijJozefwas, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijnertiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beidâwi).62De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmedeGabriëlhem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).63Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind totJacobgevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtigparasangs(Al Beidâwi) of, zooalsanderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo’ddin).64ZijndeJudah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed vanJozefte brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht vanJozefsvoorspoed was (Al Beidâwi).65Zijnde zijn vader enLea, de zuster zijner moeder, welke hij naRachelsdood als zijne moeder beschouwde, (Al Beidâwi, zie Gen. XXXVII : 10).Al Beidâwi: verhaalt, datJozefvoertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning vanEgyptehen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen Israëls die met hemEgyptebinnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later doorMozeswerden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.66Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vóór dien tijd (Al Beidâwi).67De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, datJacobvier en twintig jaren inEgyptewoonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam inPalestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoeringJozefzorg droeg. Hij keerde daarop naarEgypteterug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschende Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in denNijlte doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toenMozesde Israëlieten uitEgyptevoerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen vanJozefmet zich naarCanaän, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beidâwi).68Mahometbeschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners vanMekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderenHoofdstuk IX, vers 30).69En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beidâwi).
Twaalfde Hoofdstuk.Jozef1.Gegeven teMekka2—111 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek:2.Hetwelk wij in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien zoudt verstaan.3.Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis, door u dezen Koran3te openbaren, waarop gij vroeger geen acht hebt geslagen4.4.Jozefzeide tot zijn vader: O mijn vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen mij gehoorzamen.5.Toen zeideJacob: O mijn kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene hinderlaag spreiden5; want de duivel is de verklaarde vijand van den mensch.6.En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden6geven, en hij zal zijnegunst uitstorten op u en op het gezin vanJacob, zooals hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderenAbrahamenIzaak; want uw Heer is alwetend en wijs.7.Waarlijk, in de geschiedenis vanJozefen zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen die vragen.8.Eens zeiden de broeders vanJozeftot elkander:Jozefen diens broeder7zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene duidelijke dwaling8.9.DoodtJozefdus, of verdrijft hem naar een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen zijn9.10.Een van hen10sprak en zeide: DoodtJozefniet en laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger zal hem ophalen, indien gij dit niet doet.11.Zij zeiden totJacob: O vader! waarom vertrouwt gij onsJozefniet toe, daar wij oprecht voor hem zijn en hem goeds toewenschen?12.Zend hem morgen met ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken11en spelen; en wij zullen zijne makkers zijn.13.Jacobantwoordde: Het grieft mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure12, dewijl gij achteloos nopens hem zijt.14.Zij zeiden: Waarlijk indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn13, zouden wij inderdaad zwak wezen14.15.En toen zij hem met zich hadden genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts nederte laten15, voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem eene openbaring16zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gijJozefzijt.16.En zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende.17.Zij zeiden: Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden17; wij hebbenJozefmet onze reisgoederen verlaten, en de wolf heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de waarheid spreken.18.En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk, met ander bloed geverfd.Jacobantwoordde: gij zelf hebt dat in uw eigen belang bedreven18; maar geduld is het beste, en Gods hulp roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat gij mij verhaalt.19.En zekere reizigers kwamen en zonden een man19om water voor hen te halen; en hij liet zijn’ emmer neder20en zeide: goed nieuws21! dat is een jongeling. En zij verborgen hem22, omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God wist wat zij deden.20.En zij verkochten hem voor een lagen prijs: voor eenige stuivers23en stelden weinig waarde in hem.21.En de Egyptenaar, die hem kocht24, zeide tot zijn vrouw25. Gebruik hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als onzen zoon aannemen26. Zoo hebben wij de plaats vanJozefop aarde vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere gezegden;want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het grootste deel der menschen begrijpt het niet.22.En toen hij zijnen ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis; want zoo beloonen wij den rechtvaardigen.23.En zij, in wier huis hij zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk, mijn heer27heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal geen voorspoed genieten.24.Maar zij hield bij hem aan, en hij had dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing van zijnen Heer28. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was.25.En zij begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis of eene pijnlijke straf?26.EnJozefzeide: zij vroeg mij bij haar te liggen. En een getuige van haar gezin29legde getuigenis af, zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de waarheid en is hij een leugenaar.27.Maar indien zijn kleed van achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid.28.En toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is groot.29.OJozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig mensch.30.En zekere vrouwen zeiden in het openbaar30in de stad: De vrouw van den edelman heeft den knechtverzocht hij haar te liggen; hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op een duidelijken dwaalweg is.31.En toen zij het gesprek over haar boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide totJozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij hem zeer.31Zij sneden hunne eigen handen af32en zeiden: O God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied verdient.32.En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten behooren.33.Jozefzeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren.34.Daardoor verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af: want hij hoort en ziet alles.35.En het behaagde hun33, zelfs nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen tijd gevangen te houden.36.En twee van des konings dienaren traden met hem in de gevangenis.34Een van hen35zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen; want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt.37.Jozefantwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen; maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome36. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd; want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven en die het volgende leven loochenen.38.Ik volg den godsdienst mijner vaderen:Abraham,IzaakenJacob. Het is ons niet geoorloofd, iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar.39.O mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware en almachtige God?40.Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts ijdele namen37, die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen, die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het niet.41.O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld.42.EnJozefzeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding vanJozefte maken38,waardoor deze eenige jaren39in de gevangenis bleef.43.En de koning vanEgypte40zeide: waarlijk ik zag in mijn’ droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt mij mijn visioen uit,indien gij in staat zijt dit te doen.44.Zij antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het uitleggen van zulke droomen.45.EnJozefsmedegevangene, die bevrijd was, zeide (want hij herinnerde zichJozef, na verloop van eenigen tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren.46.En hij ging naar de gevangenis en zeide: OJozef! waarheidlievend man, geeft ons de uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de koning in zijn’ droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan.47.Jozefantwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten41, behalve eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten.48.Dan zullen, na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben.49.Dan zal er een jaar komen, dat de menschen veel regen hebben42en de druiven uitpersen zullen.50.En toen de opperschenker dit had overgebracht, zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper totJozefkwam, zeidedeze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af, wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden43; want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen4451.En toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar: Wat was uwe bedoeling45toen gijJozeftot eene onwettige liefde aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een dergenen die waarheid spreken.52.En toenJozefdaarmede bekend was, zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat God den aanslag der bedriegers niet leidt.53.Ik wil mij ook niet volstrekt rechtvaardigen46want iedere ziel is aan het kwaad onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft; want mijn Heer is genadig en barmhartig.54.En de koning zeide: Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen dienst nemen. En toenJozeftot den koning was gevoerd en hij met hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn47.55.Jozefantwoordde: Geef mijhet beheer over de voorraadplaatsen van het land; want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn.56.Zoo plaatsten wijJozefin het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen, waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen die goed handelen.57.En waarlijk, de belooning van het volgende leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen.58.Vervolgens kwamenJozefsbroederen en wendden zich tot hem, en hij herkende hen, doch zij herkenden hem niet.59.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij, den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en dat ik mijne gasten gul ontvang?60.Maar indien gij hem niet tot mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen.61.Zij antwoordden: Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen zekerlijk volvoeren wat gij verlangt.62.EnJozefzeide tot zijne dienaren: Leg hun geld48, dat zij voor hun koren hebben betaald, in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug.63.En toen zij tot hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broederBenjaminmede nemen; zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en, waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden.64.Jacobantwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u vroeger uwen broederJozeftoevertrouwde? Maar God is de beste bewaker, en hij is de barmhartigste.65.En toen zij hunne zakken openden, vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen broeder zorgen, en wijzullen een kameellast meer ontvangen dan den laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid49.66.Jacobzeide: ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen.67.En hij zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ééne poort binnen, maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen, die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen.68.En toen zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de begeerte vanJacobsziel te bevredigen, die het hun had gelast; want hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.69.En toen zij in tegenwoordigheid vanJozefkwamen, ontving hij zijnen broederBenjaminals zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder50; wees dus niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven.70.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker51in den zak van zijn broederBenjamin. En een uitroeper riep hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt dieven.71.Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij?72.Men antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor borg.73.Jozefsbroeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij wel weet, dat wij niet komen om snood in het land52te handelen, en evenzeer dat wij geene dieven zijn.74.De Egyptenaren zeiden: Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt.75.De broeders vanJozefantwoordden: Als eene vergelding voor hem, in wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn: zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal53.76.Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den zak van zijn broeder. Wij verschaftenJozefdeze list. Hij zou zich volgens de wet van den Koning vanEgypteniet van zijn broeder hebben kunnen meester maken54, indien God het niet had veroorloofd. Wij verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd.77.Zijne broeders zeiden: IndienBenjaminschuldig aan diefstal zij, is zijn broederJozefvroeger ook schuldig aan diefstal geweest55. MaarJozefverborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen, en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigentoestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt.78.Zij zeiden totJozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader, neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een edelmoedig mensch zijt.79.Jozefantwoordde: God verhoede, dat wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn.80.En toen zij wanhoopten,Benjaminterug te krijgen, verwijderden zij zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van hen zeide56: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk gij vroeger omtrentJozefhebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei wijze het landEgypteverlaten, tot mijn vader mij verlof geeft, tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt; want hij is de beste rechter.81.Keert tot uwen vader terug, en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd; wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen.82.Onderzoek in de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid spreken.83.En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht; maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug geven: want hij is de alwetende en wijze.84.Hij wendde zich van hen af en zeide: O hoezeer ben ik doorJozefbedroefd! En zijne oogen werden door treuren wit57daar hij door zware droefheid overstelpt was.85.Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer ophouden vanJozefte spreken tot gij aan de poort des doods zijt gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt.86.Hij antwoordde: ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet58.87.O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naarJozefen zijn broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan Gods genade, behalve de ongeloovigen.88.Daarom keerden de broedersvanJozefnaarEgypteterug en toen zij in zijne tegenwoordigheid kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds59gekomen; geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God beloont hen die aalmoezen geven.89.Jozefzeide tot hen: Weet gij wat gij aanJozefen zijn broeder deedt, toen gij niet wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn60?90.Zij antwoordden: Zijt gij werkelijkJozef61? Hij antwoordde: Ik benJozefen dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden; want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren gaan.91.Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest.92.Jozefantwoordde: Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is de genadigste der genadigen.93.Vertrekt met dit mijn onderkleed62, legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin.94.En toen het reisgezelschap vanEgyptewas vertrokken om zijne reis naarCanaänte aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren: Waarlijk, ik bemerk den reuk vanJozef63, hoewel gij denkt dat ik ijl.95.Zij antwoordden:Bij den naam van God, gij verkeert in uwe oude dwaling.96.Maar toen de boodschapper van goede tijdingen64metJozefsonderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug.97.EnJacobzeide: Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist?98.Zij antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons; want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest.99.Hij hernam: Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig en barmhartig.100.En toenJacoben zijn gezin inEgypteaankwamen en bijJozefwaren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich65en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheidEgyptebinnen.101.En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel, en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden hem eerbied66. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn, nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid; want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de alwetende, de wijze God.102.O Heer! gij hebt mij een deel van het koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij met de rechtvaardigen67.103.Dit is eene geheime geschiedenis, die wiju, oMahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart bij de broeders vanJozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel gij het ernstig begeert, niet gelooven.104.Gij zult van hen geene belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen.105.En hoeveel teekens er ook in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden zich af.106.En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder nog schuldig te zijn aan afgodendienarij68.107.Zijn zij er dan van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de nadering niet verwachten?108.Zeg tot de bewoners vanMekka. Dit is mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars.109.Wij zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen69. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus niet begrijpen?110.Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde; maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend.111.Waarlijk, in de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.1De Koreïshieten wildenMahometverstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoeJacobsgezin naarEgyptewas gekomen, en dat hij hun de geschiedenis vanJozefmet al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beidâwi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten—Ajaredieten en Maimoenianen genaamd—als valsch werd verworpen.2VolgensSavary, zegtAl Beidâwi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.3Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woordKoranniets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.4Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. VolgensAl Beidâwiis dit een zeker argument, dat het uit den hemel aanMahometmoet zijn geopenbaard.5Want de uitleggers zeggen, datJacob, die van oordeel was, datJozefsdroom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.6Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.7ZijndeBenjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.8JozefenBenjamingenieten de grootste teederheid vanJacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).9Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.10Zooals sommigen zeggen, was deze persoonJudah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen,Ruben, die door de Mahomedaansche schrijversRubîlwordt genaamd (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal vanMozes, die ons vertelt, datRubenhun ried,Jozefniet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en datJudahdaarna, gedurende de afwezigheid vanRuben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de Ismaëlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)11In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.12De reden waaromJacobdit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hijJozefdoor een dezer dieren zag verscheuren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari.)13VolgensSavary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.14Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.15Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabijJeruzalemof niet ver van de rivier deJordaangelegen; anderen noemen dien echter de put vanEgypteofMidian. De uitleggers verhalen ons, dat, toenJacobszonenJozefnaar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indienJudah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen.Jozefsmeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engelGabriëltot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).16Jozefwas toen slechts zeventien jaar oud.Al Beidâwidoet opmerken, dat hij hier opJohannesden Dooper enJezusgelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, datGabriëlhem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toenAbrahamdoorNimrodin het vuur werd geworpen (ZieHoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en datGabriëldit kleed bracht en het hem omhing; en dat het vanAbrahamopJacobkwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij omJozefshals hing, totGabriëlhet er uittrok (Al Beidâwi,Al Zamakshari.)17Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.18Jacobhad reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beidâwi.)19De uitleggers hier zijn zóó nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij bewerenMalec Ebn Dhorwas, van den stam vanKhozaab(Al Beidâwi.)20EnJozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.21De oorspronkelijke woorden zijn:Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden:O Boshra!22De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoordzijbetrekking heeft opMalecen zijne makkers of op de broeders vanJozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen inEgyptete verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, datJudahiederen dag, doorJozefin den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, enJozefals hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden,Jozefaan hen te verkoopen (Al Beidâwi.)23Namelijk: twintig of tweeëntwintigdirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.24Zijn naam wasKitfîrofItfîr(eene verbastering vanPotiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beidâwi). De uitleggers beweren, datJozefop 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, datJozeftweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 goudendinarswaren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.25Sommigen noemen haarRaïl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die vanZoleikha.26DaarKitfîrgeene kinderen had. Men zegt datJozefde genegenheid zijns meesters, zóó spoedig door zijn voorkomen won, dat, naarKitfîrsmeening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.27ZijndeKitfîr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.28Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, omJozefaf te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engelGabriël, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vaderJacobwas, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya).29Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.30Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijnschenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beidâwi).31De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woordabcarnahomisbruikt, hetgeen zij metmenstruatae suntvertolken, en daarnaMahometbestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking.Erpenius(InNot. ad Hist.Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoordcabarain de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.32Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid vanJozefbij haar te weegbracht.Zoleikhavoorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.33Dat is aanKitfîren zijne vrienden. Men zegt dat de reden vanJozefsgevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, datZoleikhahet begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde datJozefaan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.34Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.35Namelijk de schenker.36De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij datJozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.37ZieHoofdstuk VII, vers 101en de noot.38Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoordhijbetrekking heeft opJozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i.Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beidâwi).39Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zouJozefzeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin)40Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorstRivan, de zoon vanAl Walid, den Amalekiet, die doorJozefbekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat dePharaovanJozefen die vanMozeseen en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beidâwi).41Ten einde het voor de kalander te behouden.42Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, inTimaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte vanEgypteen zelfs heeft men teAlexandriësneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering vanSeneca(Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel vanEgypte, nabij de watervallen van denNijl, regent het zeer zelden (ZieGreavesDescr. of the Pyramids, p. 74 enz.,Ray,Collection of Travels. dl. II, p. 92.)Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke inEthiopiëzouden vallen, en denNijldoen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid vanEgypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.43Het schijnt datJozefniet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, datJozefden boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, datJozefzorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beidâwi, enz.)44Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.45De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen vanJozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid.Savary.46Volgens eene overlevering vanEbn Abbas, hadJozefde voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, ofGabriëlzeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekendeJozefzijne zwakheid (Al Beidâwienz.)47De uitleggers zeggen, datJozefbuiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij metJozefsprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn’ droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daaropJozefnaast hem op den troon en verhief hem tot zijnWezir, ofeersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meesterKitfîr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hemEphraïmen Manassa baarde (Al Beidâwi,Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke doorMozesAsenathwordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde vanJozefenZoleihkagebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied vanSalomoop hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zied’Herbelot, Bibl.Oriënt, art.Jousouf).48Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen entoebereidehuiden betaalden (Al Beidâwi).49De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiën, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden vanJacobwaren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.50Men verhaalt datJozefzijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor wasBenjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broederJozefin leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop bevalJozefhem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geëindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hieldBenjaminechter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroegJozefhem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had.Benjaminhernam daarop: Wie kan een’ broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon vanJacobenRachelniet. Daarop ontdekteJozefzich aan hem (Al Beidâwi).51Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Saâ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.52Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.53Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bijJacoben zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.54Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).55De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende:Jozefwerd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, enJacobhet voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aanAbrahamhad toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bijJozefgevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter datJozefwezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn’ vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden vanLabandoorRachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een’ armen man te geven (Jallalo’ddin).56ZijndeRuben. Sommige beweren echter, dat hier vanSimeonofJudahsprake is, en vertolken het in plaats van met:de oudstemet:de voorzichtigste van hen.57Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beidâwi).58Zijnde, datJozefnog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling vanJozefsdroom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vóór zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beidâwi).59Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beidâwi).60De krenking welke zijBenjaminaandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke doorJozefsbroeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating vanBenjaminwerd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder.De uitleggers doen opmerken, datJozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beidâwi).61Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hijJozefwas, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijnertiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beidâwi).62De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmedeGabriëlhem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).63Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind totJacobgevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtigparasangs(Al Beidâwi) of, zooalsanderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo’ddin).64ZijndeJudah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed vanJozefte brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht vanJozefsvoorspoed was (Al Beidâwi).65Zijnde zijn vader enLea, de zuster zijner moeder, welke hij naRachelsdood als zijne moeder beschouwde, (Al Beidâwi, zie Gen. XXXVII : 10).Al Beidâwi: verhaalt, datJozefvoertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning vanEgyptehen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen Israëls die met hemEgyptebinnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later doorMozeswerden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.66Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vóór dien tijd (Al Beidâwi).67De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, datJacobvier en twintig jaren inEgyptewoonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam inPalestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoeringJozefzorg droeg. Hij keerde daarop naarEgypteterug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschende Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in denNijlte doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toenMozesde Israëlieten uitEgyptevoerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen vanJozefmet zich naarCanaän, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beidâwi).68Mahometbeschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners vanMekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderenHoofdstuk IX, vers 30).69En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beidâwi).
