Tiende Hoofdstuk.Jonas1.Gegeven teMekka.—109 verzen.In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek.2.Was het eene vreemde zaak voor de bewoners vanMekka, dat wij onzen wil aan een hunner2hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is duidelijke tooverij.3.Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof3. Dit is God uw Heer: dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen?4.Tot hem zult gij allen terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doeteen schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig waren.5.Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen.6.En waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen die hem vreezen.7.Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor onze teekens.8.Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen zij hebben bedreven.9.Maar wat degenen betreft die gelooven en rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen.10.Daar zal hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete4zijn: Vrede!11.En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!12.Indien God het kwade bij de menschen wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings aan hunne dwalingen overgeven.13.Indien een mensch kwaad overkomt, bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande5, maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus, wat de zondaren bedreven, hun voorbereid.14.Wij hebben vroeger de geslachten vernietigd die vóór u bestonden, o bewoners vanMekka! toen gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo vergelden wij de schuldigen.15.Daarna deden wij u hen op aarde opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen.16.Indien onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen, die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord: Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naarmijn welgevallen zou veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn.17.Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen) u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb reeds tot den ouderdom van veertig jaren6onder u gewoond, alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen?18.En wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen zullen geen voorspoed genieten.19.Zij aanbidden naast God datgene, wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent?7. Geloofd zij hij! en het zij verre van hem8, wat gij met hem vereenigt!20.De menschen beleden vroeger slechts éénen godsdienst9, doch zij werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn.21.Zij zeggen dat, zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten.22.En toen wij de bewoners vanMekkaonze genade deden proeven, nadat zij door ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij bedriegelijk uitdenkt.23.Hij is het, die u op de vaste aarde en op de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige wind overvalt en degolven van alle zijden op hen aankomen, en zij zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn.24.Maar toen hij hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde, zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven; daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat gij hebt gedaan.25.Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden, en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit, voor hen die overwegen.26.God noodigt u tot de woning des vredes10en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt.27.Zij, die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en een overvloedig toevoegsel11. Noch zwartheid noch schaamte zal hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin voor eeuwig verblijven.28.Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij daarin blijven.29.Op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat naar uwe plaats, gij en uwe gezellen12, en wij zullen hen van elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt ons niet aangebeden13.30.En God is een toereikend getuige op uwe aanbidding van ons.31.Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten, zullen voor hen verdwijnen.32.Zeg: Wie voorziet u van voedseluit den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen?33.Dit is dus God, uw ware Heer, en wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt gij dus van de waarheid afgewend?34.Zoo heeft zich dit woord van God bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven.35.Zeg: Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u dus van zijn geloof afgewend?36.Zeg: Is er een van uwe gezellen die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt, dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus de oorzaak dat gij zoo oordeelt?37.En het grootste gedeelte hunner volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen.38.De Koran zou door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den Heer van alle schepselen nedergezonden39.Zeggen zij:Mahometis het, die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning aan naast God, indien gij waarheid spreekt.40.Maar zij hebben, datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben; hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij, die vóór hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden: maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was!41.Er zijn sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen, die niet daaraan gelooven14en hun Heer kent de boosdoeners wel.42.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet.43.Er zijn sommigen van hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als zij niets verstaan?44.En er zijn sommigen van hen die naar u zien; maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien.45.Waarlijk, God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen; maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen15.46.Op zekeren dagzal hij hen allen verzamelen, als waren zij niet langer gebleven16dan één uur van een dag; zij zullen elkander kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid.47.Hetzij wij u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft, of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren; daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen.48.Aan ieder volk werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig behandeld.49.De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen vervuld worden, indien gij waarheid spreekt?50.Antwoord: Ik ben noch in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen, zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal nimmer vervroegd worden.51.Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen wenschen verhaast te zien17?52.Als zij op u nederkomt, zult gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten.53.Dan zal tot de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt bedreven?54.Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen.55.Waarlijk, indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben, wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen18, nadat zij de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.56.Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan God? Is Gods belofte geenewaarheid? Maar het grootste deel hunner weet het niet.57.Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult gij allen terugkeeren.58.O menschen! thans is eene waarschuwinge van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel, die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware geloovigen59.Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid; dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de wereldscherijkdommen, welke zij bijeenvergâren.60.Zeg: verhaal mij van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard19? Zeg: Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene leugen tegen God uit?61.Maar wat zal op den dag der opstanding de meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste gedeelte hunner zijn niet dankbaar.62.Gij zult u in geenerhande omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen, noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom20is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in het duidelijke boek werd opgeschreven.63.Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden?64.Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen.65.Er is geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.66.Laat hunne gesprekken21u niet bedroeven. Alle glorie behoort aan God; hij hoort en ziet alles.67.Is niet alles wat in den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene ijdele meening en bedenken niets dan leugens.68.Hij is het, die den nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die luisteren.69.Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van God wat gij niet weet?70.Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben.71.Zij mogen tijdelijk in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren, en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij ongeloovigen waren.72.Herlees hun de geschiedenis vanNoach22, toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt dus tegen mij op en draalt niet.73.En indien gij u afwendtvan mijne vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooningvan u23. Ik verwacht mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in hem te stellen.74.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden hen den zondvloed overleven, doch wij deden hén verdrinken, die onze teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was van hen, die doorNoachgewaarschuwd werden.75.Wij zonden na hem gezanten tot de verschillende volkeren24en deze kwamen tot hen met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen wij de harten der zondaren.76.Na hem zonden wijMozesenAärontotPharaoen zijne vorsten met onze teekens25, doch zij gedroegen zich trotsch en waren zondig.77.En toen de waarheid van ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij.78.Mozeszeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed genieten.79.Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen, opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij gelooven u niet.80.EnPharaozeide: Breng alle kundige toovenaars tot mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeideMozestot hen: Werpt wat gij te werpen hebt.81.En toen zijhunne staven en koordenhadden nedergeworpen, zeideMozestot hen: De tooverij die gij hebt gedaan, zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen niet gelukken.82.En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen, niettegenstaande den tegenzin der zondaren.83.En niemand geloofde inMozes, behalve een geslacht van zijn volk26, uit vrees voorPharaoen zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. EnPharaowas machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren.84.EnMozeszeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt.85.Zij antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat wij door onrechtvaardigen lijden.86.Maar bevrijd ons door uwe genade van de ongeloovigen.87.En wij spraken door ingevingtotMozesen zijn broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt uw huizen tot eene plaats van aanbidding27, weest volhardend in het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen.88.EnMozeszeide: O Heer! waarlijk, gij hebtPharaoen zijn volk schitterende versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat zij uwe gestrenge straf hebben gezien.89.God zeide: Ulieder gebed is verhoord28; wees dus oprecht29en volg den weg der onwetenden niet.90.En wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken, enPharaoen zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze, tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat er geen God is buiten hem, in wien de kinderen Israëls gelooven en ik ben een der onderworpenen30.91.Thans gelooft gij, nadat gij te voren oproerig en een der snoodaards waart?92.Heden zullen wij uw lichaam31van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen;en waarlijk, een groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens.93.En wij bereidden voor de kinderen Israëls eene uitmuntende woning in het landKanaän, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen.94.Indien gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u hebben nedergezonden32, vraag dan hun, die het boek der wet vóór u hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees dus niet een van hen die twijfelen.95.Wees nimmer een van degenen die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot de verworpenen moogt behooren.96.Waarlijk zij, tegen wie dat woord van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven.97.Zelfs al werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor hen toebereide straf zullen gezien hebben.98.En indien dit niet zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vóór de uitvoering van hun doemvonnis, uitgenomen het volk vanJonas33. Toen zij geloofden bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten34.99.Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn?100.Geene ziel kan geloovendan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging uitstorten over hen die niet gelooven.101.Zeg: Beschouw alles wat in den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig nut voor degenen die niet willen gelooven.102.Verwachten zij dus een ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd, die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten.103.Dan zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware geloovigen bevrijden.104.Zeg: O bewoners vanMekka! indien gij in twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u, dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware geloovigen te zijn.105.En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen, die anderen naast God plaatsen.106.Roep nimmer naast God aan, datgene wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren.107.Indien God u door een ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij; en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem behagen; en hij is genadig en barmhartig.108.Zeg: O menschen! thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw bewaker niet.109.O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.1Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegtSavaryde woorden: Vrede zij met hem.2En niet een der machtigsten van hen; de Koreïshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil vanAboe Taleb. (Al Beidâwi).3Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners vanMekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgodentusschenpersonenvoor hen bij God waren.4Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.5Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.6Want zoo oud wasMahometalvorens hij de zending van profeet aannam (AbulfedVit.Moh.c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen.Al Beidâwiziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.7Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.8Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).9Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen vanNoach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in Arabië, van den tijd vanAbrahamtot dien vanAmroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.10Zijnde het Paradijs.11Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen.Al Ghazaliveronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.12Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.13Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.14Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.15Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.16Hetzij in de wereld of in het graf.17Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan wordenverhaast? (Savary).18Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.19ZieHoofdstuk VI, vers 40en volg.20ZieHoofdstuk IV, vers 44noot.21Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.22ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.23Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.24Zooals:Hoed,Saleh,Abraham,LotenShoaib, aan die vanAd,Thamoed,Babel,SodomenMidian.25ZieHoofdstuk VII, vers 101.26Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge Israëlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoordzijnopPharaoslaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouwAsaia,Mozesgeloofden. (Al Beidâwi).27Zoo verklaartJallalo’ddinhet oorspronkelijke woordKebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd.Al Zamakshariveronderstelt dientengevolge, dat het hier den Israëlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zóó in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naarMekkakunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, datKeblavanMozeswas, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, datPharaoden Israëlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.28Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het opMozesenAäronslaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten vanEgyptein steenen werden veranderd. (Jallalo’ddin.)29Of zooalsAl Beidâwihet vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, datMozesniet korter dan veertig jaren inEgyptebleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.30Men zegt, datPharaodeze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; wantGabriëlstopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.31Daar sommigen der kinderenIsraëlshet betwijfelden, datPharaowerkelijk verdronken was, deedGabriël, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier metlichaamis vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat hetPharaowas.32Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken,Mahometzelf, dan wel zijn toehoorder is.33Zijnde de inwoners vanNinweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thansalMawsilbevindt. Daar dit volk zich zelf, doorafgoderij, in het verderf had gestort, werdJonas, de zoon vanMattai(ofAmittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een Israëliet van den stam vanBenjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (JonasIII : 4.)Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfed. ZieHoofdstuk XXIenXXVII).34Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.