Twaalfde Hoofdstuk.Jozef1.Gegeven teMekka2—111 verzen.In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek:2.Hetwelk wij in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien zoudt verstaan.3.Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis, door u dezen Koran3te openbaren, waarop gij vroeger geen acht hebt geslagen4.4.Jozefzeide tot zijn vader: O mijn vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen mij gehoorzamen.5.Toen zeideJacob: O mijn kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene hinderlaag spreiden5; want de duivel is de verklaarde vijand van den mensch.6.En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden6geven, en hij zal zijnegunst uitstorten op u en op het gezin vanJacob, zooals hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderenAbrahamenIzaak; want uw Heer is alwetend en wijs.7.Waarlijk, in de geschiedenis vanJozefen zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen die vragen.8.Eens zeiden de broeders vanJozeftot elkander:Jozefen diens broeder7zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene duidelijke dwaling8.9.DoodtJozefdus, of verdrijft hem naar een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen zijn9.10.Een van hen10sprak en zeide: DoodtJozefniet en laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger zal hem ophalen, indien gij dit niet doet.11.Zij zeiden totJacob: O vader! waarom vertrouwt gij onsJozefniet toe, daar wij oprecht voor hem zijn en hem goeds toewenschen?12.Zend hem morgen met ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken11en spelen; en wij zullen zijne makkers zijn.13.Jacobantwoordde: Het grieft mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure12, dewijl gij achteloos nopens hem zijt.14.Zij zeiden: Waarlijk indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn13, zouden wij inderdaad zwak wezen14.15.En toen zij hem met zich hadden genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts nederte laten15, voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem eene openbaring16zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gijJozefzijt.16.En zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende.17.Zij zeiden: Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden17; wij hebbenJozefmet onze reisgoederen verlaten, en de wolf heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de waarheid spreken.18.En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk, met ander bloed geverfd.Jacobantwoordde: gij zelf hebt dat in uw eigen belang bedreven18; maar geduld is het beste, en Gods hulp roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat gij mij verhaalt.19.En zekere reizigers kwamen en zonden een man19om water voor hen te halen; en hij liet zijn’ emmer neder20en zeide: goed nieuws21! dat is een jongeling. En zij verborgen hem22, omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God wist wat zij deden.20.En zij verkochten hem voor een lagen prijs: voor eenige stuivers23en stelden weinig waarde in hem.21.En de Egyptenaar, die hem kocht24, zeide tot zijn vrouw25. Gebruik hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als onzen zoon aannemen26. Zoo hebben wij de plaats vanJozefop aarde vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere gezegden;want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het grootste deel der menschen begrijpt het niet.22.En toen hij zijnen ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis; want zoo beloonen wij den rechtvaardigen.23.En zij, in wier huis hij zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk, mijn heer27heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal geen voorspoed genieten.24.Maar zij hield bij hem aan, en hij had dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing van zijnen Heer28. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was.25.En zij begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis of eene pijnlijke straf?26.EnJozefzeide: zij vroeg mij bij haar te liggen. En een getuige van haar gezin29legde getuigenis af, zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de waarheid en is hij een leugenaar.27.Maar indien zijn kleed van achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid.28.En toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is groot.29.OJozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig mensch.30.En zekere vrouwen zeiden in het openbaar30in de stad: De vrouw van den edelman heeft den knechtverzocht hij haar te liggen; hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op een duidelijken dwaalweg is.31.En toen zij het gesprek over haar boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide totJozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij hem zeer.31Zij sneden hunne eigen handen af32en zeiden: O God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied verdient.32.En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten behooren.33.Jozefzeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren.34.Daardoor verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af: want hij hoort en ziet alles.35.En het behaagde hun33, zelfs nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen tijd gevangen te houden.36.En twee van des konings dienaren traden met hem in de gevangenis.34Een van hen35zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen; want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt.37.Jozefantwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen; maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome36. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd; want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven en die het volgende leven loochenen.38.Ik volg den godsdienst mijner vaderen:Abraham,IzaakenJacob. Het is ons niet geoorloofd, iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar.39.O mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware en almachtige God?40.Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts ijdele namen37, die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen, die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het niet.41.O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld.42.EnJozefzeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding vanJozefte maken38,waardoor deze eenige jaren39in de gevangenis bleef.43.En de koning vanEgypte40zeide: waarlijk ik zag in mijn’ droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt mij mijn visioen uit,indien gij in staat zijt dit te doen.44.Zij antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het uitleggen van zulke droomen.45.EnJozefsmedegevangene, die bevrijd was, zeide (want hij herinnerde zichJozef, na verloop van eenigen tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren.46.En hij ging naar de gevangenis en zeide: OJozef! waarheidlievend man, geeft ons de uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de koning in zijn’ droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan.47.Jozefantwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten41, behalve eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten.48.Dan zullen, na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben.49.Dan zal er een jaar komen, dat de menschen veel regen hebben42en de druiven uitpersen zullen.50.En toen de opperschenker dit had overgebracht, zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper totJozefkwam, zeidedeze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af, wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden43; want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen4451.En toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar: Wat was uwe bedoeling45toen gijJozeftot eene onwettige liefde aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een dergenen die waarheid spreken.52.En toenJozefdaarmede bekend was, zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat God den aanslag der bedriegers niet leidt.53.Ik wil mij ook niet volstrekt rechtvaardigen46want iedere ziel is aan het kwaad onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft; want mijn Heer is genadig en barmhartig.54.En de koning zeide: Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen dienst nemen. En toenJozeftot den koning was gevoerd en hij met hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn47.55.Jozefantwoordde: Geef mijhet beheer over de voorraadplaatsen van het land; want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn.56.Zoo plaatsten wijJozefin het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen, waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen die goed handelen.57.En waarlijk, de belooning van het volgende leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen.58.Vervolgens kwamenJozefsbroederen en wendden zich tot hem, en hij herkende hen, doch zij herkenden hem niet.59.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij, den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en dat ik mijne gasten gul ontvang?60.Maar indien gij hem niet tot mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen.61.Zij antwoordden: Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen zekerlijk volvoeren wat gij verlangt.62.EnJozefzeide tot zijne dienaren: Leg hun geld48, dat zij voor hun koren hebben betaald, in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug.63.En toen zij tot hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broederBenjaminmede nemen; zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en, waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden.64.Jacobantwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u vroeger uwen broederJozeftoevertrouwde? Maar God is de beste bewaker, en hij is de barmhartigste.65.En toen zij hunne zakken openden, vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen broeder zorgen, en wijzullen een kameellast meer ontvangen dan den laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid49.66.Jacobzeide: ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen.67.En hij zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ééne poort binnen, maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen, die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen.68.En toen zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de begeerte vanJacobsziel te bevredigen, die het hun had gelast; want hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.69.En toen zij in tegenwoordigheid vanJozefkwamen, ontving hij zijnen broederBenjaminals zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder50; wees dus niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven.70.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker51in den zak van zijn broederBenjamin. En een uitroeper riep hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt dieven.71.Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij?72.Men antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor borg.73.Jozefsbroeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij wel weet, dat wij niet komen om snood in het land52te handelen, en evenzeer dat wij geene dieven zijn.74.De Egyptenaren zeiden: Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt.75.De broeders vanJozefantwoordden: Als eene vergelding voor hem, in wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn: zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal53.76.Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den zak van zijn broeder. Wij verschaftenJozefdeze list. Hij zou zich volgens de wet van den Koning vanEgypteniet van zijn broeder hebben kunnen meester maken54, indien God het niet had veroorloofd. Wij verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd.77.Zijne broeders zeiden: IndienBenjaminschuldig aan diefstal zij, is zijn broederJozefvroeger ook schuldig aan diefstal geweest55. MaarJozefverborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen, en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigentoestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt.78.Zij zeiden totJozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader, neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een edelmoedig mensch zijt.79.Jozefantwoordde: God verhoede, dat wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn.80.En toen zij wanhoopten,Benjaminterug te krijgen, verwijderden zij zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van hen zeide56: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk gij vroeger omtrentJozefhebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei wijze het landEgypteverlaten, tot mijn vader mij verlof geeft, tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt; want hij is de beste rechter.81.Keert tot uwen vader terug, en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd; wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen.82.Onderzoek in de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid spreken.83.En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht; maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug geven: want hij is de alwetende en wijze.84.Hij wendde zich van hen af en zeide: O hoezeer ben ik doorJozefbedroefd! En zijne oogen werden door treuren wit57daar hij door zware droefheid overstelpt was.85.Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer ophouden vanJozefte spreken tot gij aan de poort des doods zijt gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt.86.Hij antwoordde: ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet58.87.O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naarJozefen zijn broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan Gods genade, behalve de ongeloovigen.88.Daarom keerden de broedersvanJozefnaarEgypteterug en toen zij in zijne tegenwoordigheid kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds59gekomen; geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God beloont hen die aalmoezen geven.89.Jozefzeide tot hen: Weet gij wat gij aanJozefen zijn broeder deedt, toen gij niet wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn60?90.Zij antwoordden: Zijt gij werkelijkJozef61? Hij antwoordde: Ik benJozefen dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden; want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren gaan.91.Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest.92.Jozefantwoordde: Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is de genadigste der genadigen.93.Vertrekt met dit mijn onderkleed62, legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin.94.En toen het reisgezelschap vanEgyptewas vertrokken om zijne reis naarCanaänte aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren: Waarlijk, ik bemerk den reuk vanJozef63, hoewel gij denkt dat ik ijl.95.Zij antwoordden:Bij den naam van God, gij verkeert in uwe oude dwaling.96.Maar toen de boodschapper van goede tijdingen64metJozefsonderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug.97.EnJacobzeide: Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist?98.Zij antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons; want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest.99.Hij hernam: Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig en barmhartig.100.En toenJacoben zijn gezin inEgypteaankwamen en bijJozefwaren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich65en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheidEgyptebinnen.101.En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel, en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden hem eerbied66. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn, nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid; want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de alwetende, de wijze God.102.O Heer! gij hebt mij een deel van het koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij met de rechtvaardigen67.103.Dit is eene geheime geschiedenis, die wiju, oMahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart bij de broeders vanJozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel gij het ernstig begeert, niet gelooven.104.Gij zult van hen geene belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen.105.En hoeveel teekens er ook in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden zich af.106.En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder nog schuldig te zijn aan afgodendienarij68.107.Zijn zij er dan van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de nadering niet verwachten?108.Zeg tot de bewoners vanMekka. Dit is mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars.109.Wij zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen69. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus niet begrijpen?110.Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde; maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend.111.Waarlijk, in de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.1De Koreïshieten wildenMahometverstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoeJacobsgezin naarEgyptewas gekomen, en dat hij hun de geschiedenis vanJozefmet al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beidâwi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten—Ajaredieten en Maimoenianen genaamd—als valsch werd verworpen.2VolgensSavary, zegtAl Beidâwi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.3Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woordKoranniets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.4Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. VolgensAl Beidâwiis dit een zeker argument, dat het uit den hemel aanMahometmoet zijn geopenbaard.5Want de uitleggers zeggen, datJacob, die van oordeel was, datJozefsdroom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.6Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.7ZijndeBenjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.8JozefenBenjamingenieten de grootste teederheid vanJacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).9Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.10Zooals sommigen zeggen, was deze persoonJudah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen,Ruben, die door de Mahomedaansche schrijversRubîlwordt genaamd (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal vanMozes, die ons vertelt, datRubenhun ried,Jozefniet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en datJudahdaarna, gedurende de afwezigheid vanRuben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de Ismaëlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)11In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.12De reden waaromJacobdit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hijJozefdoor een dezer dieren zag verscheuren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari.)13VolgensSavary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.14Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.15Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabijJeruzalemof niet ver van de rivier deJordaangelegen; anderen noemen dien echter de put vanEgypteofMidian. De uitleggers verhalen ons, dat, toenJacobszonenJozefnaar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indienJudah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen.Jozefsmeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engelGabriëltot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).16Jozefwas toen slechts zeventien jaar oud.Al Beidâwidoet opmerken, dat hij hier opJohannesden Dooper enJezusgelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, datGabriëlhem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toenAbrahamdoorNimrodin het vuur werd geworpen (ZieHoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en datGabriëldit kleed bracht en het hem omhing; en dat het vanAbrahamopJacobkwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij omJozefshals hing, totGabriëlhet er uittrok (Al Beidâwi,Al Zamakshari.)17Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.18Jacobhad reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beidâwi.)19De uitleggers hier zijn zóó nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij bewerenMalec Ebn Dhorwas, van den stam vanKhozaab(Al Beidâwi.)20EnJozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.21De oorspronkelijke woorden zijn:Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden:O Boshra!22De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoordzijbetrekking heeft opMalecen zijne makkers of op de broeders vanJozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen inEgyptete verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, datJudahiederen dag, doorJozefin den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, enJozefals hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden,Jozefaan hen te verkoopen (Al Beidâwi.)23Namelijk: twintig of tweeëntwintigdirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.24Zijn naam wasKitfîrofItfîr(eene verbastering vanPotiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beidâwi). De uitleggers beweren, datJozefop 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, datJozeftweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 goudendinarswaren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.25Sommigen noemen haarRaïl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die vanZoleikha.26DaarKitfîrgeene kinderen had. Men zegt datJozefde genegenheid zijns meesters, zóó spoedig door zijn voorkomen won, dat, naarKitfîrsmeening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.27ZijndeKitfîr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.28Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, omJozefaf te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engelGabriël, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vaderJacobwas, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya).29Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.30Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijnschenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beidâwi).31De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woordabcarnahomisbruikt, hetgeen zij metmenstruatae suntvertolken, en daarnaMahometbestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking.Erpenius(InNot. ad Hist.Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoordcabarain de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.32Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid vanJozefbij haar te weegbracht.Zoleikhavoorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.33Dat is aanKitfîren zijne vrienden. Men zegt dat de reden vanJozefsgevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, datZoleikhahet begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde datJozefaan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.34Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.35Namelijk de schenker.36De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij datJozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.37ZieHoofdstuk VII, vers 101en de noot.38Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoordhijbetrekking heeft opJozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i.Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beidâwi).39Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zouJozefzeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin)40Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorstRivan, de zoon vanAl Walid, den Amalekiet, die doorJozefbekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat dePharaovanJozefen die vanMozeseen en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beidâwi).41Ten einde het voor de kalander te behouden.42Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, inTimaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte vanEgypteen zelfs heeft men teAlexandriësneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering vanSeneca(Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel vanEgypte, nabij de watervallen van denNijl, regent het zeer zelden (ZieGreavesDescr. of the Pyramids, p. 74 enz.,Ray,Collection of Travels. dl. II, p. 92.)Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke inEthiopiëzouden vallen, en denNijldoen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid vanEgypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.43Het schijnt datJozefniet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, datJozefden boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, datJozefzorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beidâwi, enz.)44Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.45De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen vanJozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid.Savary.46Volgens eene overlevering vanEbn Abbas, hadJozefde voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, ofGabriëlzeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekendeJozefzijne zwakheid (Al Beidâwienz.)47De uitleggers zeggen, datJozefbuiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij metJozefsprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn’ droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daaropJozefnaast hem op den troon en verhief hem tot zijnWezir, ofeersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meesterKitfîr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hemEphraïmen Manassa baarde (Al Beidâwi,Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke doorMozesAsenathwordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde vanJozefenZoleihkagebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied vanSalomoop hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zied’Herbelot, Bibl.Oriënt, art.Jousouf).48Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen entoebereidehuiden betaalden (Al Beidâwi).49De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiën, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden vanJacobwaren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.50Men verhaalt datJozefzijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor wasBenjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broederJozefin leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop bevalJozefhem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geëindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hieldBenjaminechter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroegJozefhem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had.Benjaminhernam daarop: Wie kan een’ broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon vanJacobenRachelniet. Daarop ontdekteJozefzich aan hem (Al Beidâwi).51Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Saâ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.52Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.53Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bijJacoben zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.54Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).55De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende:Jozefwerd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, enJacobhet voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aanAbrahamhad toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bijJozefgevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter datJozefwezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn’ vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden vanLabandoorRachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een’ armen man te geven (Jallalo’ddin).56ZijndeRuben. Sommige beweren echter, dat hier vanSimeonofJudahsprake is, en vertolken het in plaats van met:de oudstemet:de voorzichtigste van hen.57Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beidâwi).58Zijnde, datJozefnog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling vanJozefsdroom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vóór zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beidâwi).59Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beidâwi).60De krenking welke zijBenjaminaandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke doorJozefsbroeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating vanBenjaminwerd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder.De uitleggers doen opmerken, datJozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beidâwi).61Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hijJozefwas, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijnertiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beidâwi).62De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmedeGabriëlhem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).63Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind totJacobgevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtigparasangs(Al Beidâwi) of, zooalsanderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo’ddin).64ZijndeJudah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed vanJozefte brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht vanJozefsvoorspoed was (Al Beidâwi).65Zijnde zijn vader enLea, de zuster zijner moeder, welke hij naRachelsdood als zijne moeder beschouwde, (Al Beidâwi, zie Gen. XXXVII : 10).Al Beidâwi: verhaalt, datJozefvoertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning vanEgyptehen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen Israëls die met hemEgyptebinnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later doorMozeswerden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.66Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vóór dien tijd (Al Beidâwi).67De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, datJacobvier en twintig jaren inEgyptewoonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam inPalestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoeringJozefzorg droeg. Hij keerde daarop naarEgypteterug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschende Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in denNijlte doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toenMozesde Israëlieten uitEgyptevoerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen vanJozefmet zich naarCanaän, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beidâwi).68Mahometbeschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners vanMekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderenHoofdstuk IX, vers 30).69En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beidâwi).
Twaalfde Hoofdstuk.Jozef1.Gegeven teMekka2—111 verzen.
Gegeven teMekka2—111 verzen.
Gegeven teMekka2—111 verzen.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.1.E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek:2.Hetwelk wij in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien zoudt verstaan.3.Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis, door u dezen Koran3te openbaren, waarop gij vroeger geen acht hebt geslagen4.4.Jozefzeide tot zijn vader: O mijn vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen mij gehoorzamen.5.Toen zeideJacob: O mijn kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene hinderlaag spreiden5; want de duivel is de verklaarde vijand van den mensch.6.En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden6geven, en hij zal zijnegunst uitstorten op u en op het gezin vanJacob, zooals hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderenAbrahamenIzaak; want uw Heer is alwetend en wijs.7.Waarlijk, in de geschiedenis vanJozefen zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen die vragen.8.Eens zeiden de broeders vanJozeftot elkander:Jozefen diens broeder7zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene duidelijke dwaling8.9.DoodtJozefdus, of verdrijft hem naar een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen zijn9.10.Een van hen10sprak en zeide: DoodtJozefniet en laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger zal hem ophalen, indien gij dit niet doet.11.Zij zeiden totJacob: O vader! waarom vertrouwt gij onsJozefniet toe, daar wij oprecht voor hem zijn en hem goeds toewenschen?12.Zend hem morgen met ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken11en spelen; en wij zullen zijne makkers zijn.13.Jacobantwoordde: Het grieft mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure12, dewijl gij achteloos nopens hem zijt.14.Zij zeiden: Waarlijk indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn13, zouden wij inderdaad zwak wezen14.15.En toen zij hem met zich hadden genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts nederte laten15, voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem eene openbaring16zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gijJozefzijt.16.En zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende.17.Zij zeiden: Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden17; wij hebbenJozefmet onze reisgoederen verlaten, en de wolf heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de waarheid spreken.18.En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk, met ander bloed geverfd.Jacobantwoordde: gij zelf hebt dat in uw eigen belang bedreven18; maar geduld is het beste, en Gods hulp roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat gij mij verhaalt.19.En zekere reizigers kwamen en zonden een man19om water voor hen te halen; en hij liet zijn’ emmer neder20en zeide: goed nieuws21! dat is een jongeling. En zij verborgen hem22, omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God wist wat zij deden.20.En zij verkochten hem voor een lagen prijs: voor eenige stuivers23en stelden weinig waarde in hem.21.En de Egyptenaar, die hem kocht24, zeide tot zijn vrouw25. Gebruik hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als onzen zoon aannemen26. Zoo hebben wij de plaats vanJozefop aarde vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere gezegden;want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het grootste deel der menschen begrijpt het niet.22.En toen hij zijnen ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis; want zoo beloonen wij den rechtvaardigen.23.En zij, in wier huis hij zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk, mijn heer27heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal geen voorspoed genieten.24.Maar zij hield bij hem aan, en hij had dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing van zijnen Heer28. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was.25.En zij begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis of eene pijnlijke straf?26.EnJozefzeide: zij vroeg mij bij haar te liggen. En een getuige van haar gezin29legde getuigenis af, zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de waarheid en is hij een leugenaar.27.Maar indien zijn kleed van achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid.28.En toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is groot.29.OJozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig mensch.30.En zekere vrouwen zeiden in het openbaar30in de stad: De vrouw van den edelman heeft den knechtverzocht hij haar te liggen; hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op een duidelijken dwaalweg is.31.En toen zij het gesprek over haar boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide totJozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij hem zeer.31Zij sneden hunne eigen handen af32en zeiden: O God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied verdient.32.En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten behooren.33.Jozefzeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren.34.Daardoor verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af: want hij hoort en ziet alles.35.En het behaagde hun33, zelfs nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen tijd gevangen te houden.36.En twee van des konings dienaren traden met hem in de gevangenis.34Een van hen35zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen; want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt.37.Jozefantwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen; maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome36. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd; want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven en die het volgende leven loochenen.38.Ik volg den godsdienst mijner vaderen:Abraham,IzaakenJacob. Het is ons niet geoorloofd, iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar.39.O mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware en almachtige God?40.Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts ijdele namen37, die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen, die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het niet.41.O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld.42.EnJozefzeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding vanJozefte maken38,waardoor deze eenige jaren39in de gevangenis bleef.43.En de koning vanEgypte40zeide: waarlijk ik zag in mijn’ droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt mij mijn visioen uit,indien gij in staat zijt dit te doen.44.Zij antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het uitleggen van zulke droomen.45.EnJozefsmedegevangene, die bevrijd was, zeide (want hij herinnerde zichJozef, na verloop van eenigen tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren.46.En hij ging naar de gevangenis en zeide: OJozef! waarheidlievend man, geeft ons de uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de koning in zijn’ droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan.47.Jozefantwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten41, behalve eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten.48.Dan zullen, na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben.49.Dan zal er een jaar komen, dat de menschen veel regen hebben42en de druiven uitpersen zullen.50.En toen de opperschenker dit had overgebracht, zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper totJozefkwam, zeidedeze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af, wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden43; want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen4451.En toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar: Wat was uwe bedoeling45toen gijJozeftot eene onwettige liefde aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een dergenen die waarheid spreken.52.En toenJozefdaarmede bekend was, zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat God den aanslag der bedriegers niet leidt.53.Ik wil mij ook niet volstrekt rechtvaardigen46want iedere ziel is aan het kwaad onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft; want mijn Heer is genadig en barmhartig.54.En de koning zeide: Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen dienst nemen. En toenJozeftot den koning was gevoerd en hij met hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn47.55.Jozefantwoordde: Geef mijhet beheer over de voorraadplaatsen van het land; want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn.56.Zoo plaatsten wijJozefin het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen, waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen die goed handelen.57.En waarlijk, de belooning van het volgende leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen.58.Vervolgens kwamenJozefsbroederen en wendden zich tot hem, en hij herkende hen, doch zij herkenden hem niet.59.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij, den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en dat ik mijne gasten gul ontvang?60.Maar indien gij hem niet tot mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen.61.Zij antwoordden: Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen zekerlijk volvoeren wat gij verlangt.62.EnJozefzeide tot zijne dienaren: Leg hun geld48, dat zij voor hun koren hebben betaald, in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug.63.En toen zij tot hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broederBenjaminmede nemen; zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en, waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden.64.Jacobantwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u vroeger uwen broederJozeftoevertrouwde? Maar God is de beste bewaker, en hij is de barmhartigste.65.En toen zij hunne zakken openden, vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen broeder zorgen, en wijzullen een kameellast meer ontvangen dan den laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid49.66.Jacobzeide: ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen.67.En hij zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ééne poort binnen, maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen, die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen.68.En toen zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de begeerte vanJacobsziel te bevredigen, die het hun had gelast; want hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.69.En toen zij in tegenwoordigheid vanJozefkwamen, ontving hij zijnen broederBenjaminals zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder50; wees dus niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven.70.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker51in den zak van zijn broederBenjamin. En een uitroeper riep hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt dieven.71.Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij?72.Men antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor borg.73.Jozefsbroeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij wel weet, dat wij niet komen om snood in het land52te handelen, en evenzeer dat wij geene dieven zijn.74.De Egyptenaren zeiden: Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt.75.De broeders vanJozefantwoordden: Als eene vergelding voor hem, in wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn: zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal53.76.Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den zak van zijn broeder. Wij verschaftenJozefdeze list. Hij zou zich volgens de wet van den Koning vanEgypteniet van zijn broeder hebben kunnen meester maken54, indien God het niet had veroorloofd. Wij verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd.77.Zijne broeders zeiden: IndienBenjaminschuldig aan diefstal zij, is zijn broederJozefvroeger ook schuldig aan diefstal geweest55. MaarJozefverborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen, en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigentoestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt.78.Zij zeiden totJozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader, neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een edelmoedig mensch zijt.79.Jozefantwoordde: God verhoede, dat wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn.80.En toen zij wanhoopten,Benjaminterug te krijgen, verwijderden zij zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van hen zeide56: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk gij vroeger omtrentJozefhebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei wijze het landEgypteverlaten, tot mijn vader mij verlof geeft, tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt; want hij is de beste rechter.81.Keert tot uwen vader terug, en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd; wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen.82.Onderzoek in de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid spreken.83.En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht; maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug geven: want hij is de alwetende en wijze.84.Hij wendde zich van hen af en zeide: O hoezeer ben ik doorJozefbedroefd! En zijne oogen werden door treuren wit57daar hij door zware droefheid overstelpt was.85.Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer ophouden vanJozefte spreken tot gij aan de poort des doods zijt gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt.86.Hij antwoordde: ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet58.87.O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naarJozefen zijn broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan Gods genade, behalve de ongeloovigen.88.Daarom keerden de broedersvanJozefnaarEgypteterug en toen zij in zijne tegenwoordigheid kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds59gekomen; geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God beloont hen die aalmoezen geven.89.Jozefzeide tot hen: Weet gij wat gij aanJozefen zijn broeder deedt, toen gij niet wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn60?90.Zij antwoordden: Zijt gij werkelijkJozef61? Hij antwoordde: Ik benJozefen dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden; want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren gaan.91.Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest.92.Jozefantwoordde: Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is de genadigste der genadigen.93.Vertrekt met dit mijn onderkleed62, legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin.94.En toen het reisgezelschap vanEgyptewas vertrokken om zijne reis naarCanaänte aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren: Waarlijk, ik bemerk den reuk vanJozef63, hoewel gij denkt dat ik ijl.95.Zij antwoordden:Bij den naam van God, gij verkeert in uwe oude dwaling.96.Maar toen de boodschapper van goede tijdingen64metJozefsonderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug.97.EnJacobzeide: Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist?98.Zij antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons; want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest.99.Hij hernam: Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig en barmhartig.100.En toenJacoben zijn gezin inEgypteaankwamen en bijJozefwaren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich65en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheidEgyptebinnen.101.En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel, en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden hem eerbied66. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn, nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid; want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de alwetende, de wijze God.102.O Heer! gij hebt mij een deel van het koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij met de rechtvaardigen67.103.Dit is eene geheime geschiedenis, die wiju, oMahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart bij de broeders vanJozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel gij het ernstig begeert, niet gelooven.104.Gij zult van hen geene belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen.105.En hoeveel teekens er ook in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden zich af.106.En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder nog schuldig te zijn aan afgodendienarij68.107.Zijn zij er dan van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de nadering niet verwachten?108.Zeg tot de bewoners vanMekka. Dit is mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars.109.Wij zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen69. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus niet begrijpen?110.Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde; maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend.111.Waarlijk, in de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.
1.E. L. R. Dit zijn teekens van het duidelijke boek:2.Hetwelk wij in de Arabische taal hebben nedergezonden, opdat gij het misschien zoudt verstaan.3.Wij verhalen u de uitmuntendste geschiedenis, door u dezen Koran3te openbaren, waarop gij vroeger geen acht hebt geslagen4.4.Jozefzeide tot zijn vader: O mijn vader! waarlijk, ik zag in mijn droom elf sterren en de zon en de maan; ik zag hen mij gehoorzamen.5.Toen zeideJacob: O mijn kind! herhaal uw visioen niet aan uwe broeders, opdat zij u geene hinderlaag spreiden5; want de duivel is de verklaarde vijand van den mensch.6.En zoo zal overeenkomstig uwen droom; uw Heer u kiezen, en u de vertolking der duistere gezegden6geven, en hij zal zijnegunst uitstorten op u en op het gezin vanJacob, zooals hij dit vroeger heeft vervuld aan uwe vaderenAbrahamenIzaak; want uw Heer is alwetend en wijs.7.Waarlijk, in de geschiedenis vanJozefen zijn broeders zijn teekens van Gods bescherming voor hen die vragen.8.Eens zeiden de broeders vanJozeftot elkander:Jozefen diens broeder7zijn onzen vader dierbaarder dan wij; en toch maken wij een grooter getal uit: waarlijk onze vader verkeert in eene duidelijke dwaling8.9.DoodtJozefdus, of verdrijft hem naar een afgelegen en onbewoond gedeelte der aarde, en het aangezicht van uwen vader zal tot u gewend worden en gij zult daarna rijke menschen zijn9.10.Een van hen10sprak en zeide: DoodtJozefniet en laat hem tot op den bodem van den put neder; en een of ander reiziger zal hem ophalen, indien gij dit niet doet.11.Zij zeiden totJacob: O vader! waarom vertrouwt gij onsJozefniet toe, daar wij oprecht voor hem zijn en hem goeds toewenschen?12.Zend hem morgen met ons naar het veld, opdat hij zich moge vermaken11en spelen; en wij zullen zijne makkers zijn.13.Jacobantwoordde: Het grieft mij, dat gij hem medeneemt, en ik vrees dat de wolf hem verscheure12, dewijl gij achteloos nopens hem zijt.14.Zij zeiden: Waarlijk indien de wolf hem verslond, terwijl wij zoo velen zijn13, zouden wij inderdaad zwak wezen14.15.En toen zij hem met zich hadden genomen, en overeengekomen waren, hem tot op den bodem des puts nederte laten15, voerden zij hun voornemen uit; en wij zonden hem eene openbaring16zeggende: Gij zult hun hierna deze hunne daad verklaren, en zij zullen niet bemerken, dat gijJozefzijt.16.En zij kwamen des avonds tot hunnen vader, weenende.17.Zij zeiden: Vader! wij hebben ons verwijderd en hebben een wedloop gehouden17; wij hebbenJozefmet onze reisgoederen verlaten, en de wolf heeft hem verscheurd; doch gij wilt ons niet gelooven, hoewel wij de waarheid spreken.18.En zij vertoonden zijn onderste kleedingstuk, met ander bloed geverfd.Jacobantwoordde: gij zelf hebt dat in uw eigen belang bedreven18; maar geduld is het beste, en Gods hulp roep ik in, om mij in staat te stellen, het ongeluk te dragen, dat gij mij verhaalt.19.En zekere reizigers kwamen en zonden een man19om water voor hen te halen; en hij liet zijn’ emmer neder20en zeide: goed nieuws21! dat is een jongeling. En zij verborgen hem22, omdat zij hem als een stuk koopwaar willen verkoopen; maar God wist wat zij deden.20.En zij verkochten hem voor een lagen prijs: voor eenige stuivers23en stelden weinig waarde in hem.21.En de Egyptenaar, die hem kocht24, zeide tot zijn vrouw25. Gebruik hem met eere; misschien kan hij ons dienstig zijn; of laten wij hem als onzen zoon aannemen26. Zoo hebben wij de plaats vanJozefop aarde vooraf gereed gemaakt, en wij leerden hem de vertolking der duistere gezegden;want God is wel in staat zijn doel te bereiken: maar het grootste deel der menschen begrijpt het niet.22.En toen hij zijnen ouderdom van kracht had bereikt, schonken wij hem wijsheid en kennis; want zoo beloonen wij den rechtvaardigen.23.En zij, in wier huis hij zich bevond, begeerde dat hij zich bij haar zou leggen, en zij sloot de deuren en zeide: Kom hier. Hij antwoordde: God beware mij! Waarlijk, mijn heer27heeft mij gastvrijheid verleend, en de ondankbare zal geen voorspoed genieten.24.Maar zij hield bij hem aan, en hij had dezelfde bedoeling; doch hij ontving eene duidelijke waarschuwing van zijnen Heer28. Zoo wendden wij het kwaad en de onreinheid van hem af, daar hij een onzer oprechte dienaren was.25.En zij begaven zich beide naar de deur: de een om te ontvluchten, de andere om hem te weerhouden; en zij scheurde zijn kleed van achteren. En zij ontmoette haren heer bij de deur. Zij zeide: wat zal de vergelding zijn van hem, die kwaad in uw gezin tracht te bedrijven: gevangenis of eene pijnlijke straf?26.EnJozefzeide: zij vroeg mij bij haar te liggen. En een getuige van haar gezin29legde getuigenis af, zeggende: Indien zijn kleed van voren gescheurd is, spreekt zij de waarheid en is hij een leugenaar.27.Maar indien zijn kleed van achteren is gescheurd, liegt zij en spreekt hij de waarheid.28.En toen haar man zag, dat zijn kleed van achteren gescheurd was, zeide hij: Dit is eene doortrapte boosheid; want waarlijk uwe boosheid is groot.29.OJozef! houd u niet meer met deze zaak bezig; en gij, o vrouw! vraag vergiffenis voor uwen misdaad; want gij zijt een schuldig mensch.30.En zekere vrouwen zeiden in het openbaar30in de stad: De vrouw van den edelman heeft den knechtverzocht hij haar te liggen; hij heeft hare borst door zijne liefde ontvlamd. Wij zien dat zij op een duidelijken dwaalweg is.31.En toen zij het gesprek over haar boos gedrag had gehoord, zond zij tot haar, en maakte een middagmaal voor haar gereed en gaf aan ieder van haar een mes, en zeide totJozef, onder haar te verschijnen. En toen zij hem zagen, prezen zij hem zeer.31Zij sneden hunne eigen handen af32en zeiden: O God! dit is geen sterveling; hij is een engel die den hoogsten eerbied verdient.32.En zijne meesteren zeide: Hij is het die mij uwen blaam heeft berokkend. Ik verzocht hem met mij te liggen; maar hij weigerde aanhoudend. Maar indien hij niet volbrengt wat ik hem gebied, zal hij zekerlijk in de gevangenis worden geworpen, en zal tot de ellendigsten behooren.33.Jozefzeide: O Heer! eene gevangenis is verkieselijker voor mij, dan de misdaad, waartoe zij mij willen verleiden, en indien gij hare kunstgrepen niet van mij afwendt, zal ik aan mijne neiging voor haar toegeven en zal ik tot de dwazen behooren.34.Daardoor verhoorde hem zijn Heer, en wendde hare kunstgrepen van hem af: want hij hoort en ziet alles.35.En het behaagde hun33, zelfs nadat zij de bewijzen zijner onschuld hadden gezien, hem voor eenigen tijd gevangen te houden.36.En twee van des konings dienaren traden met hem in de gevangenis.34Een van hen35zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik wijn uit druiven perste. En de andere zeide: Het scheen mij in mijn droom toe, dat ik brood op mijn hoofd droeg, waarvan de vogels aten. Geef ons de uitlegging onzer droomen; want wij bemerken, dat gij een deugdzaam mensch zijt.37.Jozefantwoordde: Er zal nog geen voedsel, om u te onderhouden, tot u komen; maar ik zal u de uitlegging daarvan geven, alvorens dit tot u kome36. Deze kennis is een deel van hetgeen mij door God is geleerd; want ik heb den godsdienst van hen verlaten, die niet in God gelooven en die het volgende leven loochenen.38.Ik volg den godsdienst mijner vaderen:Abraham,IzaakenJacob. Het is ons niet geoorloofd, iets met God te vereenigen. Deze kennis van de goddelijke eenheid is ons gegeven, door de goedheid van God omtrent ons en nopens den mensch; maar het grootste gedeelte der menschen is ondankbaar.39.O mijne medegevangenen! zijn een aantal heeren beter, of de eenig ware en almachtige God?40.Zij, die gij naast hem aanbidt, zijn slechts ijdele namen37, die door u en uwe vaderen zijn uitgedacht, waarvan God geen bewijs heeft gegeven. Het oordeel behoort aan God alleen, die bevolen heeft, dat gij niemand naast hem zoudt aanbidden. Dit is de ware godsdienst; maar het grootste gedeelte der menschen weet het niet.41.O mijne medegevangenen! waarlijk, een uwer zal zijn heer wijn toedienen, evenals vroeger, maar de andere zal gekruisigd worden en de vogels zullen van zijn hoofd komen eten. De zaak, waaromtrent gij mij ondervraagt, is onherroepelijk vastgesteld.42.EnJozefzeide tot hem, die, naar zijn oordeel, de persoon was, welke bevrijd zou worden: Gedenk mij in tegenwoordigheid van uwen heer. Maar de duivel veroorzaakte, dat hij vergat, bij zijn heer melding vanJozefte maken38,waardoor deze eenige jaren39in de gevangenis bleef.43.En de koning vanEgypte40zeide: waarlijk ik zag in mijn’ droom zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren. O edelen! legt mij mijn visioen uit,indien gij in staat zijt dit te doen.44.Zij antwoordden: Het zijn verwarde droomen; wij zijn niet bedreven in het uitleggen van zulke droomen.45.EnJozefsmedegevangene, die bevrijd was, zeide (want hij herinnerde zichJozef, na verloop van eenigen tijd): Ik zal u de uitlegging daarvan geven, laat mij dus tot den persoon gaan, die mij dien droom zal verklaren.46.En hij ging naar de gevangenis en zeide: OJozef! waarheidlievend man, geeft ons de uitlegging van zeven vette koeien, die zeven magere koeien verslonden, en van zeven groene korenaren en zeven verdroogde korenaren, welke de koning in zijn’ droom zag, opdat ik kunne terugkeeren tot de personen die mij hebben gezonden, en zij dit wellicht mogen verstaan.47.Jozefantwoordde: Gij zult zooals gewoonlijk zaaien, en het graan dat gij gemaaid zult hebben, zult gij in zijne aren laten41, behalve eene kleine hoeveelheid, waarvan gij moogt eten.48.Dan zullen, na deze, zeven jaren van strengen hongersnood komen, die verteren zullen, wat gij als voorraad daarvoor hebt verzameld, behalve eene kleine hoeveelheid die gij bewaard zult hebben.49.Dan zal er een jaar komen, dat de menschen veel regen hebben42en de druiven uitpersen zullen.50.En toen de opperschenker dit had overgebracht, zeide de Koning: Breng hem tot mij. En toen de boodschapper totJozefkwam, zeidedeze: Keer tot uwen heer terug en vraag hem af, wat de bedoeling der vrouwen was, die hare handen afsneden43; want mijn Heer kent den valstrik wel dien zij mij spannen4451.En toen de vrouwen voor den koning waren verzameld, zeide hij tot haar: Wat was uwe bedoeling45toen gijJozeftot eene onwettige liefde aanspoordet? Zij antwoordden: God zij geloofd! Wij weten geen kwaad van hem. De vrouw van den edelman (Aziz) zeide: Thans is de waarheid duidelijk geworden: Ik verzocht hem bij mij te liggen, en hij is een dergenen die waarheid spreken.52.En toenJozefdaarmede bekend was, zeide hij: Deze ontdekking heeft thans plaats gehad, opdat mijn heer wete, dat ik hem niet ongetrouw was tijdens zijne afwezigheid, en dat God den aanslag der bedriegers niet leidt.53.Ik wil mij ook niet volstrekt rechtvaardigen46want iedere ziel is aan het kwaad onderworpen, uitgenomen degene voor wie mijn Heer genade heeft; want mijn Heer is genadig en barmhartig.54.En de koning zeide: Breng hem tot mij, ik wil hem in mijnen eigenen en bijzonderen dienst nemen. En toenJozeftot den koning was gevoerd en hij met hem gesproken had, zeide de vorst: Van heden af zijt gij vast bij ons geplaatst, en gij zult met onze zaken vertrouwd zijn47.55.Jozefantwoordde: Geef mijhet beheer over de voorraadplaatsen van het land; want ik zal daarvan een verstandige bewaarder zijn.56.Zoo plaatsten wijJozefin het land, opdat hij zich daarin eene woning zou kiezen, waar het hem mocht behagen. Wij schenken onze genade aan wien het ons behaagt, en wij laten de belooning niet verloren gaan van hen die goed handelen.57.En waarlijk, de belooning van het volgende leven is beter voor hen die gelooven en God vreezen.58.Vervolgens kwamenJozefsbroederen en wendden zich tot hem, en hij herkende hen, doch zij herkenden hem niet.59.