Tiende Hoofdstuk.Jonas1.Gegeven teMekka.—109 verzen.In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek.2.Was het eene vreemde zaak voor de bewoners vanMekka, dat wij onzen wil aan een hunner2hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is duidelijke tooverij.3.Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof3. Dit is God uw Heer: dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen?4.Tot hem zult gij allen terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doeteen schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig waren.5.Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen.6.En waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen die hem vreezen.7.Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor onze teekens.8.Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen zij hebben bedreven.9.Maar wat degenen betreft die gelooven en rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen.10.Daar zal hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete4zijn: Vrede!11.En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!12.Indien God het kwade bij de menschen wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings aan hunne dwalingen overgeven.13.Indien een mensch kwaad overkomt, bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande5, maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus, wat de zondaren bedreven, hun voorbereid.14.Wij hebben vroeger de geslachten vernietigd die vóór u bestonden, o bewoners vanMekka! toen gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo vergelden wij de schuldigen.15.Daarna deden wij u hen op aarde opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen.16.Indien onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen, die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord: Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naarmijn welgevallen zou veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn.17.Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen) u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb reeds tot den ouderdom van veertig jaren6onder u gewoond, alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen?18.En wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen zullen geen voorspoed genieten.19.Zij aanbidden naast God datgene, wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent?7. Geloofd zij hij! en het zij verre van hem8, wat gij met hem vereenigt!20.De menschen beleden vroeger slechts éénen godsdienst9, doch zij werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn.21.Zij zeggen dat, zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten.22.En toen wij de bewoners vanMekkaonze genade deden proeven, nadat zij door ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij bedriegelijk uitdenkt.23.Hij is het, die u op de vaste aarde en op de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige wind overvalt en degolven van alle zijden op hen aankomen, en zij zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn.24.Maar toen hij hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde, zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven; daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat gij hebt gedaan.25.Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden, en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit, voor hen die overwegen.26.God noodigt u tot de woning des vredes10en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt.27.Zij, die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en een overvloedig toevoegsel11. Noch zwartheid noch schaamte zal hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin voor eeuwig verblijven.28.Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij daarin blijven.29.Op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat naar uwe plaats, gij en uwe gezellen12, en wij zullen hen van elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt ons niet aangebeden13.30.En God is een toereikend getuige op uwe aanbidding van ons.31.Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten, zullen voor hen verdwijnen.32.Zeg: Wie voorziet u van voedseluit den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen?33.Dit is dus God, uw ware Heer, en wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt gij dus van de waarheid afgewend?34.Zoo heeft zich dit woord van God bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven.35.Zeg: Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u dus van zijn geloof afgewend?36.Zeg: Is er een van uwe gezellen die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt, dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus de oorzaak dat gij zoo oordeelt?37.En het grootste gedeelte hunner volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen.38.De Koran zou door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den Heer van alle schepselen nedergezonden39.Zeggen zij:Mahometis het, die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning aan naast God, indien gij waarheid spreekt.40.Maar zij hebben, datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben; hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij, die vóór hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden: maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was!41.Er zijn sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen, die niet daaraan gelooven14en hun Heer kent de boosdoeners wel.42.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet.43.Er zijn sommigen van hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als zij niets verstaan?44.En er zijn sommigen van hen die naar u zien; maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien.45.Waarlijk, God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen; maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen15.46.Op zekeren dagzal hij hen allen verzamelen, als waren zij niet langer gebleven16dan één uur van een dag; zij zullen elkander kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid.47.Hetzij wij u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft, of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren; daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen.48.Aan ieder volk werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig behandeld.49.De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen vervuld worden, indien gij waarheid spreekt?50.Antwoord: Ik ben noch in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen, zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal nimmer vervroegd worden.51.Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen wenschen verhaast te zien17?52.Als zij op u nederkomt, zult gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten.53.Dan zal tot de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt bedreven?54.Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen.55.Waarlijk, indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben, wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen18, nadat zij de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.56.Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan God? Is Gods belofte geenewaarheid? Maar het grootste deel hunner weet het niet.57.Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult gij allen terugkeeren.58.O menschen! thans is eene waarschuwinge van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel, die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware geloovigen59.Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid; dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de wereldscherijkdommen, welke zij bijeenvergâren.60.Zeg: verhaal mij van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard19? Zeg: Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene leugen tegen God uit?61.Maar wat zal op den dag der opstanding de meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste gedeelte hunner zijn niet dankbaar.62.Gij zult u in geenerhande omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen, noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom20is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in het duidelijke boek werd opgeschreven.63.Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden?64.Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen.65.Er is geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.66.Laat hunne gesprekken21u niet bedroeven. Alle glorie behoort aan God; hij hoort en ziet alles.67.Is niet alles wat in den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene ijdele meening en bedenken niets dan leugens.68.Hij is het, die den nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die luisteren.69.Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van God wat gij niet weet?70.Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben.71.Zij mogen tijdelijk in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren, en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij ongeloovigen waren.72.Herlees hun de geschiedenis vanNoach22, toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt dus tegen mij op en draalt niet.73.En indien gij u afwendtvan mijne vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooningvan u23. Ik verwacht mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in hem te stellen.74.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden hen den zondvloed overleven, doch wij deden hén verdrinken, die onze teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was van hen, die doorNoachgewaarschuwd werden.75.Wij zonden na hem gezanten tot de verschillende volkeren24en deze kwamen tot hen met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen wij de harten der zondaren.76.Na hem zonden wijMozesenAärontotPharaoen zijne vorsten met onze teekens25, doch zij gedroegen zich trotsch en waren zondig.77.En toen de waarheid van ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij.78.Mozeszeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed genieten.79.Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen, opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij gelooven u niet.80.EnPharaozeide: Breng alle kundige toovenaars tot mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeideMozestot hen: Werpt wat gij te werpen hebt.81.En toen zijhunne staven en koordenhadden nedergeworpen, zeideMozestot hen: De tooverij die gij hebt gedaan, zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen niet gelukken.82.En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen, niettegenstaande den tegenzin der zondaren.83.En niemand geloofde inMozes, behalve een geslacht van zijn volk26, uit vrees voorPharaoen zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. EnPharaowas machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren.84.EnMozeszeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt.85.Zij antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat wij door onrechtvaardigen lijden.86.Maar bevrijd ons door uwe genade van de ongeloovigen.87.En wij spraken door ingevingtotMozesen zijn broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt uw huizen tot eene plaats van aanbidding27, weest volhardend in het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen.88.EnMozeszeide: O Heer! waarlijk, gij hebtPharaoen zijn volk schitterende versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat zij uwe gestrenge straf hebben gezien.89.God zeide: Ulieder gebed is verhoord28; wees dus oprecht29en volg den weg der onwetenden niet.90.En wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken, enPharaoen zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze, tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat er geen God is buiten hem, in wien de kinderen Israëls gelooven en ik ben een der onderworpenen30.91.Thans gelooft gij, nadat gij te voren oproerig en een der snoodaards waart?92.Heden zullen wij uw lichaam31van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen;en waarlijk, een groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens.93.En wij bereidden voor de kinderen Israëls eene uitmuntende woning in het landKanaän, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen.94.Indien gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u hebben nedergezonden32, vraag dan hun, die het boek der wet vóór u hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees dus niet een van hen die twijfelen.95.Wees nimmer een van degenen die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot de verworpenen moogt behooren.96.Waarlijk zij, tegen wie dat woord van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven.97.Zelfs al werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor hen toebereide straf zullen gezien hebben.98.En indien dit niet zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vóór de uitvoering van hun doemvonnis, uitgenomen het volk vanJonas33. Toen zij geloofden bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten34.99.Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn?100.Geene ziel kan geloovendan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging uitstorten over hen die niet gelooven.101.Zeg: Beschouw alles wat in den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig nut voor degenen die niet willen gelooven.102.Verwachten zij dus een ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd, die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten.103.Dan zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware geloovigen bevrijden.104.Zeg: O bewoners vanMekka! indien gij in twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u, dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware geloovigen te zijn.105.En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen, die anderen naast God plaatsen.106.Roep nimmer naast God aan, datgene wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren.107.Indien God u door een ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij; en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem behagen; en hij is genadig en barmhartig.108.Zeg: O menschen! thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw bewaker niet.109.O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.1Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegtSavaryde woorden: Vrede zij met hem.2En niet een der machtigsten van hen; de Koreïshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil vanAboe Taleb. (Al Beidâwi).3Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners vanMekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgodentusschenpersonenvoor hen bij God waren.4Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.5Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.6Want zoo oud wasMahometalvorens hij de zending van profeet aannam (AbulfedVit.Moh.c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen.Al Beidâwiziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.7Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.8Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).9Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen vanNoach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in Arabië, van den tijd vanAbrahamtot dien vanAmroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.10Zijnde het Paradijs.11Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen.Al Ghazaliveronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.12Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.13Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.14Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.15Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.16Hetzij in de wereld of in het graf.17Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan wordenverhaast? (Savary).18Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.19ZieHoofdstuk VI, vers 40en volg.20ZieHoofdstuk IV, vers 44noot.21Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.22ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.23Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.24Zooals:Hoed,Saleh,Abraham,LotenShoaib, aan die vanAd,Thamoed,Babel,SodomenMidian.25ZieHoofdstuk VII, vers 101.26Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge Israëlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoordzijnopPharaoslaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouwAsaia,Mozesgeloofden. (Al Beidâwi).27Zoo verklaartJallalo’ddinhet oorspronkelijke woordKebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd.Al Zamakshariveronderstelt dientengevolge, dat het hier den Israëlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zóó in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naarMekkakunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, datKeblavanMozeswas, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, datPharaoden Israëlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.28Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het opMozesenAäronslaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten vanEgyptein steenen werden veranderd. (Jallalo’ddin.)29Of zooalsAl Beidâwihet vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, datMozesniet korter dan veertig jaren inEgyptebleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.30Men zegt, datPharaodeze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; wantGabriëlstopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.31Daar sommigen der kinderenIsraëlshet betwijfelden, datPharaowerkelijk verdronken was, deedGabriël, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier metlichaamis vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat hetPharaowas.32Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken,Mahometzelf, dan wel zijn toehoorder is.33Zijnde de inwoners vanNinweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thansalMawsilbevindt. Daar dit volk zich zelf, doorafgoderij, in het verderf had gestort, werdJonas, de zoon vanMattai(ofAmittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een Israëliet van den stam vanBenjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (JonasIII : 4.)Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfed. ZieHoofdstuk XXIenXXVII).34Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.
Tiende Hoofdstuk.Jonas1.Gegeven teMekka.—109 verzen.In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek.2.Was het eene vreemde zaak voor de bewoners vanMekka, dat wij onzen wil aan een hunner2hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is duidelijke tooverij.3.Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof3. Dit is God uw Heer: dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen?4.Tot hem zult gij allen terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doeteen schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig waren.5.Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen.6.En waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen die hem vreezen.7.Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor onze teekens.8.Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen zij hebben bedreven.9.Maar wat degenen betreft die gelooven en rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen.10.Daar zal hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete4zijn: Vrede!11.En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!12.Indien God het kwade bij de menschen wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings aan hunne dwalingen overgeven.13.Indien een mensch kwaad overkomt, bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande5, maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus, wat de zondaren bedreven, hun voorbereid.14.Wij hebben vroeger de geslachten vernietigd die vóór u bestonden, o bewoners vanMekka! toen gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo vergelden wij de schuldigen.15.Daarna deden wij u hen op aarde opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen.16.Indien onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen, die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord: Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naarmijn welgevallen zou veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn.17.Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen) u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb reeds tot den ouderdom van veertig jaren6onder u gewoond, alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen?18.En wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen zullen geen voorspoed genieten.19.Zij aanbidden naast God datgene, wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent?7. Geloofd zij hij! en het zij verre van hem8, wat gij met hem vereenigt!20.De menschen beleden vroeger slechts éénen godsdienst9, doch zij werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn.21.Zij zeggen dat, zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten.22.En toen wij de bewoners vanMekkaonze genade deden proeven, nadat zij door ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij bedriegelijk uitdenkt.23.Hij is het, die u op de vaste aarde en op de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige wind overvalt en degolven van alle zijden op hen aankomen, en zij zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn.24.Maar toen hij hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde, zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven; daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat gij hebt gedaan.25.Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden, en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit, voor hen die overwegen.26.God noodigt u tot de woning des vredes10en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt.27.Zij, die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en een overvloedig toevoegsel11. Noch zwartheid noch schaamte zal hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin voor eeuwig verblijven.28.Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij daarin blijven.29.Op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat naar uwe plaats, gij en uwe gezellen12, en wij zullen hen van elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt ons niet aangebeden13.30.En God is een toereikend getuige op uwe aanbidding van ons.31.Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten, zullen voor hen verdwijnen.32.Zeg: Wie voorziet u van voedseluit den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen?33.Dit is dus God, uw ware Heer, en wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt gij dus van de waarheid afgewend?34.Zoo heeft zich dit woord van God bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven.35.Zeg: Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u dus van zijn geloof afgewend?36.Zeg: Is er een van uwe gezellen die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt, dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus de oorzaak dat gij zoo oordeelt?37.En het grootste gedeelte hunner volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen.38.De Koran zou door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den Heer van alle schepselen nedergezonden39.Zeggen zij:Mahometis het, die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning aan naast God, indien gij waarheid spreekt.40.Maar zij hebben, datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben; hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij, die vóór hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden: maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was!41.Er zijn sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen, die niet daaraan gelooven14en hun Heer kent de boosdoeners wel.42.