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, zeide hij: Breng uwen broeder tot mij, den zoon van uwen vader. Ziet gij niet dat ik de volle maat geef en dat ik mijne gasten gul ontvang?60.Maar indien gij hem niet tot mij brengt, zal u door mij geen koren meer gemeten worden, en gij zult niet meer in mijne tegenwoordigheid komen.61.Zij antwoordden: Wij zullen trachten hem van zijn vader te verkrijgen, en wij zullen zekerlijk volvoeren wat gij verlangt.62.EnJozefzeide tot zijne dienaren: Leg hun geld48, dat zij voor hun koren hebben betaald, in hunne zakken, opdat zij het bemerken als zij tot hun gezin zijn teruggekeerd; misschien komen zij tot ons terug.63.En toen zij tot hunnen vader waren teruggekeerd, zeiden zij: O vader! het is verboden ons nog koren te meten, tenzij wij onzen broederBenjaminmede nemen; zend dus onzen broeder met ons, en men zal ons koren afleveren; en, waarlijk, wij zullen hem voor alle ongevallen behoeden.64.Jacobantwoordde: Zou ik hem u met beter gevolg toevertrouwen, dan ik u vroeger uwen broederJozeftoevertrouwde? Maar God is de beste bewaker, en hij is de barmhartigste.65.En toen zij hunne zakken openden, vonden zij dat hun geld was teruggegeven, en zij zeiden: O vader! wat verlangen wij meer? Dit ons geld is ons teruggegeven; wij zullen dus wederkeeren en koren voor onze gezinnen koopen; wij zullen voor onzen broeder zorgen, en wijzullen een kameellast meer ontvangen dan den laatsten keer. Dit is eene kleine hoeveelheid49.66.Jacobzeide: ik wil hem volstrekt niet met u zenden, tenzij gij mij eene plechtige belofte aflegt en bij God zweert, dat gij hem zekerlijk tot mij zult terugbrengen, behalve wanneer zich een onoverkomelijke hinderpaal daartegen opdoet. En toen zij hem hunne plechtige belofte hadden gegeven, zeide hij: God is getuige van hetgeen wij zeggen.67.En hij zeide: Mijne zonen treedt de stad niet allen door ééne poort binnen, maar gaat door verschillende poorten binnen. Doch deze voorzorg zal u niet tot voordeel strekken tegen Gods besluit; want het oordeel behoort Gode alleen: in hem stel ik mijn vertrouwen, en laat hen, die zoeken onderworpen te zijn, dit in hem stellen.68.En toen zij de stad binnenkwamen, zooals hun vader hun had bevolen, was het hun niet van oordeel tegen Gods besluit, en het diende alleen om de begeerte vanJacobsziel te bevredigen, die het hun had gelast; want hij was begiftigd met de kennis, waarin wij hem hadden onderwezen; maar het grootste deel der menschen begrijpt niet.69.En toen zij in tegenwoordigheid vanJozefkwamen, ontving hij zijnen broederBenjaminals zijn gast en zeide: Waarlijk, ik ben uw broeder50; wees dus niet bedroefd om hetgeen zij tegen mij hebben bedreven.70.En toen hij hen van hunne levensmiddelen had voorzien, legde hij zijn beker51in den zak van zijn broederBenjamin. En een uitroeper riep hen achterna, zeggende: O gezelschap van reizigers! waarlijk gij zijt dieven.71.Zij keerden zich om en zeiden: Wat vermist gij?72.Men antwoordde hun: wij vermissen den beker van den vorst, en hij die dien terugbrengt, zal een kameellast koren ontvangen, en ik sta daarvoor borg.73.Jozefsbroeders antwoordden: Wij zweren bij God, dat gij wel weet, dat wij niet komen om snood in het land52te handelen, en evenzeer dat wij geene dieven zijn.74.De Egyptenaren zeiden: Wat zal de vergelding zijn voor hem, die blijken zal den beker te hebben gestolen, indien het blijkt dat gij leugenaars zijt.75.De broeders vanJozefantwoordden: Als eene vergelding voor hem, in wiens zak de beker zal gevonden worden, zal hij uw gijzelaar zijn: zoo vergelden wij de onrechtvaardigen, die schuldig zijn aan diefstal53.76.Daarop begon hij hunne zakken te onderzoeken, alvorens hij den zak van zijn broeder onderzocht, en hij haalde den beker uit den zak van zijn broeder. Wij verschaftenJozefdeze list. Hij zou zich volgens de wet van den Koning vanEgypteniet van zijn broeder hebben kunnen meester maken54, indien God het niet had veroorloofd. Wij verheffen tot den rang van kennis en eer, wie ons behaagt, en er is een die wijs is, boven allen die met kennis zijn begiftigd.77.Zijne broeders zeiden: IndienBenjaminschuldig aan diefstal zij, is zijn broederJozefvroeger ook schuldig aan diefstal geweest55. MaarJozefverborg deze dingen in zijn hart en ontdekte zich niet aan hen, en hij zeide bij zich zelven: Gij zijt in een meer beklagenswaardigentoestand dan wij beiden. God weet beter waarover gij spreekt.78.Zij zeiden totJozef: Edele Heer! deze jongeling heeft een ouden vader, neem dus een van ons in zijne plaats; want wij zien dat gij een edelmoedig mensch zijt.79.Jozefantwoordde: God verhoede, dat wij iemand anders zouden nemen dan hem, bij wien wij onze goederen vonden; want dan zouden wij zekerlijk onrechtvaardig zijn.80.En toen zij wanhoopten,Benjaminterug te krijgen, verwijderden zij zich om afzonderlijk met elkander te beraadslagen. En de oudste van hen zeide56: Weet gij niet dat uw vader eene plechtige belofte van u heeft ontvangen, in den naam van God, en hoe bedriegelijk gij vroeger omtrentJozefhebt gehandeld? Ik zal dus op geenerlei wijze het landEgypteverlaten, tot mijn vader mij verlof geeft, tot hem terug te keeren, of dat God mij zijnen wil bekend maakt; want hij is de beste rechter.81.Keert tot uwen vader terug, en zegt: O vader! waarlijk, uw zoon heeft een diefstal gepleegd; wij zijn van niets meer getuigen dan van hetgeen wij weten, en wij konden niet waken tegen hetgeen wij niet voorzagen.82.Onderzoek in de stad waarin wij zijn geweest en bij het gezelschap van kooplieden waarmede wij zijn aangekomen, en gij zult vinden dat wij de waarheid spreken.83.En toen zij waren teruggekeerd en aldus tot hunnen vader hadden gesproken, zeide hij: Gij zelven hebt dat alles zoo ingericht; maar ik zal geduldig zijn; misschien zal God mij hen allen terug geven: want hij is de alwetende en wijze.84.Hij wendde zich van hen af en zeide: O hoezeer ben ik doorJozefbedroefd! En zijne oogen werden door treuren wit57daar hij door zware droefheid overstelpt was.85.Zijne zonen zeiden: Bij God, zult gij dan nimmer ophouden vanJozefte spreken tot gij aan de poort des doods zijt gevoerd, of tot de smart uwe dagen eindigt.86.Hij antwoordde: ik breng mijne smart, die ik niet kan dragen, en mijne droefheid voor God, omdat ik door openbaring van God weet, wat gij niet weet58.87.O mijne zonen! gaat en doet onderzoek naarJozefen zijn broeder, en wanhoopt niet aan Gods genade want niemand wanhoopt aan Gods genade, behalve de ongeloovigen.88.Daarom keerden de broedersvanJozefnaarEgypteterug en toen zij in zijne tegenwoordigheid kwamen, zeiden zij: Edele heer, de hongersnood heerscht bij ons en ons gezin, en wij zijn met eene kleine som gelds59gekomen; geef ons dus volle maat, en schenk ons koren als aalmoes; want God beloont hen die aalmoezen geven.89.Jozefzeide tot hen: Weet gij wat gij aanJozefen zijn broeder deedt, toen gij niet wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn60?90.Zij antwoordden: Zijt gij werkelijkJozef61? Hij antwoordde: Ik benJozefen dit is mijn broeder. Thans is God genadig nopens ons geweest. Want wie God vreest en met geduld volhardt, zal eindelijk hulp vinden; want God zal de belooning der rechtvaardigen niet laten verloren gaan.91.Zij zeiden: Bij den naam van God, thans heeft God u boven ons gekozen en waarlijk, wij zijn zondaars geweest.92.Jozefantwoordde: Heden zal ik u geene verwijtingen doen. God vergeeft u; want hij is de genadigste der genadigen.93.Vertrekt met dit mijn onderkleed62, legt het op mijns vaders aangezicht, en hij zal zijn gezicht terug krijgen; en komt dan tot mij met uw geheele gezin.94.En toen het reisgezelschap vanEgyptewas vertrokken om zijne reis naarCanaänte aanvaarden, zeide hun vader tot hen die nabij hem waren: Waarlijk, ik bemerk den reuk vanJozef63, hoewel gij denkt dat ik ijl.95.Zij antwoordden:Bij den naam van God, gij verkeert in uwe oude dwaling.96.Maar toen de boodschapper van goede tijdingen64metJozefsonderkleed was gekomen, dekte hij het over zijn gelaat en hij kreeg zijn gezichtsvermogen terug.97.EnJacobzeide: Verhaalde ik u niet, dat ik van God wist hetgeen gij niet wist?98.Zij antwoordden: O vader! vraag vergiffenis van onze zonden voor ons; want, waarlijk, wij zijn zondaars geweest.99.Hij hernam: Ik zal zekerlijk vergiffenis voor u van mijn Heer vragen; want hij is genadig en barmhartig.100.En toenJacoben zijn gezin inEgypteaankwamen en bijJozefwaren binnengeleid, ontving hij zijne ouders bij zich65en zeide: Gaat, door Gods gunst, in volle zekerheidEgyptebinnen.101.En hij verhief zijne ouders op een verheven zetel, en zij vielen met zijne broeders op hunne aangezichten en betoonden hem eerbied66. En hij zeide: O mijn vader! dit is de beteekenis van mijn visioen, dat ik vroeger zag; thans heeft mijn Heer het bewaarheid. En zekerlijk hij is mij genadig geweest, daar hij mij uit de gevangenis voerde en u hierheen heeft gebracht uit de woestijn, nadat de duivel tweedracht tusschen mij en mijne broeders had gezaaid; want mijn Heer is genadig voor dengeen die hem behaagt, en hij is de alwetende, de wijze God.102.O Heer! gij hebt mij een deel van het koninkrijk gegeven; gij hebt mij de vertolking van duistere gezegden geleerd. Schepper van hemel en aarde! gij zijt mijn beschermer in deze en de volgende wereld. Doe mij als een Moslem sterven en vereenig mij met de rechtvaardigen67.103.Dit is eene geheime geschiedenis, die wiju, oMahomet! openbaren, hoewel gij niet tegenwoordig waart bij de broeders vanJozef, toen zij hun plan overlegden en een aanslag tegen hem smeedden. Maar het grootste deel der menschen zullen, hoewel gij het ernstig begeert, niet gelooven.104.Gij zult van hen geene belooning vragen voor uwe mededeeling van den Koran! het is slechts eene waarschuwing aan alle schepselen.105.En hoeveel teekens er ook in den hemel en op de aarde zijn, zoowel van het bestaan als van de eenigheid en voorzienigheid van God; zij gaan die voorbij en wenden zich af.106.En het grootste deel hunner gelooft niet in God, zonder nog schuldig te zijn aan afgodendienarij68.107.Zijn zij er dan van verzekerd, dat Gods zware kastijding hen niet zal overvallen, of dat het uur des oordeels hen niet plotseling zal bereiken, als zij de nadering niet verwachten?108.Zeg tot de bewoners vanMekka. Dit is mijn weg. Ik noodig u door een duidelijk wonder tot God; ik en hij die mij zal volgen, zijn, God zij geloofd, geene afgodendienaars.109.Wij zenden u geene gezanten, behalve menschen, aan welke wij onzen wil openbaren en die wij kiezen onder hen die in steden wonen69. Wilt gij niet de aarde rond trekken en zien wat het einde was van hen die u zijn voorafgegaan? Maar de woning van het volgende leven zal zekerlijk beter zijn voor hen die God vreezen. Wilt gij dus niet begrijpen?110.Toen eindelijk onze gezanten wanhoopten aan het slagen hunner pogingen, en de menschen dachten, dat zij leugenaars waren, kwam onze hulp tot hen, en wij bevrijdden wie ons behaagde; maar onze wraak werd van de zondaren niet afgewend.111.Waarlijk, in de geschiedenissen der profeten en hun volk is een leerzaam voorbeeld gelegen voor hen, die met verstand zijn begaafd. De Koran is geen nieuw uitgevonden sprookje, maar eene bevestiging der schriften die te voren zijn geopenbaard, en eene duidelijke uitlegging van iedere zaak, die zoowel met betrekking tot het geloof als tot beoefening noodig is en eene leiding en eene genade voor hen die gelooven.
1De Koreïshieten wildenMahometverstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoeJacobsgezin naarEgyptewas gekomen, en dat hij hun de geschiedenis vanJozefmet al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beidâwi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten—Ajaredieten en Maimoenianen genaamd—als valsch werd verworpen.2VolgensSavary, zegtAl Beidâwi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.3Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woordKoranniets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.4Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. VolgensAl Beidâwiis dit een zeker argument, dat het uit den hemel aanMahometmoet zijn geopenbaard.5Want de uitleggers zeggen, datJacob, die van oordeel was, datJozefsdroom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.6Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.7ZijndeBenjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.8JozefenBenjamingenieten de grootste teederheid vanJacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).9Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.10Zooals sommigen zeggen, was deze persoonJudah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen,Ruben, die door de Mahomedaansche schrijversRubîlwordt genaamd (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal vanMozes, die ons vertelt, datRubenhun ried,Jozefniet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en datJudahdaarna, gedurende de afwezigheid vanRuben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de Ismaëlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)11In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.12De reden waaromJacobdit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hijJozefdoor een dezer dieren zag verscheuren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari.)13VolgensSavary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.14Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.15Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabijJeruzalemof niet ver van de rivier deJordaangelegen; anderen noemen dien echter de put vanEgypteofMidian. De uitleggers verhalen ons, dat, toenJacobszonenJozefnaar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indienJudah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen.Jozefsmeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engelGabriëltot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).16Jozefwas toen slechts zeventien jaar oud.Al Beidâwidoet opmerken, dat hij hier opJohannesden Dooper enJezusgelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, datGabriëlhem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toenAbrahamdoorNimrodin het vuur werd geworpen (ZieHoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en datGabriëldit kleed bracht en het hem omhing; en dat het vanAbrahamopJacobkwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij omJozefshals hing, totGabriëlhet er uittrok (Al Beidâwi,Al Zamakshari.)17Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.18Jacobhad reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beidâwi.)19De uitleggers hier zijn zóó nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij bewerenMalec Ebn Dhorwas, van den stam vanKhozaab(Al Beidâwi.)20EnJozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.21De oorspronkelijke woorden zijn:Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden:O Boshra!22De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoordzijbetrekking heeft opMalecen zijne makkers of op de broeders vanJozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen inEgyptete verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, datJudahiederen dag, doorJozefin den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, enJozefals hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden,Jozefaan hen te verkoopen (Al Beidâwi.)23Namelijk: twintig of tweeëntwintigdirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.24Zijn naam wasKitfîrofItfîr(eene verbastering vanPotiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beidâwi). De uitleggers beweren, datJozefop 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, datJozeftweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 goudendinarswaren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.25Sommigen noemen haarRaïl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die vanZoleikha.26DaarKitfîrgeene kinderen had. Men zegt datJozefde genegenheid zijns meesters, zóó spoedig door zijn voorkomen won, dat, naarKitfîrsmeening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.27ZijndeKitfîr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.28Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, omJozefaf te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engelGabriël, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vaderJacobwas, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya).29Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.30Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijnschenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beidâwi).31De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woordabcarnahomisbruikt, hetgeen zij metmenstruatae suntvertolken, en daarnaMahometbestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking.Erpenius(InNot. ad Hist.Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoordcabarain de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.32Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid vanJozefbij haar te weegbracht.Zoleikhavoorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.33Dat is aanKitfîren zijne vrienden. Men zegt dat de reden vanJozefsgevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, datZoleikhahet begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde datJozefaan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.34Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.35Namelijk de schenker.36De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij datJozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.37ZieHoofdstuk VII, vers 101en de noot.38Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoordhijbetrekking heeft opJozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i.Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beidâwi).39Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zouJozefzeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin)40Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorstRivan, de zoon vanAl Walid, den Amalekiet, die doorJozefbekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat dePharaovanJozefen die vanMozeseen en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beidâwi).41Ten einde het voor de kalander te behouden.42Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, inTimaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte vanEgypteen zelfs heeft men teAlexandriësneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering vanSeneca(Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel vanEgypte, nabij de watervallen van denNijl, regent het zeer zelden (ZieGreavesDescr. of the Pyramids, p. 74 enz.,Ray,Collection of Travels. dl. II, p. 92.)Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke inEthiopiëzouden vallen, en denNijldoen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid vanEgypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.43Het schijnt datJozefniet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, datJozefden boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, datJozefzorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beidâwi, enz.)44Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.45De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen vanJozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid.Savary.46Volgens eene overlevering vanEbn Abbas, hadJozefde voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, ofGabriëlzeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekendeJozefzijne zwakheid (Al Beidâwienz.)47De uitleggers zeggen, datJozefbuiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij metJozefsprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn’ droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daaropJozefnaast hem op den troon en verhief hem tot zijnWezir, ofeersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meesterKitfîr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hemEphraïmen Manassa baarde (Al Beidâwi,Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke doorMozesAsenathwordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde vanJozefenZoleihkagebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied vanSalomoop hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zied’Herbelot, Bibl.Oriënt, art.Jousouf).48Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen entoebereidehuiden betaalden (Al Beidâwi).49De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiën, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden vanJacobwaren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.50Men verhaalt datJozefzijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor wasBenjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broederJozefin leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop bevalJozefhem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geëindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hieldBenjaminechter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroegJozefhem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had.Benjaminhernam daarop: Wie kan een’ broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon vanJacobenRachelniet. Daarop ontdekteJozefzich aan hem (Al Beidâwi).51Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Saâ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.52Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.53Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bijJacoben zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.54Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).55De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende:Jozefwerd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, enJacobhet voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aanAbrahamhad toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bijJozefgevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter datJozefwezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn’ vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden vanLabandoorRachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een’ armen man te geven (Jallalo’ddin).56ZijndeRuben. Sommige beweren echter, dat hier vanSimeonofJudahsprake is, en vertolken het in plaats van met:de oudstemet:de voorzichtigste van hen.57Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beidâwi).58Zijnde, datJozefnog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling vanJozefsdroom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vóór zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beidâwi).59Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beidâwi).60De krenking welke zijBenjaminaandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke doorJozefsbroeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating vanBenjaminwerd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder.De uitleggers doen opmerken, datJozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beidâwi).61Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hijJozefwas, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijnertiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beidâwi).62De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmedeGabriëlhem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).63Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind totJacobgevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtigparasangs(Al Beidâwi) of, zooalsanderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo’ddin).64ZijndeJudah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed vanJozefte brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht vanJozefsvoorspoed was (Al Beidâwi).65Zijnde zijn vader enLea, de zuster zijner moeder, welke hij naRachelsdood als zijne moeder beschouwde, (Al Beidâwi, zie Gen. XXXVII : 10).Al Beidâwi: verhaalt, datJozefvoertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning vanEgyptehen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen Israëls die met hemEgyptebinnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later doorMozeswerden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.66Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vóór dien tijd (Al Beidâwi).67De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, datJacobvier en twintig jaren inEgyptewoonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam inPalestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoeringJozefzorg droeg. Hij keerde daarop naarEgypteterug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschende Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in denNijlte doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toenMozesde Israëlieten uitEgyptevoerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen vanJozefmet zich naarCanaän, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beidâwi).68Mahometbeschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners vanMekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderenHoofdstuk IX, vers 30).69En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beidâwi).
1De Koreïshieten wildenMahometverstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoeJacobsgezin naarEgyptewas gekomen, en dat hij hun de geschiedenis vanJozefmet al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beidâwi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten—Ajaredieten en Maimoenianen genaamd—als valsch werd verworpen.
2VolgensSavary, zegtAl Beidâwi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.
3Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woordKoranniets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.
4Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. VolgensAl Beidâwiis dit een zeker argument, dat het uit den hemel aanMahometmoet zijn geopenbaard.
5Want de uitleggers zeggen, datJacob, die van oordeel was, datJozefsdroom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.
6Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.
7ZijndeBenjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.
8JozefenBenjamingenieten de grootste teederheid vanJacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).
9Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.