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet.43.Er zijn sommigen van hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als zij niets verstaan?44.En er zijn sommigen van hen die naar u zien; maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien.45.Waarlijk, God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen; maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen15.46.Op zekeren dagzal hij hen allen verzamelen, als waren zij niet langer gebleven16dan één uur van een dag; zij zullen elkander kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid.47.Hetzij wij u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft, of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren; daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen.48.Aan ieder volk werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig behandeld.49.De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen vervuld worden, indien gij waarheid spreekt?50.Antwoord: Ik ben noch in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen, zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal nimmer vervroegd worden.51.Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen wenschen verhaast te zien17?52.Als zij op u nederkomt, zult gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten.53.Dan zal tot de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt bedreven?54.Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen.55.Waarlijk, indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben, wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen18, nadat zij de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.56.Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan God? Is Gods belofte geenewaarheid? Maar het grootste deel hunner weet het niet.57.Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult gij allen terugkeeren.58.O menschen! thans is eene waarschuwinge van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel, die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware geloovigen59.Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid; dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de wereldscherijkdommen, welke zij bijeenvergâren.60.Zeg: verhaal mij van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard19? Zeg: Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene leugen tegen God uit?61.Maar wat zal op den dag der opstanding de meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste gedeelte hunner zijn niet dankbaar.62.Gij zult u in geenerhande omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen, noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom20is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in het duidelijke boek werd opgeschreven.63.Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden?64.Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen.65.Er is geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.66.Laat hunne gesprekken21u niet bedroeven. Alle glorie behoort aan God; hij hoort en ziet alles.67.Is niet alles wat in den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene ijdele meening en bedenken niets dan leugens.68.Hij is het, die den nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die luisteren.69.Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van God wat gij niet weet?70.Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben.71.Zij mogen tijdelijk in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren, en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij ongeloovigen waren.72.Herlees hun de geschiedenis vanNoach22, toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt dus tegen mij op en draalt niet.73.En indien gij u afwendtvan mijne vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooningvan u23. Ik verwacht mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in hem te stellen.74.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden hen den zondvloed overleven, doch wij deden hén verdrinken, die onze teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was van hen, die doorNoachgewaarschuwd werden.75.Wij zonden na hem gezanten tot de verschillende volkeren24en deze kwamen tot hen met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen wij de harten der zondaren.76.Na hem zonden wijMozesenAärontotPharaoen zijne vorsten met onze teekens25, doch zij gedroegen zich trotsch en waren zondig.77.En toen de waarheid van ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij.78.Mozeszeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed genieten.79.Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen, opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij gelooven u niet.80.EnPharaozeide: Breng alle kundige toovenaars tot mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeideMozestot hen: Werpt wat gij te werpen hebt.81.En toen zijhunne staven en koordenhadden nedergeworpen, zeideMozestot hen: De tooverij die gij hebt gedaan, zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen niet gelukken.82.En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen, niettegenstaande den tegenzin der zondaren.83.En niemand geloofde inMozes, behalve een geslacht van zijn volk26, uit vrees voorPharaoen zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. EnPharaowas machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren.84.EnMozeszeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt.85.Zij antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat wij door onrechtvaardigen lijden.86.Maar bevrijd ons door uwe genade van de ongeloovigen.87.En wij spraken door ingevingtotMozesen zijn broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt uw huizen tot eene plaats van aanbidding27, weest volhardend in het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen.88.EnMozeszeide: O Heer! waarlijk, gij hebtPharaoen zijn volk schitterende versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat zij uwe gestrenge straf hebben gezien.89.God zeide: Ulieder gebed is verhoord28; wees dus oprecht29en volg den weg der onwetenden niet.90.En wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken, enPharaoen zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze, tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat er geen God is buiten hem, in wien de kinderen Israëls gelooven en ik ben een der onderworpenen30.91.Thans gelooft gij, nadat gij te voren oproerig en een der snoodaards waart?92.Heden zullen wij uw lichaam31van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen;en waarlijk, een groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens.93.En wij bereidden voor de kinderen Israëls eene uitmuntende woning in het landKanaän, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen.94.Indien gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u hebben nedergezonden32, vraag dan hun, die het boek der wet vóór u hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees dus niet een van hen die twijfelen.95.Wees nimmer een van degenen die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot de verworpenen moogt behooren.96.Waarlijk zij, tegen wie dat woord van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven.97.Zelfs al werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor hen toebereide straf zullen gezien hebben.98.En indien dit niet zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vóór de uitvoering van hun doemvonnis, uitgenomen het volk vanJonas33. Toen zij geloofden bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten34.99.Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn?100.Geene ziel kan geloovendan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging uitstorten over hen die niet gelooven.101.Zeg: Beschouw alles wat in den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig nut voor degenen die niet willen gelooven.102.Verwachten zij dus een ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd, die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten.103.Dan zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware geloovigen bevrijden.104.Zeg: O bewoners vanMekka! indien gij in twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u, dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware geloovigen te zijn.105.En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen, die anderen naast God plaatsen.106.Roep nimmer naast God aan, datgene wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren.107.Indien God u door een ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij; en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem behagen; en hij is genadig en barmhartig.108.Zeg: O menschen! thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw bewaker niet.109.O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.1Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegtSavaryde woorden: Vrede zij met hem.2En niet een der machtigsten van hen; de Koreïshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil vanAboe Taleb. (Al Beidâwi).3Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners vanMekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgodentusschenpersonenvoor hen bij God waren.4Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.5Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.6Want zoo oud wasMahometalvorens hij de zending van profeet aannam (AbulfedVit.Moh.c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen.Al Beidâwiziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.7Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.8Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).9Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen vanNoach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in Arabië, van den tijd vanAbrahamtot dien vanAmroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.10Zijnde het Paradijs.11Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen.Al Ghazaliveronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.12Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.13Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.14Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.15Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.16Hetzij in de wereld of in het graf.17Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan wordenverhaast? (Savary).18Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.19ZieHoofdstuk VI, vers 40en volg.20ZieHoofdstuk IV, vers 44noot.21Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.22ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.23Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.24Zooals:Hoed,Saleh,Abraham,LotenShoaib, aan die vanAd,Thamoed,Babel,SodomenMidian.25ZieHoofdstuk VII, vers 101.26Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge Israëlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoordzijnopPharaoslaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouwAsaia,Mozesgeloofden. (Al Beidâwi).27Zoo verklaartJallalo’ddinhet oorspronkelijke woordKebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd.Al Zamakshariveronderstelt dientengevolge, dat het hier den Israëlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zóó in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naarMekkakunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, datKeblavanMozeswas, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, datPharaoden Israëlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.28Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het opMozesenAäronslaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten vanEgyptein steenen werden veranderd. (Jallalo’ddin.)29Of zooalsAl Beidâwihet vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, datMozesniet korter dan veertig jaren inEgyptebleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.30Men zegt, datPharaodeze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; wantGabriëlstopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.31Daar sommigen der kinderenIsraëlshet betwijfelden, datPharaowerkelijk verdronken was, deedGabriël, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier metlichaamis vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat hetPharaowas.32Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken,Mahometzelf, dan wel zijn toehoorder is.33Zijnde de inwoners vanNinweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thansalMawsilbevindt. Daar dit volk zich zelf, doorafgoderij, in het verderf had gestort, werdJonas, de zoon vanMattai(ofAmittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een Israëliet van den stam vanBenjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (JonasIII : 4.)Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfed. ZieHoofdstuk XXIenXXVII).34Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.