10Zooals sommigen zeggen, was deze persoonJudah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen,Ruben, die door de Mahomedaansche schrijversRubîlwordt genaamd (Al Beidâwi,Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal vanMozes, die ons vertelt, datRubenhun ried,Jozefniet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en datJudahdaarna, gedurende de afwezigheid vanRuben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de Ismaëlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)
11In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.
12De reden waaromJacobdit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hijJozefdoor een dezer dieren zag verscheuren (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari.)
13VolgensSavary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.
14Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.
15Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabijJeruzalemof niet ver van de rivier deJordaangelegen; anderen noemen dien echter de put vanEgypteofMidian. De uitleggers verhalen ons, dat, toenJacobszonenJozefnaar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indienJudah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen.Jozefsmeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engelGabriëltot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Al Zamakshari).
16Jozefwas toen slechts zeventien jaar oud.Al Beidâwidoet opmerken, dat hij hier opJohannesden Dooper enJezusgelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, datGabriëlhem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toenAbrahamdoorNimrodin het vuur werd geworpen (ZieHoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en datGabriëldit kleed bracht en het hem omhing; en dat het vanAbrahamopJacobkwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij omJozefshals hing, totGabriëlhet er uittrok (Al Beidâwi,Al Zamakshari.)
17Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.
18Jacobhad reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beidâwi.)
19De uitleggers hier zijn zóó nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij bewerenMalec Ebn Dhorwas, van den stam vanKhozaab(Al Beidâwi.)
20EnJozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.
21De oorspronkelijke woorden zijn:Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden:O Boshra!
22De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoordzijbetrekking heeft opMalecen zijne makkers of op de broeders vanJozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen inEgyptete verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, datJudahiederen dag, doorJozefin den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, enJozefals hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden,Jozefaan hen te verkoopen (Al Beidâwi.)
23Namelijk: twintig of tweeëntwintigdirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.
24Zijn naam wasKitfîrofItfîr(eene verbastering vanPotiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beidâwi). De uitleggers beweren, datJozefop 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, datJozeftweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 goudendinarswaren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.
25Sommigen noemen haarRaïl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die vanZoleikha.
26DaarKitfîrgeene kinderen had. Men zegt datJozefde genegenheid zijns meesters, zóó spoedig door zijn voorkomen won, dat, naarKitfîrsmeening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.
27ZijndeKitfîr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.
28Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, omJozefaf te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engelGabriël, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vaderJacobwas, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beidâwi,Al Zamakhshari,Jallalo’ddin,Yahya).
29Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.
30Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijnschenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beidâwi).
31De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woordabcarnahomisbruikt, hetgeen zij metmenstruatae suntvertolken, en daarnaMahometbestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking.Erpenius(InNot. ad Hist.Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoordcabarain de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.
32Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid vanJozefbij haar te weegbracht.Zoleikhavoorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.
33Dat is aanKitfîren zijne vrienden. Men zegt dat de reden vanJozefsgevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, datZoleikhahet begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde datJozefaan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.
34Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.
35Namelijk de schenker.
36De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij datJozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.
37ZieHoofdstuk VII, vers 101en de noot.
38Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoordhijbetrekking heeft opJozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i.Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beidâwi).
39Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zouJozefzeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin)
40Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorstRivan, de zoon vanAl Walid, den Amalekiet, die doorJozefbekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat dePharaovanJozefen die vanMozeseen en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beidâwi).
41Ten einde het voor de kalander te behouden.
42Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, inTimaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte vanEgypteen zelfs heeft men teAlexandriësneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering vanSeneca(Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel vanEgypte, nabij de watervallen van denNijl, regent het zeer zelden (ZieGreavesDescr. of the Pyramids, p. 74 enz.,Ray,Collection of Travels. dl. II, p. 92.)Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke inEthiopiëzouden vallen, en denNijldoen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid vanEgypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.
43Het schijnt datJozefniet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, datJozefden boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, datJozefzorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beidâwi, enz.)
44Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.
45De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen vanJozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid.Savary.
46Volgens eene overlevering vanEbn Abbas, hadJozefde voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, ofGabriëlzeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekendeJozefzijne zwakheid (Al Beidâwienz.)
47De uitleggers zeggen, datJozefbuiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij metJozefsprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn’ droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daaropJozefnaast hem op den troon en verhief hem tot zijnWezir, ofeersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meesterKitfîr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hemEphraïmen Manassa baarde (Al Beidâwi,Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke doorMozesAsenathwordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde vanJozefenZoleihkagebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied vanSalomoop hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zied’Herbelot, Bibl.Oriënt, art.Jousouf).
48Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen entoebereidehuiden betaalden (Al Beidâwi).
49De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiën, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden vanJacobwaren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.
50Men verhaalt datJozefzijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor wasBenjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broederJozefin leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop bevalJozefhem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geëindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hieldBenjaminechter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroegJozefhem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had.Benjaminhernam daarop: Wie kan een’ broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon vanJacobenRachelniet. Daarop ontdekteJozefzich aan hem (Al Beidâwi).
51Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Saâ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.
52Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.
53Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bijJacoben zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.
54Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
55De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende:Jozefwerd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, enJacobhet voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aanAbrahamhad toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bijJozefgevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter datJozefwezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn’ vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden vanLabandoorRachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een’ armen man te geven (Jallalo’ddin).
56ZijndeRuben. Sommige beweren echter, dat hier vanSimeonofJudahsprake is, en vertolken het in plaats van met:de oudstemet:de voorzichtigste van hen.
57Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beidâwi).
58Zijnde, datJozefnog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling vanJozefsdroom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vóór zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beidâwi).
59Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beidâwi).
60De krenking welke zijBenjaminaandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke doorJozefsbroeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating vanBenjaminwerd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder.De uitleggers doen opmerken, datJozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beidâwi).
61Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hijJozefwas, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijnertiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beidâwi).
62De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmedeGabriëlhem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beidâwi,Jallalo’ddin).
63Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind totJacobgevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtigparasangs(Al Beidâwi) of, zooalsanderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo’ddin).
64ZijndeJudah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed vanJozefte brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht vanJozefsvoorspoed was (Al Beidâwi).
65Zijnde zijn vader enLea, de zuster zijner moeder, welke hij naRachelsdood als zijne moeder beschouwde, (Al Beidâwi, zie Gen. XXXVII : 10).Al Beidâwi: verhaalt, datJozefvoertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning vanEgyptehen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen Israëls die met hemEgyptebinnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later doorMozeswerden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.
66Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vóór dien tijd (Al Beidâwi).
67De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, datJacobvier en twintig jaren inEgyptewoonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam inPalestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoeringJozefzorg droeg. Hij keerde daarop naarEgypteterug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschende Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in denNijlte doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toenMozesde Israëlieten uitEgyptevoerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen vanJozefmet zich naarCanaän, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beidâwi).
68Mahometbeschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners vanMekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderenHoofdstuk IX, vers 30).
69En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beidâwi).