Tiende Hoofdstuk.Jonas1.Gegeven teMekka.—109 verzen.
Gegeven teMekka.—109 verzen.
Gegeven teMekka.—109 verzen.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.1.Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek.2.Was het eene vreemde zaak voor de bewoners vanMekka, dat wij onzen wil aan een hunner2hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is duidelijke tooverij.3.Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof3. Dit is God uw Heer: dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen?4.Tot hem zult gij allen terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doeteen schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig waren.5.Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen.6.En waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen die hem vreezen.7.Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor onze teekens.8.Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen zij hebben bedreven.9.Maar wat degenen betreft die gelooven en rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen.10.Daar zal hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete4zijn: Vrede!11.En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!12.Indien God het kwade bij de menschen wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings aan hunne dwalingen overgeven.13.Indien een mensch kwaad overkomt, bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande5, maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus, wat de zondaren bedreven, hun voorbereid.14.Wij hebben vroeger de geslachten vernietigd die vóór u bestonden, o bewoners vanMekka! toen gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo vergelden wij de schuldigen.15.Daarna deden wij u hen op aarde opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen.16.Indien onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen, die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord: Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naarmijn welgevallen zou veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn.17.Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen) u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb reeds tot den ouderdom van veertig jaren6onder u gewoond, alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen?18.En wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen zullen geen voorspoed genieten.19.Zij aanbidden naast God datgene, wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent?7. Geloofd zij hij! en het zij verre van hem8, wat gij met hem vereenigt!20.De menschen beleden vroeger slechts éénen godsdienst9, doch zij werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn.21.Zij zeggen dat, zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten.22.En toen wij de bewoners vanMekkaonze genade deden proeven, nadat zij door ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij bedriegelijk uitdenkt.23.Hij is het, die u op de vaste aarde en op de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige wind overvalt en degolven van alle zijden op hen aankomen, en zij zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn.24.Maar toen hij hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde, zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven; daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat gij hebt gedaan.25.Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden, en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit, voor hen die overwegen.26.God noodigt u tot de woning des vredes10en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt.27.Zij, die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en een overvloedig toevoegsel11. Noch zwartheid noch schaamte zal hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin voor eeuwig verblijven.28.Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij daarin blijven.29.Op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat naar uwe plaats, gij en uwe gezellen12, en wij zullen hen van elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt ons niet aangebeden13.30.En God is een toereikend getuige op uwe aanbidding van ons.31.Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten, zullen voor hen verdwijnen.32.Zeg: Wie voorziet u van voedseluit den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen?33.Dit is dus God, uw ware Heer, en wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt gij dus van de waarheid afgewend?34.Zoo heeft zich dit woord van God bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven.35.Zeg: Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u dus van zijn geloof afgewend?36.Zeg: Is er een van uwe gezellen die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt, dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus de oorzaak dat gij zoo oordeelt?37.En het grootste gedeelte hunner volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen.38.De Koran zou door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den Heer van alle schepselen nedergezonden39.Zeggen zij:Mahometis het, die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning aan naast God, indien gij waarheid spreekt.40.Maar zij hebben, datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben; hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij, die vóór hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden: maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was!41.Er zijn sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen, die niet daaraan gelooven14en hun Heer kent de boosdoeners wel.42.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet.43.Er zijn sommigen van hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als zij niets verstaan?44.En er zijn sommigen van hen die naar u zien; maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien.45.Waarlijk, God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen; maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen15.46.Op zekeren dagzal hij hen allen verzamelen, als waren zij niet langer gebleven16dan één uur van een dag; zij zullen elkander kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid.47.Hetzij wij u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft, of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren; daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen.48.Aan ieder volk werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig behandeld.49.De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen vervuld worden, indien gij waarheid spreekt?50.Antwoord: Ik ben noch in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen, zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal nimmer vervroegd worden.51.Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen wenschen verhaast te zien17?52.Als zij op u nederkomt, zult gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten.53.Dan zal tot de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt bedreven?54.Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen.55.Waarlijk, indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben, wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen18, nadat zij de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.56.Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan God? Is Gods belofte geenewaarheid? Maar het grootste deel hunner weet het niet.57.Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult gij allen terugkeeren.58.O menschen! thans is eene waarschuwinge van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel, die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware geloovigen59.Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid; dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de wereldscherijkdommen, welke zij bijeenvergâren.60.Zeg: verhaal mij van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard19? Zeg: Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene leugen tegen God uit?61.Maar wat zal op den dag der opstanding de meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste gedeelte hunner zijn niet dankbaar.62.Gij zult u in geenerhande omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen, noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom20is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in het duidelijke boek werd opgeschreven.63.Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden?64.Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen.65.Er is geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.66.Laat hunne gesprekken21u niet bedroeven. Alle glorie behoort aan God; hij hoort en ziet alles.67.Is niet alles wat in den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene ijdele meening en bedenken niets dan leugens.68.Hij is het, die den nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die luisteren.69.Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van God wat gij niet weet?70.Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben.71.Zij mogen tijdelijk in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren, en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij ongeloovigen waren.72.Herlees hun de geschiedenis vanNoach22, toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt dus tegen mij op en draalt niet.73.En indien gij u afwendtvan mijne vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooningvan u23. Ik verwacht mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in hem te stellen.74.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden hen den zondvloed overleven, doch wij deden hén verdrinken, die onze teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was van hen, die doorNoachgewaarschuwd werden.75.Wij zonden na hem gezanten tot de verschillende volkeren24en deze kwamen tot hen met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen wij de harten der zondaren.76.Na hem zonden wijMozesenAärontotPharaoen zijne vorsten met onze teekens25, doch zij gedroegen zich trotsch en waren zondig.77.En toen de waarheid van ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij.78.Mozeszeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed genieten.79.Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen, opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij gelooven u niet.80.EnPharaozeide: Breng alle kundige toovenaars tot mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeideMozestot hen: Werpt wat gij te werpen hebt.81.En toen zijhunne staven en koordenhadden nedergeworpen, zeideMozestot hen: De tooverij die gij hebt gedaan, zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen niet gelukken.82.En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen, niettegenstaande den tegenzin der zondaren.83.En niemand geloofde inMozes, behalve een geslacht van zijn volk26, uit vrees voorPharaoen zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. EnPharaowas machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren.84.EnMozeszeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt.85.Zij antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat wij door onrechtvaardigen lijden.86.Maar bevrijd ons door uwe genade van de ongeloovigen.87.En wij spraken door ingevingtotMozesen zijn broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt uw huizen tot eene plaats van aanbidding27, weest volhardend in het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen.88.EnMozeszeide: O Heer! waarlijk, gij hebtPharaoen zijn volk schitterende versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat zij uwe gestrenge straf hebben gezien.89.God zeide: Ulieder gebed is verhoord28; wees dus oprecht29en volg den weg der onwetenden niet.90.En wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken, enPharaoen zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze, tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat er geen God is buiten hem, in wien de kinderen Israëls gelooven en ik ben een der onderworpenen30.91.Thans gelooft gij, nadat gij te voren oproerig en een der snoodaards waart?92.Heden zullen wij uw lichaam31van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen;en waarlijk, een groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens.93.En wij bereidden voor de kinderen Israëls eene uitmuntende woning in het landKanaän, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen.94.Indien gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u hebben nedergezonden32, vraag dan hun, die het boek der wet vóór u hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees dus niet een van hen die twijfelen.95.Wees nimmer een van degenen die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot de verworpenen moogt behooren.96.Waarlijk zij, tegen wie dat woord van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven.97.Zelfs al werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor hen toebereide straf zullen gezien hebben.98.En indien dit niet zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vóór de uitvoering van hun doemvonnis, uitgenomen het volk vanJonas33. Toen zij geloofden bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten34.99.Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn?100.Geene ziel kan geloovendan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging uitstorten over hen die niet gelooven.101.Zeg: Beschouw alles wat in den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig nut voor degenen die niet willen gelooven.102.Verwachten zij dus een ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd, die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten.103.Dan zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware geloovigen bevrijden.104.Zeg: O bewoners vanMekka! indien gij in twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u, dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware geloovigen te zijn.105.En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen, die anderen naast God plaatsen.106.Roep nimmer naast God aan, datgene wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren.107.Indien God u door een ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij; en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem behagen; en hij is genadig en barmhartig.108.Zeg: O menschen! thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw bewaker niet.109.O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.
In naam van den lankmoedigen en barmhartigen God.
1.Elif. Lam. Ra. Dit zijn de teekenen van het wijze boek.2.Was het eene vreemde zaak voor de bewoners vanMekka, dat wij onzen wil aan een hunner2hebben geopenbaard, zeggende: Waarschuw de menschen indien zij niet gelooven, en breng goede tijdingen aan hen die gelooven, en zeg, dat zij van hunnen Heer de belooning voor hun geloof zullen ontvangen? De ongeloovigen zeggen: Dit is duidelijke tooverij.3.Waarlijk, uw Heer is God, die de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen heeft, en daarop zijnen troon besteeg om de regeering over alle dingen op zich te nemen. Er is geen tusschenpersoon, dan met zijn verlof3. Dit is God uw Heer: dien hem dus. Wilt gij dit niet overwegen?4.Tot hem zult gij allen terugkeeren, overeenkomstig Gods zekere belofte, want hij doeteen schepsel ontstaan, en daarna doet hij het terugkeeren, opdat hij degenen die gelooven en doen wat goed is, met rechtvaardigheid zou kunnen beloonen. Wat de ongeloovigen betreft, zij zullen kokend water drinken en zullen eene gestrenge straf ondergaan, omdat zij ongeloovig waren.5.Hij is het die de zon bevolen heeft des daags te schijnen en de maan als een licht bij nacht. Hij heeft hare standpunten bepaald, opdat gij het getal jaren zoudt kennen en de berekeningen van den tijd. God heeft dit niet zonder doel, maar met waarheid geschapen. Hij legt zijne teekens hun uit, die begrijpen.6.En waarlijk, in de wisseling van dag en nacht, en in alles wat God in den hemel en op aarde heeft geschapen, zijn teekens voor degenen die hem vreezen.7.Zij die niet hopen, ons op den jongsten dag te ontmoeten, en zich met het tegenwoordige leven tevreden stellen, zich daaraan met zekerheid toevertrouwen en die onverschillig zijn voor onze teekens.8.Hunne woning zal het hellevuur zijn wegens hetgeen zij hebben bedreven.9.Maar wat degenen betreft die gelooven en rechtvaardig handelen, hun Heer zal hen, om hun geloof, leiden; zij zullen rivieren bezitten die door lusttuinen stroomen.10.Daar zal hun gebed zijn: Geloofd zijt gij o God! en daar zal hunne groete4zijn: Vrede!11.En het einde van hun gebed zal zijn: Geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!12.Indien God het kwade bij de menschen wilde verhaasten, zooals hunne begeerte is om het goede te zien bespoedigen, waarlijk, dan zou hun einde spoedig gekomen zijn; maar wij laten hen, die ons niet na hunnen dood hopen te zien, zich blindelings aan hunne dwalingen overgeven.13.Indien een mensch kwaad overkomt, bidt hij tot ons, liggende op zijne zijde, of zittende of staande5, maar indien wij hem van zijne bedroeving verlossen, vervolgt hij zijne vroegere levenswijze, alsof hij ons niet had aangeroepen om hem tegen het kwaad te verdedigen, dat hem was overkomen. Zoo werd dus, wat de zondaren bedreven, hun voorbereid.14.Wij hebben vroeger de geslachten vernietigd die vóór u bestonden, o bewoners vanMekka! toen gij onrechtvaardig hadt gehandeld, en onze gezanten tot hen waren gekomen met duidelijke wonderen, en zij niet wilden gelooven. Zoo vergelden wij de schuldigen.15.Daarna deden wij u hen op aarde opvolgen, opdat wij zouden zien, hoe gij wildet handelen.16.Indien onze duidelijke teekens hun worden medegedeeld, zeggen degenen, die niet hopen, ons bij de opstanding te zien: Breng een Koran die van dezen verschilt, of breng er eenige verandering in. Antwoord: Het is niet voegzaam voor mij, dat ik dien naarmijn welgevallen zou veranderen: Ik volg alleen datgene wat mij werd geopenbaard. Waarlijk, ik vrees de straf van den grooten dag, indien ik mijn Heer ongehoorzaam zou zijn.17.Zeg: Indien het Gode had behaagd, zou ik ze (de verzen) u niet voorlezen en nimmer zou ik u die hebben doen kennen. Ik heb reeds tot den ouderdom van veertig jaren6onder u gewoond, alvorens ik die ontving. Zult gij het dan niet begrijpen?18.En wie is onrechtvaardiger dan hij die eene leugen tegen God uitdenkt, of zijne teekens van valschheid beschuldigt? Waarlijk, de boozen zullen geen voorspoed genieten.19.Zij aanbidden naast God datgene, wat hun schaden noch bevoordeelen kan, en zij zeggen: Dit zijn onze tusschenpersonen bij God. Antwoord: Zoudt gij God iets in den hemel of op de aarde kunnen doen kennen wat hij niet kent?7. Geloofd zij hij! en het zij verre van hem8, wat gij met hem vereenigt!20.De menschen beleden vroeger slechts éénen godsdienst9, doch zij werden daarna verdeeld, en indien Gods woord, waardoor hunne straf werd uitgesteld, niet vooraf geopenbaard ware geworden, zou het onderwerp hunner geschillen thans beslist zijn.21.Zij zeggen dat, zoolang hun geen teeken van hunnen Heer wordt nedergezonden, zij niet zullen gelooven. Antwoord: Waarlijk, het verborgene is alleen aan God bekend; wacht dus, en ik zal met u wachten.22.En toen wij de bewoners vanMekkaonze genade deden proeven, nadat zij door ongelukken waren overvallen, onthoudt het, dachten zij eene list tegen onze teekens uit. Zeg hun: God is behendiger in het uitvoeren eener list dan gij. Waarlijk, onze gezanten schrijven op wat gij bedriegelijk uitdenkt.23.Hij is het, die u op de vaste aarde en op de zee geleidt: als gij u in schepen bevindt en daar mede zeilt door een gunstigen wind, verheugt gij u daarin. En als hen een ongunstige wind overvalt en degolven van alle zijden op hen aankomen, en zij zich door onvermijdelijke gevaren bedreigd zien, roepen zij God aan met een oprecht geloof, zeggende: Waarlijk, indien gij ons van dit gevaar bevrijdt, zullen wij dankbaar zijn.24.Maar toen hij hen had bevrijd, onthoudt het, gedroegen zij zich boos op aarde, zonder rechtvaardigheid. O menschen! waarlijk, het geweld dat gij uwe eigene zielen aandoet, is alleen voor het vermaak van dit leven; daarna zult gij tot ons terugkeeren en wij zullen u verklaren wat gij hebt gedaan.25.Waarlijk, de gelijkenis van het tegenwoordige leven is niet anders dan water, dat wij van den hemel nederzenden, en waarmede de voortbrengselen der aarde zijn vermengd, waarvan de menschen eten en het vee, tot de aarde, na het opslorpen er van, haar kleed ontvangt en met verschillende planten wordt bedekt. Hare bewoners verbeelden zich, dat zij er de macht over hebben; maar ons bevel komt des nachts of bij dag, en dadelijk is het met den oogst, alsof er den vorigen dag nog niets ware geweest. Zoo leggen wij onze teekens uit, voor hen die overwegen.26.God noodigt u tot de woning des vredes10en leidt op den rechten weg wien het hem behaagt.27.Zij, die goed handelen, zullen de uitmuntendste belooning ontvangen, en een overvloedig toevoegsel11. Noch zwartheid noch schaamte zal hun aangezicht bedekken. Zij zullen het paradijs bewonen en daarin voor eeuwig verblijven.28.Maar zij die kwaad bedrijven, zullen de vergelding des kwaads ontvangen, daaraan gelijk, en zij zullen met schaamte bedekt worden (want zij zullen geen beschermer tegen God hebben, alsof hunne aangezichten met de diepe duisternis des nachts bedekt waren. Dezen zullen het hellevuur bewonen; eeuwig zullen zij daarin blijven.29.Op den dag der opstanding zullen wij hen allen verzamelen; daarna zullen wij tot de afgodendienaars zeggen: Gaat naar uwe plaats, gij en uwe gezellen12, en wij zullen hen van elkander scheiden en hunne gezellen zullen tot hen zeggen: Gij hebt ons niet aangebeden13.30.En God is een toereikend getuige op uwe aanbidding van ons.31.Daar zal iedere ziel ondervinden naar hetgeen zij heeft bedreven, en zij zullen voor God gebracht worden, haren waren Heer: en de valsche godheden, die zij in ijdelheid uitdachten, zullen voor hen verdwijnen.32.Zeg: Wie voorziet u van voedseluit den hemel en van de aarde? of wie heeft de volstrekte macht over het gehoor en het gezicht? en wie brengt het leven uit den dood voort? en wie regeert alle dingen? Zij zullen zekerlijk antwoorden: God! Zeg: Wilt gij hem dus niet vreezen?33.Dit is dus God, uw ware Heer, en wat blijft er anders, buiten de waarheid, over dan dwaling? Hoe zijt gij dus van de waarheid afgewend?34.Zoo heeft zich dit woord van God bij de boozen bewaarheid, dat zij nimmer zullen gelooven.35.Zeg: Is er een van uwe gezellen, die een schepsel voortbrengt en het daarna tot het niet doet terugkeeren? Zeg: God brengt een schepsel voort en doet het daarna tot het niet terugkeeren. Hoe hebt gij u dus van zijn geloof afgewend?36.Zeg: Is er een van uwe gezellen die tot de waarheid leidt? Zeg: God geleidt tot de waarheid. Is dus niet hij meer waardig gevolgd te worden, die tot de waarheid geleidt, dan hij die niet geleidt, tenzij hij zelf geleid worde? Wat is dus de oorzaak dat gij zoo oordeelt?37.En het grootste gedeelte hunner volgt slechts eene onzekere meening; maar eene meening vervangt de waarheid geenszins. Waarlijk, God weet wat zij doen.38.De Koran zou door niemand hebben kunnen samengesteld worden, behalve door God; het is eene bevestiging van hetgeen te voren werd geopenbaard, en eene uitlegging der schrift: daaraan is geen twijfel: hij werd door den Heer van alle schepselen nedergezonden39.Zeggen zij:Mahometis het, die hem heeft uitgedacht? Antwoord: Brengt dan een hoofdstuk voort dat daaraan gelijk is, en roept wien gij wilt ter uwer ondersteuning aan naast God, indien gij waarheid spreekt.40.Maar zij hebben, datgene van valscheid beschuldigd, waarvan zij geen begrip hebben; hoewel de verklaring daarvan tot hen gekomen zij. Evenzoo deden zij, die vóór hen bestonden en hunne profeten van bedrog beschuldigden: maar onthoudt wat het einde der onrechtvaardigen was!41.Er zijn sommigen van hen, die daaraan gelooven, en er zijn sommigen van hen, die niet daaraan gelooven14en hun Heer kent de boosdoeners wel.42.Indien zij u van bedrog beschuldigen, zeg: Ik heb mijn werk en gij hebt uw werk: gij zult onschuldig zijn aan hetgeen ik doe en ik zal onschuldig zijn aan hetgeen gij doet.43.Er zijn sommigen van hen die naar u luisteren; maar wilt gij de dooven hoorend maken, als zij niets verstaan?44.En er zijn sommigen van hen die naar u zien; maar wilt gij de blinden leiden, als zij niet zien.45.Waarlijk, God wil met niemand in eenig opzicht onrechtvaardig handelen; maar de menschen handelen onrechtvaardig met hunne eigene zielen15.46.Op zekeren dagzal hij hen allen verzamelen, als waren zij niet langer gebleven16dan één uur van een dag; zij zullen elkander kennen. Dan zullen zij vergaan, die de ontmoeting met God hebben geloochend, en niet op den rechten weg werden geleid.47.Hetzij wij u een gedeelte der straf doen zien, waarmede wij hen hebben gestraft, of wij u voor dien tijd doen sterven. Tot ons zullen zij terugkeeren; daarna zal God getuige zijn van hetgeen zij doen.48.Aan ieder volk werd een profeet gezonden, en toen hun profeet kwam, werd het geschil tusschen hen met eerlijkheid beslist, en zij werden niet onrechtvaardig behandeld.49.De ongeloovigen zeggen: Wanneer zullen deze bedreigingen vervuld worden, indien gij waarheid spreekt?50.Antwoord: Ik ben noch in staat om mij zelven voordeel te verschaffen, noch om ongeluk van mij af te wenden, dan wanneer het Gode behaagt. Voor ieder volk is een bepaald tijdstip vastgesteld; indien dus hun tijd is verloopen, zullen zij zelf geen uur uitstel erlangen; maar ook hunne straf zal nimmer vervroegd worden.51.Zeg: Verhaal mij, indien u Gods straf bij nacht of bij dag overvalt, welk gedeelte daarvan zullen de goddeloozen wenschen verhaast te zien17?52.Als zij op u nederkomt, zult gij er dan aan gelooven? Ja, dan zult gij er aan gelooven. Maar gij zult uitstel wenschen, als vroeger het verhaasten.53.Dan zal tot de goddeloozen gezegd worden: Onderga de straf der eeuwigheid; zoudt gij anders willen ontvangen dan de vergelding voor hetgeen gij hebt bedreven?54.Zij zullen van u begeeren te weten, of dit inderdaad waar is: Antwoord: Bij mijn Heer! het is zekerlijk waar: nimmer zult gij Gods macht verzwakken, noch die ontkomen.55.Waarlijk, indien iedere ziel die slecht gehandeld heeft, alles zou hebben, wat op aarde is, zou deze zich daarmede gewillig op den laatsten dag willen loskoopen. Zij zullen hun berouw verbergen18, nadat zij de straf zullen hebben gezien, en het geschil tusschen hen zal met eerlijkheid worden beslist en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden.56.Behoort niet alles wat in den hemel en wat op aarde is aan God? Is Gods belofte geenewaarheid? Maar het grootste deel hunner weet het niet.57.Hij geeft leven en hij doet sterven, en tot hem zult gij allen terugkeeren.58.O menschen! thans is eene waarschuwinge van uwen Heer tot u gekomen en een geneesmiddel voor den twijfel, die in uwe borst bestaat, en eene leiding en genade voor de ware geloovigen59.Zeg: Door de genade van God en zijne barmhartigheid; dat zij er zich dus in verheugen; dit zal hun voordeeliger zijn dan de wereldscherijkdommen, welke zij bijeenvergâren.60.Zeg: verhaal mij van datgene wat God u tot voedsel heeft nedergezonden, hebt gij een deel geoorloofd en een ander deel ongeoorloofd verklaard19? Zeg: Heeft God u geoorloofd, dit onderscheid te maken, of denkt gij eene leugen tegen God uit?61.Maar wat zal op den dag der opstanding de meening van hen zijn, die een leugen tegen God uitdenken? Waarlijk, God heeft eene onmetelijke goedheid omtrent de menschen; maar het grootste gedeelte hunner zijn niet dankbaar.62.Gij zult u in geenerhande omstandigheid bevinden; gij zult geen enkel woord in den Koran lezen, noch zult gij iets doen, of wij zullen uwe getuigen zijn, als gij daardoor wordt bezig gehouden. Zelfs het gewicht van een atoom20is, noch in den hemel, noch op de aarde, voor uwen Heer verborgen. Er is geen enkel ding lichter of zwaarder dan dit, hetwelk niet in het duidelijke boek werd opgeschreven.63.Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden?64.Zij, die in God gelooven en vreezen, zullen goede tijdingen in dit leven en in het volgende ontvangen.65.Er is geene verandering in Gods woorden. Dit zal eene groote gelukzaligheid zijn.66.Laat hunne gesprekken21u niet bedroeven. Alle glorie behoort aan God; hij hoort en ziet alles.67.Is niet alles wat in den hemel en op aarde woont aan God onderworpen? Waarom volgt gij dus degenen die afgoden naast God aanroepen? Zij volgen slechts eene ijdele meening en bedenken niets dan leugens.68.Hij is het, die den nacht voor u heeft bevolen, opdat gij daarin rust zoudt nemen, en den helderen dag voor den arbeid; waarlijk, daarin zijn teekens voor hen, die luisteren.69.Zij zeggen: God heeft een zoon. Verre zij dit van hem. Hij is zich zelven toereikende. Hem behoort alles wat in den hemel en op aarde is. Hebt gij machtiging om aldus te spreken? Zegt gij van God wat gij niet weet?70.Zeg: Waarlijk, zij die een leugen tegen God uitdenken, zullen geen voorspoed hebben.71.Zij mogen tijdelijk in deze wereld genieten, maar daarna zullen zij tot ons terugkeeren, en dan zullen wij hun eene gestrenge straf doen ondervinden, daar zij ongeloovigen waren.72.Herlees hun de geschiedenis vanNoach22, toen hij tot zijn volk zeide: O mijn volk! indien mijn verblijf onder u en mijne herinnering van Gods teekenen u bedroeven, stel ik in God mijn vertrouwen. Smeedt dus uw plan tegen mij en verzamelt uwe valsche goden, maar verbergt uw voornemen niet in het duister. Komt dus tegen mij op en draalt niet.73.En indien gij u afwendtvan mijne vermaningen, vraag ik daarvoor geene belooningvan u23. Ik verwacht mijne belooning van God alleen, en mij is bevolen mijn vertrouwen in hem te stellen.74.Maar zij beschuldigden hem van bedrog, zoodat wij hem bevrijdden en degenen die met hem in de arke waren, en wij deden hen den zondvloed overleven, doch wij deden hén verdrinken, die onze teekens van valschheid beschuldigden. Onthoud dus hoe het uiteinde was van hen, die doorNoachgewaarschuwd werden.75.Wij zonden na hem gezanten tot de verschillende volkeren24en deze kwamen tot hen met duidelijke teekenen, doch zij waren niet geneigd te gelooven in datgene, wat zij te voren als valsch hadden verworpen. Zoo verzegelen wij de harten der zondaren.76.Na hem zonden wijMozesenAärontotPharaoen zijne vorsten met onze teekens25, doch zij gedroegen zich trotsch en waren zondig.77.En toen de waarheid van ons tot hen kwam, zeiden zij: Waarlijk, dit is duidelijke tooverij.78.Mozeszeide tot hen: Spreekt gij aldus van de waarheid, nadat die tot u is gekomen? Is dit tooverij? Maar de toovenaars zullen geen voorspoed genieten.79.Zij zeiden: Zijt gij tot ons gekomen om ons af te leiden van den godsdienst, welken wij onze vaderen zagen beoefenen, opdat gij beiden het bevel over het land zoudt kunnen voeren? Maar wij gelooven u niet.80.EnPharaozeide: Breng alle kundige toovenaars tot mij. En toen de toovenaars waren gekomen, zeideMozestot hen: Werpt wat gij te werpen hebt.81.En toen zijhunne staven en koordenhadden nedergeworpen, zeideMozestot hen: De tooverij die gij hebt gedaan, zal God zekerlijk ijdel maken; want God doet de daden der boozen niet gelukken.82.En God wil de waarheid zijner woorden bevestigen, niettegenstaande den tegenzin der zondaren.83.En niemand geloofde inMozes, behalve een geslacht van zijn volk26, uit vrees voorPharaoen zijne vorsten, opdat die hen niet zouden onderdrukken. EnPharaowas machtig op de aarde, en was zekerlijk een der zondaren.84.EnMozeszeide: O mijn volk! indien gij aan God gelooft, stel dan uw vertrouwen in hem, indien gij aan zijn wil onderworpen zijt.85.Zij antwoordden: Wij stellen ons vertrouwen in God: o Heer! duld niet dat wij door onrechtvaardigen lijden.86.Maar bevrijd ons door uwe genade van de ongeloovigen.87.En wij spraken door ingevingtotMozesen zijn broeder, zeggende: Maakt woningen voor uw volk in Egypte gereed; vormt uw huizen tot eene plaats van aanbidding27, weest volhardend in het gebed en brengt den waren geloovigen goede tijdingen.88.EnMozeszeide: O Heer! waarlijk, gij hebtPharaoen zijn volk schitterende versierselen en rijkdommen in dit leven geschonken, o Heer! opdat zij van uwen weg mochten worden afgeleid. O Heer! vernietig hunne rijkdommen en verhard hunne harten, opdat zij niet gelooven, voordat zij uwe gestrenge straf hebben gezien.89.God zeide: Ulieder gebed is verhoord28; wees dus oprecht29en volg den weg der onwetenden niet.90.En wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken, enPharaoen zijn leger vervolgden hen op eene hevige en vijandige wijze, tot hij op het punt was te verdrinken, en toen zeide: Ik geloof dat er geen God is buiten hem, in wien de kinderen Israëls gelooven en ik ben een der onderworpenen30.91.Thans gelooft gij, nadat gij te voren oproerig en een der snoodaards waart?92.Heden zullen wij uw lichaam31van den bodem der zee doen oprijzen, opdat gij een teeken moogt zijn voor hen die na u zullen wezen;en waarlijk, een groot aantal menschen zijn onachtzaam omtrent onze teekens.93.En wij bereidden voor de kinderen Israëls eene uitmuntende woning in het landKanaän, en wij brachten goede dingen voor hun onderhoud voort en zij twistten niet nopens den godsdienst, dan nadat de kennis tot hen was gekomen. Waarlijk, hun Heer zal op den dag der opstanding nopens datgene tusschen hen richten, waaromtrent zij verschillen.94.Indien gij in twijfel verkeert nopens eenig gedeelte van datgene, wat wij u hebben nedergezonden32, vraag dan hun, die het boek der wet vóór u hebben gelezen. Thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen; wees dus niet een van hen die twijfelen.95.Wees nimmer een van degenen die Gods teekenen van valschheid beschuldigen, opdat gij niet tot de verworpenen moogt behooren.96.Waarlijk zij, tegen wie dat woord van uwen Heer werd uitgesproken, zullen niet gelooven.97.Zelfs al werden hun alle wonderen getoond, dan nadat zij de gestrenge, voor hen toebereide straf zullen gezien hebben.98.En indien dit niet zoo ware, zou menige stad, van de vele die verwoest werden, geloofd hebben, en het geloof harer inwoners zou hun ten voordeele hebben gestrekt; maar niemand van hen geloofde, vóór de uitvoering van hun doemvonnis, uitgenomen het volk vanJonas33. Toen zij geloofden bevrijdden wij hen van de straf der schande in deze wereld en lieten hun, voor zekeren tijd, hun leven en hunne bezittingen genieten34.99.Maar indien het uw Heer had behaagd, zouden allen die op aarde zijn, algemeen geloofd hebben. Wilt gij dus de menschen met kracht noodzaken, ware geloovigen te zijn?100.Geene ziel kan geloovendan met Gods verlof, en hij zal zijne verontwaardiging uitstorten over hen die niet gelooven.101.Zeg: Beschouw alles wat in den hemel en op aarde is. Maar teekens noch predikers zijn van eenig nut voor degenen die niet willen gelooven.102.Verwachten zij dus een ander dan een verschrikkelijk oordeel, dat over degenen geveld werd, die u voorafgingen? Zeg: Wacht en ik zal met u wachten.103.Dan zullen wij onze gezanten bevrijden en hen die gelooven. Dit is eene rechtvaardigheid welke wij verschuldigd zijn, dat wij de ware geloovigen bevrijden.104.Zeg: O bewoners vanMekka! indien gij in twijfel verkeert nopens mijnen godsdienst, waarlijk, ik verklaar u, dat ik de afgoden niet aanbid, die gij naast God aanbidt; maar ik aanbid God, die u zal doen sterven; en het is mij bevolen, een der ware geloovigen te zijn.105.En het werd mij gezegd: Wend uw aangezicht naar den waren godsdienst en wees vroom en nimmer een van degenen, die anderen naast God plaatsen.106.Roep nimmer naast God aan, datgene wat u bevoordeelen noch deren kan, want indien gij het doet, zult gij zekerlijk tot de onrechtvaardigen behooren.107.Indien God u door een ongeval bedroeft, is er niemand die het van u kan afnemen behalve hij; en indien hij u iets goeds toekent, is er niemand die zijne goedheid kan beletten. Hij kent het toe aan degenen zijner dienaren die hem behagen; en hij is genadig en barmhartig.108.Zeg: O menschen! thans is de waarheid van uwen Heer tot u gekomen. Hij dus, die geleid zal worden, zal ten voordeele zijner eigene ziel worden geleid: maar hij die dwaalt zal slechts ten nadeele zijner ziel dwalen. Ik ben uw bewaker niet.109.O profeet! volg wat u werd geopenbaard, en volhard met geduld, tot God zal richten; want hij is de beste rechter.
1Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegtSavaryde woorden: Vrede zij met hem.2En niet een der machtigsten van hen; de Koreïshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil vanAboe Taleb. (Al Beidâwi).3Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners vanMekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgodentusschenpersonenvoor hen bij God waren.4Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.5Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.6Want zoo oud wasMahometalvorens hij de zending van profeet aannam (AbulfedVit.Moh.c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen.Al Beidâwiziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.7Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.8Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).9Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen vanNoach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in Arabië, van den tijd vanAbrahamtot dien vanAmroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.10Zijnde het Paradijs.11Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen.Al Ghazaliveronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.12Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.13Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.14Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.15Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.16Hetzij in de wereld of in het graf.17Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan wordenverhaast? (Savary).18Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.19ZieHoofdstuk VI, vers 40en volg.20ZieHoofdstuk IV, vers 44noot.21Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.22ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.23Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.24Zooals:Hoed,Saleh,Abraham,LotenShoaib, aan die vanAd,Thamoed,Babel,SodomenMidian.25ZieHoofdstuk VII, vers 101.26Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge Israëlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoordzijnopPharaoslaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouwAsaia,Mozesgeloofden. (Al Beidâwi).27Zoo verklaartJallalo’ddinhet oorspronkelijke woordKebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd.Al Zamakshariveronderstelt dientengevolge, dat het hier den Israëlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zóó in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naarMekkakunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, datKeblavanMozeswas, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, datPharaoden Israëlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.28Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het opMozesenAäronslaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten vanEgyptein steenen werden veranderd. (Jallalo’ddin.)29Of zooalsAl Beidâwihet vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, datMozesniet korter dan veertig jaren inEgyptebleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.30Men zegt, datPharaodeze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; wantGabriëlstopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.31Daar sommigen der kinderenIsraëlshet betwijfelden, datPharaowerkelijk verdronken was, deedGabriël, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier metlichaamis vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat hetPharaowas.32Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken,Mahometzelf, dan wel zijn toehoorder is.33Zijnde de inwoners vanNinweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thansalMawsilbevindt. Daar dit volk zich zelf, doorafgoderij, in het verderf had gestort, werdJonas, de zoon vanMattai(ofAmittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een Israëliet van den stam vanBenjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (JonasIII : 4.)Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfed. ZieHoofdstuk XXIenXXVII).34Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.
1Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk vermeld. Achter dien naam voegtSavaryde woorden: Vrede zij met hem.
2En niet een der machtigsten van hen; de Koreïshieten zeiden dan ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden, dan den ouderloozen pupil vanAboe Taleb. (Al Beidâwi).
3Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze meening van de afgodendienende bewoners vanMekka, die zich verbeeldden, dat hunne afgodentusschenpersonenvoor hen bij God waren.
4Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen aan de zaligen.
5Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI : 19.
6Want zoo oud wasMahometalvorens hij de zending van profeet aannam (AbulfedVit.Moh.c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren, noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen.Al Beidâwiziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door niemand dan door God kon zijn onderwezen.
7Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.
8Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).
9Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord, of, volgens anderen, tot de dagen vanNoach. Sommigen veronderstellen, dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den toestand van den godsdienst in Arabië, van den tijd vanAbrahamtot dien vanAmroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst in die streken.
10Zijnde het Paradijs.
11Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden onmetelijk overtreffen.Al Ghazaliveronderstelt, dat deze toegevoegde belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.
12Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.
13Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden, gelijk zij hopen.
14Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel en gebrek aan nadenken niet gelooven.
15Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand, maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.
16Hetzij in de wereld of in het graf.
17Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan wordenverhaast? (Savary).
18Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden: Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.
19ZieHoofdstuk VI, vers 40en volg.
20ZieHoofdstuk IV, vers 44noot.
21Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.
22ZieHoofdstuk VII, vers 57enz.
23Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik u lastig ben.
24Zooals:Hoed,Saleh,Abraham,LotenShoaib, aan die vanAd,Thamoed,Babel,SodomenMidian.
25ZieHoofdstuk VII, vers 101.
26Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts weinigen der jonge Israëlieten in hem; de andere luisterden niet naar hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat het voornaamwoordzijnopPharaoslaat, en dat deze zekere Egyptenaren waren, die, evenals zijne vrouwAsaia,Mozesgeloofden. (Al Beidâwi).
27Zoo verklaartJallalo’ddinhet oorspronkelijke woordKebla, dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij het verrichten van het gebed is gekeerd.Al Zamakshariveronderstelt dientengevolge, dat het hier den Israëlieten wordt bevolen hunne bedehuizen zóó in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht naarMekkakunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling, datKeblavanMozeswas, zooals zij het die der Mahomedanen is. De eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, datPharaoden Israëlieten had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren, dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.
28Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het opMozesenAäronslaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten gevolge van dit gebed, al de schatten vanEgyptein steenen werden veranderd. (Jallalo’ddin.)
29Of zooalsAl Beidâwihet vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, datMozesniet korter dan veertig jaren inEgyptebleef, voor hij het eerst zijne zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen te brengen.
30Men zegt, datPharaodeze woorden bij zijn uiteinde dikwijls herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te laat; wantGabriëlstopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees, dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.
31Daar sommigen der kinderenIsraëlshet betwijfelden, datPharaowerkelijk verdronken was, deedGabriël, op Gods bevel, het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier metlichaamis vertolkt, beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen, dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten dat hetPharaowas.
32Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt gesproken,Mahometzelf, dan wel zijn toehoorder is.
33Zijnde de inwoners vanNinweh, dat op of nabij de plaats stond, waar zich thansalMawsilbevindt. Daar dit volk zich zelf, doorafgoderij, in het verderf had gestort, werdJonas, de zoon vanMattai(ofAmittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam zijner moeder was), een Israëliet van den stam vanBenjamin, door God gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden worden verdelgd (JonasIII : 4.)Maar toen de tijd naderde en zij den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al Beidâwi,Jallalo’ddin,Abulfed. ZieHoofdstuk XXIenXXVII).
34Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.